De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 9
"Santillano," zei hij, een papier toonende, dat hij in de hand had, "neem dit mandaat...." Ik huiverde bij het woord mandaat, en dacht: o, Hemel, de kardinaal Spinoza. Het rijtuig van Ségovia staat klaar. De schrik greep mij zoo aan, dat ik den minister in de rede viel, mij aan zijne voeten wierp en meer kermde dan sprak: "Excellentie, ik vraag u zeer nederig om mijn stoutmoedigheid te verschoonen. De noodzakelijkheid heeft mij er toe gebracht, u mijn armoede mede te deelen."
De hertog kon niet nalaten te lachen, toen hij mij zoo ontdaan zag en zei: "Wees bedaard, Gil Blas. Hoewel je door mij je behoeftige omstandigheden mede te deelen, mij er een verwijt van hebt gemaakt, dat ik daarin niet voorzien heb, neem ik je dit niet kwalijk. De fout blijft bij mij, dat ik je niet gevraagd heb, hoe je leefde. Maar om die te herstellen, geef ik je hierbij een mandaat voor vijftienhonderd ducaten, die je zullen worden uitbetaald bij den koninklijken schatmeester. Dat is niet alles, ik beloof je ieder jaar dezelfde som. En wanneer soms rijke en edelmoedige menschen je zullen vragen hun diensten te bewijzen, verbied ik je niet ten hunnen gunste met mij te spreken".
Verrukt over die woorden wilde ik wel de voeten kussen van den minister, die weer op zijn gewonen familiairen toon tegen mij begon te spreken. Hij zei me, dat hij eens had willen zien hoe ik die verandering zou opnemen en dat hij daarom op koelen toon tegen mij was gaan spreken; daardoor was hij opnieuw overtuigd geworden, dat ik zeer aan hem was gehecht.
HOOFDSTUK VII
Van het gebruik, dat hij van zijn vijftienhonderd ducaten maakte; van de eerste zaak, waarin hij zich mengde en welk voordeel die voor hem opleverde.
Den volgenden dag keerde de koning naar Madrid terug. Ik ging eerst naar den schatmeester, waar mij de som, genoemd in het mandaat, dadelijk werd uitbetaald.
Het zou een wonder zijn als een arme slokker er niet van in de war raakte, wanneer hij plotseling van de armoede in de weelde komt. Dadelijk verliet ik mijn kleine kamer die goed genoeg was voor secretarissen, die der vogelen taal niet verstonden en huurde voor die tweede maal het mooie appartement, dat toevallig leegstond. Daarna liet ik mij nieuwe kleeren aanmeten, kocht linnengoed en wat ik verder noodig had.
Ik meende ook, dat ik niet buiten een lakei kon en verzocht Vincent Florero, mijn hospes, mij er een te bezorgen. De meeste vreemdelingen, die bij hem kwamen logeeren, huurden een Spaanschen knecht en dus kwamen zich vele lakeien, die buiten betrekking waren, in het hotel presenteeren. De eerste, dien ik zag, was een jongen met een zoo zacht en vroom uiterlijk, dat ik hem niet wilde hebben; ik meende Ambrosius de Lamela te zien. "Ik houd niet," zei ik tegen Florero, "van knechts, die er zoo deugdzaam uitzien. Ik ben eens opgelicht geworden door zoo een."
De tweede beviel mij beter. Ik deed hem vragen, die hij vlug en geestig beantwoordde. Hij scheen aanleg te hebben voor intriges en zoo iemand moest ik juist hebben. Dus nam ik hem aan en dat berouwde mij niet, hij bleek al spoedig een goede aanwinst te zijn. Daar de hertog mij toegestaan had ten gunste van personen te spreken, aan wie ik diensten zou kunnen bewijzen, had ik een jachthond noodig, die zulk wild voor mij kon opsporen en dat was juist iets voor Scipio, zoo heette mijn lakei. Hij kwam uit den dienst van dona Anna de Guevara, de min van den prins, waar hij zich in dat talent geoefend had, omdat die dame haar invloed aan het hof ook op die wijze aanwendde.
Zoodra ik Scipio zei, dat ik in staat was om gunsten te verkrijgen van den koning, ging hij aan het werk en den volgenden dag zei hij: "Mijnheer, ik heb een goede ontdekking gedaan. Er is in Madrid een jong edelman uit Granada aangekomen, genaamd don Roger de Rada. Voor een eerezaak zoekt hij de protectie van den hertog de Lerme en hij is bereid om te betalen voor het genoegen, dat men hem zal doen. Ik heb met hem gesproken. Hij was eerst van plan zich te wenden tot don Rodrigo de Calderone, wiens invloed men hem heeft genoemd. Maar ik heb hem daarvan afgebracht, door te zeggen dat deze zijn diensten met zwaar goud liet betalen, terwijl gij voor de uwe tevreden waart met een behoorlijk bewijs van erkentelijkheid. Indien uw financieele toestand het u veroorloofde, heb ik gezegd, dat ge zelfs wel zonder dat bereid zoudt zijn om de edelmoedige en belanglooze ingevingen van uw hart te volgen. Om kort te gaan, ik heb zóó met hem gesproken, dat hij morgen vroeg bij u komt."
"Wel Scipio," zei ik, "hebt ge nu al zaken gedaan? Ik bemerk daaruit, dat ge geen nieuweling zijt in dat vak. Het verwondert mij alleen maar, dat ge er niet rijker door zijt."
"Dat moet u niet verbazen", antwoordde hij. "Ik houd ervan om het geld te laten rollen. Sparen kan ik niet."
Don Roger de Rada kwam werkelijk bij mij. Ik ontving hem met beleefdheid, gemengd met zekeren trots. "Mijnheer, voor ik mij verbind om u van dienst te zijn, moet ik eerst de zaak kennen, welke u naar het hof voert, want ze zou van dien aard kunnen zijn, dat ik er niet met den eersten minister over zou kunnen spreken. Vertel mij dus alles en wees overtuigd, dat ik levendig belang stel in uw aangelegenheden."
"Gaarne," antwoordde hij, "zal ik u een uitvoerig en oprecht verhaal doen van mijn lotgevallen."
HOOFDSTUK VIII
Verhaal van Don Roger de Rada.
Don Anastasio de Rada, een edelman uit Granada, leefde gelukkig in de stad Antequerre, met dona Estéfania, zijn vrouw, die deugdzaam, zacht en buitengewoon schoon was. Zij beminden elkaar teeder. Hij was van natuur jaloersch en hoewel hij volstrekt geen redenen had te twijfelen aan den trouw van zijn vrouw, was hij niet vrij van ongerustheid. Hij had vernomen, dat een geheime vijand zijn eer belaagde en wantrouwde daarom al zijn vrienden, uitgezonderd don Huberto de Hordalès, die als neef van Estéfania vrij in zijn huis verkeerde en die de eenige was, dien hij had moeten wantrouwen.
Don Huberto echter werd verliefd op zijn nicht en niettegenstaande hun bloedverwantschap en de vriendschap, die don Anastasio voor hem voelde, bekende hij haar dat. De dame was verstandig en inplaats van een scène te maken, die noodlottige gevolgen zou hebben gehad, onderhield zij haar neef met zachtheid over het onbehoorlijke van zijn gedrag en sprak daarbij zoo ernstig, dat hij wel overtuigd moest worden, dat zijn hoop ijdel was. Hij liet zich echter niet ontmoedigen, ja hij had zelfs de onbeschaamdheid, om haar op een goeden dag te willen dwingen zijn wenschen te bevredigen. Op strengen toon dreigde ze hem toen zijn vermetelheid door don Anastasio te zullen doen straffen. Dit maakte hem bang, hij beloofde niet meer van liefde te zullen spreken en, afgaande op die belofte, vergaf zij het gebeurde.
Don Huberto, die een zeer slecht karakter had, zon op wraak, nu hij zijn hartstocht niet bevredigd zag. Hij wist, dat don Anastasio jaloersch was en vormde nu een plan zoo slecht als een snoodaard het maar bedenken kan. Op een avond, dat hij met hem in den tuin wandelde, zei hij op treurigen toon: "Waarde vriend, ik kan niet langer leven zonder u mededeeling te doen van een geheim, dat ik u niet zou ontdekken, indien ik niet wist, dat uw eer u meer waard is dan uw rust. De band van vriendschap, welke tusschen ons bestaat, gedoogt niet te verbergen, wat er bij u gebeurt. Bereid u er op voor een mededeeling te ontvangen, die u evenzeer zal verrassen als leed doen. Ik moet u treffen op uw meest gevoelige plaats."
"Ik begrijp u al," viel don Anastasio hem in de rede, "uw nicht is mij ontrouw geworden."
"Ik erken haar niet meer als mijn nicht," hernam Huberto met een schijnheilig gezicht. "Ik verloochen haar en zij is onwaardig om uw vrouw te zijn." "Martel mij niet langer en spreek, wat heeft Estéfania gedaan?" riep de ongelukkige man.
"Zij heeft u verraden. Ge hebt een medeminnaar, dien ze in het geheim ontvangt. Zijn naam kan ik u niet noemen, want hij is in de duisternis van den nacht kunnen ontkomen, zonder dat gezien kon worden, wie hij was. Al wat ik weet, is dat ze u bedriegt, dat is een feit, waarvan ik zeker ben. 't Is onnoodig u er meer van te zeggen. Ik merk, dat ge verontwaardigd zijt, dat men uw liefde op zulke wijze beantwoordt en dat ge op wraak zint. Ik kan dat begrijpen. Denk er niet aan wie het slachtoffer is. Toon aan de heele stad, dat er niets is, dat gij niet kunt offeren aan uw eer."
De verrader stookte op zulk een wijze den te lichtgeloovigen echtgenoot tegen zijn onschuldige vrouw op en hij schilderde in zulke levendige kleuren de beleediging, die don Anastasio heette te zijn aangedaan, dat deze in woede besloot om zijn ongelukkige vrouw te dooden. Hij wachtte tot de bedienden sliepen en ging toen naar zijn vrouw, die zich gereed maakte om naar bed te gaan. Zonder te denken aan de schande, die hij over zijn eerlijke familie bracht, zonder zelfs medelijden te gevoelen met het kind van zes maanden, dat zijn vrouw onder het hart droeg, naderde hij zijn slachtoffer en zei op woedenden toon: "Ellendige, je moet sterven. Je hebt niet meer dan een oogenblik om te leven, dat mijn goedheid je nog laat om voor het heil van je ziel te bidden, want ik wil niet dat je je ziel zult verliezen, zooals je je eer hebt verloren."
Terwijl hij die woorden sprak, trok hij zijn dolk. De doodelijk verschrikte vrouw wierp zich op de knieën en smeekte: "Wat is er? Welke redenen tot ontevredenheid heb ik gegeven? Waarom wil je mij dooden? Indien ge mij van ontrouw verdenkt, is daar geen reden voor!"
"Neen, neen! Ik ben maar al te zeker van je verraad. De personen, die mij gewaarschuwd hebben, zijn te vertrouwen. Huberto...."
"O!" viel zij hem in de rede. "Vertrouw Huberto niet. Hij is minder je vriend, dan je denkt. Geloof hem niet, als hij mij beschuldigd heeft."
"Zwijg, ellendige. Juist door kwaad te spreken van Huberto, vermeerder je mijn overtuiging van je schuld. Je wilt hem verdacht maken, omdat hij mij op je slecht gedrag heeft gewezen. Maar dat is overbodig!"
"Maar wordt toch kalm," smeekte zij, "geef mij ten minste tijd om te spreken!"
Hij wilde toesteken.
"Houd op, barbaar! Denk aan het kind, dat nog niet geboren is, aan je eigen bloed. Je kan zijn beul niet worden, zonder hemel en aarde schande aan te doen. Mijn dood vergeef ik je, maar die van het kind zal rechtvaardiging eischen!"
Don Anastasio stiet zijn dolk in haar rechterzijde. Zij viel dadelijk neer. Hij dacht, dat ze dood was, ging het huis uit en verdween uit Antequerre.
De ongelukkige vrouw bleef eenigen tijd als levenloos op den grond liggen en begon toen ze weer tot bezinning kwam om hulp te roepen. De bedienden snelden toe, er werd een dokter gehaald en deze verklaarde de wond niet voor levensgevaarlijk. Zij herstelde en bracht na drie maanden een kind ter wereld. Die zoon, mijnheer Gil Blas, ziet ge hier voor u.
Hoewel de kwaadsprekende wereld gewoonlijk de deugd van een vrouw niet spaart, respecteerde ze die van mijn moeder en dit bloedig tooneel werd in de stad beschouwd als de waanzinnige daad van een jaloersch echtgenoot. Men kende hem algemeen als een zeer heftig man. Huberto de Hordalès begreep wel, dat zijn nicht vermoedde, dat hij het was geweest, die haar man tot razernij had gebracht; hij gevoelde zich half gewroken en zag haar niet meer.
Uit vrees u te vervelen, zal ik u niet spreken van mijn opvoeding, maar mij ertoe bepalen u mee te deelen, dat mijn moeder er voornamelijk op aandrong, dat ik goed schermen zou leeren. In de beroemdste zalen van Granada en Sévilla heb ik daar onderricht in gehad. Zij wachtte met ongeduld het tijdstip af, dat ik mijn degen met dien van Huberto zou kunnen meten en deelde mij, toen ik achttien jaar was alles mee, wat er gebeurd was. U kunt begrijpen, welk een indruk dat verhaal op mij maakte. Dadelijk zocht ik Hordalès, daagde hem uit, en na een lang gevecht bracht ik hem drie doodelijke steken toe.
Don Huberto, die zijn einde voelde naderen, vestigde zijn laatste blikken op mij en zei, dat hij den dood, dien ik hem gaf, beschouwde als een gerechte straf voor de misdaad, die hij had begaan tegenover de eer van mijn moeder. Hij stierf na vergiffenis te hebben gevraagd aan den hemel, aan don Anastasio, Estéfania en mij. Ik achtte het niet geraden, om naar huis terug te keeren, trok de bergen over en kwam in Malaga, waar ik plaatsing vond op een oorlogsschip, dat ging kruisen.
Al spoedig was er gelegenheid om ons te onderscheiden. We ontmoetten bij het eiland Albouran een zeeroover, die ter hoogte van Carthagena een rijk beladen Spaansch schip had genomen. Wij vielen hem aan en maakten ons meester van de twee schepen, waar we tachtig Christenen op vonden, die als slaven werden meegevoerd naar Barbarije. De wind was gunstig en we bereikten spoedig, bij Granada, de kust.
Toen wij onderzochten uit welke streken de bevrijde slaven afkomstig waren, deed ik die vraag aan een man met een zeer goed uiterlijk, die ongeveer vijftig jaar oud kon zijn.
Hij antwoordde mij zuchtend dat hij uit Antequerre kwam. Door dat antwoord voelde ik mij bewogen en hij scheen dat te merken. Ik zei, dat ik ook van die plaats kwam en vroeg of ik zijn naam mocht weten. Hij antwoordde: "Helaas, 't is mij een nieuwe smart aan uw verlangen te voldoen. 't Is achttien jaar geleden dat ik Antequerre heb verlaten, waar men zich mij wel niet dan met afschuw zal herinneren. Ge hebt zelf misschien wel eens van mij hooren spreken. Ik heet don Anastasio de Rada".
"Gerechte hemel," riep ik uit. "Dan zijt gij mijn vader". Geheel ontdaan riep hij: "Zou het mogelijk zijn, dat gij het ongelukkige kind zijt, dat door uw moeder nog onder het hart werd gedragen, toen ik haar aan mijn woede opofferde?" Ik antwoordde: "Ja, vader, ik ben het kind, dat de deugdzame Estéfania ter wereld bracht, drie maanden na dien rampzaligen nacht, waarin ge haar badende in haar bloed achterliet."
Don Anastasio wachtte niet tot ik uitgesproken had; hij wierp zich in mijn armen en dankte met tranen in de oogen den hemel, dat mijn moeder was gered geworden. Daarop vroeg hij mij, hoe de onschuld van zijn vrouw aan het licht was gekomen. Na hem te hebben meegedeeld, dat niemand daaraan ooit had getwijfeld en dat iedereen wist hoe vlekkeloos haar gedrag altijd was geweest, vertelde ik hem van het verraad van Huberto en van de bekentenis, die deze mij stervende had gedaan. Zoodra wij aan land kwamen, wilde mijn vader met mij naar Antequerre gaan. Ik verliet met hem het oorlogsschip, kocht te Adra twee muilezels en wij gingen op reis. Onderweg vertelde hij mij al zijn avonturen en ik luisterde daarnaar met levendige belangstelling. Na verscheidene dagen kwamen wij midden in den nacht in Antequerre aan.
Ge kunt u de verrassing voorstellen van mijn moeder, toen ze den man, dien ze voor altijd verloren had gewaand en die haar op zoo wonderlijke wijze was teruggegeven, wederzag. Hij vroeg haar in berouwvolle woorden vergiffenis voor zijn barbaarschheid. Inplaats van een moordenaar zag ze in hem slechts den man, dien de hemel haar had gegeven; zoo heilig is de naam echtgenoot voor een deugdzame vrouw.
De vreugde mij weer te zien was bij mijn moeder vermengd met vrees. Ze wist, dat de zuster van Hordalès haar broeder wilde wreken en niets onbeproefd liet, om mij te laten opsporen. Daardoor vertrok ik nog dienzelfden nacht en kom nu aan het hof, om te trachten gratie te krijgen, waarvoor ik den steun noodig heb van den eersten minister, welken ik door uw bemiddeling hoop te krijgen."
De dappere zoon van don Anastasio had zijn verhaal geëindigd; ik beloofde, dat ik zijn zaak aan den minister zou voordragen, wiens hulp ik wel durfde verzekeren.
Denzelfden dag reeds sprak ik over de zaak met den minister, die zich bereid verklaarde don Roger te ontvangen en hem zei: "Don Roger, ik ken de zaak, die u tot ons heeft gevoerd, Santillano heeft mij die uitvoerig verteld. Wees gerust, ge hebt niets gedaan, wat niet te verontschuldigen is. Voornamelijk aan ridders, die hun beleedigde eer hebben gewroken, verleent de koning gaarne gratie. Voor den vorm moet ge u in de gevangenis begeven, maar uw verblijf daar zal niet van langen duur zijn. Gij hebt in Santillano een goed vriend, die zich met het overige zal belasten."
Door mijn zorgen werd de gratie hem spoedig verleend. Binnen tien dagen kon deze nieuwe Télémachus zijn Ulysses en Pénélope gaan terugvinden. Had hij geen beschermer en geen geld gehad, dan zou hij minstens een jaar in de gevangenis hebben moeten blijven. Ik trok uit den bewezen dienst niet meer dan honderd pistolen, maar ik was nog geen Calderone en versmaadde het kleine niet.
HOOFDSTUK IX
Door welke middelen Gil Blas in korten tijd een aanzienlijk fortuin maakte en welke airs hij aannam.
Die zaak had mij smaak erin gegeven en ik gaf Scipio tien pistolen, om hem aan te moedigen tot nieuwe opsporingen. Zijn talenten in dit opzicht heb ik reeds geroemd. De tweede klant, die hij mij aanbracht, was een boekdrukker, die een werk van een confrater had nagedrukt en op wiens uitgave beslag was gelegd. Voor driehonderd ducaten wist ik hem te helpen, het beslag te doen opheffen en hem te vrijwaren voor een zeer groote boete. Na den boekdrukker kreeg ik met een koopman te doen. Een Portugeesch schip was in handen gevallen van een zeeroover uit Barbarije en vervolgens weer genomen door een oorlogsschip uit Cadix. Het twee derde gedeelte van de koopwaren, waarmee het beladen was geweest, behoorde aan een koopman uit Lissabon, die ze opeischte en nu aan het hof te Madrid een beschermer kwam zoeken. Ik interesseerde mij voor die zaak en ontving vierhonderd pistolen.
Daarna hielp ik een drogist, die het privilege wilde hebben, om gedurende tien jaren zekere drankjes in alle steden van Spanje te verkoopen, met uitsluiting van alle anderen d. w. z. dat anderen die in deze plaatsen niet zouden mogen verkoopen. Voor tweehonderd pistolen kreeg hij uitsluitend recht om de wereld met zijn waar te bedriegen.
Ik ondervond de waarheid van het gezegde, dat de eetlust al etende komt. Van den minister had ik zoo gemakkelijk de vier gunsten verkregen, waarvan ik hierboven sprak, dat ik niet aarzelde hem een vijfde te vragen. Een ridder uit Calatrava bood mij duizend pistolen aan, indien ik hem gouverneur kon maken van de stad Vera, bij Granada.
De minister begon te lachen, toen ik met die zaak bij hem aankwam en zei: "Mijn vriend Gil Blas, het schijnt dat de lust om uw naasten te helpen zeer groot bij u is. Zoolang het slechts kleinigheden betrof, heb ik daar niet zoo op gelet, maar wanneer het om grootere zaken gaat, zult ge u in 't vervolg moeten tevreden stellen met de helft van het profijt en mij de andere moeten geven. Ge kunt u niet voorstellen, welk een kosten ik moet maken en wat ik noodig heb om mijn stand met waardigheid op te houden. Niettegenstaande mijn belangeloosheid, waarvoor ik overal bekend ben, kan ik toch niet zoo onvoorzichtig zijn, om mijn persoonlijke belangen over het hoofd te zien".
Dit gesprek zette mij nog meer aan om op den ingeslagen weg voort te gaan. Indien het mogelijk was geweest, zou ik graag overal hebben laten publiceeren, dat zij die gunsten van het hof verwachtten, zich slechts tot mij hadden te wenden. Ik ging den eenen kant uit en Scipio den anderen. Gouverneurs werden er door mij gemaakt, ridderordes verleend, in den adelstand verheven. Eenige goede avonturiers werden in slechte edellieden veranderd door uitstekende adelbrieven. Ook de geestelijkheid wilde ik van mijn weldaden doen genieten. Maar ik moest mij bepalen tot de kleinere posten, de grootere van bisschoppen en aartsbisschoppen waren het terrein van Calderone. De personen, die wij kozen, waren natuurlijk niet altijd de bekwaamste en de beste en wij wisten wel, dat men ons in Madrid niet onbesproken liet, maar wij troostten ons als gierigaards met het gezicht van het goud.
Isocrates heeft gelijk, dat hij de onmatigheid en de dwaasheid de trouwe metgezellen noemt van de rijken. Toen ik dertigduizend ducaten bijeen had en kans zag om misschien nog tienmaal meer te krijgen, meende ik voor de wereld op meer waardige wijze mijn positie als vertrouweling van den eersten minister te moeten ophouden. Ik huurde een groot huis, meubileerde het keurig, kocht een rijtuig, stelde een koetsier aan en drie lakeien en daar het rechtvaardig is, om zijn oude bedienden te bevorderen, verhief ik Scipio tot de driedubbele waardigheid van kamerdienaar, secretaris en intendant. Het toppunt was voor mij, dat de minister goedvond, dat mijn personeel livrei droeg. Het scheelde weinig, of ik had mij verbeeld een bloedverwant van den hertog te zijn. Ik stelde mij in het hoofd, dat ik daar misschien wel voor doorging, of misschien gehouden werd voor een van zijn bastaards, wat ik als een groote eer zou hebben beschouwd.
Het voorbeeld volgende van mijn meester, wilde ik ook bezoek ontvangen. Ik belastte Scipio met de zorg een uitstekenden kok voor mij te zoeken en vulde mijn kelder met de fijnste wijnen. Iederen avond kwamen er nu hoofd-ambtenaren van het ministerie bij mij soupeeren. Scipio had ik het recht gegeven, om in zijn verblijf zijn kennissen op mijn kosten te onthalen. Hij hielp mij om geld te verdienen en verstond ook uitstekend de kunst om het weer uit te geven. Dat schaadde mij echter niet, want ik zag van dag tot dag mijn fortuin toenemen.
Mijn ijdelheid verlangde alleen nog maar om Fabricius getuige te doen zijn van dit weelderige leven. Ik twijfelde er niet aan, of hij was terug uit Andaloesië en om mij het genoegen te geven hem te verrassen, liet ik hem een anoniem briefje toekomen, waarin ik hem meedeelde, dat een heer uit Sicilië hem te soupeeren vroeg. Ik gaf hem den dag, het uur en de plaats aan, waar hij zich moest bevinden. De plaats van samenkomst was bij mij. Nunez kwam en was buitengewoon verbaasd, dat ik de vreemde heer was, die hem had uitgenoodigd. Ik zei: "Ja, mijn vriend, ik ben meester in dit huis, ik houd een equipage, een goede tafel en heb bovendien een brandkast." "Hoe is het mogelijk!" riep hij, "dat ik je terug zie in zooveel weelde. Wat ben ik blij, dat ik je die betrekking heb bezorgd bij graaf Galiano! Ik zeide je wel, dat hij een edelmoedig man was en dat het je wel goed zou gaan bij hem. Je hebt zeker den wijzen raad gevolgd, dien ik je heb gegeven en den hofmeester de vrije hand gelaten. Ik wensch je er hartelijk geluk mee. Wanneer de intendanten in groote huizen zoo voorzichtig zijn, worden ze niet rijk."
Ik liet Fabricius zich er eerst op beroemen, zooveel hij wilde, dat hij mij die plaats bij graaf Galiano had bezorgd; om zijn vreugde te temperen, deelde ik hem daarna mee, met welke bewijzen van dankbaarheid die heer mijn diensten had beloond.
"Maar ik vergeef den Siciliaan zijn ondankbaarheid. Ik heb eerder reden, om mij er over te verheugen, dan te beklagen, want als de graaf niet zoo slecht met mij had gehandeld, zou ik nu in zijn dienst zijn in Sicilië en misschien in een onzekere positie. In één woord ik zou niet de vertrouweling zijn van den hertog de Lerme."
Nunez was zoo levendig getroffen door die laatste woorden, dat hij de eerste oogenblikken niet kon spreken. "Heb ik goed gehoord? Heb je het vertrouwen van den eersten minister?" "Ja, ik deel dat met don Rodrigo de Calderone en naar alle waarschijnlijkheid zal ik het ver brengen." "Waarlijk, mijnheer de Santillano," antwoordde hij, "ik bewonder u. Ge zijt bekwaam om alle posten te vervullen. Wat een talenten vereenigt gij in u! Overigens mijnheer, moet ik u zeggen, dat ik mij zeer verheug in uw voorspoed."
"Loop naar den duivel, Nunez, met dat mijnheer spelen. Laat ons familiair zijn als vroeger." Hij antwoordde mij: "Je hebt gelijk, ik moet je niet met andere oogen aanzien, omdat je rijk geworden bent. Maar, om je eerlijk de waarheid te zeggen, was ik eigenlijk verblind geworden door het verhaal van je gelukkig lot. Nu echter zie ik weer niemand anders in je dan mijn vriend Gil Blas."