De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 18
Een oogenblik nadat ik verdwenen was, kwamen zooals de volgorde in het stuk dat bepaalde, de Mooren op, die den koning moesten oplichten. Ze naderden daarvoor het rustbed, dat, zooals ik zei, tusschen de coulissen stond, slechts voor een deel zichtbaar voor het publiek. De Mooren moesten koning Leon slapende verrassen, maar op het rustbed was niemand te vinden.
Dat gaf dadelijk groote verwarring. Alle acteurs liepen op het tooneel en achter de schermen rond, de een riep me, de ander zocht mij en een derde wenschte mij naar den duivel.
De aartsbisschop liet vragen, wat dat alles te beteekenen had en men moest hem eindelijk wel zeggen, dat de koning niet door de Mooren kon worden gevangen genomen, omdat hij er met zijn koninklijk gewaad vandoor was gegaan. De prelaat zei: "Gelukkig dat hij ontkomen is aan de vijanden van onzen godsdienst. Zeker is hij gevlucht naar de hoofdstad van zijn koninkrijk en ik wil niet hebben, dat men hem volgt!" Nadat de aartsbisschop dit bevel had gegeven, zei hij, dat men moest doorspelen en dat mijn rol gelezen moest worden.
HOOFDSTUK XI
Scipio in dienst bij Velasquez.
Zoolang ik geld had, was mijn waard vriendelijk voor mij, maar toen hij merkte, dat het op begon te raken, nam hij een andere houding aan, hij werd stug en onbeleefd en verzocht mij op zekeren dag, om elders mijn intrek te nemen. Ik verliet hem en ging naar de St.-Dominicus-kerk. Een oude bedelaar vroeg om een aalmoes. Ik haalde een paar koperstukjes uit mijn zak, gaf hem die en zei:
"Mijn vriend, bid God, dat Hij mij spoedig een goede plaats doet vinden. Indien uw gebed wordt verhoord, zal ik het goed met u maken."
Bij die woorden keek de bedelaar mij oplettend aan en vroeg: "Welken post zoudt ge willen hebben?" Ik antwoordde, dat ik graag lakei zou worden in een goed huis. Hij vroeg mij hierop of er haast bij was en ik deelde hem mee, dat ik hoe eerder hoe liever geplaatst wilde worden, daar ik anders van honger moest sterven, of zijn voorbeeld volgen en bedelen.
"Indien gij daartoe gedwongen werdt," zei de oude man, "zou het akelig voor u zijn, omdat ge niet aan onze manieren gewend zijt, maar indien ge u er wel aan kunt gewennen, dan zoudt ge aan onzen toestand de voorkeur geven boven dien der dienstbaarheid. Daar ge echter liever een meester hebt, dan als ik een vrij en onafhankelijk leven te leiden, zult ge er een hebben. Ik kan u van dienst zijn en zal dadelijk mijn krachten voor u inspannen. Kom morgen op hetzelfde uur hier, dan zal ik u zeggen, wat ik heb gedaan."
Ik zorgde er voor den volgenden morgen op tijd aanwezig te zijn en zag eenige oogenblikken later den bedelaar. Hij verzocht mij hem te volgen en bracht mij naar een kelder, niet ver van de kerk, waar hij woonde. Wij gingen binnen en nadat wij hadden plaats genomen op een bank, die minstens honderd dienstjaren had, zei hij: "Een goede daad wordt steeds beloond; ge hebt mij gisteren een aalmoes gegeven en dat heeft mij doen besluiten u een betrekking te verschaffen. Ik ken een ouden Dominicaner, genaamd vader Alexis, een man van veel invloed. Ik heb de eer zijn boodschaplooper te zijn en kwijt mij met zooveel trouw en ijver van die taak, dat hij steeds bereid is om zijn invloed voor mij of mijn vrienden aan te wenden. Dus zal ik u aan den eerwaarden vader voorstellen?"
"Er is geen tijd te verliezen," zei ik tot den bedelaar en wij gingen dadelijk naar vader Alexis, dien wij in zijn kamer vonden, bezig met schrijven. Hij hield met zijn werk op om met mij te spreken en zei me, dat hij mij op verzoek van den bedelaar wilde helpen. "Daar ik gehoord heb," vervolgde hij, "dat de heer Baltazar Velasquez een lakei noodig heeft, heb ik hem geschreven en hij heeft mij geantwoord, dat hij u zal aannemen wanneer ge door mij wordt gezonden. Hij is mijn biechteling en vriend. Ge kunt hem vandaag gaan opzoeken." Daarna onderhield de goede monnik mij gedurende ongeveer drie kwartier over de plichten, die ik had te vervullen. Voornamelijk moest ik zeer ijverig zijn en wanneer de heer Velasquez tevreden over mij was, dan zou het mij goed gaan.
Na den geestelijke te hebben bedankt voor zijn goedheid, vertrok ik met den bedelaar, die me zei, dat Baltazar Velasquez een oude koopman in laken was, een rijke, eenvoudige en goedhartige man. "Ik twijfel er niet aan," voegde hij er aan toe, "of ge zult het goed bij hem hebben, beter dan bij een heer uit den meer deftigen stand." Nadat ik nog geïnformeerd had, waar mijn nieuwen patroon woonde, nam ik afscheid van den bedelaar, met de belofte zijn goede diensten te zullen beloonen zoodra mij dat mogelijk was. Ik ging den winkel binnen en vond daar twee bedienden; op mijn verzoek den patroon te mogen spreken, bracht men mij naar een kantoor, waar de oude heer in een groot register bladerde, dat op zijn schrijftafel lag. Hij groette mij vriendelijk en ik behoefde niet lang bij dezen man in dienst te zijn om te weten, dat hij was, zooals men hem mij had beschreven. Hij was zoo eenvoudig, dat ik mij soms geweld aan moest doen om hem niet op de een of andere wijze te foppen. Sinds vier jaar was hij weduwnaar en hij had twee kinderen, een meisje van achttien en een zoon van vijfentwintig jaar. De dochter was streng opgevoed en deugdzaam, maar haar broer was, welke moeite men zich ook voor hem gegeven had, een jeugdige losbol. Soms kwam hij in twee of drie dagen niet thuis en als zijn vader hem dan bij zijn terugkomst verwijten deed, antwoordde hij op zoo hoogen toon, dat de grijsaard zweeg.
Op een goeden dag zei mijn meester: "Scipio, mijn zoon Gaspard doet mij veel verdriet aan. Hij geeft zich over aan allerlei uitspattingen. Dat verwondert mij, want zijn opvoeding is niet verwaarloosd, hij heeft steeds goede meesters gehad en vader Alexis, mijn vriend, heeft al het mogelijke gedaan, om hem op den goeden weg te houden; maar niets heeft mogen baten. Ge zult misschien zeggen, dat ik hem als kind met te veel zachtheid heb behandeld. Dat is echter niet altijd het geval geweest, ik ben ook wel streng geweest; ik heb hem zelfs in een gesticht laten opsluiten, maar daar is hij nog ondeugender geworden. In één woord, er is niets met hem te beginnen. De hemel zou hier een wonder moeten doen."
Indien ik al niet zeer getroffen was door de droefheid van den ongelukkigen vader, deed ik althans of ik het was. "Wat beklaag ik u, mijnheer!" zei ik. "Een man als gij zijt verdiende een beteren zoon te hebben." Hij antwoordde: "Wat zal ik je zeggen, mijn vriend? God heeft mij zulk een troost willen onthouden. Onder de redenen tot klagen, die ik over Gaspard heb, is er voornamelijk een, die mij veel onrust geeft en dat is, zijn lust om mij te bestelen. Niettegenstaande mijn waakzaamheid, weet hij daartoe toch maar al te dikwijls gelegenheid te vinden. Met den bediende die je voorganger was, was hij het eens en daarom heb ik hem weggestuurd. Wat jou betreft, reken ik erop, dat je je niet door mijn zoon zult laten omkoopen. Vader Alexis heeft je dat zeker wel op het hart gedrukt." Ik antwoordde, dat de eerwaarde vader mij wel een uur had onderhouden over den eerbied, dien ik moest hebben voor het goed van mijn meester, maar dat zoo iets bij mij niet noodig was. Daarna beloofde ik, dat ik hem steeds met trouw en ijver zou dienen.
Het is altijd goed, om beide partijen te hooren. De jonge Velasquez, die, naar mijn uiterlijk oordeelende, meende dat ik wel even gemakkelijk zou zijn te verleiden als mijn voorganger, riep mij apart en zei: "Luister eens, waarde vriend, ik begrijp zeer goed, dat mijn vader je heeft opgedragen om mij te bespieden, maar ik waarschuw je vooruit, dat het geen aangenaam werk is. Als ik merk, dat je het doet, sla ik je halfdood; wanneer je mij in plaats daarvan wilt helpen, om mijn vader te bedriegen, dan kan je op mijn dankbaarheid rekenen. Om nog duidelijker te spreken: je zult je deel hebben. Je hebt nu maar te kiezen; verklaar je voor den vader of voor den zoon."
"Mijnheer," antwoordde ik hem, "u zet iemand wel het mes op de keel; maar ik zie wel, dat ik uw partij moet kiezen, hoewel het mij spijt mijnheer uw vader te moeten verraden."
"Bekommer je daar niet om, hij is een leelijke, oude gierigaard, die mij het noodige onthoudt, want als men vijfentwintig jaar is, heeft men behoefte aan genoegens."
"Dat ben ik volkomen met u eens en ik ben ook bereid u van dienst te zijn, maar we moeten onze goede verstandhouding geheim houden, want anders kon men uw trouwen helper wel eens de deur uit jagen. Het kan misschien geen kwaad dat u tegenover de buitenwereld op mij afgeeft; wees maar brutaal tegen mij. U kunt mij ook wel eens eenige schoppen geven, die niet te hard aankomen."
Ik beloofde hem nog, dat ik bij het bedienen aan tafel altijd doen zou, of ik er een tegenzin in had hem te helpen. Voor den ouden heer zouden dat bewijzen temeer zijn, dat hij mij kon vertrouwen en wanneer ieder in huis dacht, dat wij doodsvijanden waren, konden wij des te beter onzen slag slaan.
"Mijn jonge vriend," riep Gaspard verheugd, "ik bewonder je, op je jeugdigen leeftijd heb je al veel slag voor intrige en dat beschouw ik als een gunstig voorteeken voor mij."
Met de belofte alles te zullen doen, om recht te doen wedervaren aan de goede meening, die hij van mij had, scheidden wij.
Niet lang daarna was ik in de gelegenheid Gaspard een dienst te bewijzen. De oude heer had zijn brandkast in zijn slaapkamer, waar ik in en uit mocht gaan, terwijl de toegang aan Gaspard verboden was. Dikwijls had ik me zelf afgevraagd, of die brandkast altijd voor mij gesloten zou zijn. Op zekeren dag, dat de oude daar bezig was, bemerkte ik, dat hij den sleutel verborg onder een kleedje. Ik lette goed op die plaats en deelde mijn ontdekking mee aan mijn jongen meester.
Deze was zeer verheugd en riep: "Scipio, wat een gelukkige tijding; ons fortuin is gemaakt; ik zal je vandaag was geven, dan moet je daar den sleutel in afdrukken en mij dat afdruksel geven. Ik zal wel een slotenmaker vinden, die ons dan een valschen sleutel bezorgt, want Cordova is niet de stad in Spanje, waar men de minste schelmen vindt."
"Waarom?" vroeg ik, "wilt ge u van een valschen sleutel bedienen, als wij den goeden kunnen gebruiken?"
"Dat is wel zoo," zei hij, "maar ik ben bang, dat hij dien sleutel uit wantrouwen niet lang op een zelfde plaats laat en het zekerste is, dat wij er zelf ook een hebben."
Op zekeren morgen, dat mijn oude patroon een bezoek bracht aan vader Alexis, wat gewoonlijk lang duurde, nam ik een afdruk van den sleutel, maar toen ik dien eenmaal in handen had, kon ik ook niet nalaten, er gebruik van te maken. De brandkast was in een oogenblik geopend en ik zag voor mij een bekoorlijke verscheidenheid van groote en kleine zakken. Ik wist niet welken te kiezen; daar echter de vrees te worden ontdekt mij geen langdurig onderzoek toeliet, nam ik maar een van de grootsten. Daarna stopte ik den sleutel weer weg, en ging met mijn prooi naar mijn kamertje. Later ging ik daarmee naar Gaspard, die zeer tevreden over mij was en mij de helft aanbood, maar ik wilde daarvan niets weten en zei, dat deze eerste zak voor hem alleen was. Toen ik drie dagen later mijn kans schoon zag, nam ik er weer een en daarvan stelde ik mij tevreden met een vierde gedeelte, hoewel de jonge Velasquez broederlijk met mij had willen deelen. Evenals de eerste, bevatte ook deze vijfhonderd kronen.
Zoodra mijn jonge meester zich in het bezit zag van zooveel geld en bijgevolg voldoen kon aan zijn hartstocht voor de vrouwen en het spel, gaf hij zich daaraan geheel over. Ongelukkig had hij het ongeluk in aanraking te komen met een van die bekende coquettes, die het geld als het ware verslinden. Ze joeg hem op zoo hooge kosten, dat de oude Velasquez spoedig merkte dat er ongewenschte bezoeken aan zijn brandkast werden gebracht.
"Scipio," zei hij op een morgen tot me, "ik moet je een ontdekking doen, men besteelt mij, mijn brandkast is opengemaakt en ik mis er verscheidene zakken geld uit. Wien moet ik daarvan beschuldigen of liever gezegd wien anders moet ik beschuldigen dan mijn zoon? Gaspard is zeker heimelijk in mijn kamer gekomen of misschien ook wel heb jij hem er gebracht, want hoewel ge kwaad met elkaar zijt, twijfel ik er toch soms aan of jij het niet met hem eens bent. Maar ik wil niet toegeven aan die verdenking omdat vader Alexis voor je trouw heeft ingestaan."
Met een huichelachtig gezicht zei ik, dat het goed van anderen mij heilig was. De oude heer sprak er niet verder van maar hij bleef mij wantrouwen en nam maatregelen tegen onze aanslagen. Hij liet een anderen sleutel van zijn brandkast maken en droeg dien altijd bij zich. De gemeenschap tusschen de zakken en ons was daardoor verbroken, tot groot leedwezen vooral van Gaspard, die geen uitgaven meer kon doen voor zijn nimf en nu vreesde, dat hij haar niet meer zou kunnen zien. Hij vond daarom een ander middel en vroeg mij geld ter leen. Dat werd zoo dikwijls herhaald, dat ik eindelijk niets meer over had van hetgeen de aderlatingen van de brandkast mij hadden opgeleverd. Toen ik mijn laatste stuk had gegeven meende ik mijn fout te hebben goedgemaakt; immers, ik had den zoon en erfgenaam vergoed, wat ik den vader had ontstolen.
Toen de jongeman ook die laatste hulpbron zag uitgeput, verviel hij in een sombere droefgeestigheid. Hij beschouwde zijn vader slechts als een man, die zijn leven ongelukkig maakte. De ellendeling vatte zelfs het afschuwelijke plan op om zijn vader te vergiftigen. Hij bepaalde er zich niet toe mij deelgenoot te maken van dit plan, maar stelde zelfs voor hem te helpen. Bij dit voorstel voelde ik een afschuw van hem. Ik zei: "Mijnheer, hoe is het mogelijk, dat ge zóó door den hemel zijt verlaten, dat ge mij een dergelijk voorstel kunt doen? Zoudt ge in staat zijn uw eigen vader het leven te benemen? Zou men in het Christelijke Spanje een misdaad moeten zien begaan, waarvoor men zelfs in de meest beschaafde naties met schrik en afschuw zou terugdeinzen?"
Lang sprak ik met Gaspard, om te trachten hem van zijn onmenschelijk plan af te brengen, maar hij bleef somber en stil, zoodat ik meende, dat hij bij zijn voornemen bleef volharden.
Ten einde raad, besloot ik mijn ouden meester te waarschuwen; ik vroeg hem een geheim onderhoud en toen wij in zijn kamer waren opgesloten, viel ik op mijn knieën en badende in mijn tranen, vertelde ik van onzen diefstal en van het gesprek, dat ik met Gaspard had gehad.
Welke slechte meening de oude Velasquez ook omtrent het karakter van zijn zoon had, zoo iets had hij toch niet verwacht. Hij twijfelde echter niet aan de waarheid van mijn mededeeling. "Ik vergeef je," zei hij, "ter wille van het gewichtige feit, dat je mij hebt meegedeeld. Gaspard staat mij dus naar het leven. De ellendeling ziet zelfs niet tegen een vadermoord op! En welke redenen heeft hij daarvoor? Ieder jaar verschaf ik hem een som, die voldoende is om op behoorlijke wijze van het leven te genieten! Ik kan voor zijn uitspattingen toch niet zijn zuster en mijzelf ruïneeren. Maar bewaar het geheim, dat je mij hebt verteld. Laat niemand iets merken!"
Zeer nieuwsgierig was ik, te weten welk besluit de ongelukkige vader zou nemen, toen hij denzelfden dag Gaspard liet roepen en zonder dat hij iets liet merken van hetgeen er in zijn ziel omging, tot hem zei: "Mijn zoon, ik heb een brief ontvangen van een vriend uit Mérida. Men vraagt mij, of ge wilt trouwen met een meisje van zestien jaar, zeer schoon en in het bezit van een aanzienlijke bruidschat. Als gij geen bezwaar hebt tegen dit huwelijk, zullen wij ons morgen zeer vroeg op weg begeven; wij zullen het meisje bezoeken, bevalt ze u, dan kunt ge haar trouwen, zoo niet, dan zal er over een huwelijk niet verder worden gesproken."
Zoodra Gaspard van een bruidschat hoorde, was hij bereid mee te gaan en, gezeten op goede muilezels, vertrokken zij den volgenden dag.
Toen zij in de bergen waren en op een plaats, die bekend was door de roovers, welke dikwijls de reizigers overvielen, steeg Baltazar af en verzocht zijn zoon hetzelfde te doen. De jongeman gehoorzaamde en vroeg, waarom men hier moest ophouden. De grijsaard keek hem vol smart aan en zei: "Dat zal ik je zeggen. Wij gaan niet naar Mérida en het geheele huwelijk, waarvan ik je heb gesproken, is slechts een verzinsel geweest, om je hier te krijgen. Ondankbare en onnatuurlijke zoon! Ik weet welk misdadig plan je hebt. Ik weet, dat je een vergift heb bereid, dat mij zou moeten worden gegeven. Maar onverstandige! Denk je dan, dat je mij ongestraft het leven zou kunnen benemen? Je misdaad zou ontdekt worden en je zou moeten sterven door de handen van den beul. Er is een beter middel, om je doel te bereiken, zonder je aan een schandelijken dood bloot te stellen. Wij zijn hier op een plaats zonder getuigen en waar vaak moorden begaan worden. Indien je mijn bloed wil, steek dan de dolk in mijn hart en men zal dien moord aan roovers wijten." Bij die woorden maakte Baltazar zijn kleeren los en wees de plaats aan, waar deze moest toestooten.
De jonge Velasquez, door deze woorden als door den bliksem getroffen, viel buiten bewustzijn aan de voeten van zijn vader. De goede grijsaard, wien dit een teeken van berouw scheen, kon aan zijn vaderlijke zwakheid geen weerstand bieden, hij hielp den ongelukkige op. Deze kwam spoedig weer tot bewustzijn, besteeg zijn muilezel en reed weg zonder een woord te spreken.
Baltazar vernam korten tijd later, dat zijn zoon in het Karthuizer klooster te Sévilla was gegaan, om er de rest van zijn dagen in boetedoening te slijten.
HOOFDSTUK XII
Einde van de geschiedenis van Scipio.
Een slecht voorbeeld heeft soms ook goede uitwerking. Het gedrag van den jongen Velasquez deed mij over het mijne nadenken. Ik begon mijn slechte neigingen te bestrijden. Maar de gewoonte, om, wanneer ik het geld van anderen kon nemen, dat te doen, was zoo sterk bij mij geworden, dat ze niet gemakkelijk te overwinnen was. Maar ik hoopte erin te zullen slagen; dikwijls reeds had ik gehoord, dat men om deugdzaam te worden het slechts ernstig behoefde te willen.
Onze winkel werd dikwijls bezocht door don Manrique de Médrana, een jong edelman en ridder van de orde van Alcantara. Wij hadden in hem een van onze beste klanten en ik scheen het geluk te hebben, hem te bevallen; steeds als hij bij ons kwam, sprak hij met mij. "Scipio," zei hij op een goeden dag, "ik zou wel iemand als jij tot lakei willen hebben." Ik antwoordde: "dat kan gemakkelijk gebeuren, mijnheer, want het is een zwak van mij, om zeer gesteld te zijn op de toegenegenheid van voorname personen." "Als dat zoo is," hernam Manrique, "zal ik mijnheer Velasquez vragen of hij goedvindt, dat je van zijn dienst in den mijne overgaat; hij zal mij dat genoegen niet weigeren."
Velasquez maakte werkelijk geen bezwaar, het verlies van een schelmachtigen knecht scheen hem niet onherstelbaar. Wat mij betreft, de verandering verheugde mij zeer, 't was voor mij een groot verschil: knecht te zijn van een burgerman of bediende bij een ridder.
Mijn nieuwe patroon was iemand met een zacht, beminnelijk humeur en een goed verstand. Als jongere zoon van een meer beroemd dan rijk huis, moest hij leven op kosten van een oude tante, die in Tolédo woonde, hem als haar zoon lief had en goed voor hem zorgde. Hij kwam in de voornaamste kringen en bezocht vooral dikwijls de markiezin van Alménara. Dat was een weduwe van twee en zeventig jaar met zulke aangename manieren en zooveel geest, dat ze den geheelen adel van Cordova aantrok.
Op een avond, dat mijn meester van haar terug kwam, was hij in een buitengewoon aangename stemming. "Mijnheer," zei ik, "mag uw getrouwe dienaar vragen, of u vanavond ook iets ongewoons overkomen is?"
Hij antwoordde mij, dat hij een ernstig gesprek had gehad met de markiezin van Alménara. Lachend vroeg ik, of die beminnelijke zeventigjarige hem misschien een liefdesverklaring had gedaan. "Het is geen spotternij," zei hij, "maar de markiezin bemint mij. Ze heeft op de volgende manier tot mij gesproken: "Ik weet, dat ge weinig fortuin hebt en ik ken uw adel; ik heb een groote genegenheid voor u en ik ben van plan u te trouwen, daar ik geen ander middel weet, om u op behoorlijke wijze rijk te maken. Ik weet wel, dat dit huwelijk mij in de oogen van de wereld belachelijk zal maken, dat men kwaad van mij zal spreken, van mij zeggen zal, dat ik een oude gekkin ben, om weer te willen trouwen, maar dat is mij onverschillig. Het eenige, wat ik vrees is, dat gij mijn gevoelens niet deelt."
De markiezin deelde mij nog mee, dat ze zeer aanzienlijke goederen bezit, wat ik trouwens reeds wist en dat ze mij daarmee bij haar leven gaarne gelukkig zou maken.
"Gij hebt zeker maar besloten haar aan te nemen?" vroeg ik.
"Kunt ge daar nog aan twijfelen?" antwoordde hij. "De markiezin is niet alleen enorm rijk, maar ze is ook een goede en verstandige vrouw, dus zou ik mijn verstand wel moeten hebben verloren, indien ik geen gebruik maakte van deze gelegenheid."
Het plan van mijn meester juichte ik sterk toe en ik gaf hem zelfs den raad om haast te maken met de uitvoering, omdat de zaak anders nog wel eens zou kunnen misloopen.
Gelukkig zette de dame zelve er spoed achter en gaf hare orders zóó, dat de toebereidselen tot het huwelijk reeds spoedig waren genomen.
Zoodra men in de stad Cordova wist, dat de oude markiezin d'Almenara voornemens was te trouwen met den jongen don Manrique de Médrana, begon men met de weduwe te bespotten, maar zij liet zich daardoor niet van haar plan afbrengen. Zij liet de menschen in de stad praten en volgde haren ridder naar het altaar. Hun bruiloft werd schitterend gevierd en gaf opnieuw stof aan de kwaadsprekers, die meenden, dat een dergelijke pracht en praal niet paste aan zulk een oud mensch.
Nadat het bal afgeloopen was, gingen de jonggehuwden naar een kamer, met een kamenier en mij. De oude dame zei daarop tot mijn meester: "Don Manrique, dit is uw slaapkamer, de mijne is in een ander gedeelte van het huis; den nacht zullen wij ieder in onze eigen kamer doorbrengen, over dag zullen wij leven als moeder en zoon."
Toen mijn meester uit beleefdheid wilde tegenspreken, herinnerde zij hem er aan, dat ze hem alleen had getrouwd om hem in het bezit te stellen van de voordeelen van hare goederen en in ruil daarvoor vroeg zij niet anders dan zijn vriendschap.
Na die woorden verliet ze met haar kamenier het vertrek.
Verbaasd bleven mijn meester en ik achter. "Wat zegt ge wel van zulk een dame?" vroeg hij. "Mijnheer," zei ik, "welk een geluk haar te bezitten. U hebt er alleen de voordeelen van en niet de lasten."
Don Manrique zei nog, dat hij van plan was haar door oplettende zorgen voor zooveel goedheid te beloonen. Daarop zocht hij zijn mooi bed op en het zal wel geen teleurstelling voor hem zijn geweest, dat hij daar alleen moest slapen.
Het was een zeer gelukkig huwelijk en mijn meester was van een armen ridder plotseling een zeer rijk man geworden. De echtgenooten spraken den volgenden avond af, dat ze, zonder elkaar te hinderen, zouden blijven leven als voor hun huwelijk. Toch mag ik dezen lof niet aan don Manrique onthouden, hij deed n.l. voor zijn vrouw wat weinig anderen in zijn plaats zouden hebben gedaan; hij liet een vriendinnetje in den steek waarvan hij hield omdat hij in niets bij zijn vrouw achter wilde staan wat consideratie betreft. Het voordeel, dat ik daarbij had, was dat ik na eenigen tijd zijn secretaris werd op een jaarwedde van vierhonderd kronen.
Op zekeren dag kreeg mijn meester een brief uit Tolédo, waarin hem werd medegedeeld, dat dona Théodora Muscoso, zijn tante, op haar uiterste lag. Dadelijk ging hij haar opzoeken en behalve mij nam hij nog een knecht en een lakei mee. Wij reden op de beste paarden uit zijn stal en waren spoedig te Tolédo, waar wij de oude dame in beteren toestand vonden dan wij dachten. Niettegenstaande de uitspraak van den ouden dokter, die haar behandelde, begon zij in beterschap toe te nemen, minder misschien door de geneesmiddelen dan door het gezelschap van haar lieven neef.