De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 23
Nauwelijks was ik afgestapt of de waard, die mij zeker voor een landedelman hield, vroeg of ik voor het groote kettergericht kwam, dat den volgenden dag zou plaats hebben. Ik antwoordde van ja want ik vond het beter, dat hij dit geloofde dan dat hij mij verdere vragen deed.
"Ge zult dan een van de schoonste processies zien, die wij hier ooit hebben gehad," zei hij, "er zijn, zegt men, meer dan honderd gevangenen, waaronder tien of meer die verbrand zullen worden."
Werkelijk hoorde ik den volgenden morgen voor het opgaan van de zon alle klokken in de stad luiden en men liet het klokkenspel spelen, om het volk te waarschuwen, dat het kettergericht zou beginnen. Benieuwd om dit verschrikkelijk feest, dat ik nog nooit had gezien, bij te wonen, kleedde ik mij haastig aan en begaf mij naar de inquisitie. Er waren in de straten, waar de processie langs moest gaan verhevenheden opgesteld, waarop men voor geld kon plaats nemen. Weldra zag ik de Dominicanen, die voorop liepen, voorafgegaan door de banier van de heilige inquisitie. Deze goede vaders werden onmiddellijk gevolgd door de treurige slachtoffers, die de heilige dienst dien dag wilde straffen. Deze ongelukkigen gingen achter elkaar, met bloote voeten, een waskaars in de hand en ieder een geleider naast zich. Sommigen droegen een soort schoudermantel van geel linnen en een muts in den vorm van een suikerbrood. Deze mutsen waren bedekt met vlammen en duivelsche figuren.
Toen ik die ongelukkigen bekeek met een medelijden, dat ik niet wilde laten blijken, uit vrees voor een misdadiger te worden gehouden, herkende ik onder hen, wier hoofd zulk een muts droeg, de eerwaarde vader Raphaël en broeder Ambrosius. Ze waren zoo dicht bij mij, dat ik mij niet kon vergissen.
"Wat zie ik! De hemel, die eindelijk genoeg kreeg van hun wandaden, heeft deze booswichten dus overgeleverd aan het recht der inquisitie!" Ik begon te beven en had een gevoel of ik zou bezwijmen. De verbintenis, die ik had gehad met de twee schelmen, het avontuur te Xelva, kortom alle gelegenheden, dat ik met hen in aanraking was gekomen, kwamen plotseling voor den geest. Ik dankte God, dat Hij mij voor zulk een lot had behoed.
Toen de ceremonie voorbij was, keerde ik naar het hotel terug, nog bevende van hetgeen ik had gezien. Maar de verschrikkelijke beelden moesten uit mijn geest verdwijnen; ik moest mij bezighouden met de taak, die mijn meester mij had opgedragen.
Toen het uur naderde, waarop de schouwburg moest openen, begaf ik mij daarheen. Ik kreeg een plaats naast een ridder uit Alcantera, met wien ik weldra een gesprek had aangeknoopt.
"Mijnheer," vroeg ik, "is het een vreemdeling geoorloofd u een vraag te doen?"
"Mijnheer," antwoordde hij zeer beleefd, "ik zal daardoor vereerd zijn."
"Men heeft mij," hernam ik, "de comedianten van Tolédo zeer geprezen. Heeft men ongelijk gehad, door zooveel goeds van hen te zeggen?"
"Neen," antwoordde hij, "hun troep is niet slecht. Er zijn zelfs zeer goede krachten bij hem aan te wijzen. U zult onder anderen de schoone Lucretia zien, een actrice van veertien jaar, die u zal verwonderen. 't Is niet noodig, haar aan te wijzen, wanneer zij op de planken zal verschijnen, ge zult haar gemakkelijk onderscheiden."
Het stuk begon. Er kwamen twee actrices op de planken, die niets verzuimd hadden om zich bekoorlijk te maken, maar niettegenstaande alle diamanten, hield ik noch de een, noch de andere voor degene, die ik verwachtte.
Eindelijk verscheen de schoone Lucretia en haar opkomst werd door het publiek begroet met een algemeen en lang handgeklap.
"Ah! Daar is ze!" zei ik bij mezelf. "Wat een nobel uiterlijk! Wat een gratie! Welke mooie oogen!" Werkelijk was ik ten zeerste over haar voldaan of liever gezegd, hare persoonlijkheid trof mij buitengewoon. Van het eerste oogenblik af, dat zij begon te spreken, vond ik in haar voordracht veel natuurlijkheid, geest en vuur. Gaarne stemde ik in met het publiek, dat haar luid toejuichte.
"Ge ziet," zei de heer naast mij, "dat Lucretia de lieveling is van het publiek. Wat zegt ge van haar?"
"Ik ben verwonderd over haar gaven."
"Ge zult het nog meer zijn, wanneer ge haar hebt hooren zingen en zien dansen."
"Welk een geluk zich ter wille van zulk een beminnelijk schepseltje te mogen ruïneeren!" zei ik.
"Ze heeft geen bepaalden minnaar," antwoordde hij, "en men hoort zelfs niet van intriges, ze kon die echter wel hebben, want ze woont bij haar tante Estella en deze is een ervaren tooneelspeelster."
Bij het hooren van den naam Estella viel ik mijn buurman in de rede, om hem te vragen of die dame ook een actrice was. Hij antwoordde mij, dat zij een van de besten was en na de beschrijving, die hij mij van haar gaf, twijfelde ik er niet aan of het was Laura, dezelfde Laura, van wie ik zooveel gesproken heb in mijn boek en die ik te Granada had achtergelaten.
Estella was dien avond niet opgetreden, maar ik hoopte toch haar in den schouwburg te vinden en begaf mij daarom na de voorstelling achter het tooneel.
Ik vroeg naar Estella en men wees haar aan. Ze was op het oogenblik in gesprek met eenige heeren, die waarschijnlijk in haar meer de tante van Lucretia zagen. Hetzij uit een gril, hetzij om mij te straffen voor mijn overhaast vertrek uit Granada, deed ze alsof ze mij niet kende en ontving mijn beleefdheden op zulk een wijze, dat ik uit het veld was geslagen. Inplaats van haar lachend hare koele ontvangst te verwijten, was ik dwaas genoeg om mij kwaad te maken. Ik verwijderde mij plotseling en nam mij voor den volgenden dag naar Madrid terug te keeren. Om mij op Laura te wreken, wilde ik niet, dat haar nicht de eer zou hebben voor den koning op te treden. Daartoe had ik den minister slechts een minder vleiend portret van Lucretia te geven.
Mijn lust om wraak te nemen was echter niet van langen duur. Den volgenden morgen kwam een jonge lakei bij mij met een briefje, waarin ik las:
"Vergeet de wijze waarop ge gisteren in den schouwburg werdt ontvangen en laat u door brenger dezes geleiden."
Dadelijk volgde ik den lakei, die mij naar een groot huis bracht, waarin Laura hare kamers had.
Ik vond Laura aan haar toilet. Ze stond op, om mij te omhelzen en zei: "Mijnheer Gil Blas, ik weet wel, dat ge geen reden hebt over de ontvangst, die ik u gisteren heb bereid, tevreden te zijn. Een oud vriend, als gij, hadt recht om meer vriendelijkheid te verwachten. Om mij echter te verontschuldigen, moet ik zeggen, dat ik op dat oogenblik in het slechtste humeur van de wereld was. Een van die heeren had mij juist iets gezegd van mijn nicht, wier eer mij meer aan het hart ligt dan die van mijzelve. Gelukkig wist ik uw woning te laten vinden en zoo kon ik mijn fout herstellen."
"Dat is gebeurd, mijn waarde Laura, laten wij er niet verder van spreken, maar elkaar liever onze avonturen vertellen, na dien ongelukkigen dag te Granada, toen de vrees mij overhaast deed vluchten. Ik heb u toen in groote verlegenheid achtergelaten. Hoe hebt ge u er uit kunnen redden? Dat is zeker niet zonder moeite gegaan? En ge hebt zeker wel al uw slimheid noodig gehad, om uw Portugeeschen minnaar tot bedaren te brengen?"
"In het geheel niet," antwoordde Laura. "Weet ge niet, dat in dergelijke gevallen de mannen zoo zwak zijn, dat ze zelfs de vrouwen de moeite besparen om zich te rechtvaardigen! Ik hield tegenover den markies de Marialva vol, dat je mijn broer was. Neem mij niet kwalijk, dat ik je weer zoo familiaar aanspreek, maar ik kan mij moeilijk van die oude gewoonte losmaken. Den Portugees vroeg ik dadelijk of hij niet merkte, dat alles het werk was van Narcissa, die jaloersch op mij was en zich op zulk een wijze wilde wreken. Als een nieuw bewijs van het complot, dat men tegen mij had gesmeed, noemde ik het plotseling verdwijnen van mijn broer. Men had daartoe zeker eenige kunstgrepen gebruikt en het mij zoodoende onmogelijk gemaakt te bewijzen, dat hier alleen jaloezie en wraakzucht in het spel waren. Om kort te gaan, de markies was tevreden en de markies bleef mij beminnen tot hij Granada verliet, om weer naar Portugal te gaan.
Nog een paar jaren bleef ik in Granada; toen ging onze troep uiteen; sommigen gingen naar Sévilla, anderen naar Cordova en ik ging naar Tolédo, waar ik nu sinds tien jaar woon met mijn nicht Lucretia, die je gisteren hebt zien spelen."
Hier kon ik niet nalaten te glimlachen. Laura zag het en vroeg naar de reden.
"Kan je dat niet raden," vroeg ik. "Je hebt broers noch zusters en 't is dus niet mogelijk, dat je de tante bent van Lucretia. Bovendien, wanneer ik bij mijzelf den tijd bereken, die na onze laatste scheiding is verloopen, dan komt het mij niet onmogelijk voor, dat gij tweeën nader aan elkaar verwant zijt."
De weduwe van don Antonio bloosde een weinig en zei: "Welnu, mijn vriend, ik zal je dan maar eerlijk bekennen, dat Lucretia de dochter is van den markies de Marialva en mij."
"Het publiek," merkte ik op, "mag u wel dankbaar zijn, dat ge het zulk een cadeau hebt gegeven."
Indien een sluwe lezer, die zich de samenkomsten herinnert, die ik te Granada met Laura had, toen ik secretaris was van den markies de Marialva, mij misschien er van mocht verdenken dien heer de eer te willen betwisten van het vaderschap van Lucretia, dan moet ik hem tot mijn schande doen opmerken, dat zijn vermoeden ongegrond is.
Daarna vertelde ik Laura al wat er met mij was gebeurd en ik deelde haar mee, welke mijn opdracht was betreffende haar nicht.
Zij toonde zich zeer ingenomen met dit plan en zei: "Als ik hier geen verbintenis had, die ik niet dadelijk kan afbreken, dan zou ik morgen wel reeds naar Madrid willen vertrekken."
"Een bevel van het hof kan die verbintenis verbreken," zei ik. "En ik geef je de verzekering dat dit binnen acht dagen zal gebeuren. Ik heb er genoegen in den inwoners van Tolédo Lucretia te ontnemen. Een actrice, zooals zij, is geschapen voor het hof. Ze komt ons van rechtswege toe."
Juist had ik die woorden gesproken, toen Lucretia de kamer binnenkwam. Ik meende de godin Hebe te zien, zoo bekoorlijk en gracieus was zij. Laura deelde haar het doel van mijn bezoek mee en het jonge meisje toonde zich zeer ingenomen daarmee.
Wij bleven nog eenigen tijd in gesprek en daarbij had ik gelegenheid om op te merken, dat Lucretia een buitengewoon verstandig meisje was.
Bij het afscheid nemen van de dames, verzekerde ik haar, dat zij spoedig een bevel van het hof zou ontvangen, om zich naar Madrid te begeven.
HOOFDSTUK II
Santillano doet verslag van zijn zending aan den minister, die hem opdraagt ervoor te zorgen, dat Lucretia te Madrid zal komen. Van de aankomst van deze actrice en haar eerste optreden voor het hof.
Bij mijn aankomst te Madrid vond ik den minister vol ongeduld, om den uitslag van mijn reis te vernemen.
"Gil Blas," vroeg hij, "heb je die actrice gezien? Is het de moeite waard, om haar aan het hof te laten verschijnen?"
"Excellentie," antwoordde ik, "de roem van dergelijke personen wordt gewoonlijk overdreven, maar van de jonge Lucretia kan niet genoeg goed worden gezegd. Zij is bewonderenswaardig, zoowel door haar talenten, als door haar schoonheid."
"Is het mogelijk!" riep de minister en ik zag daarbij in zijn oogen een inwendige genoegdoening, die mij deed denken, dat hij mij misschien in zijn eigen belang naar Tolédo had gezonden. "Is het mogelijk, dat ze zoo mooi is, als ge zegt?"
"Wanneer u haar ziet, zult ge het mij moeten toestemmen," antwoordde ik.
"Santillano, geef mij nu een uitvoerig verhaal van uw reis. Deel mij alles mee, wat er gebeurd is."
Ik vertelde hem alles, ook dat Lucretia een dochter was van Laura en den markies de Marialva.
"Het doet me genoegen," zei hij, "dat zij een dochter is van een man van stand. Dat doet mij nog meer belang in haar stellen. Wij moeten haar hier hebben. Maar, mijn vriend, één ding moet ik je op het hart drukken: _ik_ moet buiten de zaak blijven. Alles moet het werk zijn van Gil Blas de Santillano."
Ik zocht hierna Carnero op en zeide hem namens den minister, dat een bevel verzonden moest worden, om Estella en Lucretia, actrices van den schouwburg te Tolédo, in den koninklijken troep op te nemen. Toen dit stuk geschreven was, zond ik dadelijk denzelfden lakei, die mij op mijn reis had vergezeld, naar Estella.
Acht dagen later kwamen moeder en dochter te Madrid aan, waar ze haar intrek namen in een hotel bij den koninklijken schouwburg. Dadelijk na haar aankomst bracht ik een bezoek aan de dames, om mijne diensten aan te bieden.
Bij het eerste optreden was de schouwburg geheel vol. Men had een stuk gekozen, dat de nieuwe actrices gewoon waren geweest te Tolédo te spelen. Ik kan niet ontkennen, dat ik de oogenblikken vóór het stuk begon, niet geheel op mijn gemak was. Maar nauwelijks hadden de twee actrices den mond geopend, of al mijn vrees was verdwenen. Lucretia nam aller harten voor zich in. Men bewonderde om strijd haar mooie oogen, haar zachte stem en ieder was getroffen door haar bevalligheid.
De minister was dien avond ook in den schouwburg. Daar ik zeer nieuwsgierig was, om zijn indruk te vernemen, wachtte ik hem 's avonds in zijn kabinet op.
"Wel Excellentie," vroeg ik, "is u tevreden over de kleine Marialva?"
"Ik zou wel zeer moeilijk te voldoen zijn," antwoordde hij glimlachend, "indien ik het algemeen gevoelen van het publiek niet deelde. Ja, mijn vriend, je reis naar Tolédo is gelukkig geweest. En ik twijfel er niet aan, of de koning zal Lucretia ook met genoegen zien spelen."
HOOFDSTUK III
Lucretia maakt grooten opgang aan het hof en speelt voor den koning, die verliefd op haar wordt. Gevolg van die liefde.
Het eerste optreden van de twee nieuwe actrices werd den volgenden dag druk besproken. Ook in tegenwoordigheid van den koning werd de jonge Lucretia zeer geroemd. Deze deed echter of hij aan die gesprekken weinig aandacht schonk.
Toen hij echter alleen was met den eersten minister, vroeg hij, wie die jonge actrice was, die men zoo prees.
De minister antwoordde: "Het is een jong meisje, dat aan den schouwburg te Tolédo was verbonden. Ze heet Lucretia, wat een goede naam is voor iemand van haar beroep en is een kennis van Gil Blas de Santillano, die mij zooveel goeds van haar had verteld, dat ik het gewenscht achtte om haar in den koninklijken troep op te nemen. Bij haar eerste optreden gisterenavond heeft zij een zeer groot succes gehad."
Bij het hooren van mijn naam, had de koning een glimlach niet kunnen weerhouden. Hij herinnerde zich misschien op dat oogenblik, dat ik het geweest was, die hem in kennis had gebracht met Catalina en had er mogelijk een voorgevoel van, dat ik hem in deze aangelegenheid denzelfden dienst zou kunnen bewijzen. Hoe het zij, hij deelde den minister mee, dat hij den volgenden avond Lucretia wilde zien spelen en dat men haar dit zou berichten.
De graaf-hertog vertelde mij, welk gesprek hij had gehad en verzocht mij de twee actrices te gaan waarschuwen.
Het eerst zag ik Laura en ik zei haar: "Ik kom u een groot nieuws meedeelen. De minister heeft mij belast u te zeggen, dat de koning morgenavond de voorstelling met zijn tegenwoordigheid zal vereeren. Ik twijfel er niet aan, of gij beiden zult al het mogelijke doen, om u die eer waardig te doen zijn. Wanneer ik u een raad mag geven, dan zou het deze zijn, om een stuk te kiezen, waarin veel zang en dans voorkomen, opdat de koning alle talenten bewonderen kan, die Lucretia bezit."
"Wij zullen uw raad opvolgen," zei Laura, "het zal niet aan ons liggen, wanneer hij niet voldaan is." Op dat oogenblik kwam Lucretia binnen, die er thans nog bekoorlijker uitzag, dan in haar tooneelkleeding.
"De koning," zei ik, "zal uw schoone nicht nog meer bewonderen, indien zij optreedt in een stuk, waarin zang en dans voorkomen. Hij zou daardoor zelfs wel eens in de verzoeking kunnen komen haar zijn zakdoek toe te werpen."
"Ik hoop niet," zei Laura, "dat hij zoo iets zal probeeren, want welk een machtig vorst hij ook mag zijn, hij zou dan wel eens op tegenstand kunnen stuiten. Hoewel zij in de tooneelwereld is opgevoed, is Lucretia deugdzaam en welk genoegen zij ook heeft in de toejuichingen van het publiek, het is voor haar meer eer een braaf meisje, dan een goede actrice te zijn."
"Lieve tante," zei de kleine Marialva, zich in het gesprek mengende, "waarom u zorgen gemaakt voor den tijd? Ik zal wel nooit voor die beproevingen komen te staan."
"Bekoorlijke Lucretia," zei ik, "indien de koning u tot zijn minnares wilde maken, zoudt ge hem toch zeker niet tevergeefs laten zuchten?"
"Waarom niet?" vroeg zij. "Het zou mij meer streelen, hem weerstand te hebben geboden, dan aan zijn begeerte te hebben voldaan."
Ik was niet weinig verwonderd een leerling van Laura op die wijze te hooren spreken en ik verliet de dames, de moeder prijzende, dat zij haar dochter zulk een goede opvoeding had gegeven.
Den volgenden dag begaf de koning, verlangend om Lucretia te zien, zich naar den schouwburg. Men speelde een stuk, waarin de jonge actrice alle gelegenheid had om te schitteren. Van het begin tot het eind had ik mijn oogen gevestigd op den koning; ik trachtte op zijn trekken te lezen, wat hij dacht, maar hij behield hetzelfde ernstige gezicht, dat hij altijd trachtte op te zetten.
Den volgenden dag eerst vernam ik, wat zijn indruk was geweest.
"Santillano," zei mijn meester, "ik heb den koning gesproken, die vol lof is over Lucretia en ik twijfel er niet aan of hij is op haar verliefd. Nadat ik hem had gezegd, dat gij haar uit Tolédo hebt laten komen, zei hij, dat hij gaarne met u een onderhoud zou willen hebben. Ga er dus heen. Hij heeft al bevel gegeven om je dadelijk bij hem toe te laten en kom mij den afloop meedeelen."
De koning liep met groote stappen op en neer, toen ik bij hem binnenkwam. Hij deed mij allerlei vragen over Lucretia, wier geheele geschiedenis ik hem moest vertellen. Vervolgens vroeg hij of zij al in eenig galant avontuur was betrokken geweest. Hoewel men met dergelijke verklaringen altijd zeer voorzichtig moet zijn, antwoordde ik hier toch beslist ontkennend, wat den vorst groot genoegen scheen te doen.
"In deze zaak," ging hij voort, "heb ik u tot mijn vertrouweling gekozen. Ik wil, dat de schoone Lucretia door u vernemen zal, welk een overwinning zij heeft gemaakt." Hij stelde mij daarna een etui ter hand met diamanten ter waarde van ongeveer vijftig duizend kronen en ik moest haar vragen dit geschenk van hem te willen aannemen, in afwachting van andere bewijzen van zijn liefde.
Om mij van die taak te kwijten, zocht ik mijn meester op en deed hem een getrouw verslag van mijn onderhoud met den koning. Ik had verwacht, dat de minister meer teleurgesteld dan verheugd zou zijn, want ik meende, dat hijzelf verliefd was op Lucretia en dus ongaarne zou zien, dat de koning zijn medeminnaar was; maar ik bedroog mij in dit opzicht. Wel verre van teleurgesteld te zijn, was zijn vreugde zoo groot, dat hem zelfs eenige woorden ontsnapten. "Mooi zoo, Filips! daardoor zal u de lust voor de zaken wel vergaan!" Daaruit leidde ik af, dat de minister den koning wilde afhouden van de staatszaken en hem daarom een dergelijke verstrooiïng wilde schenken.
"Santillano," zei hij, "haast je mijn vriend, om dit bevel uit te voeren. Heel wat heeren aan het hof zouden jaloersch zijn op zulk een gewichtige taak. Denk er aan, dat het in dit geval niet de graaf de Lémos is, die het grootste gedeelte van de eer krijgt. Je zult die nu geheel alleen hebben en wat meer is, ook het voordeel."
Daar ik sedert het verblijf in de gevangenis gewoon was geworden, de zaken meer van een moreel standpunt te beschouwen, hinderde mij dit soort van werk wel, maar ik was toch niet deugdzaam genoeg om het te weigeren. Te liever vervulde ik den wensch van den koning, omdat mijn gehoorzaamheid ook aangenaam was voor den minister, wien ik in de eerste plaats genoegen wilde doen.
Ik achtte het gewenscht om eerst een onderhoud te hebben met Laura, waarin ik haar den wensch van den koning kenbaar maakte en haar de edelsteenen liet zien. Op het gezicht daarvan kon ze haar vreugd niet bedwingen en zei: "Gil Blas, 't is onder oude vrienden maar beter om eerlijk te zijn. Ik kan niet verbergen, dat ik ten zeerste verheugd ben over de overwinning van Lucretia, die van buitengewone waarde is. Maar, onder ons gezegd, ik vrees dat Lucretia de zaak uit een ander oogpunt zal beschouwen. Hoewel ze, om zoo te zeggen, op het tooneel is opgevoed, is ze verstandig en deugdzaam. Ze heeft al weerstand geboden aan de wenschen van twee beminnelijke jonge mannen. Ge zult me zeggen, dat die twee heeren geen koningen waren, dat stem ik toe en werkelijk de eer, een gekroond hoofd tot minnaar te hebben, moet sterker zijn dan de deugd van Lucretia; echter kan ik mij niet weerhouden je te zeggen, dat de zaak onzeker is. Wat mij betreft, ik verklaar je, dat ik mijn dochter niet zal tegenwerken. Kom morgen terug; ik zal je dan een gunstig antwoord geven of dit etui terug."
Ik twijfelde er niet aan of Laura zou Lucretia gemakkelijk overhalen. Niettemin vernam ik den volgenden dag met verwondering, dat Laura evenveel moeite had gehad, om Lucretia op den slechten weg te brengen, als andere moeders soms hebben, om haar dochters daarvan af te houden.
Wat mij echter nog meer verwonderde was, dat Lucretia, na eenige malen een geheim onderhoud met den koning te hebben gehad, plotseling de wereld verliet en in een klooster ging, waar ze niet lang daarna ziek werd van verdriet en stierf. Laura kon zich niet troosten over het verlies van haar dochter, dat ze zich zelf verweet. Zij ging eveneens in een klooster, om er de genoegens van hare schoone dagen te beweenen.
De koning was eerst getroffen door het plotselinge verdwijnen van Lucretia, maar hij was er de man niet naar om lang te treuren.
Wat den minister aanging, hij nam weinig notitie van het gebeurde. Daartoe ontbrak hem de tijd.
HOOFDSTUK IV
Van de nieuwe taak, die de minister aan Santillano gaf.
Het ongeluk van Lucretia deed mij veel verdriet; ik beschouwde mijzelf als medeplichtig daaraan en besloot mij in geen geval meer met dergelijke zaken in te laten.
Ik sprak daarover met den minister, die verwonderd scheen over mijn gewetensbezwaren. Hij zei: "Santillano, je hebt een goed karakter en ik wil je nu een opdracht geven, die daarmee meer in overeenstemming is. Luister goed toe, ik zal je zeggen wat de zaak is.
Voor eenige jaren zag ik plotseling een dame, die zoo schoon en bekoorlijk was, dat ik haar liet volgen. Ik vernam, dat zij geboortig was uit Genua, dona Margarita Spinola heette en te Madrid leefde van de inkomsten van hare schoonheid. Men zeide mij, dat don Francisco de Valéasar, een rijke, oude en getrouwde man enorme sommen voor haar uitgaf. Wel verre van mij afkeer in te boezemen, deed dat bericht bij mij sterke verlangens ontstaan, om hare gunsten met Valéasar te deelen. Om daaraan te voldoen, nam ik mijn toevlucht tot een koppelaarster, die mij spoedig een geheim onderhoud met Margarita bezorgde, dat door verschillende andere werd gevolgd. Mijn medeminnaar en ik werden even goed behandeld voor de geschenken, die wij haar gaven. Misschien had ze nog wel een derden galant, die even gelukkig was als wij.
Wat er van zij, het gevolg van alle hulde die Margarita ontving, was dat zij moeder werd. Zij bracht een zoon ter wereld en gaf zoowel Valéasar als mij de eer van het vaderschap. Maar wij wilden het kind geen van beiden erkennen, zoodat ze het zelf moest grootbrengen. Dat heeft zij gedurende achttien jaar gedaan, daarna is ze gestorven en heeft haar zoon achtergelaten zonder goed en, wat erger is, zonder opvoeding.
Dit is een vertrouwelijke mededeeling, die ik je had te doen en nu wil ik je zeggen, wat mijn plan is. Ik wil mij het lot van dien ongelukkigen jongen aantrekken en hem erkennen."
Toen ik dit plan had aangehoord, was het mij onmogelijk om te zwijgen. "Excellentie! Hoe kunt u zulk een vreemd besluit nemen?"