# De Zoon van Dik Trom

## Part 2

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-zoon-van-dik-trom-10971/index.md

Maar baker kon niet antwoorden vanwege de vijgen, die zij in den mond had. En er waren er te veel, dan dat zij ze had kunnen doorslikken. Kauwen durfde zij ook niet, want dan zou zij zichzelve dadelijk verraden hebben. Zij verkeerde nog in de heilige overtuiging, dat Dik niets van hare snoeperij had gemerkt. Zij zeide dus niets, maar haalde alleen de schouders op, ten teeken dat de reden van Jantjes geschreeuw haar totaal onbekend was. Doch met dat gebaar was Dik niet tevreden.

"Neen baker, haal nu de schouders niet op," zei hij op ernstigen toon, "maar zeg mij liever kort en goed, wat er de oorzaak van is. Hij moet toch ergens met zooveel volharding om schreeuwen!"

Baker haalde nogmaals de schouders op, en Dik keek haar ernstig aan.

"Scheelt er wat aan, baker? U trekt zoo'n raar gezicht," ging hij voort. "Heeft u pijn of zoo iets?"

Baker schudde ontkennend met het hoofd, maar het angstzweet brak haar uit, want de vijgen in haar mond begonnen haar verschrikkelijk zwaar te liggen, en zij kon haar mond bijna niet meer dicht houden. Zij kneep de lippen wanhopig stijf op elkander en liet den zwaren stroopbak haast vallen.

Dik had de grootste pret, en ging plagend voort:

"Heeft u kiespijn, baker?"

Baker schudde alweer van neen.

"Of buikpijn?"

Nogmaals hetzelfde gebaar.

"U lijkt wel stommetje te spelen, baker. Ik geloof, dat ik den dokter voor u moet halen."

De baker slaakte een diepen zucht, maar wilde blijkbaar niets van een dokter weten. Zij schudde heftig van neen.

"Maar zèg dan toch wat, baker! Zulk zwijgen is om er tureluursch van te worden. Of kan u niet spreken?"

De baker zei nog niets, maar keek wanhopig naar den zolder.

"Doe uw mond eens open, baker," ging Dik zonder medelijden voort, en hij pakte haar kin tusschen vinger en duim. Maar nu werd het baker te erg, en zij begreep, dat Dik heel goed had gezien, dat zij van de vijgen gesnoept had. Zij zette den stroopbak haastig neer en verliet in allerijl den winkel, terwijl Dik het uitschaterde van pret, omdat hij haar zoo geducht te pakken had gehad. Zij dorst den "baas" den geheelen dag niet meer aankijken van schaamte, en zij had nog grooter hekel aan hem dan vroeger, toen hij haar klompen vol water had geschept.

Maar haar snoeplust leerde zij er niet meê af. Die kwaal was bij haar te veel ingekankerd.

Dat bleek Dik, toen zijn zoontje een dag of acht oud was. In den winkel, achter een van de toonbanken, was een luik, waaronder zich de kelder bevond. Dik was in dien kelder, toen de winkelschel ging, maar de baker wist niet, dat Dik daar was. Zij kwam in den winkel en zag daar den loopjongen van den banketbakker, die eene heerlijke roomtaart kwam brengen, een geschenk van Piet van Dril en diens vrouw. Ha, de neusvleugels van vrouw Smul trilden van begeerte. Na haastig om zich heen gekeken te hebben, of zij wel alleen was, lichtte zij behendig het deksel van de doos en genoot van den heerlijken aanblik, dien de verrukkelijke taart opleverde.

Dik kwam langzaam en onhoorbaar naderbij. "Als zij gaat snoepen, zal ik het haar eens en voor altijd afleeren," dacht hij.

En jawel, vrouw Smul moest toch eventjes proeven. Met haar vinger streek zij er wat room af en stak het in den mond. Wat smaakte dat heerlijk! Zij smakte met de tong. En wat rook die taart lekker. Wacht, zij moest ook eventjes ruiken. Zij bracht de doos wat omhoog, haar neus naar omlaag, en genoot van den heerlijken geur....

Maar Dik was meer dan kwaad, want hij dacht, dat vrouw Smul er van snoepte. En in zijne boosheid gaf hij een geduchten duw tegen den bodem van de doos, zoodat neus en kin van de baker in een oogwenk tot in het hart van de taart doordrongen. En toen vrouw Smul die lichaamsdeelen weer uit hun ontijdig graf had opgedolven, zaten zij dik in de room. Zij leken wel roomhorentjes.

Vrouw Smul kon zich in het eerste oogenblik maar niet begrijpen, wat er gebeurd was, zoo snel was het in zijn werk gegaan, en zij gaf een gil van den schrik. Doos en taart liet zij op den vloer vallen, en zij vluchtte op een draf den winkel uit en de huiskamer in, waar Anneke in een schaterlach uitbarstte, zoo mal zag baker er uit. En zij kon haast niet tot bedaren komen, toen Dik haar vertelde wat er eigenlijk gebeurd was, al vond zij het meer dan jammer van de heerlijke taart.

"En wat zullen Piet van Dril en zijne vrouw het akelig vinden, als zij het hooren," zei Anneke.

"Die zullen het niet hooren," zei Dik. "Ik ga dadelijk een nieuwe taart bestellen, precies eender als deze, en wij noodigen Piet en zijne vrouw een avondje bij ons op de koffie, om haar te helpen opeten. Dan hooren zij er nooit iets van. Baker zal er haar mond wel over houden,--en wij praten er natuurlijk ook niet over."

Zoo geschiedde. Piet en zijn vrouw smulden er heerlijk van en vonden het prettig, dat de taart Dik en Anneke zoo lekker smaakte, maar zij hebben nooit geweten, dat het de hunne niet was. De baker wilde den heelen avond niet binnen komen. Zij bleef stil in de keuken. Maar Anneke zorgde toch, dat zij haar deel van de lekkernij kreeg.

Want zij paste uitstekend op den kleinen Jan, en dat waardeerde Anneke bizonder. Een paar dagen later ging de baker voor goed heen.

Vierde Hoofdstuk.

De eigenschappen van den kleinen Jan en het geduldige busje van de orgelvrouw.

De kleine Jan groeide zeer voorspoedig op, dat wil zeggen alleen in de lengte, want hij bleef broodmager, tot groote verbazing van Dik en Anneke, die elken dag opnieuw in de gelegenheid werden gesteld om zijn eetlust te bewonderen.

"Hij is precies een hazewindhond," zei Dik meer dan eens. "Hoeveel hij ook eet, hij blijft altijd even dun. 't Is verwonderlijk!"

Overigens was de kleine Jan een zeer voorlijk kind. Hij lachte al, toen hij nog maar enkele dagen oud was, en zijne tandjes kwamen zeldzaam vroeg. Hij kroop veel gauwer over den vloer, dan nog ooit eenig kind gedaan had, en kreeg mazelen, kinkhoest en waterpokken, toen andere kinderen van zijn leeftijd de gedachte daaraan nog niet in hun hoofd voelden opkomen.

Zijn grootvader hield daarom staande tegenover iedereen die het hooren wilde, dat de kleine Jan een bizonder kind was, en dat was-ie.

Jan was met zijn grootvader al spoedig goede maatjes. Toen hij nog heel klein was, wilde hij altoos op diens knieën zitten en paardje-rijden, zoodra hij hem maar zag, en als Grootvader zijn zin niet dadelijk deed, zette hij het zoo geweldig op een schreeuwen, dat zelfs Grootvaders gehoorvliezen er pijn van gingen doen. En dan haastte de oude man zich, om zijn kleinzoontje tevreden te stellen.

Zoodra Jantje loopen kon, en dat kon hij heel vroeg, liep hij grootvader overal na. Anneke was daar eerst wel wat ongerust over, omdat grootvader zoo erg doof was, maar toen haar Jantje altoos weer gezond en wèl terugkeerde in de ouderlijke woning, begon zij daar spoedig aan te wennen. Als Jantje zoek was, dacht ze al dadelijk: "O, hij zal wel weer bij grootvader wezen."

Toen Jantje zag, dat grootvader bijna altoos aan het timmeren was, schreeuwde hij net zoo lang, tot hij ook een hamer kreeg, en van dat oogenblik af deed hij niet anders dan hameren. Hij sloeg er meê tegen de toonbank, dat de weegschalen er van rinkelden, klopte op de vijgenmand met zooveel kracht, dat de pitjes uit de vruchten te voorschijn kwamen, hamerde een melkkan aan scherven en sloeg een barst in de winkelruit. Dat gebeurde alles op één dag, tot grooten schrik van Anneke, die hem den hamer afnam, toen het te laat was. Grootvader had er niets van gemerkt, en toen Anneke hem op de verwoesting attent maakte, keek hij die eenigen tijd in verbazing aan, tot hij eindelijk mompelde:

"Zie je wel, Anneke, dat Jantje een bizonder kind is?--En dat is-ie."

Dat bleek ook uit het feit, dat Jantje het geweldig op een schreeuwen zette, toen Anneke hem den hamer had afgenomen. Hij kon echter zoo hard niet schreeuwen, dat zijne Moeder hem dien teruggaf. Grootvader was bezig de stijfsellade te herstellen, die niet meer goed heen en weer kon schuiven. Jantje zat schreeuwend achter hem op den vloer, tot het twaalf uur werd en Grootvader naar huis moest om te eten. Grootvader legde den hamer in den spijkerbak en vertrok. Nauwelijks was hij verdwenen, of Jantje greep den hamer en zette de werkzaamheden voort. Hij sloeg draadnagels in de verschillende winkelladen, waar zij schots en scheef in terecht kwamen, timmerde Grootvaders rooden, katoenen zakdoek, dien hij vergeten had mede te nemen, als een vlag aan de toonbank vast, en ging naar het petroleumvat, om ook daar een paar draadnagels in te slaan. Maar toen viel zijn aandacht op de kraan, die in het vat zat, en Jantje sloeg er net zoo lang op met zijn hamer, tot de kraan uit het vat vloog en de petroleum in een breeden stroom op den vloer en op Jantjes beenen terecht kwam. Ha, dat vond Jantje pas mooi. Hij hield er den hamer onder, waardoor de stroom een bizonder mooien vorm kreeg en de droppels hem om de ooren spatten, en hij keek met innig welbehagen de gevolgen van zijn bemoeiingen aan. De petroleum bedekte weldra den geheelen vloer, en Jantje was zoo nat als een gedrenkte spons. Zijne Moeder had er geen erg in, want zij was in de keuken, tot zij opeens een geweldig geschreeuw vernam, zóó hevig, dat zij van schrik opsprong en naar den winkel ijlde. Maar nauwelijks had zij de deur geopend, of zij bleef als verstomd staan en keek met open mond naar de petroleum, die den geheelen vloer bedekte tot aan den drempel toe, waarop hare voeten stonden, en naar Jantje, die uit alle macht schreeuwde en met zijn hamer op het vat sloeg.

De tranen sprongen Anneke in de oogen, en zij was in één woord radeloos. Zij wist niet, wat ze beginnen moest. Ze kon niet eens bij haar zoontje komen, zonder door de petroleum te plassen, wat ze op hare pantoffeltjes onmogelijk doen kon.

En Jantje schreeuwde uit alle macht, niet om hetgeen hij gedaan had, ook niet omdat hij met de beentjes rechtuit in de petroleum zat, maar eenvoudig om. het feit, dat er geen petroleum meer uit het vat stroomde. Hij was er meer dan kwaad om, dat de stroom opgehouden had te vloeien, en hij meende net zoo lang te schreeuwen, tot het weer begon.

Bedroefd en niet wetende wat zij beginnen moest, snelde Anneke de achterdeur uit, om Grootvaders hulp in te roepen. Schreiende kwam zij daar binnen, en zij vertelde onder snikken en tranen, wat Jantje gedaan had.

"Wat is er?" vroeg Grootmoeder, toen zij Anneke zoo bedroefd zag staan. Grootvader stond ook van zijn stoel op en vroeg:

"Wat is er, Anneke? Wat scheelt er aan?"

De goede man voelde al naar zijn zakdoek, om haar de tranen van de wangen te vegen, want hij hield veel van Anneke. Maar hij vond zijn zakdoek nergens. Hij kon ook niet vermoeden, dat die als een vlag aan de toonbank wapperde.

"O, o," zei Anneke, "daar heeft Jantje me de kraan uit het petroleumvat geslagen...."

"Den haan uit het kippenhok doodgeslagen?" vroeg Grootvader ontsteld. "Hoe komt het kind er bij."

"Neen, neen," zei Anneke met haar mond aan Grootvaders oor, "de kraan uit het petroleumvat geslagen, en nu is alle petroleum uit het vat geloopen, en Jantje zit er midden in. Ik weet niet, wat ik beginnen moet...."

Grootvader had nu goed verstaan. Hij trok zijn klompen aan en stapte den winkel binnen, waar Jantje nog zijn uiterste best deed, om petroleum uit het leege vat te laten vloeien. Hij schreeuwde als 't ware moord en brand.

Grootvader keek ook niet weinig verschrikt, evenals een paar vrouwtjes, die juist kwamen aanloopen om boodschappen te halen.

Trom plaste op zijn klompen door de petroleum en pakte Jantje op, dien hij regelrecht naar de keuken bracht.

"Hier Griet, kleed hem maar dadelijk uit en stop hem in de tobbe," zei hij tegen zijn vrouw, die van schrik bijna niet spreken kon, toen zij de ramp in oogenschouw nam.

Daarna haalde Grootvader eene tobbe uit het schuurtje, benevens een paar dweilen, en begon den vloer op te dweilen.

Hij schudde daarbij echter bedenkelijk met het hoofd, want hij begreep zeer goed, dat de zaak zoo gemakkelijk niet in orde kwam. Jantje schreeuwde intusschen honderd-uit, want hij werd door Moeder en Grootmoeder naakt uitgekleed en in een warm bad gestopt. Zijn kleeren waren onbruikbaar geworden.

Dat laatste was ook het geval met den winkelvloer. Trom besloot dan ook dadelijk de handen uit de mouwen te steken De geheele vloer werd opgebroken en door een nieuwen vervangen, wat den ouden man heel wat werk bezorgde, 't Is te begrijpen, dat Dik verbaasd opkeek, toen hij 's avonds thuis kwam en hem het gebeurde verteld werd.

"Die kleine hazewindhond, hoe krijgt hij 't in zijn hoofd," zei hij eindelijk. En Grootvader zei:

"Ik zeg, dat hij een bizonder kind is, Dik, net als jij, en dat is-ie."

Sinds dien dag werd het petroleumvat zoo geplaatst, dat Jantje er niet meer bij kon. En de kleine kerel kreeg van zijn vader een houten hamertje, waar hij niet veel kwaad mee kon doen. Hij timmerde nu den geheelen dag en hielp Grootvader op zijn manier bij al diens werk. Hij liet zich daarbij door niets storen, of het moest door een draaiorgel zijn. Dat vond hij zoo verrukkelijk mooi, dat hij er zelfs zijn eten voor liet staan, wat hij anders voor geen geld ter wereld zou doen. En nog mooier vond hij het busje, waarin de vrouw van den orgeldraaier het geld ophaalde. De orgeldraaier en zijne vrouw woonden op het dorp en kwamen vast elken Dinsdag met het orgel rond. Dat was erg lastig voor Anneke, want die had dan altoos waschdag, en moest toch al elk oogenblik haar waschgoed in den steek laten, om de klanten in den winkel te helpen.

Eens op een Dinsdagmorgen had zij het daarmede erg druk gehad, toe het geluid van het orgel al van verre tot haar doordrong. Ook Jantje had het gehoord. Hij was toen een jaar of drie en kon dus de deur al zelf opendoen.

't Geluid van het orgel kwam naderbij, en Jantje was in de voordeur gaan staan, om van de muziek zooveel mogelijk te genieten. Eindelijk was het orgel tot voor den winkel gekomen en verscheen Mietje, de vrouw van den orgeldraaier, die Klaas Touw heette, aan de deur. Jantje haastte zich naar de keuken, en zei:

"Moedel, daal is Klaas Touw met het olgel." De r kon hij nog niet zeggen, zoodat hij gemakshalve daar maar een l voor nam.

"Hè, wat een gezeur van morgen," zei Anneke, wie de zweetdroppels op het voorhoofd parelden van de drukte. "Er ligt wel een cent in de toonbanklade, Jantje, je weet wel."

"Ja moedel," zei Jan, en weg was hij.

Hij greep een handjevol centen en begaf zich naar Mietje.

Hij legde een cent in het bakje en zag hem met de grootste belangstelling door de gleuf verdwijnen, want dat vond hij iets zeer geheimzinnigs. Toen de cent weg was, legde hij er een tweeden in, die op dezelfde eigenaardige wijze in de diepte verdween. Daarna een derde, en een vierde, en een vijfde. Dat ging zoo voort tot Jantjes handje leeg was. Mietje was blijkbaar een heel geduldig vrouwtje en zij streek Jantje liefkoozend over zijn kopje.

"Wacht even, ik zal del nog meel halen," zei Jantje, en hij voegde de daad bij het woord. De toonbanklade was nog lang niet uitgeput en Jantje vond het heel aardig, dat het orgel zoo lang bleef draaien, en dat de centen zoo mooi in de bus verdwenen.

"Flap," daar viel er weer een naar beneden, tot groote pret van Jantje, die er hardop om lachen moest. "Flap," weer een, en nog een, en nog een, tot zijn handje alweer leeg was. En tot zijn groote vreugde draaide het orgel nog maar steeds door, en bleek Mietje vriendelijk genoeg om voor zijn plezier nog een poosje te blijven staan.

"Wacht even," zei Jantje, "ik zal del nog meel halen. El zijn del nog genoeg."

Nu, dat was waar, en hij kwam al spoedig weer met een handjevol terug.

"Flap," ging het alweer, en "flap, flap, flap," volgden de andere. Anneke was zoo druk aan het wasschen, dat zij het heele orgel vergeten was. Gelukkig, dat er nu eens een poosje geen klanten kwamen....

Jantje liep geregeld heen en weer van Mietje naar de lade, en van de lade naar Mietje, wier geduld onuitputtelijk bleek. Jantje vond haar erg zoet, dat ze zoo lang blijven wou en dat hij zoo prettig met het busje mocht spelen.

Maar eindelijk was de voorraad centen uitgeput, en daarom begon Jantje met de dubbeltjes, die hij in de lade vond. Gelukkig kwam er juist een meisje den winkel binnen om een half pond suiker te halen en toen ze zag, wat Jantje deed, zei ze:

"Zeg, stoute jongen, dat mag je niet doen." Zij nam Jantje de dubbeltjes af, die hij in de hand had, en riep luid:

"Vollek!--Vollek!"

Opeens bleek Mietje haast te krijgen. Zij wenkte Klaas, die onmiddellijk den slinger van het orgel in rust bracht, en samen vervolgden zij met meer dan gewonen spoed hun tocht. Zij liepen zelfs zonder te spelen verscheidene huizen voorbij, en verdwenen in een achterbuurtje.

Jantje was echter boos en begon luidkeels te schreeuwen. Maar zijn Moeder was nog boozer, toen zij van het meisje vernam wat er gebeurd was, en zij gaf Jantje voor zijne broek en zette hem in de woonkamer met bevel, dat hij daar den geheelen middag blijven moest. Klaas Touw en Mietje kregen, toen zij weer met het orgel kwamen, een geducht standje van haar en mochten in geen vol jaar meer aankomen.

"Je hebt wel voor een jaar genoeg gehad," zei Anneke boos, "en 't is een schande, dat je het geld aangenomen hebt. Als je fatsoenlijke menschen waart, zou je mij gewaarschuwd hebben."

Of Mietje al zei, dat het zoo erg niet geweest was, en dat Jantje maar een cent of vijf in het busje had gedaan, 't hielp haar niets.

"Je hebt voor een jaar genoeg gehad, en daarmede is het uit," zei Anneke beslist. Boos deed ze de deur voor Mietje's neus dicht.

Vijfde Hoofdstuk.

Jantje en de school.

Jantje bleef zeer voorspoedig opgroeien. De gewone kinderziekten had hij al lang achter den rug, verkouden was hij nooit, en voor koorts scheen hij geen aanleg te hebben. Hij was buitengewoon levendig van natuur, waarvan het gevolg was, dat zijne Moeder hem zelfs met geen stok in huis kon houden.

Eerst had zij daartoe wel alle middelen, die haar ten dienste stonden, in 't werk gesteld, maar tevergeefs. Toen hij nog erg klein was, volgde hij steeds zijn Grootvader als diens schaduw, en dan timmerde hij den geheelen dag, maar toen hij een jaar of vier werd, vond hij daar niet veel pleizier meer in. Hij ging toen liever de buurt op, en was bijna altoos op de smerigste plaatsen te vinden, die er bestonden. Hij zag er daardoor gewoonlijk ontoonbaar uit. De modder zat hem dikwijls tot in de haren, zijne broek was bijna altoos hier of daar gescheurd, en zijn handen zagen zoo zwart als roet. Wel tienmaal op een dag greep Anneke hem bij den arm, nam hem mêe naar de keuken, en boende hem met groene zeep schoon, waarbij de kleine patiënt gewoonlijk een erbarmelijk geschreeuw deed hooren, zoo erg, dat de klanten, die in den winkel kwamen, soms dachten, dat er iemand vermoord werd. In die meening werden zij dan nog versterkt door de noodkreten van Jantje, die op zijn gewonen huilerigen toon niets anders deed, dan schreeuwen:

"Ik wou, dat ik dood was! Ik wou, dat ik dood was! Ik moet ook altijd maar gewasschen worden!"

Zijn moeder toonde echter niet het minste medelijden en hield niet op, voordat Jantje vanwege de groene zeep blonk als een spiegeltje.

't Was maar jammer, dat het slechts voor zoo korten tijd hielp. Geen tien minuten later zat Jantje weer in de modder te baggeren. Zijn voeten waren meestal kletsnat, want hij bewoog zich graag aan de slootkanten, om naar de kikkers te kijken en watertorren te vangen.

Toen hij vier jaar oud was, kwam hij voor het eerst met een nat pak thuis. Hij had kopje-onder in het water gelegen. Dat gaf een schrik bij Anneke, en zij besloot kort en goed hem voortaan in huis te houden. Zij sloot hem in den tuin op. Maar dat beviel haar nog veel minder, want tot haar schrik zag zij hem 's morgens om negen uur al op de vorsten van het schuurtje zitten, en even later kwam hij naar beneden tuimelen. Anneke zag het juist gebeuren, en zij dacht, dat hij wel dood zou zijn. Zij zat als met lamheid geslagen op haar stoel en was niet bij machte om op te rijzen en Jantje te gaan helpen. Dat bleek echter ook niet noodig te zijn, want Jantje sprong dadelijk overeind en klom weer tegen het schuurtje op. Een poosje later zat hij weer op de vorsten. Eerst was hij wel een beetje bleek van den schrik, maar dat werd spoedig beter.

Anneke besloot hem niet meer op te sluiten, zoodat Jantje 's middags weer in de buurt rondwandelde.

Toen Dik het 's avonds hoorde, moest hij er braaf om lachen, en hij zei:

"Wel, wel, kan die hazewindhond zóó klimmen? Kijk Anneke, dat is nu iets, wat ik in mijn jeugd nooit heb kunnen doen, omdat ik zoo dik was. Ik vind het wel aardig."

Anneke vond het dat niet, en zij klaagde zóó over de zorg, die zij van den vroegen morgen tot den laten avond over Jantje had, dat Dik besloot hem voortaan, als het goed weer was, maar meê te nemen op den wagen.

Dat was een kolfje naar Jantjes hand. Ha, wat vond hij het prettig om naast Vader op den bok van den wagen te zitten. Soms mocht hij de leidsels vasthouden of met de zweep klappen. Van slaan was geen sprake; dat wilde Dik volstrekt niet hebben. Zelf deed hij het ook alleen in bizondere omstandigheden. Het was dan ook werkelijk niet noodig, want de hit van Dik kon verbazend hard loopen. Dat beweerde Dik niet alleen, maar alle menschen op het dorp zeiden het. Die hit was eigenlijk een harddraver en Dik kende geen hit, uren in den omtrek, die zoo hard loopen kon als de zijne. Eén ding was maar jammer. De hit had namelijk wel eens koppige buien, eene kwaal, die ook andere hitten wel met hem gemeen hebben. Als hij in zoo'n booze bui was, bleef hij vierkant op den weg staan met de pooten wijd uit elkander. Dan was er geen beweging in hem te krijgen. Eerst had Dik zijne toevlucht wel eens genomen tot de zweep, hoewel hij daar een geduchten hekel aan had, maar 't had hem totaal niets geholpen. Eindelijk was Dik op 't idée gekomen om hem een klontje suiker voor den bek te houden, en als de hit het pakken wilde, hield hij het weer een eindje verder. Dat hielp goed, want de hit hield veel van klontjes, en liep zijn meester dan dadelijk na. En onder het smullen vergat hij zijn koppige bui, zoodat Dik weer op den bok kon gaan zitten. Als de hit weer eens niet voort wilde, nam Dik dadelijk een klontje suiker, en dan was de zaak in orde. Maar de hit was slim, en telkens als hij trek kreeg in een klontje, bleef hij midden op den weg staan en ging niet verder, vóór hij zijn zin gekregen had. Dat gebeurde spoedig wel al een keer of tien op een dag, zoodat Dik begreep, dat het niet langer ging. Hij gaf den hit geen enkel klontje meer, al bleef hij ook een half uur op den weg staan. Zoo leerde het beest langzamerhand zijn snoeplust weer af. Maar de koppige buien kwamen telkens terug. Wel niet dikwijls, maar toch te veel naar Dik's zin. 't Was overigens een prachtige hit, die zijns gelijke niet had in het loopen. Dik hield dan ook bizonder veel van hem, en Jantje vond het wát heerlijk, als het lieve paardje zoo lustig voor den wagen draafde.

En Dik vond het prettig, als de kleine Jan naast hem op den bok zat. Als 't mooi weer was, mocht Jantje altoos met hem mee, en dat gaf Anneke heel wat rust. Deze had het trouwens al druk genoeg met den winkel.

Eindelijk werd Jantje vijf jaar en toen moest hij naar school. Maar daar had hij in 't geheel geen zin in. Het vrije leventje en de toertjes met zijn vader bevielen hem veel te goed, en hij hield stijf en strak vol, dat hij nooit en nooit naar school wilde.

Toch moest het gebeuren, en Dik bracht hem er zelf heen.

Och, och, wat schreeuwde de kleine baas, en wat deed hij eene moeite om los te komen. Maar dat lukte hem niet, want zijn vader hield hem stevig vast.

Hij schreeuwde nog, toen hij door de Juffrouw in ontvangst werd genomen, en hoeveel moeite zij ook deed om hem tot bedaren te brengen, 't hielp haar niets. De andere nieuwelingen keken hem met de grootste verbazing aan. Zulk schreeuwen hadden zij blijkbaar nog nooit gehoord.

