De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 15

Chapter 154,178 wordsPublic domain

"U denkt te gunstig over mij," zei ik. "Wat de jonge Muscada heeft gezegd, is waar. Toen hij bij mij kwam, dacht ik aan niets anders dan aan mijn fortuin, de eerzucht belette mij om mij bezig te houden met het lot van mijn familie. Daar kwam bij, dat hij mij al dadelijk tegen zich innam, door mij te zeggen, dat hij gehoord had, dat ik zoo rijk was als een jood. Daarbij wilde hij mij op brutalen toon voorschrijven, wat ik te doen had. Maar nadat ik hem weggestuurd had, voelde ik toch wel berouw over mijn gedrag tegenover u. Toen ik later in den toren van Ségovië was opgesloten, werd ik gevaarlijk ziek en die gelukkige ziekte is het geweest, die u uw zoon heeft teruggegeven. De natuur hernam haar rechten en ik werd geheel losgemaakt van het hof. Ik ben teruggekomen van dat rumoerige leven en verlang nu alleen naar de eenzaamheid en ik ben nu hier om u te vragen, of ge met mij mee wilt gaan naar een landgoed bij Valencia, dat mij toebehoort en waar wij kalm zullen leven. U begrijpt wel, dat ik ook vader had willen voorstellen, om ons te vergezellen, indien de hemel het niet anders had gewild."

"Ik ben je zeer dankbaar voor dit aanbod en ik zou zeker niet aarzelen, wanneer ik mijn broer niet alleen moest laten; ook ben ik aan het land hier gehecht. Maar wij kunnen er nog eens over denken, onze eerste zorg moet nu zijn voor de begrafenis van je vader."

Juist kwam Scipio binnen, want het was reeds dag geworden en hij wilde vragen, of hij ons ook van dienst kon zijn. Ik vroeg hem, of hij zich belasten wilde met de zorg voor de begrafenis en hij verklaarde zich daar gaarne toe bereid. "Maar denk er aan," zei mijn moeder tot mijn vriend, "dat het niet te mooi moet zijn; de heele stad heeft hem altijd als een eenvoudig en arm man gekend."

Scipio antwoordde: "Mevrouw, al was hij nog armer geweest, daarom zou ik geen twee cent besparen. Ik denk hierbij slechts aan mijn meester. Mijn meester is de gunsteling geweest van den hertog de Lerme, dus moet zijn vader op plechtige wijze worden begraven."

Ik keurde het plan van mijn secretaris goed en verzocht hem zelfs, geen geld te sparen. Een rest van ijdelheid, die nog in mij was, ontwaakte bij deze gelegenheid. Ik meende, dat wanneer ik geen kosten spaarde voor de begrafenis van een vader, die mij niets had nagelaten, ik zekere bewondering voor mijn mildheid zou opwekken. En mijn moeder, hoe nederig zij ook was, vond het toch niet kwaad, dat mijn vader met luister werd ter aarde besteld.

Scipio was maar al te goed geslaagd. Alle inwoners van Oviédo, van groot tot klein, namen aanstoot aan dit prachtvertoon en men maakte allerlei opmerkingen, die minder eervol voor mij waren. De een zei: "Hij heeft wel geld, om zijn vader te begraven, maar had het niet om hem te eten te geven." "Het zou beter zijn," merkte een ander op, "als hij zijn vader bij diens leven wat meer genoegen had gedaan, dan hem nu zoo deftig te begraven." Scipio, Bertrand en ik werden zelfs op straat nageroepen, toen wij uit de kerk kwamen, ja, men ontzag zich niet ons met steenen en modder te gooien. Mijn moeder moest zich vertoonen en openlijk verklaren, dat zij tevreden over mij was, om de menigte uiteen te doen gaan, die zich voor het huis van mijn oom verzameld had. Al die beleedigingen waren hoofdzakelijk een gevolg van de praatjes, die de jonge kruidenier in de stad over mij had rondgestrooid. Ik kreeg daardoor zoo'n tegenzin in een langer verblijf in Oviédo, dat ik spoedig besloot om te vertrekken. Daar mijn moeder bij mijn oom wilde blijven, die het echter niet lang meer zou maken, vroeg ik haar, bij mij te komen wonen, als hij er niet meer zou zijn.

"Ik kan die belofte niet geven," antwoordde mijn moeder, "want ik zou haar niet houden. De rest van mijn dagen wil ik hier in Asturië doorbrengen in volkomen onafhankelijkheid."

"Maar zult ge in mijn huis dan niet onbeperkt meesteres zijn?" vroeg ik.

"Je hebt maar verliefd te worden op een of ander meisje en haar te trouwen, dan is zij de schoondochter en ik ben de schoonmoeder en dat gaat niet samen."

Hoewel ik haar betoogde, dat ik in het geheel niet aan trouwen dacht, en zelfs, als ik het deed, dat ik dan mijn vrouw wel zou dwingen haar te gehoorzamen, kon ik haar niet overreden en dus besloten wij, dat ze in haar huis zou blijven en dat ze jaarlijks een toelage van honderd pistolen van mij zou ontvangen.

Wij vertrokken uit Oviédo voor het aanbreken van den dag, uit vrees last te zullen krijgen van het volk. Zoo was de ontvangst, die men mij bereidde in mijn vaderstad. Schoone les voor mannen uit het gewone volk, die buiten hun land rijk zijn geworden en daar terugkeeren, om te toonen, dat ze menschen van gewicht zijn geworden! Hoe meer zij door rijkdommen willen schitteren, des te meer zullen zij worden gehaat.

HOOFDSTUK III

Gil Blas gaat op weg naar het koninkrijk Valencia en komt eindelijk te Lirias aan. Beschrijving van het kasteel. Hoe hij er werd ontvangen en welke menschen hij er vond.

Wij sloegen den weg in naar Léon, vervolgens dien naar Palencia en kwamen na tien dagen te Sévorbe, vanwaar wij ons den volgenden morgen naar mijn landgoed begaven, dat niet meer dan drie mijlen ver was. Naarmate wij het naderden, zag ik met genoegen dat Scipio alle kasteelen, die wij onderweg passeerden, nauwkeurig opnam en, als ze hem bevielen, telkens zei: "Ik zou wel willen, dat ons huis er zóó uitzag."

"Ik weet niet, mijn vriend," zei ik, "welk een voorstelling je hebt van onze woning, maar wanneer je denkt, dat het een prachtig huis is, dan kom je bedrogen uit."

Toen wij er aankwamen, viel het hem intusschen zeer mee. Wij gingen een zaal binnen en daar kwamen zeven of acht bedienden ons hun compliment maken. Ze waren door don Cesar en don Alphonse de Leyva aangesteld om mij te bedienen, als kok, portier, tuinknecht en lakeien, met verbod van mij eenig geld aan te memen; die twee heeren droegen alle kosten van mijn huishouden. De kok, genaamd meester Joachim, was het hoofd van de bedienden. Hij voerde het woord en zei o.a., dat hij een grooten voorraad verschillende wijnen had liggen en dat hij na zes jaren kok te zijn geweest bij den aartsbisschop van Valencia, mij naar mijn smaak zou kunnen bedienen. Vervolgens leidde hij ons het geheele huis rond, om te zien of de inrichting mij beviel. Overal had ik gelegenheid om de goedheid van don Cesar en zijn zoon voor mij te bewonderen.

Na alles met oplettendheid te hebben bekeken, gingen wij in de zaal terug, waar een tafel met twee couverts klaar stond. Al spoedig bevonden wij, dat er aanleiding bestond om den aartsbisschop van Valencia te beklagen over het verlies van zulk een kok. Bij iederen hap, dien we in onzen mond staken boden mijn nieuwe lakeien groote glazen wijn van een uitstekend merk aan. Scipio was er verrukt over maar, daar hij in hun bijzijn dat niet wilde laten merken, wierp hij mij welsprekende blikken toe, die ik op dezelfde manier beantwoordde.

Toen we als uitgehongerden hadden gegeten en naar verhouding gedronken, stonden we op om den tuin te zien.

Was Scipio al zeer tevreden geweest over het huis, hij was het nog meer over den tuin, welke hij vergeleek met dien van het Escuriaal. Het is waar, dat don César die nog al dikwijls in Lirias kwam, er genoegen in had gevonden, om de omgeving van het landhuis te verfraaien.

Na een goed diner verraste de slaap ons weldra, nadat we waren gaan zitten in de schaduw van een olm.

We hadden bijna twee uren geslapen, toen wij wakker werden door geweerschoten, die zoo dicht in onze nabijheid waren, dat wij ervan schrikten. Wij sprongen op om te gaan informeeren wat dit te beteekenen had en vonden bij het huis acht of negen boeren, allen inwoners van het gehucht, die door hun schoten mijn aankomst hadden willen vieren. Zoodra ze mij zagen, riepen zij: "Leve onze nieuwe heer! Welkom te Lirias!" De meesten hunner kenden mij nog uit den tijd, dat ik intendant was geweest. Ik ontving hen vriendelijk maar bleef ernstig, om te voorkomen, dat zij te familiair met mij zouden worden. Ik verzekerde hun mijn protectie en gaf hun zelfs een twintigtal pistolen, wat ze wel niet het minst aangename zullen hebben gevonden.

Nadat Scipio en ik nog een wandeling hadden gemaakt in de bosschen, vonden wij een heerlijk souper, waarbij ons de fijnste flesschen werden geschonken.

Toen wij voelden, dat we niet meer drinken konden, namen de lakeien toortsen en brachten mij naar de mooiste kamer waar ze zich beijverden om mij te helpen uitkleeden. Maar toen ze mij mijn slaapmuts en kamerjapon hadden gegeven zond ik ze weg om nog wat met Scipio te praten.

"Welnu, mijn vriend," vroeg ik hem voor wij gingen slapen, "wat zeg je van de behandeling, die ik van de heeren de Leyva ondervind?"

"Ik geloof niet," zei hij, "dat die beter zou kunnen zijn. Alleen hoop ik maar, dat ze van langen duur wezen zal."

"Dat hoop ik niet," antwoordde ik, "het gaat niet aan, dat mijn weldoeners zulke groote uitgaven voor mij doen. Het zou misbruik maken zijn van hunne edelmoedige mildheid, indien ik dat langer toeliet. Overigens kan ik er mij niet aan gewennen zooveel knechts te hebben, die door anderen betaald worden. Ik zou me hier nooit thuis gevoelen! Wat een dwaasheid trouwens, zoo'n groot personeel! Als wij met Bertrand den kok, een jongen en één lakei hebben, dan is dat voldoende."

Hoewel het mijn secretaris ongetwijfeld wel aanstond om op zulk een wijze te blijven voortleven op kosten van den gouverneur van Valencia, bestreed hij mijn kieschheid op dit punt niet en keurde mijn plan goed.

HOOFDSTUK IV

Gil Blas vertrekt naar Valencia en gaat de heeren de Leyva bezoeken. Van het onderhoud, dat hij met hen had en van de goede ontvangst bij Séraphine.

Toen ik te bed lag, kon ik niet slapen. Ik dacht aan de heeren de Leyva en aan de nieuwe bewijzen, die ik ook dien dag weer van hun vriendschap had ontvangen en ik besloot hen den volgenden dag reeds te gaan bezoeken, om hen te bedanken. Ook dacht ik er met genoegen aan, Séraphine terug te zien. Maar dat genoegen was niet onvermengd, want ik moest denken aan Lorenca Séphora, die zich natuurlijk ons avontuur nog wel zou herinneren en bij het zien van mij wel minder op haar gemak zou zijn. Toen mijn geest vermoeid was door al die denkbeelden en herinneringen, sliep ik eindelijk in en werd den volgenden morgen niet vroeg wakker.

Ik kleedde mij haastig aan en deelde Scipio mee, dat ik naar Valencia ging, omdat ik behoefte gevoelde mij van den plicht der dankbaarheid spoedig te gaan kwijten door de heeren de Leyva te bezoeken. "Ge behoeft mij niet te vergezellen, mijn vriend, blijf zoolang hier, over acht dagen ben ik terug." "Het schijnt mij," zei Scipio, "dat die heeren zeer dankbaar zijn voor de hun bewezen diensten, dat is een karaktereigenschap, die men maar zelden bij voorname heeren vindt en dus mogen wij hen wel in eere houden."

Als naar gewoonte werd ik door don Cesar en zijn zoon zeer hartelijk ontvangen. "Wel mijn waarde Santillano," zei don Alphonse na onze begroeting, "hebt ge al bezit genomen van uw landgoed?"

"Ja mijnheer," antwoordde ik, "en ik verzoek u zoo goed te willen zijn het weer te willen terugnemen."

"Waarom?" riep hij. "Is er iets wat u niet bevalt?"

"Het verblijf zelf is verrukkelijk! Maar wat mij niet bevalt is, dat ik driemaal meer bedienden heb dan noodig zijn en dat u dit noodeloos op hooge kosten jaagt."

"Indien gij," zei don César, "het geld had aangenomen, dat wij u te Madrid hebben aangeboden, dan zouden wij er ons toe bepaald hebben, het kasteel te geven zooals het was, maar nadat ge dit hebt geweigerd, hebben wij gemeend te moeten doen, zooals nu geschied is."

"Het is teveel," antwoordde ik. "Uw goedheid moet er zich toe bepalen, mij alleen het landgoed te schenken. Dat is voor mij reeds het toppunt van mijn wenschen. Wil ik u zeggen, wat het geval is? Ik gevoel mij niet op mijn gemak en niet thuis met zulk een groot personeel. Nog eens dus: neem mijn goed terug of laat mij het inrichten zooals ik wil."

Vader en zoon zagen, dat het ernst was en daar zij niets anders wilden, dan mij genoegen doen, kreeg ik hunne toestemming om alles maar in te richten, zooals ik zelf wilde.

Ik wilde hen bedanken, maar don Alphonse viel mij in de rede, door te zeggen, dat hij mij bij een dame wilde brengen, die zeer verheugd zou zijn mij te zien. Hij bracht mij daarop in de kamer van Séraphine, die mij bij het binnenkomen met een uitroep van vreugde begroette. "Het doet mij zeer veel genoegen u weer te ontmoeten, niet alleen omdat ik nooit vergeten zal, dat ge indertijd hebt medegeholpen om mij te bevrijden, maar ook omdat ge na dien tijd aan don Alphonse zulk een gewichtigen dienst hebt bewezen."

's Middags bleef ik in het paleis van den gouverneur dineeren in het gezelschap van verscheidene voorname heeren, die zeer beleefd tegen mij waren, toen don César verteld had, dat ik secretaris van den Hertog de Lerme was geweest. Aan tafel sprak men uitsluitend over den nieuwen Cardinaal en toen ik me niet liet verleiden hen ten zijnen koste te vermaken, gaf deze kleine zelfoverwinning mij den naam van zeer discreet te zijn. Toen ik mij daarna gereedmaakte, om een wandeling te maken door de stad, had ik toevallig een gesprek met den kamerdienaar van don César, die mij nog kende uit den tijd, dat ik intendant was. Ik vroeg hem, wat er toch wel van Lorenca Séphora was geworden, die ik niet meer had gezien. Hij vertelde mij, dat ze al eenigen tijd geleden was gestorven, tengevolge van het ongemak, waaraan ze leed en dat ze zeer was betreurd geworden door haar meesteres, meer dan door don Alphonse, die niet sterk getroffen was door haar dood.

Terwijl ik daarna door de stad wandelde, zag ik hier en daar aanplakbiljetten, waarop werd aangekondigd, dat dien avond voor de eerste maal zou worden opgevoerd een nieuw treurspel van don Gabriel Triaquero.

HOOFDSTUK V

Gil Blas gaat naar de comedie, waar hij een nieuw treurspel ziet. Succes van het stuk. Genie van het publiek van Valencia.

Toen ik aan den schouwburg kwam, bleef ik eenige oogenblikken aan de deur staan om de personen te zien, die er binnentraden. Ik zag heeren met een goed uiterlijk en rijk gekleed en ook armoedige figuren. Ik merkte deftige dames op, die uit hare koetsen stegen en avonturiersters, die slachtoffers gingen maken. Die verscheidenheid van toeschouwers wekte bij mij den lust op om hun aantal te gaan vermeerderen. Toen ik mij gereed maakte om een biljet te nemen, kwamen juist de gouverneur en zijn vrouw binnen. Zij lieten mij roepen en ik moest in hunne loge plaats nemen.

De schouwburg was geheel vol. "Wat een talrijke opkomst!" zei ik tegen don Alphonso.

"Dat behoeft u niet te verwonderen," antwoordde hij, "het treurspel, dat men zal geven, is een werk van don Gabriel Triaquero, een dichter, die in de mode is. Zoodra het programma van den schouwburg een nieuw werk van dezen schrijver aankondigt, is de heele stad Valencia er vol van. De heeren en dames spreken over niets anders dan dit stuk. Alle loges zijn besproken en bij de eerste voorstelling dringt men elkaar bij de deur dood om binnen te komen."

"Die levendige belangstelling van het publiek en dat ongeduld, om een nieuw stuk van don Gabriel te hooren," zei ik, "geven mij een hoog idee van het genie van dezen dichter."

"Niet zoo haastig, mijn vriend," vermaande don Alphonse mij, "men moet oppassen tegen vooroordeelen. Het publiek is soms verblind."

Ons gesprek werd afgebroken omdat de acteurs op de planken verschenen. Ze werden levendig toegejuicht en aan het eind van iedere akte was er een applaus, een leven alsof men de zaal afbrak. Toen het stuk was afgeloopen, wees men mij den schrijver, die zich in enkele loges eenige oogenblikken ophield om bescheidenlijk zijn hoofd te laten kronen met lauweren. Wij keerden na afloop naar het paleis van den gouverneur terug, waar weldra drie of vier heeren aankwamen. Er verschenen ook twee oude schrijvers, zeer geëerd in hun genre en een edelman uit Madrid, bekend om zijn geest en goeden smaak. Zij waren allen in de comedie geweest en aan het souper kwam het stuk ter sprake.

"Mijnheer," zei een ridder van St. Jacques, "wat zegt gij van dit treurspel?"

"Ik geloof niet, dat iemand er anders over denken kan," zei een ridder uit Alcantera. "Dit stuk is vol tirades, die Apollo schijnt gedicteerd te hebben." Hij wendde zich daarna tot den heer uit Madrid: "Mijnheer is kenner, ik wed, dat hij van mijn gevoelen is."

"Wed niet, mijnheer," antwoordde de aangesprokene met een glimlach. "Ik ben niet uit dit land en wij in Madrid beslissen niet zoo snel. Wel verre van een stuk te beoordeelen, dat wij voor den eersten maal hooren, hebben wij een zeker wantrouwen in de schoonheden, zoolang we die niet anders kennen dan door den mond van de tooneelspelers. Wij schorten ons oordeel op, tot wij het gelezen hebben en waarlijk, een stuk op het papier geeft ons niet altijd hetzelfde genot als op de planken. Wij onderzoeken dus zorgvuldig, voor wij een stuk prijzen; de naam van den schrijver, hoe groot die ook zijn moge, kan ons niet verblinden. Toen zelfs Lopes de Vega en Calderon hunne nieuwe stukken gaven, vonden zij in hunne bewonderaars strenge rechters, die hen niet hebben verheven op het toppunt van hun roem, dan na hen daartoe waardig te hebben geoordeeld."

"O!" viel de ridder van St. Jacques in de rede, "wij zijn niet zoo beschroomd als de heeren Castilianen. Wij wachten met het beslissen niet tot een stuk is gedrukt. Dadelijk na de eerste voorstelling, kennen wij de waarde ervan. Het is zelfs niet eens noodig, dat wij zeer oplettend toeluisteren. 't Is voldoende te weten, dat het een stuk van don Gabriel is, om overtuigd te zijn, dat het zonder gebreken is. Toen die schrijver zijn werken begon, kon men zeggen, dat de goede smaak werd geboren. De Lopes en de Calderons waren slechts leerlingen in vergelijking met dezen grooten meester van het tooneel!"

De edelman uit Madrid, die Lopes en Calderon beschouwde als de Sophocles en Euripides van de Spanjaarden, werd geprikkeld door deze stoute bewering en zei: "Omdat ge mij noodzaakt heeren, te oordeelen na een eerste voorstelling, moet ik u zeggen, dat ik volstrekt niet ingenomen ben met het nieuwe treurspel van uw don Gabriel. Verre van het te beschouwen als een meesterwerk, vind ik het zeer gebrekkig. 't Is op effect berekend, driekwart van de verzen is slecht of rijmt niet. De karakters zijn niet juist geteekend en slecht volgehouden en de gedachten dikwijls zeer duister."

De twee schrijvers aan tafel, die door een even zeldzame als prijzenswaardige terughoudendheid niets hadden gezegd uit vrees van jaloezie te worden verdacht, konden niet nalaten met hunne blikken hunne instemming met die woorden te betuigen.

Maar de andere heeren begonnen nu Gabriel nog meer te prijzen. Ze plaatsten hem onder de goden. Die blinde aanbidding deed den Castiliaan het geduld verliezen. Hij hief de handen ten hemel en riep in geestdrift uit: "O, goddelijke Lopes de Vega, zeldzaam en verheven genie, die zulk een enorme ruimte gelaten hebt tusschen u en Gabriel, die zou willen trachten u te bereiken! en gij krachtige Calderon, wiens zachte élegantie, wiens heldendichten onnavolgbaar zijn, vreest niet, dat uwe altaren zullen worden afgebroken door dezen nieuwen voedsterling der Muzen! Het zal gelukkig zijn, indien het nageslacht, dat van _uw_ werken zal genieten gelijk wij het doen, van _hem_ nog hoort spreken!"

Na deze onverwachte ontboezeming, die het geheele gezelschap deed lachen, stond men van tafel op en scheidde. Op last van don Alphonse werd mij een appartement aangewezen en ik sliep in, evenals die Castiliaansche edelman betreurende, dat de onwetenden geen recht lieten wedervaren aan Lopes en aan Calderon.

HOOFDSTUK VI

Gil Blas ontmoet, wandelende in de straten van Valencia, een monnik, dien hij meent te herkennen; welke man die monnik was.

Daar ik den vorigen dag de geheele stad nog niet had kunnen zien, ging ik den volgenden morgen weer uit om te wandelen. Ik merkte in de straat een Karthuizer monnik, die met neergeslagen oogen liep en zulk een vroom uiterlijk had, dat hij de blikken van alle voorbijgangers trok. Hij ging dicht langs mij heen en ik meende in hem don Raphaël te zien, dien avonturier, die in de twee eerste deelen van mijn werk een zoo groote rol speelt.

Ik was zoo verwonderd over die ontmoeting, dat ik, inplaats van den monnik aan te houden, eenige oogenblikken onbewegelijk bleef staan, wat hem gelegenheid gaf zich van mij te verwijderen. "Hemel!" zei ik bij mijzelf. "Heeft men wel ooit twee gezichten gezien, die zoo op elkaar gelijken? Wat moet ik daarvan denken? Moet ik gelooven, dat het don Raphaël was? Of was het verbeelding?"

Ik was te nieuwsgierig naar de waarheid om het daarbij te laten. Ik liet mij dus aanwijzen, waar het klooster van de Karthuizer-monniken was en ging daar dadelijk heen, in de hoop mijn man weer te zien, wanneer hij er zou terugkeeren en besloot, hem aan te houden om hem te spreken. Ik behoefde niet lang te wachten om op de hoogte te worden gesteld; bij den ingang van het klooster deed een ander gezicht mijn twijfel in zekerheid overgaan; ik herkende in den broeder portier Ambrosius de Lamela, mijn ouden knecht. Men kan zich voorstellen, hoe groot mijn verwondering was.

"Is het geen verbeelding? Is het werkelijk een van mijn vrienden, die ik zie?" vroeg ik.

Hij herkende mij eerst niet, of liever hij veinsde mij niet te herkennen, wat waarschijnlijker was. Maar bemerkende, dat dit toch nutteloos was, nam hij plotseling het gezicht aan van iemand, die zich plotseling iets herinnert. "Ah! mijnheer Gil Blas," riep hij, "neem mij niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Sedert ik in deze heilige plaats leef en de plichten vervul, door onze regels voorgeschreven, verloor ik het geheugen voor hetgeen ik in de wereld heb gezien."

"Het doet mij een groot genoegen," zei ik, "u na tien jaar in zulk een eerwaardig kleed weer te zien."

"En ik," antwoordde hij, "ik schaam mij daarin gekleed te verschijnen voor een man, die getuige is geweest van het schuldige leven, dat ik heb geleid. Dit kleed verwijt mij dat zonder ophouden. Helaas! om waardig te zijn het te dragen, had ik altijd in onschuld moeten leven."

"Het doet mij genoegen," herhaalde ik, "u te zien en ik brand van verlangen om te vernemen op welke wonderbaarlijke wijze gij zoo op den goeden weg zijt gekomen, gij en don Raphaël, want ik ben er van overtuigd, dat hij het is geweest, dien ik in de stad heb ontmoet, gekleed als Karthuizer monnik. Het spijt mij, dat ik hem op straat niet heb aangehouden om met hem te spreken en ik ben hier gekomen om hem op te wachten en mijn fout te herstellen."

"Ge hebt u niet vergist," zei Lamela, "'t is don Raphaël zelf, die ge gezien hebt en wat onze geschiedenis betreft, ik zal u die mededeelen. Nadat wij bij Ségorbo van u gescheiden waren, sloegen don Raphaël en ik den weg in naar Valencia, met het doel er eenige beroepsbezigheden te verrichten. Het toeval wilde op zekeren dag, dat wij de Karthuizerkerk binnentraden, op het oogenblik, dat de monniken hunne vrome liederen zongen. Wij aanschouwden hen en gevoelden, dat de kwaden niet anders kunnen doen dan de deugd eeren. Wij bewonderden in die mannen den ijver, waarmee ze tot God baden en de rust, die op hun gelaat was te lezen.

"Zoo vervielen wij in een gepeins, dat ons heilzaam werd; wij vergeleken ons zelf met deze vrome broeders en onze ziel werd met angst en onrust vervuld. Gevoelens, die ons tot nog toe onbekend geweest waren, bewogen ons en wij gevoelden misschien voor de eerste maal in ons leven berouw over ons gedrag. Don Raphaël zei tot mij: "Waarde Ambrosius, wij zijn twee verdwaalde schapen, die de Vader uit erbarmen wil opnemen. Hij roept ons. Laten wij niet doof zijn voor die stem. Laten wij den weg verlaten, die wij tot nu toe hebben bewandeld en van nu af ernstig gaan werken voor het heil van onze ziel. De rest van onze dagen moesten wij in dit klooster in boetedoening doorbrengen."