De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 8
We gingen daarna naar den minister, die in een groote zaal audientie gaf. Een groot aantal personen was daar aanwezig. Nadat wij gewacht hadden, tot ze allen waren gehoord, zei don Diégo: "Excellentie, ik breng u hier Gil Blas de Santillano, den jongeman, die door u in de plaats van Valerio is gekozen." De hertog zei beleefd, dat ik hem reeds aan zich verplicht had door de bewezen diensten. Vervolgens liet hij mij in zijn kabinet om zich met mij te onderhouden of liever gezegd om een oordeel over mij te krijgen door ons gesprek. Eerst wilde hij weten, wie ik was en welk leven ik tot nu toe had geleid. Hij vroeg mij daarvan een oprecht verhaal. Dat was geen kleinigheid! Het ging toch niet aan, om voor een eersten minister van Spanje te liegen. Dus werd het een formeele biecht; alleen waar de waarheid al te naakt werd, omhulde ik haar. Aan het eind zei hij: "Ik zie, dat ge wel een weinig een deugniet geweest zijt, maar ge zijt er goed afgekomen. Het verwondert mij zelfs, dat ge door het slechte voorbeeld niet verder van den weg zijt afgeweken. Hoeveel eerlijke lieden zijn er niet, die schelmen worden, wanneer de fortuin hen op zulke proeven stelt! Maar bekommer u niet meer om het verledene, denk er nu slechts aan, dat ge in dienst zijt van den koning. Volg mij nu, dan zal ik u zeggen, waaruit uw werk bestaat." Wij gingen in een kamer naast de zijne, waar op tafeltjes twintig dikke registers lagen. "Dit is de plaats, waar ge zult werken. Al die registers vormen een dictionnaire van de adellijke families, die in het koninkrijk en de bezittingen van Spanje wonen. Ieder boek bevat in alphabetische volgorde de verkorte geschiedenis van die heeren en de diensten, die hunne voorvaderen aan den staat hebben bewezen. Er wordt ook melding in gemaakt van hunne bezittingen, hunne levenswijze, hunne goede en slechte hoedanigheden, zoodat, als iemand iets komt vragen, ik met een oogopslag kan zien of hij het verdient. Om goed op de hoogte te blijven, heb ik overal correspondenten, die mij hunne mededeelingen inzenden, maar die brieven zijn dikwijls verward en de stijl laat vaak te wenschen over; dat moet alles worden veranderd, want ook de koning laat zich soms die registers geven. Ge kunt dadelijk aan dat werk beginnen. Hier is een groote portefeuille met ingekomen memories, die betrekking daarop hebben."
Hij verliet mij daarna en ik ging aan het werk. Nadat ik een paar uren bezig was geweest, kwam hij terug en zei, dat hij mijn werk wilde zien. Hij scheen daar zeer tevreden over en was er nog niet mee gereed, om zijn ingenomenheid te betuigen, toen zijn neef, de graaf de Lemos binnenkwam. Deze moest een geheim onderhoud met hem hebben over een familie-aangelegenheid, die den minister toen meer bezig hield dan de zaken van den koning en waarvan ik later zal spreken.
Intusschen sloeg het twaalf uur en ik wist, dat op dien tijd de secretarissen en andere ambtenaren ergens naar hunne verkiezing gingen eten. In een gewone restauratie kon ik nu niet meer komen; ik zocht een fijnere op, denkende aan de woorden van den minister, dat ik nu in dienst was van den koning. Deze woorden werden het zaad der eerzucht, dat ieder oogenblik weliger opschoot in mijn geest.
HOOFDSTUK III
Hij verneemt, dat er aan zijn betrekking ook onaangenaamheden zijn verbonden. Van de onrust, die hem deze tijding gaf en de houding, die hij verplicht was aan te nemen.
Ik zorgde ervoor, dat de restaurateur dadelijk wist, dat ik een van de secretarissen was van den eersten minister.
Op twintig passen afstands was er een hotel, waar meestal vreemde heeren logeerden, ik huurde een mooie gemeubileerde kamer en betaalde een maand vooruit.
Daarna ging ik weer aan mijn werk. Naast mijn kabinet was een kamer, waarin twee secretarissen zaten, die alles in het net moesten overschrijven, wat de minister hun te copieeren bracht. Ik maakte kennis met hen en om op een vriendschappelijken voet te komen, noodigde ik hen 's avonds uit om met mij te soupeeren. Ik bestelde bij mijn restaurateur de beste schotels en den fijnsten wijn.
Wij gingen aan tafel en het gesprek was meer vroolijk dan geestig, want het bleek mij al spoedig, dat mijn collega's hunne plaatsen niet te danken hadden aan hun groot verstand en dat ze weinig anders kenden dan mooie ronde letters schrijven.
Uit hun gesprekken bleek mij overigens, dat zij er niet zulk een groote eer in stelden in dienst te zijn van den eersten minister. Zij beklaagden zich over hun positie. De een zei: "'t Is nu al vijf maanden dat ik werk, zonder eenig salaris te hebben ontvangen en wat erger is, onze salarissen zijn niet geregeld." De ander voegde er aan toe: "Wat mij betreft, zou ik wel ergens anders een betrekking willen zoeken, maar ik durf niet weg te loopen, noch mijn ontslag te vragen, want na alle geheimen, die ik heb overgeschreven, zou men mij wel eens naar een of andere gevangenis kunnen sturen."
"Maar hoe kunt ge dan leven?" vroeg ik.
Ze antwoordden mij, dat ze, gelukkig voor hen, hun intrek hadden genomen bij een eerlijke weduwe, die hun kost en inwoning op crediet gaf en niet meer dan honderd pistolen per jaar daarvoor rekende.
Al mijn verwachtingen waren door die mededeelingen als rook verdwenen. Ik had geen reden om te denken, dat men mij op andere wijze zou behandelen dan mijn collega's en was dus weinig ingenomen met mijn betrekking, die heel wat minder soliede was, dan ik mij had voorgesteld en ik besloot om zeer zuinig te zijn. Het speet mij al, dat ik die heeren had meegenomen, om op mijn kosten te eten.
Daar ik hun niets meer te drinken aanbood, scheidden wij. Zij gingen naar hun weduwe en ik naar mijn mooie kamer, die ik, zeer tot mijn leedwezen, had gehuurd en aan het einde van de maand weer hoopte te verlaten. Al lag ik in een heel mooi bed, ik kon 's nachts maar weinig slapen. Ik dacht aan den raad van Monteser en besloot mij te wenden tot don Rodrigo de Calderone. Daar ik gevoelde dat ik hem noodig had, was ik juist in de stemming om voor dien trotschen heer te verschijnen.
Zijn woning grensde aan die van den minister en geleek die, wat weelderige inrichting aanging. Men had moeite onderscheid te vinden tusschen de meubelen van den meester en die van zijn ondergeschikte. Ik liet mij aandienen als de opvolger van don Valerio, wat niet verhinderde, dat ik meer dan een uur in een zijkamer moest wachten. Eindelijk werd ik toegelaten. Noch voor den aartsbisschop van Granada, noch voor graaf Galiano, noch zelfs voor den eersten minister was ik zóó eerbiedig verschenen, als voor den heer Calderone. Ik boog zoo diep mogelijk en vroeg hem zijn protectie in woorden, die ik mij later niet zonder schaamte herinnerde, zoo onderdanig waren ze geweest.
Op een minder trotschen man zouden ze een onaangenamen indruk hebben gemaakt, maar hem waren ze welgevallig. Hij zei mij, tamelijk vriendelijk, dat hij geen gelegenheid voorbij zou laten gaan om mij te helpen. Na dien onwaardigen stap ging ik weer naar mijn bureau en begon aan mijn werk. De minister kwam dat weer zien, betuigde mij opnieuw zijn tevredenheid en sprak eenigen tijd met mij. Zijne zachtheid en welwillendheid deden mij aangenaam aan. Welk een verschil tusschen hem en Calderone!
Ik ging dien middag naar een goedkoope restauratie en besloot daar iederen dag incognito te gaan eten. Ik had nog geld om drie maanden te leven en indien men mij na afloop van dien tijd geen salaris gaf, besloot ik het hof te verlaten. De eerste twee maanden deed ik zooveel mogelijk mijn best om Calderone te bevallen. Maar ik zag zoo weinig resultaat van alles wat ik deed, dat ik ten zijnen opzichte van gedrag besloot te veranderen. Dus bepaalde ik mij er toe, om te profiteeren van de oogenblikken, dat de minister zich met mij onderhield.
HOOFDSTUK IV
Gil Blas wint de gunst van den hertog de Lerme, die hem een gewichtig geheim toevertrouwt.
Het scheen, dat ik erin geslaagd was, mij aangenaam te maken bij den hertog, want op zekeren middag zei hij tot me: "Gil Blas, ik ben zeer tevreden over u, ge zijt ijverig, trouw en bescheiden. Ik geloof, dat ik u mijn vertrouwen kan schenken". Zeer eerbiedig antwoordde ik: "Is het mogelijk, dat Uwe Excellentie mij met zulk een gunst zou willen vereeren? Maar die goedheid is groot genoeg, om mij geheime vijanden te bezorgen. Ik vrees voornamelijk de afgunst van één man, van don Rodrigo de Calderone".
"Van dien kant behoeft ge niets te vreezen. Ik ken Calderone, hij is van zijn jeugd af aan mij gehecht. Ik kan wel zeggen, dat zijn gevoelens zóózeer overeenstemmen met de mijne, dat hij goed is voor personen die in mijn gunst staan en degenen haat, die mij niet bevallen. Inplaats van voor hem te vreezen, kunt ge op hem rekenen. Maar, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk, moet ik u eerst een plan meedeelen. Het is noodig, dat ge daarvan onderricht zijt, om u behoorlijk te kwijten van de opdracht, die ik u in het vervolg zal geven. Het is al sinds lang, dat ik mijn macht overal geëerbiedigd zie. Ik heb te beschikken over alle ambten en voorrechten, ik mag zeggen, dat ik Spanje regeer. De fortuin kan mij niets verder schenken, maar ik wil die beveiligen voor de stormen, die het zouden kunnen bedreigen en het is daarom, dat ik als mijn opvolger aan het ministerie zou willen hebben mijn neef, den graaf de Lemos. Ik merk wel, Santillano, dat ge u verwondert. Het schijnt u vreemd, dat ik aan mijn neef de voorkeur geef boven mijn eigen zoon, den hertog d'Uzède. Maar het verstand van den laatste acht ik te bekrompen, om mijn betrekking te vervullen en bovendien zijn we elkaar vijandig gezind. Hij heeft namelijk het geheim gevonden, om den koning te behagen, die van hem zijn gunsteling wil maken en dat kan ik niet dulden. De gunst van een vorst gelijkt op het bezit van een vrouw, die men aanbidt. Het is een geluk, waardoor men jaloersch wordt, wijl men niet besluiten kan met een ander te deelen, al is men ook nog zoo nauw door banden van het bloed of door vriendschap verbonden.
Ik deel u hier mijn geheimste gedachten mee. Reeds heb ik getracht Uzède bij den koning in een minder gunstig daglicht te stellen, maar het is mij niet gelukt en nu wil ik probeeren het over een anderen boeg te gooien. Ik wil, dat de graaf de Lemos van zijn kant tracht het vertrouwen te winnen van den kroonprins. Hij is diens kamerheer en heeft gelegenheid hem ieder oogenblik te spreken. Door die tactiek zal ik mijn neef tegenover mijn zoon stellen. Ik zal tusschen de twee neven een verdeeldheid in het leven roepen, die hen zal verplichten hun steun bij mij te zoeken en de behoefte die ze aan mij zullen hebben, zal hen aan mij onderworpen maken.
Ziedaar mijn plan en daarbij heb ik uw tusschenkomst noodig. In het geheim zal ik u zenden naar den graaf de Lemos, die mij alles zal mededeelen, wat ik noodig heb te weten."
Na die mededeeling, die ik beschouwde als contant geld, had ik geen onrust meer. Ik dacht, dat er een regen van goud op mij zou neerdalen. Het is onmogelijk, dat de vertrouweling van een man, die het koninkrijk Spanje regeert, niet in korten tijd wordt overladen met rijkdommen. Vol van die zoete hoop, keek ik met een onverschillig gezicht naar mijn arme beurs, die bijna leeg was.
HOOFDSTUK V
Waarin men Gil Blas ziet overladen met vreugde, eer en ellende.
Men bemerkte weldra aan het hof de genegenheid, die de minister voor mij had. Hij bewees mij die in het openbaar, door mij te belasten met zijn portefeuille, die hij anders altijd zelf droeg, als hij naar den ministerraad ging. Mijn buren, de twee secretarissen, waren niet de laatsten, om mij te complimenteeren met mijn toekomstige grootheid. Ze noodigden mij uit, te komen soupeeren bij hunne weduwe, niet zoozeer als tegenbeleefdheid, dan wel omdat ze meenden, dat ik hen van dienst kon zijn. Zelfs de trotsche don Rodrigo veranderde van houding tegenover mij. Hij noemde mij nooit anders dan mijnheer de Santillano en was zeer beleefd tegen mij, vooral als mijn patroon er bij was. Maar ik verzeker u, dat hij niet met een idioot te doen had. Ik beantwoordde zijn beleefdheden te vormelijker naarmate ik hem meer haatte. Een oude hoveling zou het mij niet verbeterd hebben.
Ik vergezelde mijn meester ook als hij naar den koning ging, dien hij gewoonlijk driemaal per dag bezocht. 's Morgens ging hij er heen, als de koning nog te bed lag. Hij ging dan op zijn knieën aan het voeteneinde van het bed liggen, besprak met Z. M. wat hij te doen had dien dag en dicteerde hem wat hij te zeggen had. Daarna ging hij weg. 's Middags keerde hij er terug, niet om over staatszaken te spreken, maar om allerlei nieuwtjes te vertellen, die den minister werden aangebracht door personen, die hij daarvoor betaalde. En eindelijk zag hij den koning 's avonds voor de derde maal, om hem rekenschap te geven van hetgeen hij dien dag had gedaan. Terwijl hij bij den koning was, bleef ik gewoonlijk in de anti-chambre.
Op zekeren dag had ik alle reden tot ijdelheid. De koning, tot wien de hertog gesproken had over mijn stijl, was benieuwd daarvan een staaltje te zien. Dus moest ik een van de registers halen en den koning de eerste memorie voorlezen, die ik had geredigeerd. Maakte de aanwezigheid van den vorst mij eerst verlegen, die van den minister stelde mij gerust en met duidelijke stem las ik mijn werk voor, dat den vorst goed beviel. Hij betuigde mij zijn tevredenheid en drukte den minister op het hart mij verder voort te helpen.
Niet minder trotsch was ik na een onderhoud, dat ik een paar dagen later had met den graaf de Lemos. Ik moest hem bezoeken met een brief van mijn meester, waarin deze zijn neef mededeelde, dat hij met mij kon spreken, als met iemand, die op de hoogte was van hunne plannen en in het vervolg als tusschenpersoon tusschen hen zou optreden. Na dien brief gelezen te hebben, bracht hij me in zijn kamer, waar hij tot me zei: "Daar ge het vertrouwen bezit van den hertog de Lerme, dat ge zonder twijfel verdient, heb ik volstrekt geen bezwaar u ook het mijne te schenken. Ik kan u dan zeggen, dat de zaken uitstekend gaan. De prins onderscheidt mij boven alle heeren van zijn gevolg, die beproeven hem te behagen. In een onderhoud, dat ik vanmorgen met hem had, toonde hij zich verdrietig, dat hij door de gierigheid van den koning geen gevolg kan geven aan de ingevingen van zijn edelmoedig hart. Hij beklaagde zich dat hij niet overeenkomstig zijn stand als prins kon leven. Natuurlijk heb ik met hem meegepraat, hem beklaagd en hem beloofd, dat ik hem morgen vroeg duizend pistolen zou brengen, in afwachting van grootere sommen, die ik hem kan verschaffen. Hij was zeer verheugd over mijn belofte. Ga hetgeen ik u heb meegedeeld thans aan mijn oom vertellen."
Ik verliet den graaf de Lemos en bracht mijn rapport bij den minister, die mij naar Calderone stuurde, om duizend pistolen te vragen, die ik 's avonds aan den graaf bracht. Ik dacht: "nu is het mij duidelijk, welk een onfeilbaar middel de minister heeft, om in zijn onderneming te slagen. Maar hij heeft gelijk en ik geloof niet, dat zijn mildheid hem zal ruïneeren. 't Is gemakkelijk te raden uit wiens kist hij die schoone pistolen neemt, maar is het eigenlijk niet zooals het behoort, dat een vader zijn zoon onderhoudt?"
Toen ik den graaf het geld had gebracht, zei hij me bij het weggaan: "Adieu, mijn beste vertrouweling! De prins houdt nog al veel van vrouwen en dezer dagen zal ik daar eens nader met u over spreken. Het kan wel zijn, dat ik u binnenkort noodig heb."
Wat een eer voor mij, dat ik ook in de galante avonturen van den erfgenaam van den troon een rol zou spelen! Ik had de prachtigste vooruitzichten en ik zou de gelukkigste mensch zijn geweest van de wereld indien de eerzucht mij maar behoed had voor den honger. Al sinds twee maanden had ik mijn mooie kamer verlaten en bewoonde ik een zeer bescheiden vertrekje. Maar dat hinderde mij minder, omdat ik er 's morgens vroeg uitging en alleen terugkeerde, om er 's nachts te slapen. Den geheelen dag was ik op mijn tooneel, d. w. z. bij den hertog. Ik speelde er een rol van grooten mijnheer; maar keerde ik 's avonds op mijn kamertje terug, dan bleef er niets over, dan de arme Gil Blas zonder geld en wat erger is, zonder middelen om het mij te verschaffen. Ik was te trotsch om aan iemand mijn nooddruft mee te deelen; ik kende niemand, die mij zou kunnen helpen dan Joseph Navarro en tot hem durfde ik mij niet wenden, omdat ik hem in den laatsten tijd sedert ik aan het hof kwam te veel had verwaarloosd. Ik was verplicht geweest mijn goed stuk voor stuk te verkoopen; alleen het hoognoodige aan kleeren had ik overgehouden. Naar de restauratie ging ik niet meer, omdat ik het niet kon betalen. Wat ik dan deed, om te blijven bestaan? Ik zal het u zeggen. Iederen morgen werd er in ons bureau voor ontbijt brood gebracht en een beetje wijn. Dat was alles, wat de minister ons liet geven en daarvan leefde ik op den dag. 's Avonds ging ik meestal naar bed, zonder te hebben gesoupeerd.
Zoo was de toestand van een man, die aan het hof schitterde en die meer beklaagd moest worden dan benijd. Dat ellendige leven kon echter niet lang meer duren en ik besloot er met den hertog de Lerme over te spreken, zoodra zich de gelegenheid zou aanbieden. Gelukkig deed zich die voor in het Escuriaal, waar de koning en de prins eenige dagen later heengingen.
HOOFDSTUK VI
Hoe Gil Blas zijn armoede kenbaar maakte aan den hertog de Lerme; op welke wijze deze daarna met hem handelde.
Wanneer de koning op het Escuriaal was, werd iedereen vrijgehouden, zoodat ik daar mijn armoede niet voelde. De minister was gewoon 's morgens vroeg op te staan en op een morgen nam hij me mee naar den tuin, om eenige papieren met hem door te lezen. Hij beval mij te gaan zitten als een man, die met het papier op zijn knieën aan het schrijven is terwijl hijzelf een papier in zijn hand hield, waaruit hij z.g. las. Het had den schijn of we ernstig bezig waren terwijl we inderdaad allerlei kletspraatjes hielden. Want daar was Z. Excellentie niet afkeerig van. Wij zaten op een bank, toen twee eksters in de boomen boven ons hoofd begonnen te vechten en daarbij zulk een spektakel maakten, dat het onze aandacht trok. "Ik zou wel eens willen weten, waarover de strijd loopt," zei de hertog. "Excellentie," zei ik, "uw nieuwsgierigheid brengt mij een Indische fabel in gedachten, die ik gelezen heb bij Pilpay of een anderen fabeldichter." De minister vroeg mij hoe die fabel luidde en ik vertelde hem:
"Er heerschte in oude tijden in Perzië een goede koning, die echter niet verstandig genoeg was, om zijn staten zelf te regeeren en de zorg daarvan overliet aan zijn grootvizier. Die minister, Atalmuc genaamd, was een buitengewoon wijs man. Hij regeerde in vrede en verstond de kunst, om het koninklijk gezag tegelijkertijd te doen respecteeren en bemind te maken. De onderdanen hadden in dien vizier, die trouw bleef aan den vorst, een goeden vader. Altamuc had onder zijn secretarissen een jongen man uit Cachemir, genaamd Zéangir, die zijn gunsteling was. Hij praatte gaarne met hem, nam hem mee op jacht en deelde hem zelfs zijn geheimste gedachten mee. Op een dag, dat ze samen in een bosch jaagden, hoorde de vizier twee raven, die op een boom krijschten en hij zei tot zijn secretaris: "ik zou wel eens willen weten, wat die vogels elkaar nu in hun taal zeggen." Zéangir antwoordde: "Ik ben in staat om aan uw verlangen te voldoen, want een oude derwisch heeft mij de taal van de vogels geleerd. Indien u wilt, zal ik die vogels beluisteren en u woord voor woord herhalen, wat ik hen heb hooren zeggen."
De vizier stemde erin toe. Zéangir naderde de vogels en scheen oplettend te luisteren. Terugkomende zei hij tot zijn meester: "Wilt u wel gelooven, dat wij het onderwerp van hun gesprek uitmaken?" De minister riep: "Dat is niet mogelijk! En wat zeiden ze dan wel?" "Een van hen," hernam de secretaris, "heeft gezegd: daar ziet ge nu den grootvizier Atalmuc, dien arend, die met zijn vleugelen Perzië bedekt als een nest en onafgebroken waakt over het welzijn van het land. Om een weinig ontspanning te hebben bij zijn zwaar werk, jaagt hij thans in dit bosch met zijn getrouwen Zéangir. Wat is die secretaris gelukkig, een meester te hebben, die zoo goed voor hem is! Zacht wat, zacht wat! viel de andere raaf hem in de rede. Prijs het geluk van dien jongen man niet te veel! 't Is waar, Atalmuc is familiair met hem, vereert hem met zijn vertrouwen en ik twijfel er zelfs niet aan, of hij heeft het voornemen hem later een goede betrekking te geven, maar voor dien tijd zal Zéangir van honger zijn gestorven. Die arme jongen woont op een klein kamertje, waar hem het noodigste ontbreekt. In één woord, hij leidt een ellendig leven, zonder dat iemand aan het hof het merkt. De grootvizier geeft zich niet de moeite naar zijn omstandigheden te informeeren, hij is hem genegen, maar laat hem aan armoede ten prooi."
Hier hield ik met spreken op en keek den hertog de Lerme aan, die mij glimlachend vroeg, welken indruk dat verhaal op Atalmuc maakte en of hij niet beleedigd was door de stoutmoedigheid van den secretaris. "Neen, Excellentie," antwoordde ik, een weinig van mijn stuk gebracht door die vraag, "de fabel zegt integendeel, dat hij hem met weldaden overlaadde." "Dat is gelukkig," hernam de hertog op ernstigen toon; "er zijn ministers, die het niet goed zouden vinden, wanneer men hun de les las. Maar," voegde hij er aan toe, het onderhoud afbrekende en opstaande, "ik geloof, dat de koning mij al wacht." Hij ging met groote stappen naar het paleis, zonder verder met mij te spreken en naar het scheen zeer slecht gestemd door mijn Indische fabel.
Ik ging naar het vertrek, waar de twee secretarissen-copiïsten werkten, want zij waren ook meegegaan op reis. "Wat is er, mijnheer de Santillano?" vroegen zij, toen ze mij zagen, "u ziet er zoo bedrukt uit! Is er iets onaangenaams voorgevallen?"
Ik was te veel vervuld van de slechte uitwerking van mijn verhaal, om hun mijn verdriet te verbergen, dus deelde ik mee, wat er was gebeurd. Een van hen zei: "Ge hebt wel reden om u te beklagen, de minister neemt soms zulke dingen verkeerd op." De ander voegde eraan toe: "Dat is maar al te waar. Maar wilt ge beter behandeld worden dan een van de secretarissen van kardinaal Spinoza werd? Die man had in de vijftien maanden, dat hij werkte, niets ontvangen en nam op zekeren dag de vrijheid zijn meester iets te vragen om van te leven. "Het is billijk," zei de kardinaal, "dat ge betaald wordt. Hier hebt ge een mandaat waarop u bij den schatmeester duizend ducaten zullen worden uitbetaald. Maar van dit oogenblik af heb ik uw diensten niet meer noodig." De secretaris zou zich er over getroost hebben, dat hij werd ontslagen, indien hij zijn duizend ducaten had kunnen ontvangen en elders een betrekking zoeken; maar het huis van den kardinaal verlatende, wachtte hem een gerechtsdienaar op, die hem naar den toren van Ségovia bracht, waar men hem lang gevangen hield."
Deze historie verdubbelde mijn vrees. Ik meende, dat ik verloren was, verweet mijzelf, dat ik niet langer geduld had gehad, dat het veel beter zou zijn geweest mijn dieet maar voort te zetten en dat ik maar liever van honger had moeten sterven.
Indien ik nog eenige hoop had behouden, dan ontnam mijn meester mij die in den namiddag. Hij was zeer ernstig, en sprak tegen mij uit de hoogte, wat mij een doodelijke onrust gaf. Den nacht bracht ik zeer onrustig door; de spijt over al mijn vervlogen illusies en de vrees staatsgevangen te worden gemaakt, deden mij niets als klagen en zuchten.
Den volgenden dag was het de crisis. De hertog liet mij in den morgen roepen. Ik kwam zijn kamer binnen, bevende als een misdadiger, die zijn vonnis afwacht.