De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 19
Ik zocht mij in die vreemde plaats zoo goed mogelijk te amuseeren. Met eenige jongelieden, die ik had leeren kennen, bezocht ik feesten en ook gingen wij wel eens naar plaatsen, waar gespeeld werd. Maar ik was niet zoo'n handige speler, als don Abel, mijn vorige meester, die altijd won. Ik daarentegen verloor steeds, maar ik kreeg een zekeren hartstocht voor het spel en het zou misschien verkeerd met mij en de kas van mijn meester zijn afgeloopen, wanneer wij niet gered waren geworden door de liefde. Op een dag zag ik door de vensters van een groot huis een jong meisje, dat mij meer een godin scheen, dan een sterveling. Ik zou mij nog van een sterkere uitdrukking bedienen, indien er een was, om u juist uit te drukken, welk een indruk haar verschijning op mij maakte. Dadelijk informeerde ik en ik vernam, dat zij Béatrix heette en kamenier was bij dona Julia, de jongste dochter van den graaf de Polan. Niet lang daarna bood ik haar mijn hand aan, maar daar wij met het oog op onze positie, den eersten tijd nog niet mochten trouwen, besloten wij in stilte te huwen. Dat gebeurde dan ook in tegenwoordigheid van Lorença Séphora en eenige andere personen uit het gevolg van den graaf de Polan.
Eenige malen op den dag had ik gelegenheid mijn vrouw te zien en 's nachts kwamen wij samen in den tuin. Van een kleine deur, waardoor ik daarin kon komen, had zij mij den sleutel gegeven. Nooit zijn een paar jonggetrouwden zoo gelukkig geweest, als Béatrix en ik waren. Maar de jaloezie kwam ons geluk verstoren. Op een nacht werd ik zeer verschrikt, doordat ik het deurtje open vond. In de duisternis naderde ik het prieeltje, waarin ik gewoon was, met mijn vrouw te spreken. Ik hoorde een mannestem zeggen: "Laat mij dus niet langer verlangen, mijn waarde Béatrix. Maak mijn geluk volkomen. Bedenk, dat uw fortuin er mee gemoeid is." Inplaats van geduld te hebben en verder te luisteren, meende ik, dat het niet noodig was, meer te hooren; een woedende jaloezie maakte zich van mij meester. Ik dorstte slechts naar wraak en met uitgetrokken degen, trad ik binnen. "Lafaard!" riep ik. "Wie ge ook zijn moogt, ge zult mij eerst het leven moeten benemen, voor ge mij van mijn eer kunt berooven."
De vreemdeling trok ook zijn degen en verdedigde zich als iemand, die al spoedig de wapens beter machtig bleek dan ik--trouwens ik had slechts eenige schermlessen ontvangen te Cordova.
Maar welk een vechtersbaas hij was, hij kon een stoot van mij niet afweren, of liever gezegd, hij deed een verkeerden pas; en niets anders denkende, dan dat ik hem doodelijk had getroffen, snelde ik weg, zonder Béatrix te antwoorden, die mij met luide stem riep.
Hier werd Scipio in de rede gevallen door zijn vrouw, die zei: "Ja, ik riep om 't misverstand op te helderen. De heer met wien mijn man mij hoorde spreken, was don Fernand de Leyva. Deze, die mijn meesteres Julia liefhad, had het plan gevormd haar te schaken, omdat hij haar niet op een andere wijze meende te kunnen krijgen. Hij had mij een onderhoud gevraagd in den tuin om mijn medewerking te vragen waarvan, naar hij verzekerde, mijn fortuin zou afhangen. Of ik mijn man al riep, hij was verblind van toorn en verliet mij alsof ik hem ontrouw was geworden."
Scipio vervolgde hier weer zijn verhaal: "In den toestand, waarin ik mij bevond, was ik tot alles in staat. Zij, die bij ondervinding weten, wat de jaloezie is en welke uitwerking ze heeft, zelfs op de grootste geesten, zullen zich niet verwonderen over de verwarring in mijn zwakke hersenen. Van het eene uiterste viel ik in het andere. Voor de teederheid, die ik, een oogenblik tevoren, nog voor mijn vrouw had gevoeld, was haat in de plaats gekomen. Ik deed een eed, dat ik haar zou verlaten en uit mijn gedachten verbannen.
Bovendien meende ik een moord te hebben begaan, en om niet in de handen van de justitie te vallen, vluchtte ik dus uit Tolédo. Niets anders had ik bij mij dan mijn kleeren en gelukkig had ik in mijn zak ongeveer honderd pistolen.
Den geheelen dag liep ik door en 's morgens kwam ik in het dorp Muqueda. Daar vond ik een ezeldrijver, die met vier muilezels naar Madrid moest. Ik maakte een accoord met hem en besteeg een van de dieren.
Nauwelijks waren wij buiten het dorp of de ezeldrijver hief een kerkzang aan. Hoewel hij mij doof schreeuwde, riep ik: "Vooruit maar, mijn vriend. Indien de hemel u goede longen heeft gegeven, moet ge niet nalaten daarvan een goed gebruik te maken."
"O, wat dat betreft, dat doe ik goddank altijd. Ik ben niet zooals de meeste voerlieden, die lichtzinnige en gemeene liedjes zingen. Niet eens zing ik romances op onze krijgslieden tegen de Mooren, want al zijn die niet onzedelijk, ze zijn toch ijdel en passen een Christen niet."
Die reinheid van zeden in een ezeldrijver vond ik tamelijk zeldzaam. "Maar zeg mij, vriend, hebt ge ook een gelofte van kuischheid afgelegd voor 't geval ge in logementen komt met jeugdige dienstboden?" "Natuurlijk," antwoordde hij, "ik denk daaraan niets anders dan aan de verzorging van mijn muilezels."
Tegen het einde van den dag kwamen wij aan te Illescas. Toen wij in het logement kwamen, liet ik aan mijn metgezel de zorg voor onze muilezels over en ik ging zelf de keuken binnen, waar ik den waard last gaf een goed souper te bereiden, wat hij beloofde zoo uitstekend te doen, dat ik mij mijn gansche leven zou herinneren bij hem te hebben gelogeerd.
Terwijl de waard het eten klaarmaakte, ging ik naar de eetzaal, waar ik mij uitstrekte op een ruststoel, die daar stond en daar ik den vorigen nacht niet geslapen had, viel ik van vermoeienis in slaap. Na twee uren kwam mijn metgezel mij roepen met de mededeeling dat ons avondeten gereed was.
Wij gingen aan tafel zitten en men bracht ons hazepeper. Ik vond dien buitengewoon goed, misschien deed mijn groote eetlust mij zoo gunstig oordeelen, of mogelijk kwam het wel door de goede bereiding. Daarna kregen wij een schapenbout en daar de ezeldrijver alleen van het laatste gerecht zich bediende en het eerste onaangeroerd had gelaten, vroeg ik de oorzaak daarvan. Glimlachend antwoordde hij mij, dat hij niet van hazepeper hield. Dat antwoord of liever de glimlach, waarmee hij het deed vergezeld gaan, kwam mij geheimzinnig voor. "Ge verbergt mij," zei ik, "de ware redenen, waarom ge niet van dien hazepeper hebt gegeten. Doe mij genoegen en deel mij die mee." "Omdat ge zoo benieuwd zijt het te weten," antwoordde hij, "zal ik u zeggen, dat ik een tegenzin heb in dat soort van eten, sinds ik eens op een avond tusschen Tolédo en Cuença heb gezien, dat men een gebakken kater gebruikte om er hazepeper van te maken." Hij had die woorden nog niet gesproken, of niettegenstaande al mijn honger, was mijn eetlust opeens verdwenen. Ik stond woedend van tafel op en verwenschte den hazepeper, den waard en zijn logement.
's Nachts sliep ik beter dan ik verwacht had en den volgenden morgen gingen we vroeg op weg. Ik was zoo vol van den hazepeper van den vorigen dag dat ik alle beesten, die ik tegenkwam, voor katers aanzag.
Zoodra ik in Madrid was aangekomen en mijn drijver had betaald, huurde ik een gemeubileerde kamer. Hoewel ik aan het leven in groote steden gewoon was, verbaasde mij toch de pracht, die zich hier aan mij vertoonde. Vooral in de nabijheid van het hof raakte ik niet uitgekeken.
Het gelukte mij niet spoedig een betrekking te vinden en daar mijn geld intusschen opraakte, moest ik mij met al mijn verdiensten tevreden stellen met een betrekking bij iemand, die zich letterkundige noemde, te Salamanca woonde en voor een familie-aangelegenheid naar Madrid was gekomen.
Mijn nieuwe patroon heette don Ignacio de Ipigna. Hij noemde zich "don", omdat hij onderwijzer was geweest van een hertog, die hem uit dankbaarheid een jaarlijksch pensioen had geschonken. Hij had ook nog een pensioen als oud-onderwijzer aan een school en bovendien trok hij ieder jaar van het publiek twee- of driehonderd pistolen door boeken over moraal, die hij de gewoonte had, te laten drukken. De wijze waarop hij zijn werken samenstelde, verdient wel vermeld te worden. De beroemde don Ignacio bracht bijna den geheelen dag door met het lezen van Hebreeuwsche, Grieksche en Latijnsche schrijvers en schreef op kleine vierkante papiertjes alle spreuken of schitterende gedachten, die van zijn gading waren. Die papiertjes werden dan door mij aan een ijzerdraad geregen, dat den vorm had van een guirlande en iedere guirlande vormde een deel.
Wat maakten wij een boeken! De persen zuchtten er onder!
Het ergste was echter, dat hij zijn compilaties voor nieuw en oorspronkelijk werk uitgaf. Wanneer de beoordeelaars hem verweten, dat hij de ouden plunderde, antwoorde hij met een fier "Furto laetamur in ipso."
Intusschen profiteerde ik wel bij dien geleerde; het zou ondankbaar zijn, dat niet te erkennen. Ik begon beter te schrijven, omdat ik zijn werk moest copieeren. Hij behandelde mij meer als een leerling dan als een bediende. Hij zorgde niet alleen voor de vorming van mijn geest, maar ook voor mijn zeden. "Scipio," zei hij, wanneer hij toevallig hoorde van een of ander schelmstuk, dat door een bediende was uitgehaald, "pas op, mijn jongen, dat je zulk een voorbeeld niet volgt. Een knecht moet zijn meester dienen met evenveel trouw als ijver en deugdzaam worden door het werk, wanneer hij het niet is van natuur."
In één woord, don Ignacio liet geen gelegenheid voorbijgaan, om te trachten mij te verbeteren en zijn pogingen hadden zulk een goede uitwerking, dat ik niet den minsten aandrang gevoelde hem beet te nemen gedurende de vijftien maanden, dat ik bij hem woonde.
Mijn meester had een familielid in Madrid genaamd Catalina, die in betrekking was bij de min van den prins en van wier tusschenkomst ik mij indertijd ook heb bediend om de bevrijding van den heer Gil Blas uit den toren van Ségovië te bewerken. Deze Catalina nu wist door hare meesteres gedaan te krijgen, dat don Ignacio benoemd werd tot het aartsdekenaat te Granada. Zoodra wij de tijding kregen, vertrokken wij naar Madrid omdat mijn meester zijn weldoener wilde bedanken. Ik had gelegenheid om Catalina te zien en te spreken en--vergeef mij waarde Béatrix, want ik meende toen, dat ge mij ontrouw waart--wij werden op elkaar verliefd.
Na eenigen tijd maakte mijn meester aanstalten om naar Granada te gaan, maar Catalina en ik zagen tegen een scheiding op en dus zonnen wij op een middel om die te voorkomen. Ik deed alsof ik ziek was, ik klaagde over mijn hoofd, over mijn borst, over alle mogelijke kwalen. Don Ignacio liet een dokter komen, waar ik zeer tegen opzag, omdat ik vreesde, dat die man wel dadelijk zou ontdekken, dat ik volstrekt niet ziek was. Maar gelukkig voor mij en alsof wij het eens waren, zei hij na mij goed te hebben opgenomen, dat mijn ziekte ernstiger was dan men dacht en dat ik langen tijd mijn kamer zou moeten houden. Mijn meester, die begeerig was om naar zijn nieuwe woonplaats te gaan, kon om mij zijn vertrek niet uitstellen, hij gaf er de voorkeur aan een anderen jongen in zijn dienst te nemen. Hij vertrouwde mij toe aan de zorg van een verpleegster aan wie hij een som gelds gaf om mij te laten begraven wanneer ik stierf, of om mijn diensten te beloonen voor het geval, dat ik van mijn ziekte genas.
Zoodra ik wist, dat don Ignacio naar Granada was, genas ik dadelijk van al mijn kwalen. Ik stond op, stuurde mijn dokter weg, die zooveel scherpzinnigheid bezat en ontdeed mij van mijn verpleegster, die mij meer dan de helft had ontstolen van het geld, dat ze voor mij had gekregen.
Intusschen had Catalina hare meesteres Anna de Guevara verteld, dat ik bewonderenswaardig geschikt was voor allerlei intriges. Deze dame had zulke personen noodig voor hare winstgevende ondernemingen en zij nam mij onder haar personeel op. Zij gaf mij verschillende opdrachten, die een weinig handigheid vereischten en ik mag zeggen, dat ik mij daarvan niet slecht kweet. Zij was spoedig zoo tevreden over mij als ik onvoldaan was over haar. De dame was zoo gierig, dat ik niet het minste profijt trok van wat ze door mijn werk ontving.
Ik had dan ook al spoedig lust om weg te gaan, maar werd daarvan teruggehouden door Catalina, die met den dag verliefder op mij werd en mij eindelijk formeel voorstelde haar te trouwen.
"Aanbiddelijke schoone," zei ik, "dat gaat zoo niet; ik moet eerst den dood vernemen van een jeugdige persoon, die u voor is geweest en van wie ik de echtgenoot ben geworden."
"Maak dat anderen wijs!" riep ze. "Je wilt me vertellen, dat je getrouwd bent. Waarom? Alleen omdat je er een tegenzin in hebt om mij tot vrouw te nemen."
Tevergeefs trachtte ik haar ervan te overtuigen, dat ik de waarheid sprak. Ze gevoelde zich beleedigd en veranderde ten opzichte van mij.
Onder die omstandigheden vernam ik, dat er een lakei noodig was bij den heer Gil Blas de Santillano, secretaris van den eersten minister en die betrekking stond mij zeer aan. Men zei mij, dat de heer de Santillano iemand was van groote verdiensten, zeer in de gunst bij den hertog de Lerme en bovendien edelmoedig. Ik liet deze gelegenheid niet ongebruikt voorbijgaan en ging mij presenteeren bij den heer Gil Blas, die mij op mijn gezicht aannam en die, de hemel geve het, mijn laatste meester zal zijn."
Hier eindigde Scipio en richtte zich daarna uitsluitend tot mij: "Mijnheer de Santillano, doe mij het genoegen voor de dames te getuigen, dat ge mij steeds hebt gekend als een even ijverigen, als trouwen dienaar. Ik heb behoefte aan uw getuigenis, om haar te overtuigen, dat de zoon van Coscolina zijn zeden heeft gebeterd en zijn slechte neigingen bedwongen."
"Ja dames," zei ik toen, "daar kan ik u voor instaan. Indien Scipio in zijn jeugd een deugniet is geweest, hij heeft zich sedert dien tijd zoo veranderd, dat hij het model is geworden van een volmaakten bediende. Wel verre van hem iets te kunnen verwijten in zijn gedrag tegenover mij, moet ik eerder bekennen, dat ik groote verplichtingen aan hem heb. In den nacht, dat men mij oplichtte en naar den toren van Ségovië bracht, redde hij uit de plundering een gedeelte van mijn geld en bracht dat in veiligheid. Hij had het zich ongestraft kunnen toeëigenen. Hij bepaalde er zich niet toe, om voor mijn geld te zorgen; alleen uit vriendschap voor mij, liet hij zich met mij in de gevangenis opsluiten. Boven de begeerlijkheden der vrijheid gaf hij er de voorkeur aan met mij mijn verdriet te deelen."
ELFDE BOEK
HOOFDSTUK I
Van de grootste vreugde, die Gil Blas ooit gekend heeft en van het treurig ongeluk, dat daarop volgde. Van de veranderingen, die aan het hof plaats hadden en waardoor Gil Blas er terugkeerde.
Scipio en ik waren te beminde echtgenooten, om niet spoedig vader te zijn. Béatrix bracht een meisje ter wereld en eenige dagen later overlaadde Antonia ons allen met vreugde door mij een zoon te schenken.
Ik zond Scipio naar Valencia, om deze gelukkige tijding aan den gouverneur te gaan meedeelen. Deze kwam zelf met zijn vrouw over om de kinderen ten doop te houden. Mijn zoon werd Alphonse genoemd en het dochtertje van Scipio Séraphine.
De geboorte van mijn zoon verheugde niet alleen de bewoners van het kasteel, ook de inwoners van het dorp vierden feest. Maar helaas, onze vreugde was niet van langen duur, of liever gezegd, ze ging spoedig over in weenen en klagen, door het ongeluk dat twintig jaren lang mij nog niet hebben kunnen doen vergeten. Mijn zoon stierf en zijn moeder, hoewel de bevalling voorspoedig was geweest, volgde hem spoedig. Een hevige koorts nam na een huwelijk van veertien maanden mijn lieve vrouw weg.
Het verdriet, dat ik had, is niet te beschrijven, ik viel in een soort van verdooving, in een staat van gevoelloosheid. Vijf of zes dagen was ik in dien toestand; ik weigerde alle voedsel en zonder Scipio geloof ik, dat ik zou zijn doodgehongerd. Maar deze slimme secretaris bedacht een middel om mij versterkende middelen te geven; hij bood ze mij n.l. met zoo'n somber gezicht aan, dat het den schijn had of ze mijn droefheid moesten in stand houden in plaats van mijn leven.
Die trouwe dienaar schreef ook aan don Alphonse, om hem mededeeling te doen van het ongeluk, dat mij had getroffen en van den toestand, waarin ik verkeerde. Mijn edelmoedige vriend kwam dadelijk naar Lirias en ik zal onze ontmoeting nooit vergeten. "Beste Santillano," zei hij, "ik kom niet om je te troosten maar om met je te weenen over Antonia, zooals gij met mij Séraphine zoudt beweenen, indien ze van mij werd weggenomen."
Hoe gebukt ook onder mijn smart, ik gevoelde toch levendig zijn goedheid.
Don Alphonse had een lang onderhoud met Scipio over hetgeen ze konden doen om mij te onttrekken aan mijn verdriet. Zij meenden, dat het beter voor mij zou zijn indien ik mij eenigen tijd verwijderde van Lirias, waar alles mij zonder ophouden aan Antonia herinnerde. De gouverneur stelde mij voor met hem naar Valencia te gaan en ook Scipio drong daarop zoo sterk aan, dat ik toegaf.
Toen ik te Valencia was, deden ook don César en zijn schoondochter al het mogelijke om mij te troosten, maar het mocht hun niet gelukken mijn droefgeestigheid te verdrijven. Scipio kwam dikwijls van Lirias om te zien hoe het met mij ging.
Op een morgen kwam hij mijn kamer binnenloopen en zei: "Mijnheer, er is door de stad een gerucht verspreid, dat van de grootste beteekenis is voor de geheele monarchie; men zegt, dat koning Filips niet meer leeft en dat zijn zoon den troon heeft bestegen. Men voegt er aan toe, dat de kardinaal, hertog de Lerme, zijn post heeft verloren en dat don Gaspard de Guzman, graaf van Olivarez, eerste minister is geworden."
Door die tijding voelde ik mij een weinig bewogen, ik wist zelf niet waarom. Scipio, die dat zag, vroeg of ik geen belang stelde in die verandering.
"Welk belang zou ik er in stellen?" vroeg ik. "Ik heb het hof verlaten en alle veranderingen daar moeten mij onverschillig zijn."
"Voor een man van uw leeftijd, zijt ge wel wat te beu van de wereld," zei hij. "In uw plaats zou ik een levendig verlangen hebben."
"Welk verlangen?"
"Wel ik zou naar Madrid gaan en den jongen koning mijn gezicht toonen om te zien of hij mij nog herkende. Dat genoegen zou ik mij verschaffen."
"Ik begrijp je al, je zou willen, dat ik naar het hof terugkeerde om er opnieuw mijn fortuin te beproeven, of liever om er weer gierig en eerzuchtig te worden."
"Waarom zou uw karakter er opnieuw bedorven worden? Heb meer vertrouwen in uw eigen deugden!"
Glimlachend vroeg ik: "Ben je het moe mij zulk een rustig leven te zien leiden? Ik dacht, dat mijn rust je meer waard was."
Onder dit gesprek kwamen don César en zijn zoon binnen. Zij bevestigden de tijding van den dood van den koning en den val van den hertog de Lerme. Ze wisten voorts nog mee te deelen, dat de hertog, die toestemming had gevraagd om naar Rome te gaan, deze niet had kunnen krijgen en dat hem last was gegeven zich terug te trekken op zijn landgoed te Denia.
Vervolgens alsof zij in overeenstemming met Scipio handelden, gaven zij mij den raad naar Madrid te gaan om mij aan den jongen koning te vertoonen, die mij kende en wien ik zelfs diensten had bewezen, die vorsten gaarne beloonen.
"Wat mij betreft," zei don Alphonse, "ik twijfel er niet aan of Filips de Vierde zal de schulden betalen, die hij als prins maakte."
"Ik ben van het zelfde gevoelen," zei don César, "en ik zie in een bezoek van Santillano aan het hof het middel voor hem om tot hooge posten te worden geroepen."
"Waarlijk heeren!" riep ik, "ik geloof niet, dat ge goed nadenkt, over hetgeen ge zegt. Als men u hoort, zou ik mij naar Madrid hebben te begeven, om dadelijk een man van gewicht te zijn. Maar ge dwaalt. Ik ben er integendeel van overtuigd, dat de koning geen acht op mij zou slaan, indien ik mij vertoonde. Daarvan zou ik u, om u te overtuigen, wel de proef willen geven."
De heeren de Leyva hielden mij aan mijn woord en dwongen mij nu de belofte af, dat ik mij dadelijk naar Madrid zou begeven.
Zoodra mijn secretaris mij besloten zag dien tocht te ondernemen, verheugde hij zich ten zeerste. Hij verbeeldde zich, dat ik onmiddellijk na mijn verschijnen aan het hof met eerbewijzen en weldaden zou worden overladen.
Ik besloot dus naar het hof terug te keeren niet met het plan de fortuin weer te beproeven, maar om don César en zijn zoon tevreden te stellen. Het is waar, dat ik in den grond van mijn hart eenige nieuwsgierigheid gevoelde om te weten of de jonge vorst mij herkende. Overigens vertrok ik naar Madrid zonder hoop en zonder plan eenig voordeel van de nieuwe regeering te trekken. Scipio vergezelde mij; de zorg voor het kasteel hadden wij overgelaten aan Béatrix, die een goede huishoudster was.
HOOFDSTUK II
Gil Blas begeeft zich naar Madrid; hij verschijnt aan het hof; de koning herkent hem en beveelt hem bij zijn eersten minister aan. Gevolg van die aanbeveling.
Nog geen acht dagen later reisden wij naar Madrid; don Alphonse had ons twee van zijn beste paarden gegeven, om sneller te kunnen gaan. Wij gingen logeeren bij Vincent Forero, die ons van vroeger kende.
Daar deze hotelhouder er op uit was, om alles te weten wat er aan het hof en in de stad voorviel, vroeg ik hem welk nieuws er was. "Heel wat," antwoordde hij; "sinds den dood van den koning, hebben de vrienden en partijgangers van den hertog de Lerme alles gedaan, om hem in zijn waardigheid te herstellen, maar hunne pogingen zijn vergeefsch geweest; de graaf van Olivarès heeft het van hen gewonnen. Men beweert, dat Spanje bij die wisseling niet heeft verloren en dat de nieuwe minister zooveel talent bezit, dat hij wel de wereld zou kunnen regeeren. Zeker is het, dat het volk zeer hooge gedachten van hem heeft."
Twee dagen na mijn aankomst te Madrid, ging ik naar het hof en ik zorgde op zijn weg te zijn, toen hij naar zijn kabinet ging. Maar hij zag mij niet. Den volgenden dag keerde ik op dezelfde plaats terug, maar ik was niet gelukkiger. Den derden dag wierp hij in het voorbijgaan, een blik op mij, maar hij scheen niet de minste aandacht aan mijn persoon te schenken. Daar trok ik partij van. "Je ziet wel," zei ik tegen Scipio, die mij vergezelde, "dat de koning mij niet herkent of indien hij het misschien wel deed er zich niet om bekommert, om de kennismaking met mij te hernieuwen. Ik geloof, dat wij maar goed zullen doen, als we weer naar Valencia gaan."
"Laten wij daar niet zoo'n haast mee maken, mijnheer, u weet beter dan ik, dat men aan het hof slechts slaagt, indien men geduld heeft. Blijf u aan den jongen koning vertoonen, dan moet hij u wel nauwkeuriger opnemen en dan zal hij zich ongetwijfeld uw werk bij de schoone Catalina herinneren."
Opdat Scipio mij niets te verwijten zou hebben, bleef ik het drie weken volhouden, om geregeld aan het hof te verschijnen en op zekeren dag werd de koning door mijn gezicht getroffen en liet hij mij roepen.
Ik trad zijn kabinet binnen, wel eenigszins zenuwachtig, mij alleen te bevinden met mijn vorst.
"Wie zijt gij?" vroeg hij. "Uw trekken komen mij niet onbekend voor. Waar kan ik u hebben gezien?"
"Sire. Ik heb de eer gehad u eens op een nacht met den graaf de Lemos te begeleiden naar...."
"Ah! Ik herinner het mij; gij waart de secretaris van den hertog de Lerme en uw naam is, als ik mij niet bedrieg, Santillano. Ik heb niet vergeten, dat ge mij bij die gelegenheid diensten hebt bewezen en dat ge daarvoor slecht zijt beloond geworden. Zijt ge niet in de gevangenis geweest voor dat avontuur?"
"Ja Sire," antwoordde ik, "ik ben zes maanden in Ségovia opgesloten geweest, maar door uwe goedheid werd ik bevrijd."
"Daarmee is onze rekening niet vereffend. 't Was niet voldoende u in vrijheid te stellen; op andere wijze zal ik goedmaken, wat ge uit liefde voor mij hebt geleden."