De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 22
"Onze meester," zei hij, "heeft zeer groote inkomsten uit al zijn ambten en bedieningen, maar die beteekenen nog niets bij de onmetelijke sommen, die hij trekt uit onze overzeesche bezittingen. Weet ge op welke wijze? Als de schepen van den koning van Sévilla of Lissabon vertrekken, laat hij wijn, olie en granen inschepen, die hem zijn graafschap Olivarès opbrengen. Hij betaalt geen vracht. Die koopwaren laat hij ginds voor viermaal meer geld verkoopen, dan ze in Spanje waard zijn. Dan laat hij daar specerijen, kleurstoffen en andere zaken inkoopen, die men in de nieuwe wereld bijna voor niets heeft en die zeer duur kunnen worden verkocht in Europa. Zoodoende heeft hij reeds eenige millioenen verdiend, zonder den koning schade te doen. Alle personen die hij voor den handel gebruikt, worden ook rijk, omdat ze behalve voor hem, ook voor zich zelf zaken mogen doen."
Scipio, die ons gesprek aanhoorde, kon zich niet weerhouden don Raimond hier in de rede te vallen: "Mijnheer Caporis, wat zou ik graag tot die personen behooren! Ook heb ik er reeds lang naar verlangd om Mexico eens te zien!"
"Aan uw verlangen kan worden voldaan," zei de intendant, "indien de heer de Santillano er niets tegen heeft. Hoe voorzichtig ik ook ben in de keuze van de personen die ik uitzend--want ik ben daarmede belast--ik zal u dadelijk op mijn register zetten, indien uw meester dat wil."
"Ge zult mij een genoegen doen," zei ik tot Raimond, "door dit bewijs van vriendschap; Scipio is iemand, van wien ik veel houd en hij is zeer verstandig. Hij zal de zaken behandelen op een wijze, dat men niet in het minst over hem zal hebben te klagen. In één woord: ik sta voor hem in, als voor mijzelf."
"Dat is mij voldoende," zei Caporis. "Hij kan onmiddellijk naar Sévilla gaan, waar schepen liggen, die over een maand onder zeil zullen gaan. Bij het vertrek zal ik hem een brief meegeven voor iemand daar, die hem de noodige instructies zal geven. Hij kan zelf zijn voordeel doen, zonder tekort te doen aan de belangen van den minister, die hem heilig zijn."
Scipio was zeer gelukkig en haastte zich te vertrekken. Ik gaf hem duizend kronen, om daarvoor in Andaloesië wijn en olie te koopen en daarmee zaken te doen. Hoe verheugd hij ook was een reis te ondernemen, die hem zoo groot voordeel zou opleveren, was hij toch bedroefd toen hij afscheid van mij nam en ook ik zag hem niet zonder leedwezen vertrekken.
HOOFDSTUK XII
Don Alphonse de Leyva komt te Madrid. Beweegreden van zijn reis. Van het verdriet van Gil Blas en de vreugde, die er op volgde.
Korten tijd na het vertrek van Scipio, kwam een page van den minister mij een briefje brengen, dat deze woorden inhield: "Indien de heer de Santillano zich de moeite wil geven, om naar het beeld van den heiligen Gabriël te gaan in de Tolédo-straat, dan zal hij er een van zijn beste vrienden vinden."
"Wie kan die vriend zijn, die zijn naam niet noemt?" zei ik tot mijzelf. "Hij heeft mij zeker een verrassing willen bereiden." Dadelijk ging ik naar de aangewezen plaats en was niet weinig verwonderd, daar don Alphonse de Leyva te vinden.
"Wat zie ik, u hier, mijnheer!" riep ik.
"Ja, mijn waarde Gil Blas, niemand anders."
"En wat voert u hier naar Madrid?"
"Ik zal het u zeggen en de reden zal u niet verheugen. Men heeft mij de betrekking van gouverneur van Valencia ontnomen en de eerste minister heeft mij aan het hof ontboden om rekenschap te geven van mijn gedrag."
Een oogenblik bleef ik geheel verbaasd staan en vroeg daarna: "Waarvan beschuldigt men u? Ge moet iets onvoorzichtigs hebben gedaan."
"Ik schrijf mijn ongenade toe," antwoordde hij, "aan het bezoek, dat ik voor ongeveer drie weken heb gebracht aan den kardinaal-hertog de Lerme, die sinds een maand op zijn kasteel te Denia woont."
"O natuurlijk, daaraan zult ge zeker uw ongenade te wijten hebben. Zoek de reden maar niet elders en veroorloof mij te zeggen, dat ge niet met uw gewone voorzichtigheid zijt te rade gegaan door dat bezoek te brengen."
"De fout is nu eenmaal begaan," zei hij, "en ik zal de gevolgen daarvan moeten dragen. Ik zal mij met mijn familie op ons kasteel de Leyva terugtrekken en daar mijn verdere levensdagen rustig doorbrengen. Het eenige, wat mij zeer hindert is, dat ik verplicht ben voor een hooghartigen minister te verschijnen, die mij wel niet zeer vriendelijk zal ontvangen. Wat een vernedering voor een Spanjaard! Echter is 't een noodzakelijkheid; maar voor mij daaraan te onderworpen, heb ik u willen spreken."
"Mijnheer," zei ik, "laat mij begaan, vertoon u niet aan den eersten minister, voor ik iets anders omtrent die zaak heb vernomen. Het kwaad is misschien nog wel te verhelpen. Hoe het zij, u begrijpt, dat ik alles doen zal wat de vriendschap en dankbaarheid van mij eischen." Ik bracht hem naar zijn hotel, met de belofte, dat hij zeer spoedig van mij zou hooren.
Daar ik mij niet meer in de staatszaken mengde, sinds de twee welsprekende memories, zocht ik Carnero op, om hem te vragen of het waar was, dat men aan don Alphonse de Leyva de betrekking van gouverneur van de stad Valencia had ontnomen. Hij antwoordde mij van ja, maar de beweegredenen wist hij niet.
Zonder aarzelen besloot ik daarop mij tot den minister te wenden, om uit zijn eigen mond te hooren, waarom hij zich te beklagen had over don Alphonse.
Deze ongelukkige gebeurtenis had mij zoo onaangenaam getroffen, dat ik niet behoefde te veinzen, om met een bedroefd gezicht voor mijn meester te verschijnen. Dadelijk merkte hij het op en vroeg, wat mij hinderde. "Excellentie," antwoordde ik, "al wilde ik nog zoo gaarne, ik zou u mijn verdriet niet kunnen verbergen. Men heeft mij zooeven meegedeeld, dat don Alphonse de Leyva geen gouverneur meer is van Valencia en het zou moeilijk zijn mij een tijding te brengen, die mij meer verdriet zou kunnen veroorzaken."
"Wat zeg je, Gil Blas?" riep de minister. "Welk belang kan jij stellen in Alphonse de Leyva en zijn gouverneursbetrekking?"
Daarop vertelde ik hem uitvoerig van de verplichtingen, die ik aan de heeren de Leyva had en hoe ik van den hertog de Lerme voor don Alphonse de betrekking van gouverneur had verkregen.
De minister had mij met veel welwillendheid aangehoord en zei: "Troost je, mijn vriend, ik wist niets van wat ik nu heb gehoord en dacht, dat don Alphonse de Leyva een werktuig was van den hertog de Lerme. Zeg het zelf: was dat bezoek niet verdacht? Maar 't is best mogelijk, dat hij hiermee geen andere bedoelingen heeft gehad en dat het slechts een beleefdheidsvisite was uit dankbaarheid. Het spijt mij nu, dat ik dien man zijn betrekking heb ontnomen, die hij aan jou te danken had. Maar heb ik je werk op deze wijze ongedaan gemaakt, ik kan het herstellen. Zelfs wil ik meer voor hem doen, dan de hertog de Lerme deed. Je vriend was slechts gouverneur van de stad Valencia, ik zal hem onderkoning van Aragon maken. Ik veroorloof je hem dit mee te deelen en je kunt hem verzoeken den eed te komen afleggen."
Toen ik dat hoorde, was ik zoo blij, dat ik mij niet eens behoorlijk kon uitdrukken, om mijn meester te bedanken. Daar hij echter uit mijn onsamenhangende woorden kon afleiden, dat don Alphonse in Madrid was, vroeg hij mij hem dienzelfden dag nog aan hem voor te stellen.
Dadelijk begaf ik mij naar het hotel van mijn vriend, die eerst niet kon gelooven, wat ik hem meedeelde.
De minister ontving hem zeer beleefd. "Don Alphonse," zei hij, "ge hebt u zoo onderscheiden in uw betrekking als gouverneur van Valencia, dat de koning u waardig heeft bevonden, een hoogere plaats te bekleeden en u heeft benoemd tot onderkoning van Aragon. Ook wat uw geboorte betreft, kan de adel van Aragon geen bezwaar maken tegen uw aanstelling."
De minister noemde mijn naam niet en het publiek kwam niet te weten, welk aandeel ik in deze zaak had. Zoo werden onaangename praatjes voorkomen.
Don César en Séraphine werden door een expres-bode in kennis gesteld van dit gelukkig feit en kwamen dadelijk over. Men overlaadde mij met dankbetuigingen en na eenige dagen deed don Alphonse zijn luisterrijken intocht in Saragossa. De inwoners van Aragon gaven door hun gejuich te kennen, dat ze zeer waren ingenomen met den vice-koning, dien ik hun had gegeven.
HOOFDSTUK XIII
Gil Blas ontmoet bij den koning don Gaston de Collogos en don André de Tordésillas; waar zij alle drie heengingen. Einde van de geschiedenis van don Gaston en van dona Helena de Galisteo. Welken dienst Santillano aan Tordésillas bewees.
Weldra had ik nog een andere gelegenheid, om mijn invloed aan te wenden ten bate van een vriend en ik moet dat vermelden, om mijn lezers te doen zien, dat ik niet meer dezelfde Gil Blas was, die, onder het vorige ministerie, de gunsten van het hof verkocht.
In een anti-chambre van het paleis zag ik op een zekeren dag onder de menigte don Gaston de Collogos, den staatsgevangene, dien ik had achtergelaten in den toren van Ségovia. Hij was met den slotbewaarder, don André de Tordésillas. Wij waren zeer verwonderd elkaar daar te ontmoeten en hadden elkaar zooveel te vertellen, dat don Gaston ons voorstelde hem naar huis te vergezellen. Wij volgden hem in zijn rijtuig en zaten weldra in een prachtig gemeubileerde zaal van een mooi huis.
"Mijnheer Gil Blas," zei Tordésillas, "bij uw vertrek uit Ségovia hadt ge een haat tegen het hof en ge zoudt er nooit weer terugkeeren."
"Dat was ook werkelijk mijn plan," antwoordde ik, "en zoolang de koning leefde ben ik niet veranderd in dat opzicht, maar toen ik wist, dat de prins op den troon was, wilde ik zien of deze mij nog herkende. Dat deed hij en ik had het geluk gunstig te worden ontvangen; hij heeft mij bij den eersten minister aanbevolen, die vriendschap voor mij heeft opgevat en bij wien ik een beter leven heb, dan ik ooit had bij den hertog de Lerme. En gij, don André, zijt ge nog altijd de bewaarder van den toren van Ségovia?"
"Neen, de graaf-hertog heeft een ander in mijn plaats gesteld. Hij meende, dat ik een aanhanger was van zijn voorganger."
"En mij," zei daarop don Gaston, "heeft hij in vrijheid gesteld om een tegenovergestelde reden. Zoodra wist niet de eerste minister, dat ik was opgesloten op bevel van den hertog de Lerme, of hij stelde mij in vrijheid. En thans, mijnheer Gil Blas, zal ik u vertellen, wat er na dien tijd met mij gebeurd is.
Het eerste wat ik deed, nadat ik don André hartelijk had dank gezegd voor hetgeen hij tijdens mijn gevangenschap voor mij had gedaan, was mij naar Madrid te begeven. Ik presenteerde mij bij den eersten minister, die mij zei: "Vrees niet, dat het ongeluk, dat u overkomen is, eenige schade heeft toegebracht aan uw naam. Ge zijt geheel gerechtvaardigd. Van uw onschuld ben ik temeer overtuigd, omdat de markies de Vilaréal, van wien men u verdacht de medeplichtige te zijn, onschuldig is gebleken. Hoewel Portugees en zelfs verwant aan den hertog van Braganza, is hij minder op diens hand, dan op die van den koning. Om het onrecht te herstellen, dat u is aangedaan, geeft de koning u een plaats als luitenant bij zijn garde." Gaarne nam ik die aanstelling aan, maar ik verzocht den minister, voor ik in dienst trad, naar Coria te mogen gaan, om dona Eléonor de Laxarilla, mijn tante, te bezoeken. De minister stond mij een maand verlof toe en ik vertrok, vergezeld van een enkelen lakei.
Wij hadden reeds Colménar gepasseerd en bevonden ons op een weg tusschen de bergen, toen wij een ruiter zagen, die zich dapper verdedigde tegen drie man, die hem samen aanvielen. Ik aarzelde geen oogenblik om hem ter hulp te snellen en stelde mij aan zijn zijde. Ik merkte, dat onze vijanden gemaskerd waren en dat wij te doen hadden met eerste vechtersbazen. Niettegenstaande hun kracht en hun behendigheid bleven wij overwinnaars; ik doorstak een van de drie, hij viel van zijn paard en de twee anderen vluchtten dadelijk. Het is waar, dat de overwinning welke wij behaalden, weinig minder noodlottig was, want mijn medestrijder en ik waren zwaar gewond. Maar stel u mijn verrassing voor, toen ik in den ruiter niemand anders herkende dan Combados, den echtgenoot van dona Héléna. Hij was niet minder verwonderd dan ik. "Ha! don Gaston!" riep hij, "zijt gij het, die mij zoo edelmoedig hebt geholpen? Toen ge dat deedt, wist ge zeker niet, dat het de man was, die u uw geliefde heeft ontroofd?"
"Ik wist het werkelijk niet," antwoordde ik hem. "Maar indien ik het geweten had, gelooft ge dan, dat ik zou geaarzeld hebben? Oordeelt ge zoo slecht over mij?"
"Neen, neen," antwoordde hij, "ik heb een betere gedachte van u en indien ik sterf aan de wonden, die ik ontvangen heb dan hoop ik, dat de uwe u niet zullen verhinderen, om te profiteeren van mijn dood."
"Combados," zeide ik, "hoewel ik dona Héléna nog niet heb vergeten, wil ik haar niet bezitten ten koste van uw leven. Het verheugt mij er toe te hebben bijgedragen u te redden, omdat ik daardoor een daad heb verricht, die uw echtgenoot genoegen zal doen."
Terwijl wij spraken, was mijn lakei den ruiter genaderd, die op den grond lag, hij nam hem het masker af en liet ons een gelaat zien, dat Combados dadelijk herkende. "'t Is Caprara, die slechte neef, die uit spijt, dat hem een rijke erfenis ontgaan is, die hij mij onrechtvaardig betwist, reeds lang het voornemen koesterde mij te vermoorden en dezen dag daarvoor had uitgekozen. Maar de hemel heeft gewild, dat hij zelf het slachtoffer zou worden."
Intusschen stroomde het bloed uit onze wonden en wij verzwakten zoo, dat het ons groote moeite kostte het dorp Villaréjo te bereiken. In het logement daar lieten wij dadelijk een chirurgijn komen. Hij onderzocht onze wonden, die hij zeer gevaarlijk vond. Hij verbond ons en toen hij den volgenden morgen het verband had afgenomen, zei hij, dat die van don Blas doodelijk waren. Over de mijne oordeelde hij gunstiger. En het bleek, dat hij niet verkeerd had gezien.
Combados, ziende, dat hij ten doode was opgeschreven, dacht aan niets anders dan zich daarop voor te bereiden. Hij zond een bode naar zijn vrouw, om haar te berichten, wat er was gebeurd en in welken treurigen toestand hij zich bevond.
Dona Hélena was weldra te Villaréjo. Combados sprak tot haar in mijn tegenwoordigheid: "Ge komt nog vroeg genoeg, om afscheid van mij te nemen. Ik ga sterven en beschouw mijn dood als een straf van den hemel, omdat ik u door bedrog aan don Gaston heb ontnomen. Daarover beklaag ik mij niet. Zelfs spoor ik u aan hem uw hart te schenken, dat ik hem ontnomen heb."
Dona Helena antwoordde slechts met tranen en waarlijk, dat was het beste antwoord, dat zij kon geven.
Het gebeurde, zooals de chirurgijn had voorspeld. Binnen drie dagen stierf Combados en mijn wonden begonnen te beteren. De jonge weduwe liet het lijk naar Coria brengen, waar het met allen luister werd ter aarde besteld.
Zoodra ik kon, vertrok ik naar Coria. Mijn tante, dona Eléonor en don George besloten, dat wij zoo gauw mogelijk zouden trouwen uit vrees, dat het lot ons misschien door nieuwe tegenspoeden weder zou scheiden. Het huwelijk werd in allen eenvoud voltrokken, met het oog op den dood van Combados.
Weinige dagen later kwam ik te Madrid met dona Helena aan. Daar de tijd van mijn verlof was overschreden, vreesde ik, dat de minister mijn luitenants-plaats aan een ander zou hebben gegeven. Maar hij had daarover nog niet beschikt en was zoo goed om mijn verontschuldigingen over mijn wegblijven aan te nemen.
Collogos betuigde mij verder nog, dat hij zeer gelukkig was met zijn positie. Don André daarentegen beklaagde zich, dat hij zijn betrekking had verloren en geen vrienden bezat, die hem een andere konden verschaffen.
Glimlachend viel ik hem in de rede, dat ik misschien wel iets voor hem kon doen.
Tijdens ons gesprek kwam dona Hélena binnen, wier bekoorlijke verschijning geheel beantwoordde aan het beeld, dat ik mij daarvan had gevormd. Wij wisselden wederzijds eenige complimenten en ik vertrok, nadat ik het adres van Tordésillas gevraagd en hem beloofd had, dat hij binnen acht dagen van mij zou hooren.
Een paar dagen later stelde de minister mij in de gelegenheid den slotbewaarder te helpen. "Santillano," zei hij, "de betrekking van gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid is vacant en ik heb wel lust u die te geven, ze brengt meer dan driehonderd pistolen in het jaar op."
"En al zou ze ook tienduizend geven, dan nog zou ik een betrekking weigeren, die mij van u verwijdert," zei ik.
"Maar," merkte de minister op, "'t is volstrekt niet noodig Madrid te verlaten, ge kunt van tijd tot tijd de gevangenis te Valladolid eens gaan bezoeken."
"Ik wil die betrekking niet, tenzij u mij toestaat daarvan afstand te doen aan een braven edelman, don André de Tordésillas, die vroeger torenbewaarder is geweest te Ségovia en mij tijdens mijn gevangenschap zeer goed heeft behandeld."
Lachend zei de minister: "Ik geloof, Gil Blas, dat je een gouverneur van een koninklijke gevangenis benoemen wil, zooals je een onderkoning hebt benoemd. Welnu, mijn vriend, het is goed! Ik sta je de vacante plaats voor Tordésillas toe. Maar zeg mij eens eerlijk, welk voordeel hebt ge daarvan? Want je zal toch wel niet zoo dwaas zijn om je invloed voor niets te gebruiken?"
"Moet men zijn schulden niet betalen, Excellentie? Don André heeft mij zooveel genoegen gedaan als hij kon, toen ik zijn gevangene was."
"Je bent wel belangeloos geworden, Santillano. Het schijnt mij toe, dat je het onder mijn voorganger minder was."
"Dat stem ik u toe, Excellentie. De slechte voorbeelden bederven de zeden. Alles werd toen verkocht en ik voegde mij naar dat gebruik en daar nu alles gegeven wordt, heb ik mijn onomkoopbaarheid teruggekregen."
Don André de Tordésillas werd dus gouverneur van de koninklijke gevangenis te Valladolid en vertrok weldra naar die stad, even voldaan over zijn nieuwe betrekking als ik het was, dat ik mij gekweten had van de schuld, die ik aan hem had.
HOOFDSTUK XIV
Santillano gaat naar den dichter Nunez. Welke personen hij er vond en welke gesprekken er werden gehouden.
Op een zekeren namiddag kreeg ik lust mijn vriend den dichter uit Asturië eens te gaan bezoeken, nieuwsgierig om te weten hoe zijn woning ingericht was.
Ik begaf mij naar het huis van don Bertrand Gomez del Ribero en vroeg daar naar Nunez. Men antwoordde, dat hij daar niet meer woonde, maar wees mij een naburig huis aan, waarin hij zijn intrek had genomen.
In een zaal, waarin ik verder geen meubelen zag, vond ik mijn vriend Fabricius nog aan tafel, met vijf of zes confraters, die hij dien dag onthaalde. Zij waren aan het eind van hun maaltijd en dus aan het disputeeren. Toen ik binnenkwam was het opeens stil. Nunez stond met een gewichtig gezicht op om mij te ontvangen en riep: "Mijne heeren, daar is de heer de Santillano, die mij met een van zijn bezoeken komt vereeren; bewijst met mij hulde aan den vertrouweling van den eersten minister!"
Bij die woorden stonden alle gasten op om mij te begroeten en door de woorden van den gastheer waren ze zeer beleefd. Hoewel ik niet de minste behoefte aan iets had, moest ik mij aan tafel zetten en een dronk beantwoorden, die ze op mij uitbrachten.
Daar het scheen, dat mijn tegenwoordigheid hen verhinderde om vrijuit te spreken zei ik: "Het schijnt mij, dat ik uw onderhoud heb gestoord, heeren, wees zoo goed en zet het gesprek voort, of ik ga heen."
"Die heeren," zei Fabricius daarop, "spraken van de Iphigenia van Euripides. De heer Melchior de Villégas, die een geleerde van den eersten rang is, vroeg aan don Jacinte de Romerate, wat hem het meest interesseerde in dit treurspel."
"Ja," zei don Jacinte, "en ik heb hem geantwoord: het gevaar, waarin Iphigenia zich bevond."
"En ik," riep de ander, "heb hem geantwoord, dat niet het gevaar het belangrijkste was!"
"Wat was het dan?" werd er geroepen.
"Het was de wind," antwoordde Melchior de Villégas.
Het geheele gezelschap barstte in lachen uit om dit antwoord, ik vatte dit ook niet als ernst op en dacht, dat Melchior het alleen maar gegeven had om de conversatie aan den gang te houden. Maar ik kende dien geleerde niet, het was een man, die geen scherts verstond. Op bedaarden toon zei hij:
"Lacht zooveel ge wilt heeren. Ik houd vol, dat het de wind is, die de belangstelling verdient en niet het gevaar van Iphigenia. Stelt u voor een talrijk leger, dat verzameld is om Troje te gaan belegeren! Verbeeldt u het ongeduld van de officieren en soldaten om hun voornemen uit te voeren, waarna ze terug kunnen keeren naar Griekenland, waar ze hebben achtergelaten, hetgeen hun het meest dierbaar is, hunne huisgoden, hunne vrouwen en kinderen. En een vervloekte wind houdt hen terug; indien hij niet verandert, kunnen zij de stad niet gaan belegeren. Dus is het de wind, die van het grootste belang is in het treurspel. Ik neem de partij van de Grieken; ik wensch slechts het vertrek van hun vloot en zie met een onverschillig oog het gevaar van Iphigenia aan. Haar dood is het middel om van de goden een gunstiger wind te krijgen."
Zoodra Villégas had opgehouden te spreken, werd hij weer uitgelachen. Nunez en anderen begonnen daarop flauwe aardigheden over den wind te zeggen. Maar de geleerde heer, die hen met een kalmen en trotschen blik aankeek, behandelde hen als onwetende en alledaagsche geesten.
Ik verwachtte ieder oogenblik, dat de heeren zich nog meer zouden opwinden en elkaar in het haar vliegen, wat het gewone einde is van hunne discussies, maar ik werd in mijn verwachting bedrogen. Ze bepaalden er zich toe elkaar eenige beleedigingen te zeggen en trokken af, nadat zij genoeg gegeten en gedronken hadden.
Toen ik alleen met hem was, vroeg ik Fabricius, waarom hij niet meer bij den schatmeester woonde en of hij verschil van meening met hem had gehad.
"Verschil van meening!" riep hij. "De hemel behoede mij ervoor! Ik ben met don Bertrand nooit op een beteren voet geweest. Hij heeft mij echter toegestaan, om op mij zelf te wonen en nu heb ik dit verblijf gehuurd, om er mijn vrienden te ontvangen en met hen in vrijheid te genieten, wat mij dikwijls gebeurt, want je weet, ik ben niet iemand om groote sommen aan mijn erfgenamen achter te willen laten en wat gelukkig voor mij is, ik kan tegenwoordig iederen dag partijen hebben."
"Het doet mij genoegen, mijn waarde Nunez," zei ik, "en ik kan niet nalaten je nogmaals geluk te wenschen met het succes van je laatste treurspel. De achthonderd dramatische werken van den grooten Lopez hebben hem nog geen vierde gedeelte opgebracht van jouw 'Graaf van Saldagne'."
TWAALFDE BOEK
HOOFDSTUK I
Gil Blas wordt door den minister naar Tolédo gezonden. Van het doel en het succes van zijn reis.
Reeds een maand lang zei mijn meester iederen dag tegen mij: "Santillano, de tijd nadert, dat je behendigheid mij van dienst kan zijn," en die tijd kwam maar niet. Eindelijk echter zei de minister: "Men zegt, dat er bij een troep comedianten te Tolédo een jeugdige actrice is, die opzien wekt door haar talenten: men beweert, dat zij goddelijk danst en zingt en dat ze de toeschouwers in verrukking brengt door haar voordracht; ook verzekert men, dat zij een schoonheid is. Een dergelijke actrice verdient aan het hof te verschijnen. De koning houdt van comediespel, van muziek en dans en het genoegen mag hem niet worden onthouden iemand te zien en te hooren van zulke zeldzame verdiensten. Ik heb dus besloten je naar Tolédo te zenden om voor je zelf te oordeelen, of het werkelijk zulk een bewonderenswaardige actrice is. Ik zal mij houden aan den indruk, dien je krijgt en mij op je smaak verlaten."
Ik antwoordde den minister, dat ik zijn opdracht gaarne zou vervullen en ik stelde hem voor, dat ik zou vertrekken met één lakei, die niet den uniform van den minister zou dragen, om de zaak meer geheimzinnig te behandelen, wat zeer in den geest viel van mijn meester.
Ik ging dus op weg naar Tolédo en daar aangekomen, nam ik mijn intrek in een hotel bij het kasteel.