De Zoon van Dik Trom

Part 12

Chapter 12 2,560 words Public domain Markdown

Hij stak zijn sikkel onder water, en wilde hem met een ruk bovenhalen, doch dat gelukte hem niet. De sikkel bleef ergens aan vastzitten.

De pottenschipper nam een langen stok, en schreeuwde den jongens toe:

"Als je niet weggaat, sla ik er op! Vooruit, kwâjongens, je hebt hier geen boodschap."

Jan trok zoo hard hij kon aan den sikkel, om hem los te krijgen, maar dat ging niet. Er zat iets zwaars aan.

"Help me even!" riep hij Karel toe. En tot den boozen schipper zeide hij:

"Wij gaan dadelijk heen. Maar eerst moet ik mijn sikkel losmaken."

"Vooruit, zeg ik je!"--schreeuwde de schipper. "Allo, marsch!"

De twee jongens trokken, wat zij konden.

Zij voelden, dat er iets zwaars naar boven kwam. De pottenschipper werd hoe langer hoe boozer. Hij schreeuwde zóó hard, dat de voorbijgangers op den weg bleven staan.

Maar Jan en Karel waren niet van plan hun sikkel in den steek te laten. Zij spanden al hunne krachten in.

Ha, daar stak iets boven water uit. Jan bukte zich, en pakte het beet.

"Een ketel!" riep hij uit. "En daar zit er nog een aan vast. Een pot! Help Karel,--hier zijn, geloof ik, de gestolen voorwerpen uit de tenten..."

't Was werkelijk zoo. De jongens haalden verscheidene dingen op het ijs, en zij herkenden ook den koperen ketel van Mietje. Tot hun groote verbazing bemerkten zij, dat al die voorwerpen met een koperdraad aan elkander verbonden waren, en dat het einde van dat draad een paar centimeter onder water aan het roer bevestigd was.

De jongens werden verbazend opgewonden, en zij riepen den menschen op den weg luidkeels toe, dat zij de gestolen voorwerpen gevonden hadden. In minder dan geen tijd waren zij door een groot aantal menschen omringd, die luide hunne verbazing te kennen gaven.

"Dat moet de burgemeester weten!" riep er een uit, en hij ijlde naar de woning, die Jan en Karel nog maar kort geleden verlaten hadden.

't Leek wel, of de menschen konden ruiken, dat er iets bizonders aan de hand was. Van alle kanten kwamen zij toeloopen, en de kring om de schuit van den pottenschipper werd bij de minuut grooter. Het ijs, al was het nog zoo sterk, kon de samengepakte menschenmassa bijna niet dragen. De ijsvloer boog sterk door, en er kwam veel water op.

De pottenschipper zei niets meer. Hij stond op zijne schuit, en hield de oogen op de gevonden voorwerpen gericht, maar af en toe keek hij de twee jongens aan, en dan zag hij er alles behalve vriendelijk uit.

"Wat is daar te doen?" riep eene stem.

Opziende zag Jan zijn vader, die met den hit en den wagen van 't venten terugkeerde. Jan zwaaide met beide armen, en riep:

"O Vader, we hebben de gestolen potten en ketels gevonden. Kom maar gauw kijken. Hier liggen ze!"

In een oogenblik was Dik van den wagen gesprongen. Hij wierp de leidsels op den rug van den hit en snelde het ijs op.

Och, och, wat een drukte hadden de menschen.

"Of de pottenschipper er dan toch van wist!" riep de een.

"Zoo komen zijne schelmerijen aan het licht," zei een tweede.

"Hij zal nu zijn gerechte straf niet ontloopen," profeteerde een derde.

Iedereen had wat te zeggen, en velen beweerden, dat zij het altijd wel van den pottenschipper gedacht hadden.

Opeens kwam er stilte onder den drom en eerbiedig week men op zijde, om den burgemeester door te laten. Weldra had hij de schuit bereikt en zag hij de gevonden voorwerpen op het ijs liggen.

"Wie heeft die dingen opgehaald?" vroeg hij. Jan en Karel namen hunne petten af, en zeiden:

"Wij waren hier aan het paling vangen, burgemeester, en toen bleef een van de sikkels er aan vastzitten. Kijk, ze zijn met een koperdraad aan elkander verbonden, en het einde daarvan is aan het roer bevestigd."

"Ja, ja," zei de burgemeester, die de jongens met de grootste verbazing aanstaarde. "Maar hoe heb ik het nu? Heb ik jullie dan niet opgedragen, een briefje voor mij aan Flipsen te brengen in het raadhuis? En hoe kom je dan hier? Daar begrijp ik niets van!"

Jan nam zijn pet nu geheel af, en zeide:

"Dat is waar, burgemeester, maar ik vertrouwde dat briefje niet. Ik geloofde stellig, dat Flipsen ons moest opsluiten..."

"Dat was ook zoo," viel de burgemeester driftig in. "En waarom heeft hij dat niet gedaan?"

"Wij waren onschuldig, burgemeester," zei Jan.

"Die praatjes kennen wij, en zij doen ook niets ter zake. In dien brief gaf ik Flipsen last, jullie op te sluiten,--en nu sta je alle twee hier? Hoe komt dat?"

"Burgemeester," zei Jan, "wij hadden het niet gedaan, maar twee andere jongens waren de schuldigen. Toen wij op weg waren naar het raadhuis, hebben die twee ons zelf verteld dat zij het uit de grap gedaan hadden, en ziet u..."

"Wat ... ziet u?" viel de burgemeester in, toen Jan een oogenblik met zijn verhaal haperde.

"Toen dacht ik," vervolgde Jan, "dat het voor ons beter was, als _zij_ dat briefje maar aan Flipsen brachten, en vroeg ik hun, of zij het even wilden aanreiken..."

"En toen?" vervolgde de burgemeester.

"Dat hebben zij gedaan," zei Jan.

"Maar dan zitten op 't oogenblik _die_ twee jongens onder het raadhuis opgesloten, in plaats van jelui!" riep de burgemeester uit.

"Dat zal dan zoo wel wezen, burgemeester," zei Jan.

De menschen schoten in een onbedaarlijk gelach, want zij vonden de geheele zaak verbazend grappig. Ook de burgemeester kon haast zijn lachen niet bedwingen. En eindelijk gelukte hem dat in het geheel niet meer. Hij proestte het opeens uit.

"Ha-ha-ha!" riep hij lachend uit, "wat is dat een grappige historie. En hadden jullie dan echt die fuiken niet gelicht?"

"Neen burgemeester, dat hebben die twee jongens gedaan."

"Ha-ha-ha,--en wie zijn dat dan?"

"Frans Thor en Klaas Zwart, burgemeester," zei Jan.

Op dit oogenblik drong Flipsen tusschen het volk door. Hij kwam uit het raadhuis en wilde zien, wat er aan de hand was. Nauwelijks zag hij den burgemeester, of hij sloeg aan en zei:

"Uw bevel is uitgevoerd, burgemeester, de jongens zitten elk in een cel. Ik geloof ook wel, dat wij de rechte personen op den kop hebben getikt."

"Maar het zijn de verkeerde!" riep de burgemeester hem lachend toe. "Deze twee had-je moeten hebben!"

Wat keek Flipsen verwonderd, en zijne verbazing nam nog toe, toen hij de gevonden voorwerpen op het ijs zag liggen. De burgemeester vertelde hem in korte woorden, wat er gebeurd was.

Flipsen lachte slim. Hij bekeek de potten en ketels met aandacht en liet ook het koperdraad door zijne vingers glijden. Toen zag hij meteen, dat dit aan het roer bevestigd was.

"Burgemeester," zei hij, "U zegt, dat wij de verkeerde jongens opgesloten hebben, maar ik beweer, dat het, al is het dan ook bij toeval, de goede zijn. Frans Thor en Klaas Zwart hebben deze dingen gestolen, en ze hebben ze verkocht aan den pottenschipper, die ze in het water heeft laten zinken om ze te verbergen. Hij is wèl slim geweest maar toch niet slim genoeg."

"'t Is een grove leugen!" zei de pottenschipper. "Die jongens zullen ze vermoedelijk zelf hier in het water hebben laten zakken, om de verdenking op mij te schuiven."

"Zoo," zei Flipsen, "dan hebben ze zeker aan jou een stukje koperdraad te leen gevraagd, niet waar? Want in je schuit heb ik precies zulk koperdraad zien liggen."

De pottenschipper werd doodsbleek.

"Ga het halen, Flipsen," gebood de burgemeester.

Flipsen verdween in de schuit, en kwam weldra met een rol koperdraad terug. Het bleek, dat het draad aan de ketels en potten daarmede precies overeenstemde.

"Burgemeester," zei Flipsen, "de jongens, die op 't oogenblik onder 't raadhuis opgesloten zitten, zijn de stelers, en de pottenschipper is de heler. Ondervraagt u de jongens maar één voor één, dan zal u zien, hoe gauw zij door de mand vallen. Vooral Klaas Zwart."

"Zoo zal het gebeuren," zei de burgemeester. "Schipper, je gaat mede naar het raadhuis, en Flipsen, neem jij die voorwerpen in beslag. Ik houd mij overtuigd, dat wij de bende thans op het spoor zijn. En jelui, jongens," vervolgde hij vriendelijk tot Jan en Karel, "zal ik het voor dezen keer vergeven, dat je mijn bevel, om den brief bij Flipsen te bezorgen, niet hebt uitgevoerd. Je bent een paar slimme rotten!"

Och och, wat had Dik een pret, toen hij aan Anneke vertelde, wat Jan gedaan had. Hij schoot er telkens opnieuw over in een lach, en ook Grootvader en Grootmoeder moesten het dadelijk vernemen, toen zij even bij Dik en Anneke kwamen aanloopen.

De oude Trom vond het blijkbaar een verbazend scherpzinnigen zet van Jantje. Hij trok een poosje aan zijn bakkebaardjes en zei toen:

"Ja, Dik, zie-je, ik heb het altoos wel gezegd: Jan is ook een bizonder kind, en dat is-ie."

Veertiende Hoofdstuk.

Besluit.

't Gebeurde werkelijk, zooals Flipsen voorspeld had. Niet zoodra verscheen Klaas Zwart in de burgemeesterskamer, en zag hij daar den pottenschipper staan naast de potten en ketels, die uit het water waren opgevischt, of hij begon over al zijne leden te beven, en de tranen sprongen hem in de oogen.

"Kom nader," gebood de burgemeester.

Klaas kwam tot vlak voor de tafel, waarachter het hoofd der gemeente in een leuningstoel gezeten was. Deze keek hem doordringend aan, maar zeide niets. Klaas sloeg de oogen naar den grond.

Eindelijk zei de burgemeester kortaf:

"Vertel mij alles, wat je daarvan weet. Maar vergeet niet, dat ik enkel _waarheid_ wil hooren. Leugens zouden je trouwens niet meer baten, want alles is ontdekt. Spreek op!"

Zweetdroppels parelden Klaas op het voorhoofd van angst.

Hij hief de samengevouwen handen op en zeide snikkend:

"O burgemeester, vergeef u het me voor dezen keer astublief. O, ik heb er zoo'n spijt van."

"Waarvan?" vroeg de burgemeester gestreng. "Spreek op, jongen, wààr heb je spijt van?"

"Dat ik gestolen heb," zei Klaas zacht.

"Die potten en ketels?"

"Ja burgemeester."

"En al die dingen, die bij de verschillende menschen op het dorp worden vermist?"

"Ja burgemeester."

"Heb je dat alles alleen gedaan?"

"Neen, met Frans, burgemeester."

"Zoo, zoo.--'t Is wat fraais. En wie hebben dat net gelicht van morgen?"

"Wij ook," zei Klaas.

"En waar liet je al die gestolen voorwerpen?" vroeg de burgemeester, terwijl hij Klaas opnieuw doordringend aanzag.

"De pottenschipper kocht ze van ons."

"Maar ik wist niet, dat het gestolen goed was," viel de pottenschipper in, die voelde, dat hij den grond onder zijne voeten thans geheel verloor.

"Dat wist iedereen op het dorp, tot den kleinsten jongen toe," gaf de burgemeester op gestrengen toon ten antwoord. "Doe maar geen moeite meer, om je baantje schoon te praten. 't Is een schande voor een man op uw leeftijd! Eene dubbele schande, omdat je ook nog twee jongens in je val meesleept. Jij en jij alleen hebt die kinderen in het ongeluk gestort. 't Is diep treurig."

Even later werd Frans Thor binnengebracht. Deze was brutaler dan Klaas Zwart, en hij meende den burgemeester eerst nog met allerlei praatjes om den tuin te kunnen leiden. Maar toen hij vernam, dat Klaas reeds eene volledige bekentenis had afgelegd, raakte hij geheel in de war en in zijn eigen leugens verward. Het einde was, dat ook hij bekende aan de gepleegde diefstallen schuldig te zijn.

De burgemeester maakte van alles proces-verbaal op, en toen hij daarmede klaar was, zeide hij:

"Flipsen, doe de deur maar open. Zij kunnnen alle drie vertrekken. Later zullen zij wel meer van de zaak hooren."

Zwijgend verlieten zij het raadhuis.

Den Maandag daaropvolgende kwamen Frans en Klaas weer gewoon school, maar zij waren nu nog meer afgezonderd van de overige jongens, dan zij vroeger al geweest waren. Iedereen vermeed hun gezelschap. In het midden van Februari bleven zij absent, en iedereen wist er de reden van. Zij waren namelijk opgeroepen om voor de rechtbank te verschijnen. Ook de pottenschipper moest daar verantwoording afleggen van zijne daden. Hij kreeg eene geduchte betraffing, omdat hij de beide jongens tot diefstal had overgehaald en hen daardoor ongelukkig had gemaakt. Eene gevangenisstraf van eenige maanden was zijn welverdiende loon.

De jongens werden niet veroordeeld, omdat zij nog zoo jong waren, maar de rechtbank stelde hen tot hun achttiende jaar ter beschikking van de regeering, om in een rijksopvoedingsgesticht geplaatst te worden.

Dat gebeurde evenwel niet dadelijk. Den volgenden dag zagen de schooljongens hen opnieuw verschijnen, en zij hoorden er dagen en weken lang niet meer van.

Zoo kwam de eenendertigste Maart, de laatste dag, dien Jan en Karel op de school zouden doorbrengen. Karel zou bij zijn vader in de smederij komen, en Jan kwam in den winkel. Dik kon alles onmogelijk meer alleen af, want nog steeds nam het aantal zijner klanten toe, en elken dag kreeg hij het drukker. Hij verdiende dan ook veel geld, en was mooi op weg, om een rijk man te worden.

Frans en Klaas zaten ook voor de laatste maal op de schoolbanken. Niet dat zij een vak gingen leeren. Daar kon geen sprake van zijn, omdat zij toch den een of anderen dag weggevoerd zouden worden.

't Was in den middag. Het laatste schooluur was aangebroken. De leien, boeken en schriften waren opgehaald en de onderwijzer maakte zich juist gereed om een woord van afscheid te spreken tot de jongens en meisjes, die de school voor goed verlieten, toen er aan de deur werd geklopt.

"Jan Trom, doe even open," zei de meester.

Jan deed het, en hij zag Flipsen en een rijksveldwachter in de vestibule staan. Zij kwamen het lokaal binnen.

"Mijnheer," zei Flipsen, "wij hebben de opdracht Frans Thor en Klaas Zwart meê te nemen."

't Was doodstil in de klasse.

Frans en Klaas werden doodsbleek, en niet zij alleen, neen, verscheidene jongens en meisjes voelden zich eene rilling door de leden gaan, en menig meisjesoog vulde zich met tranen.

"Zoo," zei de onderwijzer zacht, en zijn toon klonk droevig. De kinderen konden het hem aanzien, dat ook hij ontroerd was. "Zoo, dat is wel eene treurige opdracht, Flipsen.--Frans en Klaas, komt hier."

De jongens stapten de bank uit en kwamen voor de klasse. Beiden barstten in tranen uit. De onderwijzer gaf hun de hand.

"Dag Frans,--dag Klaas," zei hij droevig. "Ik hoop je eenmaal terug te zien als brave mannen, die voor niemand de oogen behoeven neer te slaan. Beloof je me, dat je daartoe je best zult doen?"

De jongens konden niet antwoorden. Met gebogen hoofd verlieten zij het lokaal, om weggebracht te worden ver van hunne ouders, naar een vreemde plaats....

Hun vertrek maakte een diepen indruk op de achterblijvenden. De onderwijzer had de gewoonte den laatsten schooldag eene vertelling te doen. En dezen keer deed hij dat met meer gloed dan ooit te voren. Hij deed een verhaal van schoolkameraden, waarvan er een goed oppaste en tot een braaf man opgroeide, terwijl de andere door eigen schuld al dieper en dieper zonk en eindelijk in de gevangenis terecht kwam. En toen het verhaal uit was, drukte hij hun allen op het hart, toch nooit den weg van eer en plicht te verlaten, maar steeds het goede te doen en het kwade te haten.

Met deze wijze les verlieten Jan en Karel voor goed de school, en zij vergaten haar hun leven lang niet.

EINDE.

End of Project Gutenberg's De Zoon van Dik Trom, by Cornelis Johannes Kieviet