# De Zoon van Dik Trom

## Part 1

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-zoon-van-dik-trom-10971/index.md

De Zoon van Dik Trom

Door

C. Joh. Kieviet

Twaalfde, Goedkoope Druk Amersfoort--Valkhoff & Co.

Eerste Hoofdstuk.

Dik heeft een plan, en zijn vader vindt, dat hij een bizonder kind is, en dat is-ie.

't Was met den kruidenierswinkel van den ouden Trom uitstekend gegaan. Dat was geen wonder, want Vrouw Trom was eene zindelijke vrouw, die er voor zorgde, dat alles in den winkel er keurig netjes uitzag. De koperen weegschalen waren zoo prachtig geschuurd, dat zij haast wel van goud schenen, de toonbanken zagen er brandhelder uit, en de koopwaren waren van de beste kwaliteit.

Elken morgen spande Dik zijn mooien hit voor den wagen, om de klanten, die buiten het dorp woonden, te gaan bedienen. Zijn paard was altoos helder geroskamd, zijn wagen zag er proper uit, en wat hij leverde was prompt in orde. Nooit vergat hij te doen, wat hij beloofd had, en tegen wat extra werk zag hij niet op, als hij een van zijne klanten er mede gerieven kon. Geen wonder dus, dat hij steeds méér verkocht, er telkens nieuwe klanten bijkreeg en er zelden of nooit een verloor. In enkele jaren was de winkel van Jan Trom de voornaamste van het dorp geworden, en 't was een lust te zien, hoe vol het er somtijds wezen kon. Vooral op Zaterdagavond was het er verbazend druk. Dan stond de winkel opgepropt met menschen, die inslag voor de volgende week kwamen doen, en hadden Vader en Moeder Trom, benevens Dik, geen handen genoeg, om de klanten te bedienen. Maar al moesten dezen wat wachten, dat hinderde niet erg, want allen luisterden graag naar de vroolijke grappen van Dik, die zijn praatje steeds klaar had.

De oude Trom deed niet veel. Hij was niet sterk genoeg om lang achter de toonbank te staan, en als het hem al te druk werd, trok hij zich op zijn stoeltje in een hoek van den winkel terug en keek met innig welbehagen de drukte aan. En dan luisterde hij naar de gesprekken der vrouwtjes, die het wel gezellig vonden, als zij niet dadelijk geholpen konden worden, omdat zij dan nog een poosje konden babbelen,--maar het meest genoot hij van de grappen en kwinkslagen van zijn zoon Dik, dien hij soms langen tijd achtereen met de grootste bewondering kon zitten aanstaren. En menigmaal, als hij zag, hoe graag de menschen door Dik geholpen werden, mompelde hij zacht voor zich heen:

"Die Dik,--o, dat is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"

Trom werd er niet sterker op, en meer en meer begon de winkel hem te zwaar te worden, vooral overdag, als Dik de klanten afreed, en Moeder het huiswerk verrichtte. Want de winkelschel liet hem bijna nooit met rust, van den morgen tot den avond.

"Klingelingeling!" ging het, als Trom zijn ontbijt gebruikte. "Klingelingeling!" als hij 's middags aan tafel zat. "Klingelingeling!" als hij zijn middagdutje wilde doen, waaraan zijn zwak lichaam zooveel behoefte had.

Den geheelen dag was het voortdurend: "klingelingeling!" en dat hield niet op, voordat 's avonds laat de winkeldeur op het nachtslot werd gedaan.

De oude man beefde soms over al zijn leden van vermoeidheid als hij eindelijk in zijn bed gestapt was, en van overspanning kon hij dan dikwijls in geen uren den slaap nog vatten. Eindelijk begrepen Moeder Griet en Dik beiden, dat het zoo niet langer ging,--dat er verandering moest komen.

En die verandering kwam.

Het huisje naast den winkel kwam te huur. 't Was een allerliefst huisje, wel klein, maar keurig net. 't Was een huisje voor een paar oude menschen, die rustig hun ouden dag wilden doorbrengen.

Zoodra Dik hoorde, dat het te huur was, zei hij op een avond, toen de winkel op het nachtslot was:

"Hoor eens, Vader en Moeder, weet u, dat het huisje hiernaast te huur komt?"

"Is 't waar?" vroeg moeder Trom. "Neen, dat weet ik niet."

Trom zei niets. Hij keek Dik aan en streek met zijn hand langs zijn dunne bakkebaardjes.

"Ja," zei Dik,--"'t is zoo, en nu had ik gedacht, dat het juist een huisje voor u beiden zou zijn."

"Ja," zei Trom, "dat denk ik ook, en dat doe ik."

"'t Is een lief huis," ging Dik voort. "Niet te groot en erg gemakkelijk in 't bewonen. En als u mij dan den winkel verhuurde, zou u een rustigen ouden dag kunnen hebben. 't Wordt Vader toch wel wat erg zwaar in den winkel."

"Ja, dat doet het--en dat doet het," zei Trom.

"En wou jij dan alleen in den winkel gaan wonen, Dik?" vroeg vrouw Trom met een glimlachje.

Dik lachte ook.

"Neen Moeder, dat is nu juist mijne bedoeling niet. Als u en Vader het goedvinden, zou ik wel willen trouwen. Anneke en ik hebben elkander al gekend van onze vroegste kinderjaren af, en wij houden veel van mekaar. Dus,--wat dunkt u er van?"

Moeder Trom stond op, sloeg haar armen om Dik's hals, gaf hem een kus op elke wang, en zei:

"Mijn zegen er op, Dik!"

Trom trok zoo hard aan zijn bakkebaardjes, dat hij er de vlassige haartjes van in de hand hield, en zei:

"Ja, ja, zoo is het goed, en dat is het. Griet, onze Dik is toch een bizonder kind,--en dat is-ie!"

Tweede Hoofdstuk.

De belangrijkste dag uit het leven van Dik Trom.

Het ging al gauw als een loopend vuurtje door het dorp: "Dik Trom gaat trouwen met Anneke, en zijn ouders gaan het huisje bewonen naast den winkel." En alle menschen vonden het erg best. "'t Was net een spannetje, dat bij elkaar hoorde," zei men. "Allebêi zijn ze vroolijk, allebêi jong, allebêi dik," en dat was waar, want Anneke evenaarde in gezetheid haar aanstaanden man. Zij zag er door en door gezond uit, had een paar blozende wangen en keek iedereen altoos vroolijk en opgeruimd aan. En zij vond het wàt prettig om met Dik te trouwen. Van hun vroegste jeugd af hadden zij elkander gekend en veel van mekaar gehouden, en niemand vond het vreemd, dat zij man en vrouw zouden worden. Eigenlijk hadden de menschen het al lang gedacht.

Op een mooien dag in de maand Juni werd de bruiloft gevierd. Dik was 's morgens al vroeg opgestaan en den tuin achter zijn huis ingestapt. Het zonnetje scheen zoo vroolijk, de vogels zongen zoo blijde, de bloemen in de perkjes geurden zoo heerlijk, en Dik voelde zich zóó gelukkig, dat hij van louter plezier een liedje begon te zingen. En met zijn zakmes sneed hij de vroege rozen af en de seringen en de vogelkers, en bond ze te zamen tot een welriekenden ruiker, dien hij zelf aan zijne bruid ging brengen. Overal zag hij de vlaggen uitsteken ter eere van hem en van Anneke. Piet van Dril was de eerste, die zijn vlag uit het zolderraam stak, en toen volgde Jan Vos, en daarna Van Dijk, de molenaar, en Vrouw van Aken, en Teun de visscher, en de meester, en de ontvanger, en de burgemeester. Ja, zelfs uit het huisje van Kee, de heks van den Achterweg, wapperde een klein, verschoten vlaggetje uit het boven-zijraampje, want zij hield dolveel van Dik en verheugde zich in zijn geluk. Weldra was er geen huis meer, waar de vlag niet uithing, wat wel een bewijs was, dat de bruid en de bruidegom geliefde personen waren op het dorp.

Dik vond het heerlijk te zien, dat alle menschen hem en Anneke een blijk van vriendschap wilden geven. Hij had een glimlach van geluk op de lippen, en zijne oogen tintelden van blijdschap.

De menschen, die hem tegenkwamen, hielden hem staande om hem geluk te wenschen en de hand te drukken, en Piet van Dril stak zijn zwarte gezicht buiten de deur van de smederij, toen Dik daar voorbijkwam, zwaaide met zijn vette, glimmende petje, en riep driemaal: "Hoezee! Leven Dik en zijne bruid!"

Voor het huis van Anneke wachtte hem eene verrassing, want daar was een mooie, groote eerepoort opgericht met sparregroen en papieren bloemen. Bovenin prijkte een schild met de namen van de bruid en den bruidegom, en er hingen lampions met kaarsen, die 's avonds een schitterend licht zouden geven.

Dat hadden zijn vrienden en kennissen gedaan onder leiding van Piet van Dril, zijn boezemvriend.

En onder de poort stond Anneke, die maar niet begrijpen kon, dat die poort ter harer eere was opgericht, en ze lachte en schreide tegelijk van blijdschap en zei, dat ze zoo gelukkig was en zooveel eer niet verdiende. En zij dankte Dik voor zijn mooien ruiker, en wist bijna niet, wat zij doen zou van vreugde.

Toen ging Dik naar huis terug, om alles voor de bruiloft in orde te brengen. Er werden in de schuur, die in gewone tijden voor pakhuis diende, groote tafels en stoelen geplaatst voor de gasten. En hij versierde de wanden met vlaggedoek, en nog was hij daarmee niet gereed, toen de deur openging, en Piet van Dril en Jan Vos verschenen, die een wagen met sparregroen meebrachten en hem hielpen aan de versiering.

De schuur was weldra haast niet meer te herkennen, zoo mooi werd zij. Vader en moeder Trom konden hun oogen bijna niet gelooven, toen zij even binnen kwamen om een kijkje te nemen. Zij sloegen de handen van verbazing in elkaar, en Trom mompelde:

"Wat een feest,--wat een feest! 't Heele dorp vlagt, en dan die schuur! O, die Dik is een bizonder kind, en dat is-ie!"

Moeder Griet was dat volkomen met hem eens, maar zij gunde zich den tijd niet om lang te kijken, want zij had het nog meer dan druk om alles voor het feest in gereedheid te brengen. De beste spullen moesten uit de kast, en alles werd zorgvuldig geschuierd en opgeknapt. Trom had het vreeselijk druk met zijn hoogen hoed, denzelfden nog, waarop Dik was gaan zitten, toen deze nog een kleine jongen was. Trom poetste de stugge haartjes glad en liefkoosde hem wel honderdmaal met de mouw van zijne lakensche jas. De man zag er wàt deftig uit, heelemaal in 't zwart en met dien hoogen hoed op. 't Model van zijn costuum was wel wat ouderwetsch,--want 't was zijn eigen trouwpak nog, dat hij maar zelden had aangehad,--en zijn hoed was wel wat hoog van bol en breed van rand, maar dat hinderde niet.

"Die hoed is nog mooi, en dat is-ie," zei Trom, "en mijn pak kan ook nog best meê, en dat kan het."

Dik was van top tot teen in 't nieuw. Hij had ook een lakensch pak laten maken en een hoogen hoed gekocht. Zelf vond hij wel, dat hij er met den hoed erg gek uitzag, maar Trom zei, dat hij hem deftig stond, en dat deed-ie. Dik's nieuwe laarzen kraakten bij elken stap, zoodat men hem in de verte al kon hooren aankomen. Dik had er een hekel aan, maar zijn vader vond dat ook al erg deftig.

"Alle laarzen van deftige menschen kraken, en dat doen ze," zei hij wijs.

Eindelijk werd het tijd om naar het huis van de bruid en vervolgens naar het gemeentehuis te gaan, waar het huwelijk zou worden voltrokken. Het drietal begaf zich daarom op weg.

Dik zag wel wat tegen de plechtigheid op, en hij voelde zich in zijn mooie zwarte pak, in zijne krakende laarzen en onder zijn hoogen hoed verre van lekker. Hij was in het geheel geen mensch voor zooveel moois en plechtigs. Maar 't moest nu eenmaal gebeuren, en hij besloot daarom zoo goed mogelijk door den zuren appel heen te bijten.

Vader en moeder Trom keken met gepasten ernst naar al de vlaggen, die ter eere van hun zoon waren uitgestoken, en vonden zich verbazend gewichtig. Moeder Griet zag er ook zeer feestelijk uit. Zij had hare zijden japon aan, waarover een met palmen doorgewerkte omslagdoek, die haar in den vorm van een gelijkbeenigen driehoek over den rug hing met de punt naar beneden, een zijden hoedje op met groote keellinten, en aan haar arm een karbies, welke in sterke mate de aandacht trok van de kinderen, die den kleinen stoet omringden en steeds in aantal toenamen. Een van de grootste jongens begon al spoedig te zingen:

"Bruid, bruid, strooi wat uit!"

Maar de anderen legden hem het zwijgen op met de opmerking, dat de bruid nog niet aanwezig en hij dus met zijn liedje te vroeg was.

De jongens en meisjes zagen er zeer opgewekt uit en het ontbrak hun niet aan de noodige luidruchtigheid.

Zoo bereikte het drietal de woning van de bruid, waar de gasten, die voor het feest genoodigd waren, zich reeds verzameld hadden. Met een krachtigen handdruk werd Dik ontvangen, die onhandig met zijn hoogen hoed omsprong en voortdurend het vervelende kraken van zijne laarzen hoorde.

't Was nu hoog tijd om naar het raadhuis te gaan. De stoet stelde zich dus op. Jan Vos en zijn verloofde openden de rij, daarop volgden Dik en Anneke, daarachter de wederzijdsche ouders en verdere familieleden, en eindelijk de vrienden en kennissen, die genoodigd waren. Piet van Dril en zijn jonge vrouw, want Piet was al sedert een jaar getrouwd, waren de laatsten van den stoet.

De meisjes en vrouwen hadden allen een groote karbies, tot groote vreugde van de jongens en meisjes, die zich vol blijde verwachting voor het huis hadden opgesteld. Nauwelijks waren de bruiloftsgasten zichtbaar, of daar klonk uit wel honderd kelen:

"Bruid, Bruid, Strooi wat uit! Bruid, Bruid, Strooi wat uit!"

't Was een verschrikkelijk gejoel en lawaai, maar de karbiezen bleven potdicht. Eerst moest het jonge paar getrouwd zijn; zoolang dat niet gebeurd was, werd er niet gestrooid.

In lange rij trok de stoet door het dorp en bereikte ongestoord het raadhuis. Daar werden de groote deuren geopend door den veldwachter, die bij trouwpartijen dienst deed als concièrge, en men nam plaats in de trouwzaal, waar vele dorpelingen aanwezig waren om van de plechtigheid getuige te zijn.

Spoedig verscheen de burgemeester, en nu werden Dik en Anneke in den echt verbonden. De burgemeester deed nog een hartelijke toespraak en drukte het bruidspaar de hand.

Pas kwam de stoet weer buiten het raadhuis, of daar galmde het weer, nu wel uit tweehonderd monden:

"Bruid, Bruid, Strooi wat uit! Bruid, Bruid, Strooi wat uit!"

De lieve straatjeugd drong geweldig op om dicht bij de karbiezen te komen, die de begeerde lekkernijen bevatten. En thans bestond er tegen het openen daarvan geen enkele hinderpaal meer.

"Dààr dan, jongens, grabbelt maar!" riep Anneke, die tijdens de plechtigheid erg bleek had gezien, maar nu hare frissche kleur langzamerhand terugkreeg, en zij tastte diep in de karbies en strooide de bruidssuikers onder de menigte. Haar voorbeeld werd door Moeder Trom en de andere vrouwen en meisjes gevolgd. Het regende als het ware links en rechts suikergoed, zoodat de jongens op en over elkander buitelden, om toch maar zooveel mogelijk bijeen te grabbelen. 't Was een allerdolst schouwspel. De kinderen hadden nergens meer oog voor, dan voor de uitgestrooide lekkernijen, en zij waren zoo verwoed aan het grabbelen, dat zij den heelen bruidsstoet uit elkaar duwden. Een van de jongens kwam vlak voor de voeten te liggen van Vader Trom, zoodat het weinig scheelde, of deze viel voorover op de straat. Zijn hooge hoed rolde wel twee meter ver voor hem uit en kwam onder een paar jongens terecht, die aan het vechten waren om een suikerboon, waarop zij beiden recht meenden te hebben. De arme hoed kreeg het kwaad te verantwoorden en leek al spoedig meer op een waterhoozer uit een lekke roeiboot, dan op een deftigen hoogen hoed.

Piet van Dril gaf den vechtenden jongens een paar klinkende oorvijgen, die hun met verbazenden spoed het hazenpad deden kiezen. Den hoed bracht hij zooveel mogelijk weer in zijn fatsoen, en zette hem den ouden man op het hoofd.

Van het gemeentehuis wandelde de stoet, steeds vergezeld door de straatjeugd, die met ijzeren volharding het "Bruid, Bruid, strooi wat uit" galmde, naar de kerk, waar het huwelijk ingezegend werd, en van daar naar de versierde schuur.

Den geheelen dag heerschte er groote vreugde. Dik rookte uit een lange Goudsche pijp, die met groen en bloemen was versierd, en de bruid dronk uit een kopje, waarvan het oortje met een rozeknopje en een paar rozeblaadjes prijkte.

't Was een heerlijk feest. 's Middags kwamen vele vrienden en kennissen gelukwenschen, en ook de oude heks van den Achterweg kwam binnen, om bruid en bruidegom de hand te drukken. En in een klein mandje bracht zij zes kippeneitjes meê, als een klein blijk van hare vriendschap en dankbaarheid, want zij was maar een arme, oude vrouw en wilde toch ook zoo graag wat geven.

Dik kreeg het er bijna te kwaad onder, zoo aardig vond hij dat van de goede ziel, en hij pakte het oudje beet en danste met haar in het rond tot groote pret van alle bruiloftsgasten. 's Avonds kwamen twee muzikanten met violen, en toen konden de jongelui dansen naar hartelust, wat zij dan ook deden.

't Was al zeer laat in den avond, en nog was er niemand naar huis gegaan. De oude molenaar was de eerste, die opstond om te vertrekken, en hij klopte Trom op den rug en zeide:

"Dat was nog eens een echte, mooie bruiloft, niet waar?"

En Trom antwoordde, aan zijne bakkebaardjes plukkende:

"Ja, dat is het,--en dat doet het,--maar Dik is ook een bizonder kind,--en dat is-ie!"

Derde Hoofdstuk.

Dik wordt vader, en vrouw Smul begraaft haar neus in een roomtaart.

't Bleef met den winkel onder leiding van Dik en Anneke uitstekend gaan, zoodat men gerust kon voorspellen, dat zij nog eens in goeden doen zouden komen. Nu, Dik werkte dan ook met den grootsten ijver, en als hij de boeren afreed met boodschappen, verving Anneke hem op uitstekende wijze in den winkel. En zij was een zuinig vrouwtje, naar de meening van Dik haast wel een beetje al te zuinig.

"Hoor eens, Anneke," zei hij meer dan eens, "daar moet je toch voorzichtig meê wezen. Zuinig is goed, best zelfs, maar àl te zuinig is verkeerd. Komen de vrouwtjes om een pondje van dit of van dat, dan moet je niet bang wezen, dat de schaal even doorslaat. 't Is beter overwicht te geven, dan te klein gewicht. Daar hebben de menschen een hekel aan, en dan gaan ze al gauw naar een anderen winkel, waar de maat wat ruimer is. Heusch, een klein toegiftje doet geen schade, maar voordeel. En komen er kinderen boodschappen halen, geef ze dan een balletje of een pepermunt, of een stukje zoethout, of een vijg. Dat hebben ze graag en dan koopen ze liever hier dan bij een ander."

Anneke gaf aan dien raad gehoor, maar zuinig van aard bleef ze toch, en dat was goed.

In den winkel zag het er keurig netjes uit, en hij was van alle gemakken voorzien. Daar zorgde vader Trom wel voor. Nu hij niets meer te doen had, was de oude liefhebberij voor het timmervak weer bij hem ontwaakt, en liep hij altoos te passen en te meten, te schaven en te hameren. 't Was dan ook, eer een jaar verloopen was, een pracht van een winkel geworden, en Trom was daar erg trotsch op. Jammer voor den braven man, dat hij den laatsten tijd zoo doof werd. Kort na Dik's bruiloft was het begonnen, en 't nam met den dag toe, zoodat hij eindelijk bijna niet meer te beschreeuwen was. 't Was voor Griet een verbazende last, want zij hield erg veel van een praatje.

Een paar jaar na Dik's huwelijk had er eene groote gebeurtenis plaats. Dik werd namelijk vader van een zoontje, en hij was daar erg blij om. Toen hij op een avond met paard en kar thuis kwam, vond hij den kleinen kerel al in de wieg liggen, en grootvader en grootmoeder Trom zaten er op een stoel naast en keken met de grootste belangstelling naar hun pasgeboren kleinkind. Grootmoeder Griet vond het een allerliefst schattig kindje, maar grootvader zei geen woord. Hij was blijkbaar in gedachten verdiept, en staarde met open mond den kleinen schreeuwer aan. Want een scheeuwer was het. De oude Trom had een klein, pasgeboren kindje nog nooit zóó hooren schreeuwen. Grootvader vond het erg verwonderlijk, en soms sloeg hij zijne oogen even op en staarde grootmoeder aan met een blik, waarin zoowel verbazing als bewondering opgesloten lag. 't Was hem aan te zien, dat hij in het kind iets gewichtigs zag.

"O, o, wat was Dik blij, toen hij zijn zoontje zag. Zijne ouders feliciteerden hem recht hartelijk, en hij drukte moeder Anneke, die te bed lag, een kus op elke wang. En toen ging hij weer dadelijk naar de wieg, om zijn zoontje in oogenschouw te nemen.

"Wel verschrikkelijk, wat schreeuwt dat kind!" zei Dik, die ook in de grootste verbazing naar het geluid van den nieuwen huisgenoot luisterde. "Moeder, heb ik ook zoo geschreeuwd, toen ik pas in de wereld was?"

"Neen," zei grootmoeder Trom, "jij schreeuwde nooit, dan alleen als je honger hadt."

"Maar dan heeft dat ventje ook honger!" riep Dik met beslistheid uit. "Hei baker, waar zit je? Geef dat kind wat eten!"

Op zijn geroep kwam de baker uit de keuken te voorschijn 't Was vrouw Smul, die ook Dik nog gebakerd had. Zij was nu eene oude vrouw geworden, met bijna geen tand meer in haar mond, en een puntige, vooruitstekende kin. Dik hield in het geheel niet van haar, maar daar zij de eenige baker op het dorp was, moest hare hulp wel ingeroepen worden. Met een vriendelijk lachje feliciteerde zij den gelukkigen vader, en zij haalde het kleine kereltje uit de wieg, en hield hem Dik voor, die nu in de gelegenheid kwam, zijn zoon goed te bezien.

Ten tweeden male wekte het ventje zijn groote verbazing, want zoo dik als hij zelf geweest was, toen hij op de wereld kwam, zoo smal en dun was de kleine. En schreeuwen, schreeuwen dat het kind deed, neen maar, 't ging Diks verwachting verre te boven. Ook grootmoeder en grootvader keken het wichtje met verwondering aan, want zoo dun en mager hadden zij nog nooit een kind gezien.

Dik sloeg van verbazing de handen ineen, en riep uit:

"Neen maar, wat een wonderlijk mager kind is dat! 't Is veel te dun!"

"Maar 't is toch een erg lief kindje," zei Anneke met moedertrots.

"En wat schreeuwt het!" ging Dik voort, "'t Schreeuwt als een speenvarken. Toe baker, geef dat kind dadelijk wat te eten, want zulk geschreeuw is niet uit te houden. Een mensch krijgt er hoofdpijn van."

Grootvader Trom had nog geen woord gesproken, maar eindelijk ging hij naar zijn vrouw, en driftig aan zijn bakkebaardjes plukkende, zei hij op gewichtigen toon:

"Griet, 't is een bizonder kind,--ik zeg een bizonder kind,--en dat is-ie!"

"Ik geloof het ook," zei Dik lachend. "Zoo dun,--en dan dat geschreeuw. 't Is wél bizonder!"

Inderdaad bleken deze twee eigenschappen van den kleine op den duur wèl wat bizonder te zijn, want het kind schreide van den morgen tot den avond, en van den avond tot den morgen. Alleen als hij sliep, was hij stil. Hij dronk de eene flesch melk na de andere, maar bleef even dun en mager. En hij schreeuwde om er wanhopig onder te worden. Kreeg hij geen flesch, dan maakte hij een ijselijk misbaar om de aandacht op zich te vestigen, en had hij de flesch leeggedronken, dan vond hij dàt weer een reden om zijne stem te verheffen. Maar hij groeide best, al was het alleen in de lengte.

Dik vreesde, dat zijn wieg hem gauw te kort zou worden, en hij ergerde zich den ganschen dag aan de aanwezigheid van de baker. Daar had hij trouwens zijn goede redenen voor, want in den winkel was veel te snoepen, en daar hield vrouw Smul van. Telkens zag Dik, dat zij tersluiks iets in den mond stak, als zij even in den winkel moest wezen, en dat kon Dik niet uitstaan. Eens zag hij, dat zij bij de kistjes vijgen stond en er een handjevol uitnam, en hij besloot haar dat eens en voor goed af te leeren. Baker had hem niet gezien, en schrok dus niet weinig, toen hij eensklaps achter haar stond. Dik nam een grooten bak met stroop, dien zij onmogelijk met éen hand kon vasthouden en zei:

"Toe baker, help me even. Houd dien bak eens vast."

Maar dat kon baker niet doen, want dan zou Dik zien, dat zij een hand vol vijgen had. Haastig draaide zij zich dus om en stak de vijgen met eene behendige beweging in haar mond, maar ongelukkig konden ze daarin haast niet geborgen worden, zooveel had zij er wel uit het kistje genomen. Zij moest den mond dus stijf dicht houden, wilde zij zich niet verraden. Toen greep zij den stroopbak met beide handen aan. Haar mond zat als 't ware volgepropt, tot groot vermaak van Dik, die een vriendelijk praatje met haar begon.

"Wel baker," vroeg hij, "hoe zou het toch komen, dat de kleine Jan",--want zijn zoon heette Jan, naar zijn grootvader,--"dat de kleine Jan altijd zoo schreeuwt? Wat kan daar toch de reden van wezen?"

