De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 24

Chapter 244,140 wordsPublic domain

"Ge zult het niet zoo vreemd vinden, indien ik je de redenen ervan heb meegedeeld. Ik wil niet, dat mijn neven en nichten mijn erfgenamen zullen worden. Misschien zul je zeggen, dat wij nog niet op een leeftijd zijn gekomen, om zelf geen kinderen meer te krijgen. Maar welke geleerden wij ook hebben geraadpleegd, het is alles nutteloos geweest. Van mijn vrouw heb ik geen kinderen meer te verwachten. Het lot heeft nu een kind op mijn weg gesteld, waarvan ik misschien werkelijk vader ben. Dien jongen wil ik aannemen; dat is een zaak, waartoe ik vast besloten ben."

Toen ik merkte, dat de minister zich dit nu eenmaal vast in het hoofd had gesteld, sprak ik hem niet verder tegen. Ik wist, dat hij een man was, eerder in staat om een dwaasheid te doen, dan om terug te komen op een genomen besluit.

"Het is nu de zaak, om een opvoeding te geven aan don Henri Philippe de Guzman, want dezen naam zal hij voorloopig in de wereld dragen. Om hem terzijde te staan, Santillano, heb ik jou uitgekozen. Ik vertrouw op je verstand en je gehechtheid aan mijn persoon. Draag zorg voor zijn huis, geef hem alle soorten van meesters; in één woord, maak van hem een volmaakt edelman."

Ik wilde mij daartegen verzetten, door mijn meester te zeggen, dat ik geen jonge heeren kon opvoeden, omdat ik dat nooit tevoren had gedaan; dat daarvoor meer verstand en meer verdiensten noodig waren, dan ik bezat, maar hij sloot mij den mond, door te zeggen, dat het zijn bepaalde wil was, dat ik ook de gouverneur zou zijn van zijn aangenomen zoon, dien hij voor de hoogste betrekkingen had bestemd.

Dus bereidde ik mij voor, die taak te gaan vervullen ten genoege van mijn meester, die uit dankbaarheid mijn inkomen met duizend kronen per jaar verhoogde.

HOOFDSTUK V

De zoon van Margarita Spinola wordt bij authentieke acte erkend en don Henri-Philippe de Guzman genoemd. Santillano richt het huis van dien jongen heer in en geeft hem allerlei meesters.

De acte van erkenning werd met goedkeuring van den koning opgemaakt. Don Henri-Philippe de Guzman (dat was de naam, dien men aan het kind met de verschillende vaders gaf) werd daarin tot eenig erfgenaam verklaard van het graafschap Olivarès en van het hertogdom de San-Lucar. Opdat iedereen het weten zou, liet de minister aan alle gezanten en grandes van Spanje deze mededeeling doen, waarover men niet weinig verwonderd was. De lachers in Madrid hadden langen tijd stof en de satirische dichters verzuimden deze gelegenheid niet om hun pen in gal te doopen.

Ik vroeg aan den graaf-hertog, waar de jongeman was, dien hij aan mijn zorgen wilde toevertrouwen en hij antwoordde mij, dat hij thans in de stad was bij een tante, aan wier zorgen hij echter zou worden ontnomen, zoodra zijn huis ingericht zou zijn.

Ik huurde dus een huis, liet het prachtig meubileeren en stelde pages, portier en andere bedienden aan.

Toen dat gebeurd was, ging ik den minister waarschuwen, die dadelijk den twijfelachtigen en nieuwen spruit van den tak Guzman liet halen. Ik zag een grooten jongen, met een vrij aangenaam uiterlijk. De minister zei, toen hij ons voorstelde, dat don Henri mij in alle opzichten als zijn gids moest beschouwen.

Wij gingen daarop naar het nieuwe huis, waar ik alle bedienden aan hunnen nieuwen meester voorstelde. In den omkeer in zijn toestand scheen hij zich zeer gemakkelijk te kunnen schikken. Met groote gemakkelijkheid nam hij alle betuigingen van eerbied en beleefdheid in ontvangst. Het ontbrak hem niet aan verstand, maar hij was zeer onwetend. Hij kon nauwelijks lezen en schrijven. Ik gaf hem meesters in de beginselen van het Latijn, de aardrijkskunde, de geschiedenis en een schermmeester. Een dansmeester vergat ik niet, maar er waren in dien tijd zooveel van die vermaarde heeren, dat ik niet goed wist, wien te kiezen.

Toen ik daar zoo over nadacht, zag ik een rijk gekleed man ons huis binnengaan.

Hij vroeg mij te spreken. Ik verbeeldde mij, dat hij minstens een ridder van Alcantera was en vroeg waarmee ik hem van dienst kon zijn.

"Mijnheer de Santillano," antwoordde hij met vele buigingen, "men heeft mij verteld, dat gij belast zijt met het kiezen van meesters voor don Henri. Ik kom mijne diensten aanbieden. Ik heet Martin Ligero [2] en verheug mij in een goeden naam. Ik heb anders de gewoonte niet, om leerlingen te vragen, dat past slechts aan onbeduidende dansmeesters. In den regel wacht ik, tot men mij komt bezoeken. Maar daar ik bekend ben bij den hertog de Medina Sidonia, bij don Louis de Haro en eenige andere heeren van het huis Guzman, heb ik het als een eer beschouwd u voor te zijn."

"Ik merk uit hetgeen ge zegt, dat gij de man zijt, dien wij noodig hebben," zei ik. "Hoeveel rekent ge per maand?"

"Vier dubbele pistolen," hernam hij, "dat is de vaste prijs en ik geef twee lessen per week."

"Vier dubbele pistolen!" riep ik. "Dat is veel!"

"Hoezoo veel!" antwoordde hij op verwonderden toon. "Ge geeft wel een pistool per maand aan een onderwijzer in de philosophie."

Ik kon niet nalaten om dat antwoord te lachen en vroeg mijnheer Ligéro, of hij werkelijk meende, dat iemand van zijn vak boven een leeraar in de philosophie stond.

"Dat geloof ik zeer zeker, mijnheer," zei hij, "wij zijn in de wereld van heel wat meer nut, dan die heeren! Wat zijn de mannen, vóór ze door onze handen zijn gegaan? Lichamen uit één stuk! Ongelikte beeren! Maar onze lessen geven hun vorm en gratie."

Ik besloot den dansmeester aan te nemen.

HOOFDSTUK VI

Scipio komt terug uit Nieuw-Spanje. Gil Blas plaatst hem bij don Henri. Van de studiën van dien jongen heer. Van de eer, die men hem bewees en aan welke dame de graaf-hertog hem uithuwelijkte. Hoe Gil Blas, niettegenstaande zijn verzet, in den adelstand wordt verheven.

Terwijl ik nog druk bezig was, om alles voor don Henri te regelen, kwam Scipio terug uit Mexico. Ik vroeg hem of hij voldaan was over zijn reis.

"Ik moet het wel zijn," antwoordde hij, "want met drie duizend ducaten in geld, heb ik wel voor tweemaal grooter bedrag aan koopwaren meegebracht."

"Hartelijk daarmee gefeliciteerd! Dat is het begin van je fortuin. En het hangt nu maar van je zelf af, of je dat wil vermeerderen door nieuwe reizen te maken. Of geef je misschien de voorkeur aan een aangename betrekking in Madrid? Je hebt maar te spreken; ik heb er een te begeven."

"Dat kan ik niet twijfelen!" riep hij. "Veel liever blijf ik hier, dan mij opnieuw aan de gevaren van een zeereis en van een vreemd land bloot te stellen. Maar welke betrekking hebt u voor mij bestemd?"

Daarop vertelde ik hem de heele geschiedenis van don Henri en vroeg hem of hij diens kamerdienaar wilde worden. Scipio nam de betrekking gaarne aan en vervulde haar zoo goed, dat hij in minder dan drie dagen reeds de vertrouweling en vriend was van zijn jongen meester.

Ik had mij voorgesteld, dat al die onderwijzers wel vergeefsche moeite zouden doen en dat hun leerling zich niet veel om hem en hun wetenschap zou bekommeren, maar daarin vergiste ik mij. Ze waren zeer tevreden over hem. Hij begreep en onthield zeer gemakkelijk, wat men hem leerde. Aangenaam was het mij, dit den minister te kunnen mededeelen.

"Santillano!" riep hij verheugd, "ik herken in hem mijn geest en bloed en ben er nu nog vaster van overtuigd, dat hij werkelijk mijn zoon is. Ik voel mij zeer tot hem aangetrokken. 't Is de natuur, die hier spreekt."

Ik wachtte mij er wel voor, om mijn meester te zeggen, wat ik daarvan dacht en zijn zwak eerbiedigende, liet ik hem het genoegen te gelooven, dat hij de vader was van don Henri. Hoewel alle leden van de familie Guzman een doodelijken haat hadden aan dien nieuwbakken neef zorgden zij er wel voor het uit een politiek oogpunt niet te laten merken. De gezanten en grandes die in Madrid waren, bewezen hem evenveel eer, alsof hij de wettige zoon van den machtigen minister geweest was.

De minister was over dat alles zeer verheugd. Hij begon met aan de koning het kruis van Alcantera voor don Henri te vragen. Later werd hij commandeur. Ook besloot hij hem te laten trouwen met een dame uit een van de edelste huizen van Spanje en koos daartoe Juanna de Valesco, dochter van den hertog van Castilië. Hij had macht genoeg, om dat huwelijk door te drijven, niettegenstaande het verzet van den hertog en diens verwanten. Eenige dagen voor dit huwelijk liet de minister mij roepen. Hij stelde mij eenige papieren ter hand en zei: "Hier, Gil Blas, heb ik een geschenk voor je. Ik geloof, dat het je niet onaangenaam zal zijn. Het zijn brieven van adeldom, dien ik voor je heb verkregen."

"Excellentie," antwoordde ik verbaasd, "weet u wel, dat ik de zoon ben van een eenvoudigen stalmeester en van een duenna? Het schijnt mij een beleediging voor den adelstand, mij daarin te doen opnemen. En van alle gunsten, die de koning mij bewijzen kan, verdien en begeer ik deze het minst."

"Uw geboorte is geen beletsel," zei mijn meester, "ge hebt staatsbetrekkingen bekleed bij den hertog de Lerme en mij. Overigens hebt ge ook den koning zelf zekere diensten bewezen. In één woord Santillano, je bent die eer niet onwaardig. En er komt bij, dat de positie, die je bij mijn zoon inneemt, het noodzakelijk maakt, dat je van adel bent. Ik wil je wel bekennen, dat dit de voornaamste reden is, waarom ik je die papieren heb doen verleenen."

"Ik geef mij gewonnen," antwoordde ik, "omdat u het bepaald wilt." Na die woorden ging ik weg, met de papieren in mijn zak.

"Nu ben ik dus een edelman," zei ik bij mijzelf toen ik op straat was, "en ik ben van adel zonder dat ik dit aan mijn ouders heb te danken. Ik kan mij dus, wanneer ik wil, don Gil Blas noemen en als de een of ander mij er om zou willen uitlachen, kan ik hem die papieren laten zien."

Onder het loopen keek ik de papieren in en ik las, dat de koning mij om den ijver, dien ik meermalen had getoond in den dienst van den staat en van hem zelven had verheven tot den adelstand.

Tot mijn eer mag ik zeggen, dat ik mij niet zeer trotsch gevoelde. Mijn nederige afkomst stond mij steeds voor oogen en ik nam mij voor mijn papieren weg te sluiten, zonder mij erop te beroemen.

HOOFDSTUK VII

Gil Blas ontmoet Fabricius nog eens bij toeval. Van het laatste onderhoud, dat zij samen hadden en van den gewichtigen raad, dien Nunez aan Santillano gaf.

De dichter uit Asturië verwaarloosde mij maar al te gaarne, zooals men zal hebben opgemerkt. Van mijn kant had ik weinig tijd om hem te bezoeken, zoodat ik hem niet had weergezien na het geweldige dispuut over Iphigenia.

Het toeval deed mij hem weer ontmoeten. Hij kwam uit een drukkerij.

"Ho ho! mijnheer Nunez! Ge komt uit een drukkerij. Dat schijnt het publiek met een nieuw werk van u te bedreigen."

"Dat kan men inderdaad verwachten," antwoordde hij. "Ik zal u zeggen, dat ik een brochure heb geschreven, die thans ter perse is en groot opzien zal verwekken in de republiek der letteren!"

"Ik twijfel niet aan de verdiensten van je werk, maar ik begrijp niet, dat je er lust in hebt een brochure te schrijven. Dat zijn van die kleinigheden!"

"Er zijn toch wel goede onder en de mijne behoort daartoe, hoewel ze in haast is geschreven. Maar 't was noodzakelijk! De honger, weet je, drijft de wolven het bosch uit."

"Wat! De honger! Kan de schrijver van den "Graaf de Saldagne" zóó spreken? Iemand met een vast inkomen!"

"Zacht wat! mijn vriend, ik ben niet meer die gelukkige dichter. De zaken van don Bertrand waren in de war. Hij is verdwenen, al zijn goederen zijn verkocht en mijn toelage is naar den duivel!"

"Dat is treurig! Maar is er geen hoop op, dat het weer in orde komt?"

"Niet het minst! Gomez del Ribero is nu even arm als zijn geestige trawant het was. Hij is verdwenen, om nooit weer terug te keeren."

"Maar mijn vriend, kan ik je dan niet eene betrekking bezorgen, die je schadeloos stelt?"

"Van die zorg moet ik je ontheffen," antwoordde hij, "wanneer je soms een betrekking bedoelt op een of ander bureau. Ik zou die weigeren al verdiende ik er 3000 pistolen mee. Als dichter wil ik leven en sterven! Overigens zijn wij niet zoo ongelukkig. Wij leven vrij en onafhankelijk en vele rijke huizen staan steeds voor ons open. Zoo heb ik er op 't oogenblik twee, waar steeds een couvert voor mij klaar staat, het eene bij iemand, wien ik een roman heb opgedragen en het andere bij een rijken koopman, die altijd kunstenaars aan zijn tafel wil hebben en gelukkig niet zeer kieskeurig is."

"Maar denk er aan Fabricius, dat wanneer je mij mocht noodig hebben, mijn beurs steeds voor je geopend is."

"Aan dit aanbod herken ik mijn edelmoedigen vriend Santillano. Uit dankbaarheid wil ik je een raad geven. Profiteer van den tijd, dat je nog de gunsten geniet van den eersten minister, haast je om rijk te worden, want je meester is als een kaars, die in den pijp brandt."

Ik vroeg aan Fabricius uit welke bron hij dat had en hij antwoordde: "Van een ouden edelman uit Calatrava die een ongewoon talent bezit, om zulke zaken te ontdekken. Gisteren hoorde ik hem zeggen, dat de minister veel vijanden heeft, die zich vereenigen om hem in het verderf te storten. Hij rekent te veel op den koning, die echter naar zijn tegenstanders begint te luisteren."

Ik bedankte Nunez voor zijn waarschuwing, maar hechtte er niet veel waarde aan, omdat ik te veel op den invloed van mijn meester vertrouwde. Ik beschouwde hem als een van die oude eiken in een bosch, die de stormen niet kunnen deren.

HOOFDSTUK VIII

Hoe Gil Blas verneemt, dat de raad van Fabricius niet verkeerd was. Van een reis van den koning naar Saragossa.

Wat de dichter uit Asturië mij had gezegd, was niet ongegrond. Er was in het paleis een samenzwering tegen den graaf-hertog en men beweerde, dat de koningin aan het hoofd daarvan stond. Intusschen vernam men er den eersten tijd nog niet veel van. Maar de opstand van de Cataloniërs, die door Frankrijk werd ondersteund en het weinige succes, dat men had in den strijd tegen de rebellen, maakte het volk ontevreden. Er werd in tegenwoordigheid van den koning een raad gehouden, die ook werd bijgewoond door den markies de Grana, een invloedrijk gezant. Het maakte een punt van beraadslaging uit of de koning in Castilië zou blijven, dan wel naar Aragon gaan om zich aan de troepen te vertoonen.

De graaf-hertog, die er tegen was, dat de koning naar het leger vertrok, sprak het eerst. Hij beweerde, dat het niet in overeenstemming was met de koninklijke waardigheid, dat de vorst het centrum van zijn staten verliet en verdedigde zijn standpunt met zijn welsprekendheid.

De overige aanwezigen vielen hem bij, met uitzondering van den markies de Grana, die zijn meening tegenover die van den eersten minister stelde en haar met kracht verdedigde. De koning, door den laatsten spreker overtuigd, besloot zijn raad te volgen en bepaalde den dag van zijn vertrek.

Het was voor de eerste maal, dat de koning een besluit nam in anderen geest dan zijn gunsteling had voorgesteld. En deze, die dat als een beleediging beschouwde, was daarover zeer ontstemd.

De minister zag mij, toen hij thuis kwam en riep mij bij zich, om te vertellen, wat er was geschied.

"Ja, Santillano," zei hij, "de koning, die zoolang door mijn oogen gezien en door mijn mond gesproken heeft, geeft nu de voorkeur aan den raad van de Grana boven den mijne. En hij overlaadde dien gezant nog wel met lof over zijn trouw aan zijn Huis! Alsof die Duitscher trouwer was dan ik! Het is gemakkelijk te bespeuren, dat er zich een partij tegen mij heeft gevormd en ik heb reden te vermoeden, dat de koningin aan het hoofd daarvan staat."

"Excellentie," vroeg ik, "hoe kunt ge dat vermoeden? Is de koningin niet gewoon, om u meester van de zaken te zien? En wat den markies de Grana betreft, de koning zal zich aan zijn zijde hebben geschaard, omdat hij misschien lust heeft het leger te zien en een veldtocht mee te maken."

"Neen, dat is het niet!" riep de minister. "Als de koning bij de troepen is, zal hij altijd omringd zijn door de grandes en onder hen zijn er, die ontevreden zijn over mij en hem veel kwaads van mijn bewind zullen vertellen. Maar zij zullen bedrogen uitkomen! Ik zal wel zorgen, dat de koning zich weinig met zijn grandes zal kunnen ophouden." En dat deed hij op een manier, die verdient beschreven te worden.

De dag van het vertrek was gekomen. Na de koningin tijdens zijn afwezigheid met de zorg voor de regeering te hebben belast, vertrok de koning naar Saragossa, maar voor hij er aankwam passeerde hij Aranjuez, waar hij het verblijf zoo heerlijk vond, dat hij er een paar weken bleef. De minister liet hem daarna naar Cuença gaan, waar hij den koning op allerlei vermaken tracteerde! Nadat de genoegens van de jacht hem nog eenigen tijd in Molina hadden bezig gehouden, kwam hij te Saragossa. Zijn leger was niet ver van de plaats verwijderd, maar de graaf-hertog ontnam hem het verlangen om er heen te gaan. door hem wijs te maken, dat hij gevaar liep door de Franschen gevangen genomen te worden. Dit denkbeeldige gevaar deed den koning besluiten zich nergens en aan niemand te vertoonen en de minister maakte gebruik van zijn angst door hem, bij wijze van veiligheidsmaatregel, als een gevangene te bewaken.

De grandes, die zich groote uitgaven hadden getroost om den koning te kunnen volgen, hadden weinig satisfactie van hun werk, want ze werden niet eens in particuliere audientie ontvangen.

De koning keerde weldra naar Madrid terug, het aan den markies de los Velez, den bevelhebber der troepen overlatend om de eer van de Spaansche wapenen op te houden.

HOOFDSTUK IX

Van de revolutie in Portugal en de ongenade van den graaf-hertog.

Weinige dagen na de terugkomst van den koning werd in Madrid een slechte tijding verspreid. Men vernam, dat de Portugeezen, die den opstand in Catalonië beschouwden als een gunstige gelegenheid, die de fortuin hun bood om het Spaansche juk af te schudden, de wapenen hadden opgenomen en tot hun koning hadden gekozen den hertog van Braganza, dien zij op den troon hoopten te handhaven, omdat Spanje toen gebukt ging onder de vijandschap van Duitschland, Vlaanderen en Catalonië.

Zonderling was, dat de eerste minister, terwijl het hof en de geheele stad in onrust waren, met den koning wilde schertsen, ten koste van den hertog van Braganza.

Filips deed daaraan niet mee en zette zulk een ernstig gezicht, dat de graaf-hertog daarvan ontstelde en een voorgevoel kreeg van zijn ongenade. Hij beschouwde zijn val als zeker, toen hij vernam, dat de koningin zich openlijk tegen hem had verklaard en hem beschuldigde, door zijn slecht beheer den opstand in Portugal te hebben veroorzaakt. De meeste grandes en voornamelijk zij, die tevergeefs naar Saragossa waren gegaan, sloten zich bij de koningin aan en een dreigend onweer pakte zich samen boven het hoofd van den minister.

Toen het mijn meester bekend werd, dat de koning naar zijn vijanden luisterde, schreef hij den koning een brief, waarin hij hem ontheffing van zijn ambt verzocht en verlof om zich van het hof te verwijderen, daar men alle ongelukken die de monarchie overkwamen, aan zijn beleid weet.

Hij meende, dat die brief een groote uitwerking zou hebben en dat de koning nog genoeg vriendschap voor hem had overgehouden om niet toe te stemmen in zijn verwijdering. Maar al het antwoord, dat hij kreeg, was, dat de koning verklaarde zijn verzoek in te willigen en hem toestond zich te begeven, waarheen hij wilde.

Die woorden, door den koning zelf geschreven, troffen hem als een donderslag. Maar hij deed of hij zijn gewone bedaardheid behield en vroeg mij, wat ik in zijn plaats zou doen.

"Ik zou," antwoordde ik hem, "de zaak gemakkelijk opvatten en op een van mijn landgoederen gaan wonen."

"Je denkt verstandig," antwoordde hij. "En ik heb ook wel lust om dat te doen, maar ik zou toch nog gaarne éénmaal een onderhoud met den koning hebben. Het zal mij niet moeilijk vallen hem aan te toonen, dat ik menschelijkerwijze gesproken, alles heb gedaan, wat ik kon doen en dat ik de treurige gebeurtenissen, die men mij verwijt, niet heb kunnen voorkomen, evenmin als een bekwame loods het helpen kan als wind en golven het schip meesleepen."

De minister vleide zich nog dat hij, door met den koning te spreken, de zaken kon herstellen en het verloren terrein herwinnen. Maar de audientie werd hem niet verleend en bovendien liet men den sleutel terugvragen, waarvan hij zich bedienen kon om vrij in de koninklijke appartementen te komen.

Daar hij nu zag, dat hem geen hoop meer overbleef, besloot hij zich terug te trekken. Hij doorzocht alle papieren, verbrandde er uit voorzichtigheid vele van en gaf bevel, dat men alles voor zijn vertrek in gereedheid zou brengen.

Hij vreesde door het volk beleedigd te worden en vertrok daarom 's morgens zeer vroeg door een achterdeur, in een eenvoudig rijtuig, met zijn biechtvader en mij.

Wij gingen naar Loeches, een dorp, waarvan hij heer was en waar zijn vrouw een prachtig nonnenklooster had laten bouwen.

Binnen vier uren kwamen wij in het dorp aan en de andere personen van het gevolg bereikten het eenigen tijd later.

HOOFDSTUK X

Van de onaangenaamheden en de zorgen, die eerst de rust van den graaf-hertog verstoorden en van de gelukkige vrede, die daarop volgde. Van de bezigheden van mijn meester in zijn eenzaamheid.

Mevrouw d'Olivarès liet haar man naar Loeches vertrekken en bleef nog eenige dagen aan het hof, om te beproeven, of zij door gebeden en tranen niet bewerken kon, dat hij werd teruggeroepen. Maar haar moeite was vergeefsch; de koning lette niet op haar en de koningin, die haar doodelijk haatte, zag haar tranen met genoegen vloeien. De echtgenoote van den minister gaf het niet op, zij ging zelfs zóó ver, dat ze de hofdames van H. M. om bemiddeling smeekte, maar het eenige resultaat was dat zij minachting in plaats van medelijden opwekte.

Troosteloos kwam zij bij haren echtgenoot aan, om zich met hem te beklagen over het verlies van een plaats, die onder een regeering als van Filips II misschien de eerste was in het koninkrijk.

Zij deelde hem mee, dat de hertog de Médina-Colli en de andere grandes, die hem haatten, niet ophielden den koning te prijzen om den val van den minister en dat het volk in onbeschaamde vreugde zijn ongenade toejuichte.

Hij zei tot haar: "Troost u, zooals ik het mijzelf tracht te doen. Het onweer was niet af te wenden. 't Is waar, ik had gehoopt dat ik mijn positie zou kunnen handhaven tot het eind van mijn leven. Gewone illusie van ministers en gunstelingen, die vergeten, dat hun lot van hun souverein afhangt. Is de hertog de Lerme niet bedrogen uitgekomen evenals ik, hoewel hij meende, dat het purper, waarmee hij bekleed was, zijn macht waarborgde?"

Op die wijze trachtte hij zijn vrouw te troosten, maar zelf werd hij iederen dag opnieuw ontstemd door tijdingen, die hij van don Henri kreeg, die in Madrid was gebleven om mijn meester nauwkeurig op de hoogte te houden van al wat daar voorviel.

Het was meestal Scipio, die deze brieven bracht, met bijna altijd slechte tijdingen. Het bleek daaruit, dat de grandes niet slechts openlijk hun vreugde betuigden over den val van den minister, ze hadden het ook toegelegd op den ondergang van personen, die door hem in betrekkingen waren geplaatst en wisten te bewerken, dat in de opengevallen plaatsen zijn verklaarde vijanden werden benoemd.

Men kon zeggen, dat mijn meester in de eerste drie maanden niets anders ondervond dan verdriet. Gelukkig verstond zijn biechtvader, een even vroom als welsprekend man, de kunst hem te troosten.

De gravin hield zich veel op in het klooster, dat door haar was gesticht en waarvan de zusters deden wat zij konden, om haar bitter leed te verzachten.

Met den tijd werd mijn meester rustiger, hij wandelde veel met zijn biechtvader en mij en vermaakte zich na het diner altijd eenige uren, door met ons te spelen.

Op een dag, dat ik alleen met hem was, zei ik: "Mijnheer, veroorloof mij u te zeggen, dat ge er veel opgewekter begint uit te zien. U schijnt u aan uw nieuw leven te gaan gewennen."