De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 6
Op een dag, dat ik daar rondliep en een vrij dwaas figuur maakte, zooals trouwens zoovele anderen, bemerkte ik Fabricius, dien ik te Valladolid had achtergelaten, als bediende bij den administrateur van een klooster. Wat mij trof, was, dat hij zich familiaar onderhield met den hertog de Medina Sidonia en den markies de Sainte-Croise. Die twee heeren schenen met genoegen naar hem te luisteren. Bovendien was hij zeer net gekleed.
Ik zei bij mezelf: "Bedrieg ik mij niet? Is dat nu de zoon van den barbier Nunez? Misschien is hij een jong edelman, die toevallig op hem gelijkt." Maar mijn twijfel was niet van langen duur. Hij had ook mij herkend, kwam naar mij toe, nam mij bij de hand en bracht mij uit het gewoel van de menschen. "Mijn waarde Gil Blas, ik ben verrukt je weer te zien. Wat doe je te Madrid? Ben je nog in betrekking? Je moet mij alles vertellen wat er met je is gebeurd, nadat wij elkaar te Valladolid zoo plotseling hebben verlaten." Ik zei hem, dat ik gaarne daartoe bereid was, maar dat de plaats hier niet geschikt was, om hem al mijn avonturen te vertellen. "Daar heb je gelijk in. Wij kunnen dat beter bij mij thuis doen. Kom mee. Ik woon vrij en zeer aangenaam, volkomen naar mijn zin."
Wij hadden niet ver te loopen en kwamen aan een mooi groot huis, waarin hij zei, dat hij woonde. Wij staken een plaatsje over en ik zag aan de eene zijde een groote en aan de andere zijde een nauwe, donkere trap, de eerste voerde naar prachtige appartementen, de tweede, welke wij beklommen, naar het verblijf, dat hij zoo had geroemd. Het bestond uit één vertrek, waarvan mijn vernuftige vriend, door dunne houten beschotten er vier had gemaakt. Het eerste was de anti-chambre, het tweede kabinet, het derde slaapkamer en het vierde keuken. De kamers waren behangen met landkaarten, de meubels versleten en verkleurd.
"Nu wat zegt ge ervan? Vind je niet dat ik hier goed woon?" vroeg hij.
"Waarlijk," antwoordde ik. "Je zaken gaan zeker niet slecht in Madrid. Heb je een of andere betrekking?"
"De hemel beware mij! Ik doe iets beters. Een voornaam heer, aan wien dit huis toebehoort, heeft mij dit vertrek gegeven. Daarvan heb ik vier kamers gemaakt en die gemeubileerd, zooals ge ziet. Ik heb geen betrekking noodig en houd mij alleen bezig met zaken, die mij genoegen geven."
"Maar spreek toch duidelijker! Wat doe je dan toch?"
"Ik ben schrijver geworden; ik schrijf in proza en ook in poëzie."
"Jij bent een gunsteling van Apollo! Dat zou ik nooit geraden hebben. Maar wat voor bekoorlijks hebt ge dan kunnen vinden in het leven van een dichter? Ik vind, dat die lieden in de beschaafde maatschappij worden geminacht en niet in tel zijn."
"Hè, wat?" riep hij op zijn beurt, "Ge denkt aan die armzalige auteurs, die werken voor boekverkoopers en comedianten! Is het te verwonderen, dat dergelijke schrijvers niet geacht worden? Maar de goede, mijn vriend, hebben het beter in de wereld en ik kan zonder ijdelheid zeggen, dat ik tot hen behoor." "Je bent verstandig genoeg," zei ik, "en dus zal hetgeen je maakt wel niet slecht zijn. Maar ik ben benieuwd te hooren, hoe die woede om te gaan schrijven je zoo opeens heeft aangegrepen."
Nunez hernam: "Ik kan die verwondering begrijpen. Ik was zoo tevreden bij mijnheer Manuel Ordonnez, dat ik geen andere positie wenschte. Maar mijn genie ontwaakte, ik maakte een comedie, die gespeeld werd te Valladolid. Hoewel ze niets waard was, had ze een zeer groot succes. Daaruit besloot ik, dat het publiek een goed melk-koetje is. Die overweging en de lust om meer te schrijven deden mij besluiten mijn betrekking neer te leggen. De liefde voor de poëzie ontnam mij die voor den rijkdom. Ik besloot naar Madrid te gaan, het centrum van alle groote geesten en vroeg dus mijn ontslag aan den administrateur, die het mij niet zonder leedwezen gaf, want hij hield veel van mij. "Fabricius," zei hij me, "waarom wil je mij verlaten? Heb ik je soms onbewust redenen gegeven tot ontevredenheid?" Ik antwoordde: "Neen mijnheer, ge zijt de beste van alle meesters, ik ben u zeer dankbaar voor uw goedheid, maar men moet zijn ster volgen. Ik gevoel mij geboren om mijn naam te vereeuwigen door werken van den geest!" "Wat een dwaasheid! Ge zijt hier nu gewend geraakt, ge zijt van het hout gemaakt, waarvan men goede administrateurs maakt en nu gaat ge een solied bestaan verlaten, om je in de zotternij te begeven!"
De administrateur zag wel, dat het nutteloos was om mijn plan te bestrijden; hij betaalde mijn salaris en gaf mij nog vijftig ducaten cadeau, uit dankbaarheid voor mijn diensten. Met dat geld en het sommetje, dat ik reeds door allerlei kleine zaakjes bij elkaar gebracht had, kon ik mij, toen ik in Madrid kwam, goed vestigen en ik deed dat ook, hoewel de schrijvers van onze natie zich weinig bekommeren om zulke zaken. Weldra kende ik Lopes de Vega Carpio, Miguel Cervantes de Saavedra en andere beroemde schrijvers, maar boven die groote mannen koos ik mij tot onderwijzer een jong letterkundige, den onvergelijkelijken don Louis de Gangora, het grootste genie, dat Spanje ooit heeft voortgebracht. Hij wil niet, dat zijn werken gedrukt zullen worden bij zijn leven, hij stelt zich er mee tevreden, ze aan zijn vrienden voor te lezen. Het merkwaardigste van hem is, dat de natuur hem een zeldzaam talent heeft gegeven voor alle soorten van poëzie. Hij munt voornamelijk uit in satyrische stukken. Hij is niet als Lucilius, een modderige vloed, die veel slijk meevoert, maar 't is de Taag, die zijn heldere wateren voortrolt over het gouden zand."
"Ge geeft me daar," zei ik tot Fabricius, "een schoon portret van dien letterkundige en ik twijfel er niet aan, of een persoon van zulke verdiensten moet zeer worden benijd."
"Alle schrijvers," zei hij, "hebben tegen hem samengespannen, de goede zoowel als de slechte. De een zegt, dat hij te gezwollen en te bloemrijk is, een ander beweert, dat zijn verzen even duister zijn als de liederen, die de Salische priesters bij hunne processies zingen en die niemand kan verstaan. Weer een derde verwijt hem, dat hij werk wil leveren in allerlei genre. Maar dat is alles slechts jaloezie. Ik heb mijn leertijd gehad bij een zeer bekwaam meester en ik durf zeggen daarvan een goed gebruik te hebben gemaakt, zoodat ik reeds stukken maak, die zeer gewild zijn. Zijn voorbeeld volgende, bied ik mijn werk aan in de huizen der grooten, waar ik uitstekend word ontvangen en te doen heb met menschen, die niet moeilijk zijn. Verschillende van die heeren zijn zeer op mijn gezelschap gesteld en voornamelijk met den hertog de Medina Sidonia leef ik, als Horatius met Mecenas. En nu heb ik u niets meer te vertellen. Vertel mij nu, op jouw beurt, je wedervaren."
Ik kwam daarop aan het woord en deed hem een omstandig verhaal, zooals hij verlangde. Daarna kwam de kwestie van het diner. Hij haalde uit zijn kast brood, een stuk gebraden vleesch en een flesch uitmuntenden wijn en wij zetten ons aan tafel, vroolijk, als twee vrienden, die elkaar na een lange scheiding ontmoeten. "Je ziet," zei hij, "dat ik een vrij en onafhankelijk leven leid. Indien ik het voorbeeld van velen mijner confraters wilde volgen, zou ik iederen dag bij voorname personen gaan eten, maar behalve dat de liefde voor mijn werk mij thuis doet blijven, kan ik mij even gemakkelijk gewennen aan de eenzaamheid als aan de groote wereld, aan soberheid, als aan overvloed."
Wij vonden den wijn zoo goed, dat hij nog een tweede flesch haalde. Zoo sprekende zei ik hem, dat ik wel graag eens een van zijn voortbrengselen zou willen leeren kennen. Dadelijk zocht hij onder zijn papieren een sonnet, dat hij mij voorlas op een gezwollen toon. Het werk was mij zoo duister, dat ik er niets van begreep. Hij merkte het en zei: "Dit sonnet is je niet zeer duidelijk, niet waar?" Ik bekende, dat een weinig meer helderheid niet ongewenscht zou zijn. Hij lachte mij uit. "Indien dit sonnet niet geheel verstaanbaar is, mijn vriend, des te beter! Sonnettes, odes en andere verheven werken voegen zich niet naar het eenvoudige en natuurlijke; 't is juist het duistere, dat er de verdienste van uitmaakt. Het is voldoende als de dichter zelf maar denkt, dat hij het begrijpt."
"Je houdt mij voor den gek!" riep ik. "Elk vers, van welken aard ook, behoort duidelijk en begrijpelijk te zijn en wanneer je onvergelijkelijke vriend Gangora niet helderder schrijft dan jij, dan moet ik je zeggen, dat hij in mijn oogen niet veel waard is. Maar laat me nu eens wat van je proza hooren!"
Nunez liet mij een voorrede lezen, die hij wilde uitgeven ter inleiding van een verzameling tooneelstukken, die hij op de pers had. Hij vroeg mij na de lezing, wat ik ervan dacht. "Ik ben," antwoordde ik, "over je proza al even weinig voldaan als over je poëzie. Je sonnet is niets dan pompeuze wartaal en er zijn in je voorrede te veel gezochte uitdrukkingen en gewrongen zinnen. Je stijl is, in één woord ongewoon; de boeken van onze goede oude schrijvers zijn zoo niet geschreven."
"Arme onnoozele!" riep Fabricius. "Je weet niet, dat heden ten dage ieder prozaschrijver, die naar de reputatie streeft, om een fijnversneden pen te hebben, dien ongewonen stijl bezigt en die gewrongen uitdrukkingen, waaraan jij je stoot. Wij zijn met vijf of zes moderne schrijvers, die ondernomen hebben de taal van wit in zwart te veranderen en wij zullen tot ons doel geraken, ten spijt van Lopes de Vega, van Cervantes en al de anderen, die ons bespotten om onze nieuwe manier van schrijven. Wij hebben vele aanhangers en daaronder vele gewichtige personen, ook theologen. Alles daargelaten, is ons streven loffelijk, wij willen beter zijn dan die natuurlijke schrijvers, die spreken als alle gewone menschen. Ik begrijp niet, dat er nog zooveel menschen zijn, die hen vereeren. Dat was goed in Athene en in Rome en 't is daarom, dat Socrates tegen Alcibiades zei, dat het volk een uitstekend meester was in de taal. Maar in Madrid hebben wij een goed en een slecht gebruik daarvan en onze hovelingen drukken zich anders uit dan onze burgers; onze stijl munt uit boven dien van onze tegenstanders, het bevallige van onze dictie boven de platheid in de hunne. Ik zal je een voorbeeld geven. Zij zouden b.v. heel gewoon zeggen: "de terzijdes verfraaien een tooneelstuk." En wij zeggen, veel mooier: "de terzijdes maken schoonheid in een tooneelstuk." Let goed op dat--maken schoonheid--Voel je daar al het schitterende, fijngevoelige, lieve van?"
"Loop heen, Fabricius, met je bevallige taal!" riep ik en hij antwoordde mij met de woorden van den aartsbisschop: "Vaarwel, mijnheer Gil Blas, ik wensch u een beetje meer smaak toe."
Zijn goed humeur had intusschen niet geleden door mijn weinigen eerbied voor zijn geschriften. Wij ledigden onze tweede flesch, waarna we in een aangename stemming van tafel opstonden, om wat in het Prado te gaan wandelen. Maar wij kwamen voorbij het huis van een koopman in likeuren en besloten daar binnen te gaan.
Gewoonlijk vindt men op zulke plaatsen een goed gezelschap. Hier waren twee zalen, waarin zich de heeren op verschillende wijzen vermaakten. In de eene speelde men kaart of schaakte men, in de tweede werd een levendige discussie gevoerd. Men behoefde niet dichterbij te komen, om te hooren, dat een onderwerp uit de metaphysica hun stof gaf tot discours. "Wat een levendigheid! En wat een longen!" zei mijn metgezel.
"Die heeren zijn eigenlijk geboren om marktschreeuwers te worden. De meeste menschen zijn niet op hun goede plaats in de maatschappij."
Daar wij ons niet doof wilden laten schreeuwen, gingen wij in een hoek van de andere zaal zitten en namen het gaande en komende publiek op. Nunez kende die menschen bijna allen. "Almachtig! het dispuut van onze filosophen zal niet zoo gauw afgeloopen zijn; hier komen versche troepen; de drie mannen, die nu binnen komen zullen er ongetwijfeld aan deelnemen. Maar zie je die twee origineelen, die daar weggaan? Dat kleine manneke met zijn taan-kleurig gezicht is don Julie de Villanano. Hij is een fatje, die zich meestal met honden vermaakt. Een mijner vrienden en ik gingen eens bij hem dineeren; wij vonden hem bezig met de stukken van een proces, waarover hij rapport moest uitbrengen, te laten rapporteeren door een grooten jachthond, die ze natuurlijk in flarden scheurde. De geestelijke, die hem vergezelt is don Chérubin Tonto. Hij is de grootste stommeling, die er bestaat. Hij heeft een geestig uiterlijk en schitterende oogen, zoodat men hem voor een knap man zou kunnen houden, maar leest men hem een passage voor uit een mooi boek, dan begrijpt hij er niets van."
"Ken je," vroeg ik Nunez, "die twee slechtgekamde heeren, die daar stil in een hoek zitten te praten?"
"Neen," antwoordde hij, "hunne gezichten komen mij niet bekend voor. Maar het schijnen politici te zijn, die het gouvernement beoordeelen. Kijk eens naar dien mijnheer, die daar heen en weer loopt. Dat is don Augustin Moreto, een jong dichter, niet zonder talent geboren, maar door vleiers en domme menschen bijna gek gemaakt. Daar komen nog meer schrijvers binnen! Dat zijn don Bernard Deslenguado en don Sebastien de Villa Viciosa. De eerste is een schrijver vol gal, die er behagen in schept om heel de wereld te haten en van wien niemand houdt. De andere is een goede jongen, die onlangs een comediestuk heeft geschreven, dat zeer goed is gegaan en dat hij heeft laten drukken om niet langer misbruik te maken van de achting van het publiek."
De leerling van Gangora wilde mij nog andere personen gaan beschrijven, maar er kwam iemand, behoorende tot het gevolg van den hertog de Medina Sidonia, hem zeggen: "Don Fabricius, ik zoek u, om u te zeggen dat onze meester u wel zou willen spreken. Hij wacht u bij hem thuis." Nunez, die wist, dat men niet spoedig genoeg kan voldoen aan de wenschen van groote heeren, verliet mij dadelijk, om zijn Mecenas te gaan bezoeken. Hij liet mij achter, verwonderd dat men hem met "don" aansprak, dat hij dus van adel was geworden, ten spijt van zijn vader, meester Chrysostome, den barbier.
HOOFDSTUK XIV
Fabricius plaatst Gil Blas bij den graaf Galiano, een Siciliaansch edelman.
Ik had zooveel lust om Fabricius weer te zien, dat ik den volgenden morgen al vroeg bij hem was. Binnenkomende zei ik: "ik heb de eer don Fabricius te groeten, de bloem, of liever de champignon van den Asturischen adel." Hij begon bij die woorden te lachen. "Heb je dus gehoord, dat men mij met "don" aanspreekt?" "Ja edele heer en u zult mij toestaan u te zeggen, dat ge gisteren, bij het verhaal van uw gedaanteverwisseling, het beste hebt vergeten." "Dat stem ik toe," zei hij, "maar waarlijk, dat ik dien titel heb aangenomen is minder gebeurd om mijn ijdelheid te bevredigen, dan wel om het mij tegenover anderen gemakkelijk te maken. Je kent de Spanjaarden; iemand is niet goed, wanneer het ongeluk wil, dat hij niet rijk is of van goede geboorte. Ik zie zooveel menschen,--en de duivel weet welk soort--die zich don laten noemen, dat de adel algemeen is geworden. Maar laat ons van dit onderwerp afstappen. Gisteravond, aan het souper bij den hertog Medina Sidonia, waar onder andere gasten ook graaf Galiano, een voornaam edelman van Sicilië was, kwam het gesprek op belachelijke gevolgen van eigenliefde. Verheugd iets over dit onderwerp te hebben, waarmee ik het gezelschap kon vermaken vertelde ik de geschiedenis van de preeken. Je begrijpt wel, dat men den aartsbisschop hartelijk heeft uitgelachen en dat had voor jou geen kwade uitwerking. Want men beklaagde je en graaf Galiano, na mij eenige vragen te hebben gedaan, die ik goed beantwoordde, zooals je denken kunt, droeg mij op je bij hem te brengen. Hij zal je waarschijnlijk als secretaris aanstellen. Ik zou je aanraden dit aanbod niet af te slaan. Hij is rijk en is op het oogenblik als gezant te Madrid, om met den eersten minister, den hertog de Lerme, te confereeren over goederen in Sicilië. Hoewel graaf Galiano een Siciliaan is, is hij zeer edelmoedig en oprecht. Je kan niet beter doen, dan je aan dien heer te hechten. Waarschijnlijk is hij de man, die je rijk moet maken, zooals je in Granada is voorspeld."
"Ik had mij voorgenomen," zei ik tegen Nunez, "om eerst nog wat rond te loopen, en te wachten om weer in betrekking te gaan, maar je spreekt over den Siciliaanschen graaf op een wijze, die mij van besluit doet veranderen. Ik wilde, dat ik al bij hem was." Wij begaven ons naar den graaf, die het huis bewoonde van don Sonchez d'Avila, zijn vriend, die tijdelijk buiten vertoefde.
Wij vonden op de plaats en in de gangen ik weet niet hoeveel pages en lakeien, die even smaakvolle als rijke livrei droegen en in de antichambre een groot aantal personen, met prachtige kleeren, maar zulke zonderlinge gezichten, dat ik een troep aangekleede apen meende te zien. Er zijn werkelijk gezichten, van mannen en vrouwen, waar niets aan te verhelpen is.
Men kondigde don Fabricius aan, die een oogenblik later in de kamer werd binnengelaten, waar ik hem volgde. De graaf, gekleed in een kamerjapon, zat op een sopha en dronk chocolade. Wij groetten hem eerbiedig en hij maakte, van zijn kant, een neiging met het hoofd, die vergezeld ging met een zoo vriendelijken blik, dat ik mij al dadelijk voor hem voelde ingenomen. Wonderbaarlijke en toch gewone uitwerking die de welwillende ontvangst van grooten op ons heeft! Ze moeten ons al heel slecht ontvangen, willen ze ons niet bevallen.
Na zijn chocolade te hebben gedronken, amuseerde hij zich eenigen tijd met een grooten aap, dien hij bij zich had en die Cupido heette. Hij had dat dier zeker dien godennaam gegeven, omdat hij al diens ondeugd bezat. Maar zijn meester was verrukt over hem en zoo ingenomen met zijn manieren, dat hij hem voortdurend in zijn armen hield. Nunez en ik deden alsof die aap ons zeer interesseerde. Eindelijk zei de Siciliaan: "Mijn vriend, ge kunt als een van mijn secretarissen bij mij in dienst treden. Uw salaris zal tweehonderd pistolen per jaar bedragen. Het is voor mij voldoende, dat don Fabricius u aan mij heeft voorgesteld en voor u instaat." "Ja mijnheer," zei Nunez, "Ik ben stoutmoediger dan Plato, die niet durfde instaan voor een van zijn vrienden, die hij aan Denis, den tiran, zond. Ik vrees niet mij verwijten te berokkenen."
Ik bedankte door een buiging mijn vriend, den dichter van Asturië, voor zijn welwillende stoutmoedigheid. Vervolgens mij tot mijn nieuwen meester richtende, gaf ik hem de verzekering van mijn ijver en mijn trouw. Deze liet, zoodra hij gemerkt had, dat ik zijn voorstel gaarne aannam, zijn intendant roepen, met wien hij eenigen tijd zacht sprak. Vervolgens zei hij: "Gil Blas, ge zult later wel vernemen, welk werk ik voor u te doen heb. In afwachting daarvan moet ge mijn intendant maar volgen, die mijn orders, u betreffende, heeft ontvangen." Ik gehoorzaamde, Fabricius achterlatende met den graaf en Cupido.
De intendant nam mij mee naar zijn kamer en was zeer beleefd. Hij liet een kleermaker halen, die mij een uniform moest aanmeten, zooals de officieren droegen. Daarna zei hij: "Voor uw kamer zal ik zorgen. Hebt ge al ontbeten? Niet. Maar waarom dat niet gezegd? Ge zijt hier in een huis, waar men slechts behoeft te zeggen, wat men wenscht, om het te hebben. Kom, ik zal u naar een plaats brengen, waar het u aan niets zal ontbreken."
Bij die woorden bracht hij me naar beneden, naar een soort kantoor, waar wij den hofmeester vonden, een Napolitaan, die zich met vijf of zes van zijn vrienden tegoed deed aan ham, ossetongen en ander gezouten vleesch, dat hem onophoudelijk noodzaakte om te drinken. Wij voegden ons bij hen en hielpen hen, om op de uitstekende behandeling van onzen meester te drinken. De kok onthaalde op zijn beurt drie of vier van zijn kennissen en daarbij werd de wijn niet gespaard. Ik zei bij mezelf, dat ik in een huis was, dat aan plundering was overgeleverd. Dat was evenwel nog niets. Ik zag slechts bagatellen in vergelijking met hetgeen ik niet zag.
HOOFDSTUK XV
Van het werk, dat graaf Galiano in zijn huis aan Gil Blas gaf.
Ik ging heen om mijn goed te pakken en dat naar mijn nieuwe woning te laten brengen. Toen ik terugkwam, was de graaf aan tafel met verschillende heeren en den dichter Nunez, die zich met groot gemak liet bedienen en zich in de conversatie mengde. Zelfs merkte ik, dat hij geen woord zei, dat het gezelschap geen genoegen deed. Leve de geestigheid! als men die heeft, kan men alles zijn, wat men wil.
Wat mij betreft, ik dineerde met de officieren, die bijna evengoed werden bediend als hun patroon. Na het eten ging ik in mijn kamer, waar ik begon na te denken over mijn positie en zei: "Welnu Gil Blas, nu ben je dus bij een Siciliaanschen graaf, wiens karakter je niet kent! Naar den schijn te oordeelen, zal je in dat huis zijn als een visch in het water. Maar je moet nog over niets oordeelen en je geluksster wantrouwen, die je al zoo dikwijls heeft bedrogen. Overigens weet je nog niet, waarvoor je bestemd bent. Je meester heeft secretarissen en een intendant. Welke diensten zal jij hem moeten bewijzen?"
Onder die overdenkingen kwam een lakei mij zeggen, dat al de heeren, die bij den graaf gedineerd hadden, vertrokken waren en dat mijnheer mij verlangde te spreken. Ik ging naar zijn kamer, waar ik hem op een sopha weer bezig vond met zijn aap.
"Kom nader Gil Blas, neem een stoel en luister naar mij. Don Fabricius heeft mij gezegd, dat ge onder andere goede hoedanigheden, ook deze bezit, dat ge u aan uw meester hecht en onomkoopbaar zijt. Die twee zaken hebben mij doen besluiten u voor te stellen bij mij te komen. Ik heb behoefte aan iemand, die zorgvuldig mijn belangen waarneemt en er al zijn aandacht aan wijdt om mijn goed te bewaren. Ik ben rijk, dat is waar, maar mijn uitgaven overschrijden ieder jaar ver mijn inkomsten. En waarom? Omdat men mij besteelt, omdat men mij plundert. Ik ben in mijn huis als in een bosch vol roovers. Ik verdenk mijn hofmeester en mijn intendant, dat ze het samen eens zijn. Ge zult me vragen, waarom ik hen niet wegjaag, als ik denk dat zij bedriegers zijn. Maar waar vind ik anderen, die niet van hetzelfde slag zijn? Ik moet mij er dus toe bepalen hen te laten controleeren en daarvoor heb ik u uitgekozen. Indien ge u goed van uw taak kwijt, kunt ge er zeker van zijn, dat ge geen ondankbare hebt gediend. Ik zal zorgen u op Sicilië zeer goed te plaatsen."
Na die woorden tot mij te hebben gesproken, liet hij mij weggaan en denzelfden avond nog werd aan het geheele personeel meegedeeld, dat ik opper-intendant was geworden van het heele huis. De intendant en de hofmeester namen dat eerst kalm op, omdat ze dachten met iemand te doen te hebben, met wien ze slechts behoefden te deelen, om ongestoord hun gang te kunnen blijven gaan. Maar ze vonden zich reeds den volgenden dag bedrogen, toen ik hun verklaarde een vijand te zijn van alle knoeierij. Ik vroeg aan den hofmeester een staat van de provisie, ik bezocht de kelders, ik nam op wat er aan tafelzilver en linnen aanwezig was. Daarop drukte ik hun beiden op het hart zuinig te zijn met het goed van den patroon, spaarzaam in de uitgaven. En ik waarschuwde hen erbij, dat ik alle bedrog dadelijk ter kennis van onzen meester zou brengen.