De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 2 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 10

Chapter 104,099 wordsPublic domain

Ons onderhoud werd gestoord door de komst van vijf of zes ambtenaren van het ministerie. "Mijne heeren," zei ik, Nunez voorstellende, "gij zult vanavond soupeeren met don Fabricius, die verzen maakt, koning Numa waardig en proza schrijft, zooals geen ander." Ongelukkig voor hem, bekommerden die heeren zich al heel weinig om de poëzie. Zij namen nauwelijks notitie van hem en of hij al trachtte door allerlei geestige gezegden hunne aandacht te trekken, het baatte hem niet. Hij was daardoor zoo verontwaardigd, dat hij plotseling in stilte verdween. Mijn gasten zetten zich aan tafel, zonder zelfs te informeeren, waar hij was gebleven.

Toen ik den volgenden morgen wilde uitgaan, kwam de dichter uit Asturië mijn kamer binnen. "Ik vraag je verontschuldiging, mijn vriend, dat ik gisteren zoo ongemerkt ben weggegaan, maar eerlijk gezegd, voelde ik mij slecht op mijn plaats onder je gasten. Ik kan niet begrijpen, dat een zoo verlicht man als jij, genoegen kan vinden in zulk gezelschap. In het vervolg zal ik je ander en beter brengen."

"Dat zal mij genoegen doen," antwoordde ik, "en ik vertrouw in deze zaak geheel op je smaak."

"Doe dat gerust, ik beloof je de meest geniale geesten. Over eenige oogenblikken zullen mijn vrienden samenkomen, om een glaasje likeur te drinken; ik zal hen opzoeken en uitnoodigen, dan kunnen ze zich vrijhouden, want er is een wedstrijd om hen te dineeren en te soupeeren te hebben. Zoo vermakelijk zijn zij."

Met deze woorden verliet hij mij en 's avonds, toen het tijd was voor het souper, kwam hij terug met zes schrijvers, die hij mij onder allerlei lofliederen den een na den ander voorstelde. Naar zijn woorden te oordeelen, overtroffen deze schoone geesten die van Griekenland en Italië. Hij zei, dat hunne werken verdienden gedrukt te worden in gouden letters. Ik ontving de heeren zeer beleefd en putte mij uit in betuigingen van hulde, want dat slag menschen is ijdel.

Hoewel ik niet aan Scipio gezegd had, dat het maal rijkelijk moest zijn, had hij, wetende wie zijn gasten waren, gezorgd voor uitbreiding van het personeel.

Eindelijk zetten wij ons in vroolijke stemming aan tafel. Mijn poëten begonnen het onderhoud door over zichzelf te praten en zichzelf te prijzen. Midden onder het souper begon ieder een stuk van zichzelf voor te dragen. De een zei een sonnet op, een ander declameerde een tragische scène en een derde leverde critiek op een comedie. Een vierde wilde een ode van Anacreon voorlezen, vertaald in zeer slechte Spaansche verzen. Hij werd in de rede gevallen door een van zijn confraters, die zei, dat hij onjuiste uitdrukkingen bezigde. De schrijver van de vertalingen gaf dat niet toe en er ontstond een dispuut, waaraan al de groote geesten deelnamen. De meeningen waren verdeeld, de partijen wonden zich op, men begon elkaar verschillende voorwerpen van de tafel naar het hoofd te gooien. Maar het werd nog erger, de heeren stonden van tafel op en begonnen elkaar met de vuisten te slaan. Fabricius, Scipio, mijn lakeien en ik hadden moeite hen van elkaar af te trekken. Toen zij van elkaar waren gescheiden, verlieten ze mijn huis als een herberg, zonder mij de minste verontschuldiging te maken over hunne onbeleefdheid.

"Welnu," zei ik tot Nunez, "roem je dat soort van gasten nu nog zoo? Ik heb dan maar liever met mijn ambtenaren te doen. Spreek mij maar niet meer van schrijvers en dichters." Hij antwoordde mij: "Ik zal wel oppassen je andere te presenteeren. De heeren, die je gezien hebt zijn nog de redelijkste."

HOOFDSTUK X

De zeden van Gil Blas bederven aan het hof geheel. Van de opdracht die de graaf de Lemos hem gaf en in welke intrige die heer en hij zich wikkelden.

Toen het bekend werd, dat ik zoo in de gunst stond bij den hertog de Lerme, had ik spoedig een soort hofhouding. Alle morgens bevonden zich in mijn antichambre veel menschen. Twee soorten kwamen er bij me: personen, die mij betaalden om voor hen gunsten aan den minister te vragen en anderen, die mij kwamen smeeken en voor wie ik gratis doen moest wat zij vroegen. De eersten waren zeker aangehoord en geholpen te worden, de tweeden werden meestal dadelijk afgescheept, ofwel ik liet hen zoolang wachten, dat ze hun geduld verloren. Voor ik aan het hof kwam, was ik goedhartig en medelijdend, maar daar kent men geen medegevoel en ik werd hard als een keisteen. Van genegenheid voor mijn vrienden was geen sprake meer. De wijze, waarop ik Joseph Navarro behandelde, is daar een bewijs van.

Deze Navarro, aan wien ik zooveel verplichting had en die eigenlijk de eerste oorzaak was van mijn fortuin, kwam op zekeren dag bij mij. Na vele vriendschapsbetuigingen, die ik gewoonlijk van hem hoorde wanneer wij elkaar aantroffen, verzocht hij mij aan den hertog de Lerme zekere betrekking te vragen voor een vriend van hem, iemand die zeer bekwaam was en goed, maar een betrekking moest hebben om te bestaan. Joseph voegde er aan toe: "Daar ik uw goedhartigheid ken, twijfel ik er niet aan, of ge zult met genoegen dien man helpen; hij zal u er steeds dankbaar voor blijven." Dat wilde dus met andere woorden zeggen, dat ik er niets voor zou krijgen. Hoewel ik weinig zin in de zaak had, liet ik dat niet blijken, en ik beloofde hem, dat ik mijn best zou doen en dat zijn vriend op die betrekking kon rekenen.

Met die verzekering ging Joseph voldaan naar huis. Maar de man, dien hij had aanbevolen, kreeg die betrekking niet. Ik gaf haar aan een ander, die mij duizend ducaten daarvoor had geboden. Aan die som gaf ik de voorkeur boven alle dankbaarheid en betuigingen daarvan. Toen ik Joseph later zag zei ik: "Wel Navarro, wat is het jammer, dat ge te laat zijt gekomen, om mij over die betrekking te spreken. Calderone is mij voor geweest en heeft die plaats al begeven. Het spijt mij buitengewoon, dat ik u geen beter nieuws kan meedeelen." Joseph geloofde mij en wij scheidden als vrienden, maar ik geloof, dat hij later de waarheid ontdekte, want hij kwam niet meer bij mij. Inplaats van er berouw over te hebben, dat ik op zulk een wijze een goeden vriend had bedrogen, deed het mij genoegen. Behalve dat de diensten, die hij me vroeger had bewezen mij hinderden, vond ik, dat het voor iemand van mijn positie aan het hof eigenlijk niet paste, om met een hofmeester om te gaan.

Het is lang geleden, dat ik het laatst over den graaf de Lemos heb gesproken; laat ons thans tot dien heer terugkeeren. Nu en dan zag ik hem; ik had hem de duizend pistolen gebracht, waarvan ik hierboven vertelde. Later bracht ik hem op bevel van zijn oom den hertog nog duizend. De graaf de Lemos wilde dien dag een lang onderhoud met mij hebben. Hij zei mij, dat hij zijn doel volkomen had bereikt en dat hij de eenige vertrouweling was geworden van den prins. Vervolgens belastte hij mij met een zeer eervolle taak, waarop hij mij reeds eenigszins had voorbereid. "Vriend Santillano, er moet nu gehandeld worden. Spaar niets om een jeugdige schoonheid te zoeken, die waardig is om den prins te amuseeren. Gij hebt verstand en ik behoef u er niets meer van te zeggen. Span al uw krachten in en wanneer ge een gelukkige ontdekking zult gedaan hebben, kom mij dan waarschuwen."

Ik beloofde den graaf mijn best te zullen doen; ik was wel niet op de hoogte van dit soort werk maar het kon niet zoo moeilijk zijn waar het immers door zoo veel menschen gedaan wordt. Ik had weinig routine in die zaken, maar twijfelde niet, of Scipio zou mij kunnen helpen. Dus liet ik hem bij mij komen en zei: "Mijn vriend, ik heb je iets op te dragen. Weet je wel, dat te midden van de gunsten van de fortuin, ik voel, dat mij iets ontbreekt." Hij viel mij in de rede. "Ik raad gemakkelijk wat het is, ge hebt behoefte aan een schoone nimf, die u verstrooiïng geeft. Het is te verwonderen, dat gij in de kracht van uw leven er niet een hebt."

Glimlachend zei ik: "Mijn vriend, ik bewonder je vlugheid van verstand. Ja, ik wil een maîtresse hebben en jij moet die voor mij zoeken. Maar ik waarschuw je vooruit, dat ik zeer moeilijk ben te voldoen in dat opzicht. Ik moet een mooi en aardig meisje hebben, dat niet van slechte zeden is."

"Wat ge wenscht is wel een weinig zeldzaam, maar wij zijn hier in een stad waar alles te vinden is, en dus heb ik hoop spoedig te slagen."

Werkelijk zei hij me na drie dagen: "Ik heb een schat ontdekt, een jonge dame, genaamd Catalina, van goede familie en verrukkelijk schoon. Ze woont samen met een tante, in een kleine woning, waar ze zeer netjes leven van hare inkomsten, die niet groot zijn. Zij hebben een soubrette in dienst, die mij bekend is en mij verzekerd heeft, dat hoewel haar deur voor iedereen gesloten is, ze die wel zou willen openen voor een rijken en beleefden galant, mits die, om schandaal te vermijden, bereid is, om alleen 's nachts te komen. Ik heb met de soubrette over u gesproken, ze zou dat aan de dames overbrengen en mij morgen het antwoord brengen op een afgesproken plaats."

"Dat is goed. Als die vrouw met wie je gesproken hebt je maar niets heeft wijs gemaakt!" "Neen, neen, ik heb bij de buren gevraagd en naar alles wat ik hoorde is senora Catalina precies wat gij verlangt, d.w.z. een Danaë bij wie gij den Jupiter moogt gaan spelen ten koste van een gouden regen van pistolen.

Den volgenden dag kwam de dienstbode aan Scipio zeggen, dat haar meesteres mij 's nachts wilde ontvangen. Tusschen elf en twaalf uur ging ik er heen. De soubrette ontving mij zonder licht en nam mij bij de hand, om mij naar een nette zaal te geleiden, waar de dames keurig gekleed mij afwachtten. Ze stonden op en groetten mij beleefd, ik meende dames van deftigen stand te zien. De tante, die senora Mencia heette, trok hoewel zij nog schoon was, minder mijn aandacht. Men kon alleen maar haar nicht aanzien, die me een godin toescheen. Indien men haar nauwkeurig bekeek, had men misschien kunnen zeggen, dat zij geen volmaakte schoonheid was, maar ze was zoo gracieus en zoo pikant dat mannenoogen in haar geen gebreken konden zien.

Het was of mijn zinnen verstoord waren. Ik vergat, dat ik daar slechts gekomen was als tusschenpersoon en sprak namens mijzelf, als hartstochtelijk verliefd man.

Om mij te doen bedaren, zei de tante: "Mijnheer de Santillano, ik zal eerlijk met u spreken; na het goeds, dat ik van u heb gehoord, heb ik besloten u te ontvangen maar bedenk wel, tot nu toe heb ik mijn nicht in afzondering opgevoed. Gij zijt om zoo te zeggen de eerste, aan wiens blikken ik haar blootstel. Indien gij haar waardig oordeelt om uw echtgenoote te worden, dan zal ons dat een eer zijn. Gij moet beslissen of ge haar dien prijs waardig keurt, goedkooper krijgt ge haar niet." Dit onverhoedsche schot verschrikte het liefdegodje, dat juist een pijl zou afzenden.

Dat voorstel van een huwelijk bracht mij weer tot mijn volle bewustzijn. Ik werd plotseling weer de trouwe agent van den graaf de Lemos en veranderend van toon, antwoordde ik senora Mencia: "Mevrouw, uw oprechtheid bevalt mij en ik wil die navolgen. Welke positie ik ook aan het hof bekleed, ik ben toch de onvergelijkelijke Catalina niet waardig. Ik heb voor haar een schitterende partij ter beschikking en bestem den prins van Spanje voor haar."

De tante zei op koelen toon: "Het is voldoende, indien gij de hand van mijn nicht weigert. Het is niet noodig daaraan een ongepaste aardigheid toe te voegen."

"Mevrouw!" riep ik uit, "het is geen aardigheid, ik ben zeer ernstig, ik heb in opdracht een dame te zoeken, die waard is met geheime bezoeken van den prins te worden vereerd en ik vind die in uw huis."

Senora Mencia was zeer verwonderd die woorden te vernemen en ik merkte, dat ze haar goed bevielen. Ze meende echter eenigszins terughoudend te moeten zijn, en antwoordde dus: "Wanneer ik u goed heb begrepen, ben ik verplicht u te zeggen, dat ik het volstrekt niet zou toejuichen, indien mijn nicht de maîtresse werd van een prins. Mijn deugd verzet zich tegen dat denkbeeld."

Ik viel haar in de rede: "Ge praat van deugd als een burgervrouw. Men moet die zaken niet beschouwen van een moreel standpunt. Dat is al het schoone eraan ontnemen. Men moet ze bezien met verrukking: aanschouw den erfgenaam der monarchie aan de voeten van de gelukkige Catalina. Stel u voor, dat hij haar aanbidt en overlaadt met geschenken. Bedenk, dat hij haar misschien een held zal doen geboren worden, die den naam zijner moeder onsterfelijk zal maken met den zijne."

Hoewel de tante niets liever wilde dan wat ik voorstelde, veinsde zij nog niet te kunnen besluiten en Catalina, die niets liever wilde dan den prins reeds bij zich te hebben, wendde onverschilligheid voor. Dat gaf mij aanleiding om mijn batterijen opnieuw te openen, totdat senora Mencia zich bereid verklaarde tot overgave van de vesting op de volgende voorwaarden: _primo_, dat, wanneer de prins van Spanje na mijn rapport een nachtelijk bezoek zou brengen, ik daarvan aan de dames mededeeling zou komen doen beneven van den nacht, welken hij daarvoor zou uitkiezen. _Secundo_, dat de prins de dames zou bezoeken als een gewone galant en slechts vergezeld door den graaf de Lemos en mij.

Na die overeenkomst waren de dames zoo vriendelijk mogelijk tegen mij. Ik waagde zelfs eenige kleine familiariteiten, die niet al te slecht werden ontvangen en toen ik afscheid nam omhelsde zij mij uit eigen beweging met alle mogelijke liefkoozingen. Het is iets merkwaardigs, de gemakkelijke intimiteit tusschen bewerkers van liaisons en de vrouwen, die ze noodig hebben; men zou hebben gezegd, als men mij weg had zien gaan, dat ik gelukkiger was geweest dan inderdaad het geval was.

De graaf de Lemos was buitengewoon verheugd, toen ik hem vertelde, dat ik een ontdekking had gedaan, zoo goed als hij maar wenschen kon. Ik vertelde hem zooveel van Catalina, dat hij lust kreeg haar te zien. Ik bracht hem bij haar den volgenden nacht en hij moest toestemmen, dat ik zeer gelukkig was geweest. Hij zei de dames, dat hij er niet aan twijfelde, of de prins zou zeer voldaan zijn over de schoone, die voor hem was bestemd en dat zij van haar kant reden had om tevreden te zijn met zulk een minnaar, dat de prins edelmoedig was, goedhartig en zacht. Eindelijk verzekerde hij, dat hij daar verschijnen zou zooals zij het wenschte, zonder opzien en zonder gevolg.

Wij gingen daarop terug naar het huis van den graaf en hij verzocht mij den volgenden dag zijn oom op de hoogte te brengen van dit avontuur en hem nog duizend pistolen te vragen.

Den volgenden dag gaf ik den hertog de Lerme een nauwkeurig verslag van wat er gebeurd was. Ik verborg hem slechts ééne zaak, ik sprak hem niet van Scipio; ik gaf mijzelf de eer van de ontdekking van Catalina, want men geeft zichzelf graag van alles de eer bij groote heeren.

De minister maakte mij zijn compliment en zei op schertsenden toon: "Het verheugt mij waarlijk, mijnheer Gil Blas, dat ge bij al uw andere talenten ook nog dat bezit, om schoonheden te ontdekken. Wanneer ik er soms eens een mocht noodig hebben, zult ge zeker wel goed vinden, dat ik mij tot u wend." "Excellentie, ik bedank u voor uw woorden, maar u zult mij toestaan te zeggen, dat ik er eenig bezwaar tegen zou maken, om u dergelijke genoegens te verschaffen. Don Rodrigo is al zoolang daarmee belast, dat het onrechtvaardig zou zijn hem dat voorrecht te ontnemen." De hertog glimlachte om mijn antwoord en vroeg of zijn neef geen geld noodig had voor deze zaak. Ik deelde hem mee, dat ik in opdracht had hem daarvoor duizend pistolen te vragen. De minister antwoordde: "Ge kunt ze hem brengen, zeg hem dat hij ze niet moet sparen en dat hij tegemoet komt aan alle onkosten, die de prins zou willen maken."

HOOFDSTUK XI

Van het geheime bezoek en van de geschenken, die de prins aan Catalina gaf.

Dadelijk ging ik vijfhonderd dubbele pistolen brengen aan den graaf de Lemos. Deze zei: "Ge komt, of ge geroepen waart; ik heb met den prins gesproken en deze brandt van verlangen om Catalina te zien. Reeds vannacht zal hij in stilte het paleis verlaten en haar bezoeken. Die zaak is beklonken en mijn maatregelen zijn daarvoor reeds genomen. Waarschuw dus de dames en geef haar het geld. Ze moeten weten, dat het geen gewone minnaar is, dien ze zullen ontvangen. Daar gij hem met mij zult vergezellen, moet ge maken, dat ge vanavond in zijn slaapkamer zijt. Ik oordeel het 't beste, dat wij uw rijtuig nemen. Zorg dus, dat het omstreeks twaalf uur in de omgeving van het paleis gereed staat."

Na dit gesprek ging ik naar de dames. Ik zag Catalina niet; men zei, dat zij rustte.

Dus sprak ik alleen met senora Mencia. "Mevrouw, neem mij als 't u blieft niet kwalijk, dat ik in uw huis verschijn, maar ik kon het onmogelijk vermijden. Ik moet u meedeelen, dat de prins vannacht zal komen en hier heb ik een offerande, die hij naar den tempel zendt, opdat de godheid hem gunstig gezind zal zijn. Zooals u ziet heb ik u niet in een slechte zaak betrokken."

Zij bedankte mij daarvoor en vroeg mij vervolgens, of de prins ook van muziek hield, waarop ik haar antwoordde, dat hij daar dol op was.

"Des te beter! Het doet mij een zeer groot genoegen, dat ge mij dit zegt, want mijn nicht heeft een stem als een nachtegaal, speelt verrukkelijk luit en danst prachtig."

"Almachtig!" riep ik uit. "Wat een volmaaktheid! Een enkel van die talenten is voldoende voor een meisje, om haar fortuin te maken."

Nadat aldus de weg was bereid, wachtte ik tot het uur, waarop ik naar den prins moest gaan. Ik gaf mijn koetsier bevel om in te spannen en reed eerst naar den graaf de Lemos, die me zei, dat de prins om zich gemakkelijker van elk gezelschap te kunnen ontdoen, een lichte ongesteldheid had voorgewend. De graaf liet mij bij het paleis achter. Ik moest zoolang wachten, dat ik begon te gelooven, dat onze minnaar een anderen weg had gekozen of den lust verloren had, Catalina te zien; alsof prinsen ooit dit soort verlangens verloren voordat ze bevredigd waren! Eindelijk verschenen twee mannen, die mij aanspraken. Toen ik hen herkend had namen beiden in het rijtuig plaats en ik ging op den bok zitten bij den koetsier, om hem den weg te wijzen. Op vijftig pas afstand van het huis liet ik stilhouden en wij liepen naar de deur, die bij onze nadering werd geopend en achter ons gesloten.

Wij bevonden ons eerst in dezelfde duisternis, waarin ik den eersten keer was geweest; wel had men nu aan een van de muren een kleine lamp gehangen, maar die gaf bijna geen licht. Dat alles diende om het avontuur aantrekkelijker te maken voor onzen held, die levendig getroffen werd door het zien van de dames in de zaal, waar het heldere licht van een zeer groot aantal kaarsen een scherpe tegenstelling vormde met de duisternis daarbuiten. De dames waren zeer smaakvol gekleed.

"Welnu, prins!" zei de graaf de Lemos, "zou men u wel het genoegen kunnen verschaffen twee bevalliger dames te zien dan deze twee?" "Inderdaad", was het antwoord, "ik behoef niet te denken, dat ik mijn hart weer zal meenemen bij mijn vertrek. Ik zou het aan de tante verliezen, als de nicht er niet was."

Na deze voor een tante zoo vleiende woorden, maakte hij allerlei complimentjes aan de nicht, die hem zeer geestige antwoorden gaf.

Daar het aan personen, die bij een onderhoud van geliefden een rol spelen, zooals ik bij die gelegenheid deed, geoorloofd is zich in het gesprek te mengen mits het is om het vuur aan te wakkeren, zei ik tegen den galant, dat zijn nimf verrukkelijk zong en luit speelde. Het deed hem buitengewoon veel genoegen te vernemen, dat zij die talenten bezat en hij verzocht haar daarvan een proeve te willen geven. Ze gaf daaraan gevolg en zong werkelijk treffend mooi, zoodat de prins zich op de knieën liet vallen, vervoerd door liefde en genot. Maar genoeg over deze samenkomst; laat ons enkel zeggen, dat het noodig was den prins aan te manen het huis te verlaten, omdat de dag aanbrak.

Ik vertelde den volgenden morgen het avontuur aan den hertog de Lerme, want hij wilde alles weten. Juist had ik mijn verhaal geëindigd, toen de graaf de Lemos aankwam en ons zei: "De prins is zoo vervuld van Catalina, dat hij zich voorneemt haar dikwijls te bezoeken. Hij wil haar heden voor tweeduizend pistolen aan edelgesteenten zenden, maar bezit niets. Hij heeft mij gezegd, dat hij mij eeuwig dankbaar zal zijn, indien ik hem dat geld wist te verschaffen en ik heb hem geantwoord dat hij gerust kon zijn, want dat ik vrienden heb en crediet."

De hertog zei, dat aan dit verlangen zou worden voldaan. De graaf de Lemos ging daarna met mij naar een juwelier, waar wij kostbare sieraden kochten, die ik naar Catalina bracht.

Men behoeft niet te vragen, of ik gunstig werd ontvangen door de dames, toen ik 's nachts de geschenken bracht. Verrukt over de liefde en de mildheid van den prins bedankten ze mij, dat ik haar een zoo goede kennismaking had verschaft.

Opgewonden door de vreugde, ontsnapten haar eenige woorden, die deden vermoeden, dat het een kleine bedriegster was, die ik aan den zoon van onzen grooten monarch had geleverd. Om het fijne van de zaak te weten, ging ik naar huis, met het voornemen een onderhoud met Scipio te hebben.

HOOFDSTUK XII

Wie Catalina was. Verlegenheid van Gil Blas, zijn onrust en welken voorzorgsmaatregel hij moest nemen, om tot rust te komen.

Toen ik thuiskwam, hoorde ik een groot geraas. Ik vroeg, wat het beteekende en men zei mij, dat Scipio dien avond een souper gaf aan een half dozijn van zijn vrienden. Ze zongen luidkeels en schaterden van het lachen. Die maaltijd was zeker niet het banket van de zeven wijzen.

De gastheer, verwittigd van mijn komst, zei tot het gezelschap: "'t Is niets heeren, mijn meester is thuisgekomen, maar dat behoeft ons niet te storen. Ik heb hem maar een paar woorden te zeggen en ben dan weer terug."

"Wat is dat voor een leven? Wat voor soort menschen is het, dat ge daar beneden onthaalt? Zijn het dichters?" vroeg ik.

"Neen," antwoordde hij, "gelukkig niet, het zou jammer zijn aan zulke lieden uw wijn te drinken te geven. Ik maak er een beter gebruik van. Er is onder de gasten een jongeman, die zeer rijk is en een betrekking wil krijgen door uw invloed en door zijn geld. Voor hem wordt het feest gegeven; bij iederen teug, dien hij drinkt, vermeerder ik het voordeel, dat u daarbij hebben zult met tien pistolen en 't is mijn plan hem tot aan den dag te laten drinken".

"Als dat zoo is", antwoordde ik, "ga dan maar weer aan tafel en spaar den wijn niet."

Ik oordeelde het niet het juiste oogenblik om met Scipio over de zaak te spreken, maar den volgenden morgen zei ik: "Vriend Scipio, je weet hoe wij samen leven. Ik behandel je meer als vriend dan als een ondergeschikte, het zou dus niet goed van je zijn om mij te bedriegen. Laten wij dus geen geheimen voor elkander hebben. Ik zal je een zaak meedeelen, die je zal verrassen en jij van jouw kant moet me zeggen wat je denkt van de twee dames, met wie je mij in kennis hebt gebracht. Al doen ze zich met nog zooveel oprechtheid en eenvoud voor, ik geloof, onder ons gezegd, dat ze doortrapt en geslepen zijn. Indien ik ze juist beoordeel, dan heeft de prins geen reden om zich op mij te beroemen, want het is voor hem, dat ik je een maitresse heb gevraagd. Ik heb hem naar Catalina gebracht en hij is verliefd op haar geworden."

Scipio antwoordde mij: "Mijnheer, u hebt mij teveel goedheid bewezen, dan dat ik onoprecht met u zou omgaan. Gisteren heb ik een onderhoud gehad met de dienstbode van de dames en die heeft me hare geschiedenis meegedeeld.