De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V

Chapter 7

Chapter 74,110 wordsPublic domain

Ik bleef daar niet bij. Ik wilde een spion hebben, om te ontdekken of zij samen knoeiden. Mijn oog viel op een koksjongen, dien ik door verschillende beloften voor mij won en die mij zei, dat niemand mij beter op de hoogte kon brengen dan hij. Volgens hem waren de hofmeester en de intendant het met elkaar eens, de helft van het vleesch, dat men voor het huis kocht, werd iederen dag door hen verduisterd. De eerste had een dame wonen over de school van St. Thomas en die van de tweede woonde bij de haven. De heeren lieten iederen morgen aan hunne nimfen een mand met provisie brengen. De kok, op zijn beurt, zond lekkere schotels aan een weduwe in de buurt, met wie hij bevriend was en ter belooning van den dienst dien hij den anderen bewees, beschikte hij, evenals zij, vrij over den wijnkelder. De jongen zei me verder, dat ik hem den volgenden morgen om zeven uur met een mand zou kunnen zien bij de school van St. Thomas.

"Ben jij dus de boodschapper van die heeren?" vroeg ik. Hij antwoordde mij, dat hij zijn opdrachten kreeg van den hofmeester en dat een kameraad de boodschappen deed voor den intendant.

Ik achtte het wel de moeite waard, om mij te gaan overtuigen van de waarheid van dit rapport en bevond mij dus den volgenden morgen op het aangegeven uur bij de school. Ik behoefde niet lang te wachten op mijn spion, die weldra naderde met een mand vol vleesch, gevogelte en wild. Ik maakte een kleinen inventaris op van een en ander en liet den jongen op de gewone wijze dat goed afgeven.

Thuisgekomen begaf ik mij naar den meester, die in een eerste opwelling van drift zoowel den hofmeester als den intendant wilde wegjagen. Maar hij bepaalde zich tot het ontslag van den laatste, wiens betrekking hij mij gaf.

Dus werd de betrekking van opper-intendant opgeheven korten tijd nadat ze was geschapen en eerlijk gezegd speet mij dat niet. Want het was toch, eigenlijk gezegd, geen eervolle betrekking, die van spion; inplaats daarvan was ik nu mijnheer de intendant, ik was meester van de brandkast en dat is het voornaamste. Aan die betrekking zijn altijd van die voordeeltjes verbonden, die iemand rijk maken op den duur, al is hij nog zoo eerlijk.

Mijn Napolitaan, wien het niet aan slimheid ontbrak, die mijn ijver zag en merkte, dat ik er iederen morgen bij was wanneer hij vleesch inkocht en dat noteerde, bleef dezelfde hoeveelheid nemen, zond daarvan echter niet zooveel meer weg, maar bracht het op tafel. Daardoor werd er minder gegeten van andere zaken en van rechtswege behoorde het overschot van de tafel hem toe. Kon hij nu aan zijn schoone niet zooveel schotels vleesch meer sturen, ze kreeg er nu andere dingen voor. Langzaam en geleidelijk begon ik dien overvloed aan tafel te doen verminderen, waarbij ik voorzichtig moest te werk gaan, omdat bij mijn meester de zuinigheid ondergeschikt was aan zijn zucht naar weelde en praal.

Daarbij bleef het niet. Ik vond, dat ook nu de voorraad wijn nog veel te spoedig verminderde. Wanneer mijn meester een dozijn heeren aan tafel had, werden er vijftig, soms zestig flesschen wijn gedronken, naar het heette. Dat verwonderde mij en ik raadpleegde weer mijn orakel, d. w. z. den koksjongen. Deze vertelde mij, dat er nu een nieuw verbond bestond tusschen den hofmeester, den kok en de lakeien, die aan tafel schonken. Alle flesschen werden half leeg in de keuken gebracht en dan onder hen verdeeld. Ik dreigde, dat ik de lakeien zou wegjagen, als ik weer zoo iets merkte. Mijn meester, wien ik al die zaken meedeelde, was zeer over mij tevreden en werd mij van dag tot dag meer genegen. Mijn koksjongen beloonde ik door hem bijkok te maken. Op zulke wijze vindt in een goed huis een trouwe bediende zijn weg.

De Napolitaan was woedend, dat ik zoo op hem toekeek, want ik ging ook geregeld naar de markten, om op de hoogte te zijn van de prijzen van hetgeen hij inkocht. Ik was er van overtuigd, dat hij mij wel honderd maal op een dag vervloekte en ik begreep niet, dat hij den dienst van onzen meester niet verliet. Misschien maakte hij niettegenstaande alles, zijn rekening toch nog goed.

Fabricius, dien ik nu en dan zag en wien ik vaak een en ander uit mijn betrekking vertelde, was meer geneigd om mijn gedrag af te keuren, dan om het te prijzen. "Wanneer je wat minder hard was voor dien hofmeester geloof ik, dat het beter voor je zou zijn," zei hij. "Hoe zoo?" vroeg ik. "Ik kan toch niet toelaten, dat hij tien pistolen in rekening brengt voor visch, die hem maar vier heeft gekost?" "Waarom niet, wanneer je hetgeen er over is samen met hem deelt? 't is maar te hopen, dat je belangeloosheid eens zal worden beloond. Voor een verstandig man, als jij bent, vind ik, dat je dom handelt. Je bent een echte dwarskijker en ik vind, dat je aanleg hebt om lang knecht te zijn, want je vilt de paling niet, die je in je handen hebt. De fortuin is als een van die vluchtige coquettes, die iemand ontgaan, wanneer hij niet van de gelegenheid gebruik maakt."

Ik lachte om die opmerkingen van Nunez, hij lachte er zelf ook om en wilde het doen voorkomen, dat hij het niet ernstig had gemeend. Hij schaamde zich, mij nutteloos een slechten raad te hebben gegeven. Ik bleef vast bij mijn besluit, om altijd trouw en ijverig te zijn. En ik mocht zeggen, dat ik door mijn spaarzaamheid in vier maanden tijd, mijn meester een voordeel had bezorgd van minstens drieduizend ducaten.

HOOFDSTUK XVI

Van het ongeval, dat den aap van den graaf de Galiano overkwam en van het verdriet, dat deze heer daarvan had. Hoe Gil Blas ziek werd en wat voor hem de gevolgen waren van zijn ziekte.

Na dien tijd werd de rust, die anders in het huis heerschte op vreemde wijze verstoord door een ongeval, dat de lezers maar een kleinigheid zal toeschijnen, maar dat een zeer ernstige zaak werd voor de bedienden en vooral voor mij.

Cupido, de aap waarvan ik gesproken heb en waarop mijn meester zoo gesteld was, wilde op zekeren dag van het eene raam in het andere springen, verloor daarbij zijn evenwicht, viel op de plaats en brak een been. De graaf had nog niet van het ongeluk gehoord, of hij begon kreten uit te stooten als een vrouw en schold in zijn woede het heele personeel uit. Het scheelde weinig of hij had iedereen weggejaagd. Wij waren volgens hem slordig en daardoor was het ongeluk gebeurd. Hij liet dadelijk de bekwaamste chirurgijns uit Madrid komen, die het beest onderzochten en verbonden en hoewel zij hem verzekerden, dat het geval niets te beteekenen had, noodzaakte hij een hunner bij het dier te blijven tot het geheel genezen was. Mijn meester was zoo bezorgd over dien aap, dat hij zelfs 's nachts een paar malen naar hem ging kijken. Maar het vervelendste was, dat het heele personeel en ik inzonderheid, steeds klaar moest staan voor dat verwenschte dier. Er kwam geen rust in huis, voor de aap weer zijn gewone sprongen kon maken. Ongelukkigerwijs werd ik ziek, doordat ik het zoo druk had gehad. De koorts was zoo hevig, dat ik buiten kennis was. Ik weet niet, wat men met mij deed gedurende de eerste veertien dagen, dat ik zweefde tusschen dood en leven. Ik weet alleen, dat mijn jeugd zich zoo krachtig verzette tegen de ziekte en misschien ook tegen de medicijnen, die men mij had gegeven, dat ik herstelde. Toen ik weer bij kennis kwam, was het eerste wat ik merkte, dat ik in een andere kamer was dan de mijne.

Ik wilde weten waarom, maar een oude vrouw, die mij oppaste, zei, dat de dokter streng verboden had, dat ik zou spreken. Wanneer men gezond is, dan lacht men gewoonlijk om die dokters, maar is men ziek, dan volgt men gewillig hunne bevelen. Ik zweeg dus, hoe groot mijn lust ook was, om met mijn verpleegster te spreken.

Terwijl ik zoo lag na te denken, kwamen er twee fatterige heertjes in mijn kamer, keurig in het fluweel gekleed. Ik dacht, dat het vrienden van mijn meester waren, die mij uit belangstelling kwamen bezoeken en wilde overeind gaan zitten in bed, maar de verpleegster drukte mij neer en zei dat het de dokter en de apotheker waren.

De eerste naderde mij, voelde mijn pols, bekeek mijn gezicht en daar hij merkte, dat alles op een naderende genezing wees, keek hij triomfantelijk rond, alsof dit zijn werk was en zei, dat ik nog medicijnen moest gebruiken om geheel te herstellen.

Hij schreef een recept en keek daarbij in een spiegel, of zijn haar wel netjes genoeg zat. Niettegenstaande den toestand, waarin ik verkeerde, moest ik daarom in stilte lachen. Vervolgens groette hij mij beleefd en vertrok, meer vervuld van zijn uiterlijk dan van gedachten aan de medicijnen, die hij mij had voorgeschreven.

De medicijnen liet ik den volgenden dag uit het raam gooien en ik zei op vasten toon tegen mijn verpleegster, dat ik beslist eenig nieuws wilde weten over mijn meester. De oude, die vreesde een hevige emotie bij me op te wekken, wanneer ze begon te spreken, aarzelde, maar ik drong zoo sterk aan, dat ze eindelijk antwoordde: "Mijnheer, u hebt geen andere meester dan uzelf. Graaf Galiano is teruggekeerd naar Sicilië."

Ik kon het niet gelooven en toch was het de waarheid. Die mijnheer had mij den tweeden dag van mijn ziekte, toen hij vreesde dat ik zou sterven, laten transporteeren naar een gemeubileerde kamer, mij overlatende aan de zorg van de voorzienigheid en aan die van een verpleegster. Na enkele dagen had hij een bericht gekregen, dat hem noodzaakte naar Sicilië terug te keeren. Hij had zooveel haast om te vertrekken, dat hij niet meer naar mij omzag, hetzij dat hij mij reeds onder de dooden waande, hetzij dat voorname personen een gebrek hebben in hun geheugen.

Mijn verpleegster zei me, dat zij het was geweest, die den dokter had laten halen. Adieu voordeelige betrekking in Sicilië! Adieu, al mijn zoete hoop. Wanneer u een groot ongeluk overkomt, zegt een paus, onderzoek uzelf dan goed en ge zult zien, dat het altijd gedeeltelijk aan uzelf ligt. Ten spijt van dien heiligen vader, kon ik niet inzien hoe ik thans tot mijn ongeluk had bijgedragen.

Ik zei tot de verpleegster, dat ze mij mijn valies moest geven en zag dadelijk, dat het geopend was. Ik zuchtte: "hélaas, mijn dierbaar valies, mijn eenige troost! Gij zijt, zooals ik zie, in vreemde handen geweest." De oude zei me echter, dat men mij niet bestolen had en dat zij mijn valies bewaakt had als haar eer. Ik vond mijn kleeren en mijn beurs, maar van de twee honderd zestig pistolen, die er in waren vóór mijn ziekte, waren er niet meer dan vijftig over.

"Wat beteekent dat?" vroeg ik.

Ze antwoordde mij: "Niemand heeft het geld aangeraakt dan ik en ik ben er zoo zuinig mogelijk mee geweest, maar ziek zijn kost geld". Ze haalde een pakje papieren uit haar zak, wel vijftien of twintig velletjes groot, waarop ze alles had genoteerd, wat ze had uitgegeven. Jammer van het gevogelte, dat gekocht was, toen ik buiten kennis was en aan bouillon stond er wel voor twaalf pistolen op de rekening. Maar het geheele bedrag van de rekening was maar dertig pistolen. Waar waren dus die honderd en tachtig gebleven? Bij alle heiligen verzekerde de oude, dat er niet meer dan tachtig pistolen in het valies waren geweest, toen ze dat van den hofmeester van den graaf had ontvangen. "Wat zegt ge? Heeft de hofmeester u mijn goed gegeven?" "Zeker was hij het; hij zei tegen mij: "Hier moedertje, als mijnheer Gil Blas goed in de olie gebakken is, moet ge niet vergeten hem op een mooie begrafenis te onthalen. Voor de kosten is er iets in dit valies!"

"Zoo'n vervloekte Napolitaan, nu weet ik, waar het geld gebleven is. Hij heeft het gebruikt, om zich schadeloos te stellen voor de diefstallen, die ik hem verhinderd heb te begaan." Intusschen was ik blij, dat de schelm mij althans nog iets had laten overhouden. Hoeveel reden ik ook had, om den hofmeester te verdenken, ik was toch niet altijd geheel vrij van de gedachte, dat misschien de bewaakster mij bestolen had. Maar dat bleef voor mij dezelfde zaak. Ik zei er niets van tegen de oude en zond haar drie dagen later, na haar betaald te hebben, weg.

Weggaande van mij, was ze zeker den apotheker gaan waarschuwen, want die kwam al heel korten tijd daarna bij me met zijn rekening. Daar stonden allerlei vreemde woorden op, die ik niet kon lezen en medicijnen moesten voorstellen, die ik zou hebben geslikt, terwijl ik buiten kennis lag. Wij kregen verschil over de rekening, die ik tot de helft wilde verminderen. Hij verzekerde mij eerst plechtig, dat er geen stuiver afkon, maar hij begon te overwegen, dat ik Madrid wel eens kon verlaten en dat hij dan niets kreeg; dus nam hij aan, wat ik bood.

Dadelijk daarna kwam de dokter. Ik betaalde hem de vele visites, die hij had gemaakt en, zeker om te toonen, dat hij zijn geld moeilijk verdiend had, begon hij een geleerd betoog over de gevaren, waaraan ik had blootgestaan. Hij praatte met een vriendelijk gezicht en gebruikte mooie woorden, maar ik begreep er zoo goed als niets van, waartoe ik trouwens ook niet mijn best deed.

Nu dacht ik, dat ik er af was. Maar ik vergiste mij. Er kwam een chirurgijn binnen, dien ik nooit had gezien en die me zei, dat hij mij twee aderlatingen had gedaan. Weer moest ik dus een veer laten en mijn beurs was nu vrijwel gelijk aan een geconfiskeerd voorwerp.

Ik begon den moed te verliezen, toen ik mij in zoo'n ellendigen toestand bevond. Bij mijn laatste meesters was ik te veel gewoon geraakt aan de genoegens van het leven, om de ontberingen zoo wijsgeerig te verdragen, als ik het vroeger had gedaan. Toch moest ik bekennen, dat ik ongelijk had door toe te geven aan mijn gedrukte stemming; want hoeveel keeren de fortuin mij had omgeworpen, ze had mij toch telkens weer opgericht.

ACHTSTE BOEK

HOOFDSTUK I

Gil Blas heeft een goede ontmoeting en vindt een post, die hem troost voor de ondankbaarheid, die hij van graaf Galiano heeft ondervonden. Geschiedenis van don Valerio de Luna.

Ik was zoo verbaasd, gedurende dien tijd niets van Nunez te hebben gehoord, dat ik onderstelde, dat hij naar buiten moest zijn gegaan. Zoodra ik weer goed kon loopen, ging ik naar zijn woning en vernam daar werkelijk, dat hij sinds drie weken in Andaloesië was, met den hertog de Médina Sidonia.

Op een ochtend kwam Melchior de la Ronda mij in gedachten en ik herinnerde mij, dat ik hem in Granada beloofd had, om, als ik weer in Madrid terug was, zijn neef te gaan opzoeken. Ik besloot nog dienzelfden dag mijn belofte te vervullen. Ik informeerde naar het huis van don Baltazar de Zuniga en ging er heen. Ik vroeg naar mijnheer Joseph Navarro, die een oogenblik later verscheen. Hij ontving mij beleefd maar koud en ik vond de ontvangst geheel anders, dan ik mij had voorgesteld. Spoedig dan ook maakte ik aanstalten om weg te gaan en nam mij voor mijn bezoek niet te herhalen; maar plotseling zag ik hem veranderen en op levendigen toon riep hij: "Mijnheer Gil Blas de Santillano, neem mij als 't u blieft niet kwalijk, dat ik u zoo koel ontving. Mijn geheugen liet mij in den steek, ik had uw naam vergeten, maar nu herinner ik mij, dat mijn oom Melchior, dien ik vereer en liefheb als een vader, mij voor ruim vier maanden over u heeft geschreven. Hij vroeg mij u, wanneer wij elkaar zouden ontmoeten, te behandelen zooals ik zijn zoon zou doen en zegt mij zooveel goeds van u, dat het mij een eer zal zijn, indien ge mij uw vriendschap wilt schenken!"

We raakten nu spoedig op een vertrouwelijken voet met elkaar en ik deelde hem den treurigen toestand mee, waarin ik mij bevond. Nauwelijks had ik uitgesproken, of hij zei: "Ik zal er voor zorgen, dat ge weer een betrekking krijgt. Kom intusschen hier iederen dag eten, ge hebt het dan beter, dan in een van die restauraties."

Dit aanbod was zeer verleidelijk voor een herstellende, die zeer slecht in het geld zat en gewoon was lekker te eten, dus nam ik het aan. Na verloop van veertien dagen was ik weer geheel aangesterkt en zag ik er gezond uit.

Het scheen, dat de zaken van Melchior's neef daar in huis uitstekend gingen. En hoe kon dat ook anders? Hij had drie koorden op zijn boog; hij was tegelijkertijd bottelier, hofmeester en chef van dienst en ik geloof, dat hij het tamelijk wel eens was met den intendant.

Op zekeren dag, dat mijn vriend Joseph mij zag aankomen, om als naar gewoonte bij hem te dineeren, kwam hij mij vroolijk tegemoet en zei: "Gil Blas, ik heb een goede betrekking voor u. Ge zult misschien weten, dat de hertog de Lerme, onze eerste minister, om zich geheel aan de staatszaken te kunnen wijden, de zorg voor zijn eigen zaken heeft opgedragen aan twee personen. Zijn inkomsten worden ontvangen door don Diégo de Montresor en de uitgaven voor zijn huis worden gedaan door don Rodrigo de Calderone. De eerste heeft gewoonlijk twee intendanten onder zich en daar hij, naar ik van morgen hoorde, er een heeft ontslagen, heb ik die plaats voor u gevraagd. Don Montresor had geen bezwaar, na de goede getuigen, die ik van u heb gegeven. Wij zullen hem na het diner gaan opzoeken."

Zeer beleefd werd ik ontvangen en ik aanvaardde mijn ambt, dat bestond in het bezoeken van onze boerderijen, het nagaan van de reparatiën, die daaraan moesten worden gedaan en het innen van pachten. Iedere maand maakte ik mijn rekening op en gaf die aan don Diégo, die ze, niettegenstaande al het goede, dat hij van mij had gehoord, toch sekuur nakeek. Dat deed mij genoegen, want hoe slecht ik ook door mijn vorigen meester was beloond geworden voor mijn eerlijkheid, toch besloot ik daarbij te volharden.

Op een goeden dag vernamen wij, dat er brand was geweest op het kasteel Lermo en dat de helft ervan in asch was gelegd. Ik begaf mij dadelijk naar de plaats van het onheil om de schade op te nemen. Daar maakte ik een zeer nauwkeurig rapport van, dat mijn meester aan den hertog de Lerme liet zien. Deze was, niettegenstaande zijn leedwezen bij het vernemen van zulk een slechte tijding, daardoor getroffen en vroeg, wie de schrijver ervan was. Don Diégo bepaalde er zich niet toe hem dat mee te deelen, maar zei zooveel goeds van mij, dat zijn Excellentie het zich zes maanden later nog herinnerde, bij gelegenheid van een geschiedenis, die ik zal vertellen. Zonder deze was ik misschien nooit aan het hof geplaatst geworden.

Er woonde destijds in de rue der Infanten een oude dame, genaamd Inésile de Cantarilla. Men wist niet zeker van welken stand zij was. Sommigen zeiden, dat zij de dochter was van een luiten-maker, anderen beweerden, dat de commandeur van Saint-Jacques haar vader was. Hoe het zij, het was een zeldzame verschijning. De natuur had haar het voorrecht gegeven, om haar leven lang de mannen te bekoren. De tijd, die anders de schoonheid niet spaart, scheen op de hare weinig invloed te hebben gehad. Zij was de afgod geweest van het vorige geslacht en nu zij 75 jaar was, werd ze aangebeden door de volgende generatie.

Een heer van vijf en twintig jaar, don Valerio de Luna, een der secretarissen van den hertog de Lerme, zag Inésile en werd verliefd op haar. Hij vervolgde haar met allen hartstocht waartoe de jeugd in staat is. De dame, die er hare redenen voor had, om zijn wenschen niet te bevredigen, wist niet wat te doen om daaraan een eind te maken. Op zekeren dag echter meende zij het middel daartoe te hebben gevonden. Zij liet den jongeman in haar kabinet komen, wees hem op een pendule en zei: "Zie hoe laat het is! Het is heden juist vijf en zeventig jaar geleden, dat ik op dit uur in de wereld kwam. Zou ik op dien leeftijd nog aan liefde denken?" Maar don Valerio was niet te overtuigen en zei, dat hij haar steeds zou beminnen. Ze was zelfs genoodzaakt hem haar huis te ontzeggen. Hij wist echter tot haar door te dringen, begon weer te smeeken en te zuchten en wilde, toen hem niets anders hielp, zelfs geweld gebruiken. Nu was het te veel en de dame riep hem ontsteld toe: "Houd op, ongelukkige, weet, dat ik je moeder ben."

Don Valerio was ontzet door die woorden, maar een oogenblik later dacht hij, dat zij hem maar een fabeltje had verteld. "Neen, neen," zei ze, "ik heb dat geheim altijd voor je verborgen gehouden, maar nu zal ik het je ontdekken, want ik word daartoe genoodzaakt. Het is ruim zes en twintig jaar geleden, dat je vader, die toen gouverneur van Ségova was, en ik elkaar liefhadden. Uit die verbintenis werd je geboren en je vader, die geen andere kinderen had, erkende je. Hoewel je niet wist, dat ik je moeder was, heb ik je altijd in stilte gadegeslagen en later al mijn invloed aangewend, om je geplaatst te krijgen bij den eersten minister. Wil je de natuur geen geweld aandoen, verlaat mij dan voor altijd, bespaar mij den schrik je te zien."

Valerio bewaarde een somber stilzwijgen. Men zou denken, dat hij zijn hartstocht overmeesterd had, maar zich niet kunnende troosten, gaf hij aan zijn wanhoop toe, trok zijn degen en doorboorde zich het hart. Hij strafte zich als een andere Oedipus met dit verschil, dat deze zich blind maakte uit berouw over een bedreven misdaad en onze Spanjaard zich het leven benam van spijt, dat hij er geen bedrijven kon.

Door zijn dood kwam er een post van secretaris open bij den hertog de Lerme; de minister herinnerde zich het verslag van den brand en het goeds, dat hij bij die gelegenheid van mij had gehoord. Dus koos hij mij om dien jongeman te vervangen.

HOOFDSTUK II

Gil Blas wordt aan den hertog de Lerme voorgesteld, die hem opneemt onder zijn secretarissen; de minister geeft hem werk en is tevreden over hem.

Don Diégo de Monteser bracht mij de blijde tijding. Hij zei: "Mijn vriend Gil Blas, hoewel ik je niet zonder spijt zie heengaan, doet het mij genoegen voor je, dat je de plaats van Valerio krijgt. Het zal je zeker gelukken daar fortuin te maken, indien je gehoor geeft aan twee raadgevingen: de eerste is, dat zijne excellentie de overtuiging moet hebben, dat je zeer aan hem bent gehecht en de tweede is, dat je trachten moet om don Rodrigo de Calderone te behagen, want die man is er in geslaagd een buitengewonen invloed te krijgen op zijn meester. Gelukt het je hem gunstig voor je te stemmen, dan zal je in korten tijd verder komen."

Na don Diégo vriendelijk bedankt te hebben voor zijn goeden raad, vroeg ik hem: "Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, mij iets naders te zeggen van het karakter van don Rodrigo. Ik heb soms over hem hooren spreken en men schilderde hem dan zeer ongunstig af, maar men kan niet vertrouwen op het oordeel, dat het volk zich vormt van personen van het hof. Zeg mij dus, wat u van dien heer denkt."

Mijn meester antwoordde: "Ge doet mij daar een zeer kiesche vraag. Ik zou tegen een ander zonder aarzelen zeggen, dat hij een zeer net edelman is, maar ik wil openhartig met je zijn. Behalve dat ik ervan overtuigd ben, dat je bescheiden zal zijn in dit opzicht, wil ik je vrij over don Rodrigo spreken, omdat ik je anders eigenlijk maar ten halve zou hebben geraden. Je weet dan, dat hij van eenvoudig bediende is opgeklommen tot de betrekking van eersten secretaris. Nooit heeft men een trotscher man gezien. Hij neemt geen notitie van de beleefdheden, die men hem bewijst, tenzij dringende redenen hem daartoe verplichten. In één woord, hij beschouwt zich als een collega van den minister. Je begrijpt dus wel, welke houding je tegenover hem moet aannemen."

"Laat mij maar begaan," zei ik. "Wanneer men de gebreken kent van een man, aan wien men bevallen wil, dan moet men al heel onhandig zijn, om daarin niet te slagen."