De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 5
Hoewel de grijsaard er allen schijn van had, een verstandig man te zijn, vond ik hem zóó gek, dat ik niet kon nalaten hem in zijn gezicht uit te lachen. Inplaats van zich beleedigd te gevoelen door mijn onbeleefdheid, glimlachte hij en zei, na de zaal te hebben rondgekeken om zich te overtuigen dat niemand ons beluisterde: "Ik verwonder mij er niet over u zoo vooringenomen te zien tegen twee wetenschappen, die heden ten dage voor dwaasheid doorgaan; de lange en moeilijke studie, welke ze eischen, ontmoedigen alle geleerden, die er dan van afzien en ze veroordeelen, omdat zij ze niet onder de knie hebben kunnen krijgen. Wat mij betreft, ik heb mij niet laten afschrikken door al die moeilijkheden. Ook heb ik lang de scheikunde bestudeerd en de kunst om van andere metalen goud te maken. Maar ik onderstel, dat ik spreek tot een jongeman, wien dat alles slechts droombeelden toeschijnen. Een bewijs van mijn kennis zal uw oordeel gunstiger daarover stemmen." Bij die woorden haalde hij een flesch uit zijn zak, gevuld met een roode vloeistof. "Hier is een elixer, dat ik bereid heb uit verschillende planten. Ge zult er de kracht van bespeuren. De wijn, dien wij bij ons eten drinken, is zeer slecht, ik zal dien uitstekend maken." Hij goot een paar druppels in mijn flesch en die maakte werkelijk mijn wijn beter dan de heerlijkste, dien men in Spanje drinkt. Een wonder werkt altijd op de verbeelding en als die eenmaal gewonnen is, gebruikt men zijn gezond verstand niet meer.
Vol bewondering riep ik uit: "O vader, vergeef mij, dat ik u in het begin voor een ouden gek heb gehouden. Ik laat u nu alle recht wedervaren en behoef het niet eerst te zien om ervan overtuigd te zijn, dat ge, zoo ge wilt, een stuk ijzer in een stuk baar goud kunt veranderen! Wat zou ik gelukkig zijn, indien ik die zoo bewonderenswaardige wetenschap bezat!"
De grijsaard slaakte een zucht en zei: "Dat de hemel u ervoor beware, mijn zoon. Ge weet niet, wat ge wenscht. Inplaats van mij te benijden, moet ge mij beklagen, dat ik mij zooveel moeite heb gegeven, om mijzelf ongelukkig te maken. Altijd ben ik in onrust, ik vrees ontdekt te worden en dat een eeuwigdurende gevangenschap het loon zal zijn voor al mijn werken. Daarom leid ik een zwervend leven, nu eens verkleed als priester of monnik, dan weer als edelman of boer. Is het een voordeel tot dien prijs goud te kunnen maken en zijn rijkdommen niet een ware marteling voor personen, die er niet rustig van kunnen genieten?"
Ik antwoordde den ouden wijsgeer, dat ik zeer verstandig vond wat hij zei, maar dat ik toch gaarne mijn toekomstig lot van hem zou vernemen.
"Met genoegen, mijn zoon, uw gelaatstrekken heb ik reeds bestudeerd, laat mij nu ook uw hand zien!" Ik bood hem die aan met een vertrouwen, dat mij zeker zal doen dalen in de achting van sommige lezers, hoewel ze in mijn plaats het misschien eveneens zouden hebben gedaan. Met zorgvuldigheid bekeek hij mijn hand en zei vervolgens: "Welk een overgangen van smart in vreugd en van vreugde in smart! Wat een grillige opeenvolging van tegenspoed en geluk! Maar ge hebt reeds een groot gedeelte van die veranderingen der fortuin ondervonden. Er blijft u nog maar weinig tegenspoed om te bestrijden en door een groot heer zult ge een aangenaam lot krijgen, dat niet meer aan verandering onderhevig is!"
Na me verzekerd te hebben, dat ik op die voorspelling kon rekenen, verliet hij de zaal, mij achterlatende in gepeins over hetgeen ik had gehoord. Ik twijfelde er niet aan, of markies de Marialva was die bedoelde heer en bijgevolg scheen mij niets meer mogelijk dan de vervulling van zijn uitspraak. Maar zelfs al had ik niet de minste waarschijnlijkheid kunnen ontdekken, zou ik toch den monnik volkomen geloofd hebben, zóó'n grooten indruk had hij met zijn elixer op mij gemaakt. Om van mijn kant dat geluk te bevorderen, besloot ik mij aan den markies meer te hechten dan aan een van mijn vorige meesters. Na dit besluit te hebben genomen, ging ik vroolijk naar huis terug. Nooit heeft een vrouw zoo tevreden een waarzegster verlaten.
HOOFDSTUK X
Van de opdracht, die de markies de Marialva aan Gil Blas gaf en hoe deze trouwe secretaris zich daarvan kweet.
De markies was nog niet van zijn actrice terug en ik vond in zijn vertrek zijn bedienden, die kaartspeelden in afwachting van zijn thuiskomst. Ik maakte kennis met hen en wij amuseerden ons, tot hij omstreeks twee uur na middernacht verscheen. Hij was een weinig verrast en zei met een uitdrukking van welwillendheid, waaruit ik afleidde, dat hij tevreden was over den avond, dien hij had gehad: "Hoe, Gil Blas, zijt ge nog niet naar bed?" Ik antwoordde, dat ik gewacht had, om te vernemen of hij mij misschien nog iets te bevelen had. Hij antwoordde mij, dat hij den volgenden morgen iets voor mij te doen had, maar dat ik in het vervolg 's avonds niet op hem behoefde te wachten, hetgeen mij genoegen deed.
Daarna ging ik naar bed. Maar ik kon niet slapen en herinnerde mij daarom den raad, welken Pythagoras geeft, om 's avonds alles te herinneren wat wij gedurende dien dag hebben gedaan, onszelf te prijzen om de goede en te laken om de slechte daden.
Ik voelde mijn geweten niet zuiver genoeg, om over mijzelf tevreden te zijn, want ik verweet mij, wat er bij Laura was gebeurd. Wel kon ik zeggen, dat ik toch moeilijk een meisje kon logenstraffen, dat alleen zoo gehandeld had, om mij genoegen te doen en dat ik dus in de noodzakelijkheid verkeerde om haar medeplichtige te worden, maar die verontschuldiging stelde mij niet gerust. Het vertrouwen van mijn nieuwen meester vergold ik op die wijze al heel slecht en ik was het met mijzelf eens, dat, zoo ik al geen schelm was, het toch heel weinig scheelde. De gevolgen daarvan overwegende, meende ik een gevaarlijk spel te spelen. Dat joeg mij schrik aan. Maar andere gedachten kwamen dien schrik weer verdrijven. Bovendien kon de voorspelling van den man met het elixer voldoende zijn om mij gerust te stellen. Allerlei aangename beelden vertoonden zich aan mij. Ik rekende uit hoeveel ik na zes jaren dienst aan salaris zou hebben overgehouden, voegde daarbij de gratificaties, waarmee mijn meester wel mild zou zijn en kwam zoo tot een heel fortuin. Onder het bouwen van die luchtkasteelen viel ik in slaap.
Ik stond den volgenden morgen om acht uur op en wilde de orders van mijn meester gaan ontvangen; maar toen ik mijn deur opende zag ik hem tot mijn verwondering voor mij staan. Hij zei: "Gil Blas, toen ik gisteravond uw zuster verliet, beloofde ik haar vanmorgen bij haar te komen, maar er is iets tusschenbeide gekomen, waardoor ik mijn woord niet kan houden. Ga haar dus zeggen, dat ik tot mijn spijt verhinderd ben, maar dat ik vanavond bij haar kom soupeeren. Dat is niet alles," bij die laatste woorden gaf hij mij een leeren doosje, bezet met diamanten en een beurs, "breng haar mijn portret; en die beurs, waarin vijftig pistolen zijn, is voor u als een bewijs van vriendschap."
Zeer verheugd ging ik naar Laura en zei tot mijzelf: "De goede voorspelling komt uit. Wat een geluk, de broer te zijn van zulk een schoon en bekoorlijk meisje! 't Is jammer, dat er niet evenveel eer aan verbonden is als voordeel."
Laura had, in tegenstelling met andere personen van haar beroep, de gewoonte om 's morgens vroeg op te staan. Ik verraste haar bij haar toilet, waarbij ze in afwachting van haren Portugees, bij hare natuurlijke bekoorlijkheden, ook nog die van de kunst voegde. "Beminnelijke Estelle, mijn meester zal niet het genoegen hebben u dezen morgen te zien, zooals hij met u had afgesproken. Hij is verhinderd, maar komt vanavond bij u soupeeren. Hij zendt u zijn portret, met iets dat u nog wel meer zal troosten."
Ik gaf haar het doosje, en de diamanten, waarmee het versierd was, bevielen haar buitengewoon. Glimlachend zei ze: "Dat zijn nu contrefeitsels waarvan de dames van het tooneel meer houden, dan van het origineel."
Vervolgens zei ik haar, dat ik een beurs had gekregen met vijftig pistolen. "Ik maak je er mijn compliment over," zei ze, "die man begint met iets, waarmee de anderen nog maar zelden eindigen!"
"'t Is aan mijn aanbiddelijke zuster, dat ik dit cadeau te danken heb; de markies heeft het mij alleen om de familierelatie gegeven."
"Ik zou wel willen," hernam ze, "dat hij iederen dag zoo iets deed. Ik kan je niet zeggen, hoe dierbaar je me bent. Van het eerste oogenblik af, dat ik je gezien heb, hechtte ik mij zoo sterk aan je. Toen je mij te Madrid verliet, wanhoopte ik er niet aan, je terug te zien en toen ik je gisteren terugzag, heb ik je ontvangen als een man, dien de Hemel naar mij toezond. In één woord, mijn vriend, wij zijn voor elkaar bestemd. Ge zult mijn man zijn, maar eerst moeten wij rijk wezen. De voorzichtigheid gebiedt, dat wij daarmee beginnen. Ik wil nog drie of vier galante avonturen hebben, om je een gemakkelijk leven te bezorgen."
Vriendelijk dankte ik haar voor de moeite, die zij zich voor mij wilde geven en wij bleven tot den middag bij elkaar. Toen ging ik heen, om mijn meester mee te deelen op welke wijze zij het cadeau had ontvangen. Hoewel Laura mij niets daaromtrent had gezegd, stelde ik onderweg een schoon compliment op, dat ik mij voornam namens haar te zeggen. Maar het was verloren moeite, want toen ik thuis kwam, zei men mij, dat de markies was uitgegaan. Het was besloten, dat ik hem niet weer zou zien, zooals men uit het volgende hoofdstuk zal vernemen.
HOOFDSTUK XI
Van het nieuws, dat Gil Blas vernam, en dat voor hem was als een bliksemslag.
Ik ging eten in mijn restauratie, waar ik twee heeren ontmoette, met wie ik mij aangenaam onderhield tot het tijd was, om naar den schouwburg te gaan. Hoewel ik alle redenen had voor een opgewekte stemming, voelde ik mij toch gedrukt en ik kon mij daartegen niet verzetten.
Laat men toch nooit zeggen, dat wij geen voorgevoel kunnen hebben van de ongelukken, die ons dreigen!
Toen ik den foyer binnenkwam, riep Melchior Zapata mij. Hij bracht mij in een afzonderlijk kamertje en zei: "Mijnheer, ik acht het mijn plicht u een zeer gewichtigen raad te geven. Ge weet, dat de markies de Marialva eerst verliefd was op Narcissa, mijn echtgenoote, maar dat Estelle hem tot zich wist te trekken. Ge kunt wel begrijpen, dat een actrice zulk een prooi niet zonder spijt verliest. Mijn vrouw zocht dan ook naar middelen, om zich te wreken en ongelukkig voor u heeft ze nu een goede gelegenheid. Ge herinnert u, dat we gisteren allen kwamen toeloopen om u te zien. Welnu, de onder-kaarsensnuiter kent u en zegt, dat het niet waar is, dat ge de broeder van Estelle zijt. Dat gerucht is gisteren Narcissa ter oore gekomen, die dadelijk den man nader heeft ondervraagd. Hij zegt, dat hij u gekend heeft toen ge de bediende bij Arsénia waart en dat Estelle onder den naam van Laura daar ook in dienst was. Indien ge werkelijk de broer van Estelle niet zijt, dan raad ik u als vriend aan, om voor uw veiligheid te zorgen. Mijn vrouw, die zeer verheugd is over die ontdekking, heeft het plan haar mee te deelen aan den markies, die vanavond in den schouwburg komt. Ze vraagt echter slechts één slachtoffer en heeft mij toegestaan u te waarschuwen, zoodat ge door te vluchten een ongeluk kunt voorkomen."
De man zag wel aan mijn verschrikt gezicht, dat er geen reden bestond om de waarheid van de woorden van den kaarsensnuiter in twijfel te trekken. Ik bedankte hem voor zijn waarschuwing en besloot zijn raad op te volgen. Ik ging niet naar Laura, omdat ik begreep, dat zij actrice genoeg was om zich uit die moeilijkheid te redden, maar dat het voor mij in ieder geval verkeerd zou afloopen. In een oogenblik had ik mijn koffer uit huis gehaald en naar een koetsier gebracht, die den volgenden morgen om drie uur naar Tolédo zou vertrekken. Ik wenschte, dat ik reeds bij den graaf de Polan was, wiens huis de eenig veilige schuilplaats voor mij scheen. Maar ik was zoo ver nog niet en kon er niet anders dan met schrik aan denken, dat ik nog zoolang in een stad moest blijven, waar ik vreesde, dat men mij dadelijk was gaan zoeken. Ik durfde nauwelijks te gaan soupeeren en onderzocht met verschrikte blikken alle personen, die de zaal binnenkwamen. Daarna ging ik naar den koetsier en wierp mij tot het uur van vertrek op het stroo.
Mijn geduld werd op een zware proef gesteld; duizend onaangename gedachten kwamen in mij op. Wanneer ik een oogenblik insliep, zag ik den markies de schoone Laura vermoorden en hem alles vernielen, of wel ik hoorde, dat hij zijn knechts last gaf mij met stokken dood te slaan. Ik werd met een schok wakker en hoewel dat anders heerlijk is na een benauwden droom, was het nu nog afschuwelijker dan de droom zelf. Gelukkig kwam de koetsier mij eindelijk waarschuwen, dat hij klaar was.
Naarmate wij ons van Granada verwijderden, werd mijn geest rustiger. Ik begon gesprekken met den koetsier en lachte om de verhalen, die hij mij deed.
Na een reis van drie dagen kwamen wij in Tolédo aan. Mijn eerste zorg was, om te informeeren naar het huis van den graaf de Polan, bij wien ik ongetwijfeld welkom zou zijn. Maar ongelukkigerwijs vertelde de concierge mij, dat zijn meester den vorigen avond op reis was gegaan naar het kasteel de Leyva, nadat men hem had bericht, dat Séraphine gevaarlijk ziek was.
Wat moest ik toen verder in Tolédo doen? Daar ik zoo dicht bij Madrid was, besloot ik daarheen te gaan. Misschien kon ik wel een betrekking krijgen aan het hof; ik had wel eens hooren zeggen, dat men geen buitengewoon begaafd mensch behoefde te zijn, om daar vooruit te komen.
De fortuin geleidde mij en deed mij een grooter rol spelen, dan ik tot nu toe had gedaan.
HOOFDSTUK XII
Gil Blas gaat in een hotel logeeren, waar hij kennis maakt met den kapitein Chinchilla; welke man deze officier was en welke zaak hem naar Madrid had gebracht.
Zoodra ik te Madrid aankwam, nam ik mijn intrek in een hotel, waar, onder andere personen, ook een oude kapitein uit Nieuw-Castilië logeerde, die aan het hof pogingen deed om een pensioen te krijgen, dat hij meende maar al te zeer te hebben verdiend. Hij heette don Annibal de Chinchilla. Den eersten keer bekeek ik dien man niet zonder verwondering. Hij was 60 jaar en lang en mager; behalve dat hij een arm en een been miste, droeg hij op de plaats waar een van zijn oogen had moeten zitten, een pleister en zijn gezicht was op verschillende plaatsen gekorven. Overigens was hij als een ander. Het ontbrak hem niet aan geest en minder nog aan ernst. Op het punt van moraliteit en eer was hij zeer gevoelig. Na een paar malen met hem te hebben gesproken, vereerde hij mij met zijn vertrouwen. Ik was weldra op de hoogte van al zijn zaken. Hij vertelde mij, bij welke gelegenheden hij een oog had gelaten te Napels, een arm in Lombardije en een been in Nederland. Wat ik bewonderde in zijn verhalen van veldslagen en belegeringen was, dat hem nooit een woord van eigen lof ontviel, hoewel ik het hem gaarne vergeven zou hebben, indien hij de eene helft, die hem nog overgebleven was, geprezen had, om zich schadeloos te stellen voor het verlies van de andere. De officieren, die heelhuids uit den oorlog terugkomen, zijn niet altijd zoo bescheiden.
Wat hem het meest aan het hart ging, was, dat hij zooveel geld had stukgeslagen op die tochten, zoodat hij niet meer dan honderd ducaten rente had en dat zijn kasteel te Chinchilla dreigde in te vallen door het uitblijven van reparatiën. Hij had net genoeg om zijn snor te onderhouden, zijn logement te betalen en zijn verzoekschriften te laten schrijven. "Alle dagen bied ik ze aan, maar het is of men er niet de minste notitie van neemt." Ik troostte hem door te zeggen, dat de gunsten van het hof in den regel onverwachts komen. Hij deelde mij mee, dat hij voor drie dagen den secretaris van den minister gesproken had en deze had hem gezegd: "Mijnheer, ge behoeft niet zoo op uw trouw en uw ijver te roemen, ge hebt slechts uw plicht gedaan, door u voor uw vaderland aan gevaren bloot te stellen. De roem, welke aan die schoone daden is verbonden, betaalt ze voldoende en moet een Spanjaard genoeg zijn. Ge moet de gratificatie, welke ge vraagt, niet beschouwen als een schuld, die men aan u heeft. Wanneer men u die toestaat, is het alleen dank zij de goedheid van den koning, die weet wat hij verschuldigd is aan onderdanen, die diensten hebben bewezen aan den staat." "Gij ziet dus wel," zoo ging de kapitein voort, "dat er voor mij weinig valt te hopen en dat ik waarschijnlijk wel terug zal gaan, zooals ik ben gekomen."
Ik had zeer te doen met dezen dapperen man, die zich bepaald in verlegenheid bevond en wilde hem helpen, daarom bood ik hem geld aan. Maar hij behoorde niet tot de menschen, wien men zooiets geen tweemaal behoeft te zeggen. Integendeel, hij weigerde beslist. Om niemand tot last te zijn, leefde hij zoo zuinig mogelijk. Zijn maaltijden bestonden in den regel uit knollen en wortelen en hij sloot zich om die te eten in zijn kamer op, opdat niemand het zien zou. Na veel aandringen kreeg ik eindelijk gedaan, dat hij met mij wilde dineeren en het avondeten gebruiken.
Ik had hem dus om zoo te zeggen tot commensaal en nam ook de moeite voor hem zijn smeekschriften te schrijven en die met hem samen te stellen. Door het overschrijven in het net van de preeken van den bisschop, had ik een zekere oefening gekregen in het stellen, ik was een soort van auteur geworden. Zoo oefenden wij ons dus in het maken van zeer welsprekende stukken, maar al putten wij onzen geest al uit in een bloemrijken stijl, het was alles nutteloos. Wat we ook deden, om de verdiensten van don Annibal in het ware daglicht te stellen, men nam er geen notitie van. De oude officier werd daardoor slecht gehumeurd en wenschte dat Napels, Lombardije en Nederland naar den duivel zouden loopen.
Tot overmaat van ramp hoorde hij op een goeden dag vertellen, dat een dichter dien morgen aan het hof een sonnet had voorgedragen op de geboorte van de infante en daarvoor vijfhonderd ducaten had gekregen. Ik geloof, dat de oude kapitein er gek van zou zijn geworden, als ik hem niet tot bedaren had gebracht. "Er steekt niets in, wat u zoo behoeft op te winden. Sinds onheugelijke tijden, stellen de dichters hunne muze in dienst van prinsen en prinsessen. En er is geen enkel gekroond hoofd, dat zulke lieden niet onderhoudt. Een dergelijk soort van giften wordt zelden vergeten, wat met andere wel het geval is. Hoeveel belooningen en pensioenen zou Augustus niet uitgedeeld hebben, waarvan we nu niets meer weten? Maar tot in de verre toekomst zal men weten, dat Virgilius meer dan 200.000 écus van dezen Keizer heeft gekregen."
Maar wat ik ook zei, het sonnet lag als lood op zijn maag. Hij besloot de zaak op te geven, maar wilde nog één smeekschrift in dienen en wel bij den hertog de Lerme. Om het effect te verhoogen, gingen wij samen naar dien eersten minister. Wij ontmoetten er een jongen man, die, na den kapitein te hebben gegroet, tot hem zei: "Mijn waarde oude meester, hoe is het mogelijk dat ik u hier vind? Welke zaak brengt u hier? Indien ge soms iemand noodig hebt, om u te helpen, beschik dan over mij."
"Hoe, Pédrille?" vroeg de oude heer, "als men u hoort, moet ge in dit huis een post van gewicht bekleeden."
"Mijn invloed gaat tenminste ver genoeg, om een eerlijken hidalgo, als gij zijt, te helpen," was het antwoord.
Na hem op de hoogte te hebben gebracht, moesten wij den jongen man, die zijn goeden wil zoo duidelijk toonde, opgeven waar don Annibal woonde, daarna verzekerde hij ons, dat wij den volgenden dag bericht van hem zouden krijgen en hij verdween, zonder ons te zeggen, wat hij van plan was te doen.
Ik was zeer benieuwd om iets naders omtrent dien Pédrille te hooren en vroeg er den kapitein naar. Deze zei: "Het is een jongen, die eenige jaren geleden bij mij heeft gediend, maar later kon hij in een betere positie komen. Het ontbreekt hem niet aan geest en hij weet te intrigeeren. Maar ik reken niet veel op zijn hulp."
Den volgenden morgen kwam Pédrille in ons hotel. "Heeren," zei hij, "gisteren kon ik mij niet nader verklaren over de middelen, welke mij ten dienste staan, om den kapitein te helpen, daar de plaats niet geschikt was voor vertrouwelijke mededeelingen. Ik ben lakei bij don Rodrigue de Calderone, eersten secretaris van den hertog de Lerme. Mijn meester, die veel van galante avonturen houdt, gaat bijna iederen avond soupeeren bij een nachtegaal uit Aragon. 't Is een jong, mooi en geestig meisje en ze zingt verrukkelijk. Iederen morgen breng ik haar een briefje. Ik heb haar voorgesteld, om don Annibal voor haar oom te doen doorgaan en zoodoende de protectie van haar minnaar te krijgen. Ze heeft beloofd dat zaakje te ondernemen. Behalve een klein voordeeltje, dat ze er zelf van denkt te behalen, vindt ze het verrukkelijk, dat men haar voor de nicht van een dapperen edelman zal houden."
Mijnheer de Chinchilla trok een leelijk gezicht bij dit verhaal. Hij had geen zin om medeplichtige te zijn bij zulk een fopperij en nog minder, dat een avonturierster oneer aandeed aan zijn naam, door te zeggen dat zij familie van hem was. Het betrof hier niet alleen hemzelf, meende hij, maar ook zijn voorvaderen. Pédrille vond al die bezwaren onzinnig, hij riep mijn bijstand in en niet dan na veel moeite slaagden wij er in den kapitein tot oom te maken van Sirène, zoo heette het meisje. Wij maakten nu met ons drieën weer een nieuw smeekschrift en Pédrille bracht het aan de jonge dame, die het denzelfden avond aan don Rodrigue zou geven. Ze wist zoo met den secretaris te spreken, dat deze haar beloofde haar oom te zullen helpen. Weinige dagen later zagen wij de uitwerking ervan. Pédrille kwam in ons hotel terug met een triomfantelijk gezicht en zei: "Goed nieuws. De koning zal een uitdeeling doen van ridderorders, gratificatiën en pensioenen en ik ben er mee belast u te zeggen, dat gij daar zeker niet bij vergeten zult worden. Maar ik heb ook last, om u te vragen, welk cadeau ge zult geven aan Sirène. Wat mij betreft, ik verklaar u, dat ik niets wil hebben, boven al het goud van de wereld stel ik het genoegen, mijn ouden meester te hebben geholpen, om zijn fortuin te verbeteren. Maar dat is niet het geval met onze nimf. Ze is in dergelijke zaken een beetje een jodin. Dat gebrek heeft ze nu eenmaal. Ze zou zelfs geld aannemen van haar eigen vader en dus te eerder van een gewaanden oom."
Don Annibal zei, dat ze maar zeggen moest wat zij wilde hebben; ze kon jaarlijks een derde gedeelte van zijn pensioen krijgen. De jongeman merkte echter op: "We hebben te doen met een nog al wantrouwig persoontje. Zij zal er de voorkeur aangeven, wanneer ge haar, in contant geld een som in eens geeft, twee derden van uw pensioen."
"Maar, voor den duivel! Ik ben geen groot-thesaurier!"
"Ze weet heel goed, dat ge zoo arm zijt als Job. Maar daar weet ik ook wel raad op. Ik ken een ouden schelm, die met genoegen, tegen tien procent, geld leent. Ge laat een acte maken, waarbij ge hem het eerste jaar van uw pensioen uitbetaalt, hij houdt er de rente en kosten af en betaalt u de rest. Als garantie heeft hij nog uw kasteel Chinchilla."
Toen de kapitein den volgenden dag bericht ontving, dat hij een pensioen kreeg van driehonderd pistolen, gebeurde het zoo. Hij deed daarna zijn zaakjes af en vertrok weer naar Nieuw-Castilië met niet meer dan enkele pistolen, die hij had overgehouden, in zijn zak.
HOOFDSTUK XIII
Gil Blas ontmoet aan het hof zijn waarden vriend Fabricius. Groote vreugde bij beiden. Waar ze samen heengingen en van het belangrijke gesprek, dat ze hadden.
Ik had het tot een gewoonte gemaakt, om iederen morgen naar het koninklijk paleis te gaan en daar een paar uren te blijven om al de grandes te zien uit- en ingaan, die daar zonder praal verschenen, waarmee ze zich anders omringen.