De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V

Chapter 4

Chapter 44,033 wordsPublic domain

Daar liet de overste mij zonder vorm van proces mijn ring afdoen, mijn kleeren uittrekken en een langen grijzen japon aandoen, met een breeden zwart lederen ceintuur om het middel, waaraan een rozenkrans hing. Daarna bracht ze mij naar een andere zaal, waar mij een oude monnik wachtte van ik weet niet welke orde, die mij begon te preeken over boetedoening. Hij zei me, dat ik veel verplichting had aan personen, die mij een dienst hadden bewezen, door mij te redden uit de klauwen van den demon, waarin ik was gevallen. Ik bekende ronduit mijn ondankbaarheid, en wel verre van mij verplicht te gevoelen aan de personen, die mij dat genoegen hadden bereid, overlaadde ik hen met minder vleiende namen.

Acht dagen bracht ik zoo in wanhoop door, toen mijn lot scheen te veranderen. Een kleine plaats overstekende, ontmoette ik den rentmeester van het huis, iemand, aan wien alles was onderworpen; de overste zelfs gehoorzaamde hem. Hij had van zijn beheer alleen maar verantwoording te geven aan den rechter, van wien hij afhankelijk was en die vertrouwen in hem scheen te stellen. Hij heette don Pédro Zendono en was geboren in Biscaye. Stel je een man voor, zeer bleek en mager, een figuur om aan een schilder voor dief te dienen. De zusters scheen hij nauwelijks aan te zien. Je hebt nooit zoo'n huichelachtig gezicht gezien, hoewel je in het paleis van den bisschop hebt gewoond.

Ik ontmoette dus dien mijnheer Zendono, die mij aanhield en zei: "Troost u, mijn dochter, ik ben begaan met uw verdriet." Hij zei niets meer en vervolgde zijn weg, het aan mij overlatende, om bespiegelingen te houden over dien korten tekst. Daar ik hem als man van gewicht beschouwde, dacht ik werkelijk, dat hij zich moeite zou geven, om te onderzoeken waarom men mij had opgesloten en dat hij, daar hij me niet schuldig genoeg zou vinden om zoo behandeld te worden, mijn belangen bij den rechter zou voorstaan. Maar ik kende den Biscayer niet, hij had andere plannen. In zijn geest had hij een reisplan opgemaakt, dat hij mij in vertrouwen meedeelde. Hij zei: "Mijn beste Laura, ik ben getroffen door uw smart en ik heb besloten daaraan een eind te maken. Ik weet wel, dat ik mijzelf daardoor in het verderf stort, maar ik kan niet anders en ik wil alleen voor u leven. De toestand, waarin ik u geplaatst zie, doorboort mij het hart. Morgen zal ik u uit uw gevangenis verlossen en u zelf naar Madrid brengen. Alles wil ik opofferen, om het geluk te hebben uw bevrijder te zijn."

Ik dacht van vreugde te bezwijmen bij die woorden van Zendono, die mij den volgenden dag schaakte op een wijze, die ik je zal meedeelen. Hij zei aan de overste van het klooster, dat hij last had van den rechter, om mij bij hem te brengen in een uitspanning, die zich op eenige mijlen afstand bevond. Hij liet mij plaats nemen in een rijtuig, dat door twee goede muilezels werd getrokken, expresselijk voor deze gelegenheid door hem gekocht. Niemand ging mee, dan een knecht, die ons reed. Wij reden niet in de richting van Madrid, zooals ik had verwacht, maar naar de Portugeesche grenzen, waar wij aankwamen in minder tijd dan de rechter van Zamora had noodig gehad om bericht te krijgen van ons vertrek en zijn gerechtsdienaren uit te zenden, om ons op te sporen.

Voor wij over de grenzen gingen, liet de Biscayer mij manskleeren aantrekken, die hij had meegenomen. Toen wij in een hotel aankwamen, waar wij zouden overnachten, zei hij: "Schoone Laura, wees er niet kwaad om, dat ik u heb meegenomen naar Portugal. De rechter van Zamora zal ons in ons vaderland doen zoeken als twee misdadigers, aan wie Spanje geen veilige schuilplaats biedt. Maar wij kunnen hier in dit vreemde land leven, hoewel het onder het beheer van Spanje staat. Laat u overreden, mijn engel, volg een man, die u aanbidt. Laten wij naar Coimbre gaan! Daar zal ik een plaats vinden als spion van den heiligen dienst en in de schaduwen van dat machtige gerechtshof, kunnen wij rustig onze dagen in stille genoegens slijten."

Dit voorstel deed mij zien welke beweegredenen hij had om mij als geleider te willen dienen. Ik begreep, dat hij op mijn dankbaarheid rekende en meer nog op mijn ellende. Maar, hoewel die beide zaken in zijn voordeel spraken, weigerde ik beslist, wat hij mij voorstelde. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat er twee gewichtige redenen waren, waarom ik zoo terughoudend was: hij viel niet in mijn smaak en ik geloofde niet, dat hij rijk was. Maar toen hij bleef aandringen, aanbood mij te trouwen en mij liet zien, dat hij in zijn betrekking genoeg terzijde had gelegd, om lang van te kunnen leven, begon ik naar hem te luisteren. Ik was verblind door het goud en de edelsteenen, die hij voor mij uitspreidde en ervoer, dat het eigenbelang de menschen even goed kan doen veranderen als de liefde. Mijn Biscayer werd voor mij een andere man. Zijn lang lichaam nam den vorm aan van een fijne taille, zijn geel gezicht scheen van een schoone blankheid en zelfs zijn huichelachtige grijns stond mij minder tegen. Dus nam ik zijn hand aan voor het oog van den hemel, dien hij als getuige aanriep van ons engagement. Wij gingen op reis en Coimbra zag weldra binnen hare muren een nieuw huishouden.

Mijn man kocht nieuwe kleeren voor mij en schonk mij verschillende diamanten, waaronder die van don Felix Maldonado. Dus ik behoefde niet te raden vanwaar de kostbare steenen kwamen, die ik gezien had en ik was ervan overtuigd getrouwd te zijn met iemand, die geen trouw opvolger was van het zevende gebod. Daar ik echter mijzelf als de eerste oorzaak van zijn handgrepen beschouwde, vergaf ik ze hem. Een vrouw verontschuldigt ook de slechte daden, die haar schoonheid doet bedrijven. Wat zou ik hem anders slecht gevonden hebben!

Gedurende twee of drie maanden was ik tamelijk tevreden over hem. Hij had altijd galante manieren en scheen mij teeder te beminnen. Maar al die bewijzen van vriendschap waren slechts schijn geweest. De schelm bedroog mij en bereidde mij het lot, dat elk meisje, dat door een slechten man verleid is, te wachten heeft. Toen ik op een ochtend uit de mis kwam, vond ik in huis alleen de muren, alle meubelen en zelfs mijn kleeren waren weggehaald. Zendono en zijn trouwe knecht hadden hunne maatregelen zoo goed genomen, dat het huis in een uur was leeggedragen. Zoo stond ik dus als een tweede Ariadne, door een ondankbaren minnaar verlaten, met niets anders dan de kleeren, die ik aan had en den ring van don Felix, dien ik gelukkig aan mijn vinger had gedragen. Maar ik verzeker je, dat ik geen lange klaagliederen begon te zingen, ik was veel te blij, verlost te zijn van een ouden schelm, die toch den een of anderen dag in handen van de justitie zou zijn gevallen. Den tijd, dien wij samen hadden doorgebracht, beschouwde ik eenvoudig als verloren.

Indien ik in Portugal was gebleven en daar een betrekking had gezocht bij een aanzienlijke dame, zou ik wel zijn geslaagd, maar, hetzij uit liefde voor mijn vaderland, hetzij dat ik geleid werd door mijn geluksster, ik dacht aan niets anders dan aan terugkeeren naar Spanje.

Ik verkocht mijn ring en vertrok samen met een oude Spaansche dame, die Dorothea heette, hare familie in Coimbra had bezocht en nu terugkeerde naar Sévilla, waar ze woonde. Er was al dadelijk veel sympathie tusschen ons, die op reis nog grooter werd en toen wij aankwamen, wilde zij niet, dat ik ergens anders mijn intrek zou nemen, dan in haar huis. Ik had geen reden om spijt te hebben over die kennismaking. Nooit heb ik een vrouw ontmoet met een beter karakter. Naar haar trekken en levendige oogen te oordeelen, moest ze vroeger vele guitaren aan het tokkelen hebben gebracht. Zij was dan ook de weduwe van verschillende adellijke echtgenooten en kon behoorlijk van de opbrengst leven.

Onder andere goede hoedanigheden bezat zij ook deze, dat zij zeer medelijdend was voor het ongeluk van meisjes. Levendig belang stelde zij in mijn avonturen. Toen ik haar alles van Zendono had verteld, zei ze op een toon alsof zij zelf ook wel eens zulke exemplaren op haar levensweg had ontmoet: "Die honden van mannen! Die ellendelingen! Er zijn van die schelmen in de wereld, die er een spel van maken, om een vrouw te bedriegen. De eenige troost, mijn lief kind, is, dat ge volstrekt niet gebonden zijt aan dien schelm van een Biscayer. Al is uw huwelijk met hem goed genoeg om u als excuus te dienen, het is daarentegen ook slecht genoeg om u toe te staan een beter aan te gaan, indien ge daartoe gelegenheid zult vinden."

Iederen dag ging ik met Dorothea naar de kerk en visites maken, wat de middelen waren, om spoedig een avontuur te hebben. Ik trok de aandacht van vele heeren, maar enkelen hadden geen geld, anderen waren te jong, zoodat ik mij met niemand inliet.

Op zekeren dag kwam het Dorothea en mij in den zin om naar den schouwburg te gaan. Er was aangeplakt, dat ze zouden spelen: "De beroemde Comedie; de Ambassadeur van Sirmismo", door Lope de Vega Carpio. Onder de actrices herkende ik een oude vriendin, Phénice, die kamenier bij Florimonde is geweest en met wie je wel eens gesoupeerd hebt bij Arsénia. Ik wist wel, dat Phénice sinds twee jaar uit Madrid was, maar 't was mij niet bekend, dat ze actrice was geworden,

Na afloop van het stuk, dat vrij lang duurde en mij verveelde, omdat er niet goed genoeg en ook niet slecht genoeg gespeeld werd, om mij te amuseeren, gingen wij Phénice opzoeken, die zeer verheugd was mij te zien en daar we 's avonds weinig tijd meer hadden, spraken we af, dat we elkaar den volgenden morgen zouden ontmoeten. Het pleizier van te praten is een der grootste genoegens voor vrouwen en vooral voor mij. Ik kon den heelen nacht geen oog dicht doen van verlangen om met Phénice aan den slag te komen en haar vraag op vraag te doen.

Phénice was gelogeerd in een groot hotel. Een dienstmeid, die mij den weg wees, bracht mij in een gang, waarop tien of twaalf kleine kamers uitkwamen; hier woonden de leden van het gezelschap. Mijn geleidster klopte aan de deur, die Phénice, wier tong evenzeer jeukte als de mijne, opendeed. We gunden ons nauwelijks den tijd om te gaan zitten bij ons gekakel.

Wij hadden elkaar heel wat te vertellen van hetgeen wij in den laatsten tijd hadden beleefd. Het scheen wel, dat er geen eind kwam aan al het vragen en antwoorden.

Eindelijk vroeg Phénice mij, wat ik van plan was te gaan doen, want ze zei, dat een meisje als ik toch iets moest worden en dat het niet aanging een onnut wezen te zijn in de maatschappij. Ik antwoordde haar, dat ik, in afwachting van beter, een betrekking wilde zoeken bij een of andere voorname dame. "Wel foei!" riep mijn vriendin, "hoe kan je aan zoo iets denken! Hoe is het mogelijk, dat je nog geen tegenzin hebt in dienstbaarheid! Ben je het niet moe, om onderworpen te zijn aan den wil van anderen? Hun grillen te verdragen? Een slavenleven te lijden? Volg liever mijn voorbeeld en ga bij het tooneel! Niets is beter voor vrouwen met geest en die niet rijk zijn, of van hooge geboorte. Het is een stand, die tusschen den adel en de burgerij staat. Een vrij leven! Altijd in vroolijkheid! Wij geven ons geld uit, zooals wij het verdienen. Het tooneel is vooral gunstig voor de vrouwen. Toen ik nog kamenier was bij Florimonde--ik schaam mij nog als ik eraan denk--lette niemand op mij. Maar sedert ik op mijn voetstuk ben gekomen, dat is te zeggen op het tooneel, wat een verandering! Ik zie aan mijn voeten de schitterendste jongelieden uit de steden, waarin wij optreden. Wanneer een actrice wijs is, d. w. z. wanneer ze niet meer dan één minnaar tegelijk begunstigt, wordt zij door de wereld geëerd. Men prijst haar ingetogenheid en verandert zij van galant, dan beschouwt men haar als een echte weduwe, die hertrouwt."

Hier viel ik Phénice in de rede; "waarom zegt ge me dit alles? 't Is geen geheim meer voor mij en ik gevoel zelf ook wel neiging voor het tooneel. Maar dat is niet voldoende, men moet talent hebben en dat heb ik niet. Vroeger heb ik wel eens stukken voor Arsénia gereciteerd, maar ze was er niet tevreden mee en daardoor heb ik er een tegenzin in gekregen."

"Och kom!" zei Phénice. "Je weet toch wel, dat die groote actrices altijd jaloersch zijn. Ik zeg je, zonder je te vleien, dat je voor het tooneel bent geboren. Je hebt iets natuurlijks, vrijmoedigheid, bevalligheid, een mooie stem. Wat zou je een heeren het hoofd op hol jagen, als je actrice was!"

Ze trachtte mij nog verder over te halen, liet me eenige verzen declameeren, die ze luid toejuichte. Voor twee collega's, die haar kwamen bezoeken, moest ik die verzen nog eens opzeggen en ook zij overlaadden mij met lof. Mijn bescheidenheid werd op een te zware proef gesteld. Ik begon zelf te gelooven, dat ik iets waard was en dus kreeg ik zin in het tooneel. Eerst legde ik nog een proefstuk af voor alle leden van den troep en toen werd ik daarbij opgenomen.

Al het geld dat ik nog over had, besteedde ik voor het costuum bij mijn debuut en wat er aan ontbrak om het schitterend te doen zijn, maakte ik goed door mijn fijnen smaak.

Eindelijk verscheen ik voor het eerst op de planken. Ik gebruik een nog te gematigd woord, mijn vriend, als ik zeg, dat het publiek verrukt was. Grooten opgang maakte ik in Sévilla. Gedurende drie weken was ik het onderwerp van alle gesprekken. Wel twintig heeren van stand boden zich aan, om zorg voor mij te dragen. Wanneer ik mijn neiging had gevolgd, dan zou ik den jongsten en den mooisten hebben genomen, maar ons soort moet alleen eigenbelang en eerzucht in het oog houden en daarom nam ik don Ambrosio de Nisana, die reeds oud was en niet mooi, maar rijk en edelmoedig. 't Is waar, hij heeft er duur voor moeten betalen. Hij huurde een mooi huis voor mij, meubelde het prachtig, gaf me een goeden kok, twee lakeien, en duizend ducaten in de maand. Dan nog rijke kleeren en veel juweelen. Nooit heeft Arsénia het zoo schitterend gehad! Welk een ommekeer in mijn lot! Ik verbeeldde mij een ander mensch te zijn en ik verbaas er mij niet meer over, dat er meisjes zijn, die in korten tijd al de misère vergeten, waaruit de gril van een heer ze gehaald heeft. De toejuichingen van het publiek, de vleierijen van alle kanten en de hartstocht van don Ambrosio, maakten mij ongeloofelijk ijdel.

Don de Nosana kwam elken avond bij mij soupeeren met eenige van zijn vrienden. Ik begon zeer aan dat aangename leven gewend te raken, maar het duurde slechts zes maanden. De heeren zijn wispelturig. Anders zouden ze ook al te aardig zijn. Hij verliet mij voor een ander jong meisje. Vier en twintig uur was ik er bedroefd over, toen nam ik een cavalier van twee en twintig jaar, don Louis d'Alcacer, met wien zich, wat schoon uiterlijk betrof, weinig Spanjaarden kunnen vergelijken.

Zeker zult ge mij vragen waarom ik zoo'n jongen minnaar nam, maar don Louis had vader noch moeder meer en zijn eigen inkomsten. Wij hadden elkaar zeer lief. Maar het bleek al zeer spoedig, dat don Louis zeer jaloersch was en mij ieder oogenblik achtervolgde met ongerechtvaardigde verdachtmakingen. Wanneer ik op het tooneel was, meende hij, dat ik sommigen jongelieden aanmoedigende blikken toewierp en overlaadde mij met verwijten, zoodat onze meest teedere samenkomsten dikwijls met twisten eindigden. Hij scheen aan die jaloezie geen weerstand te kunnen bieden, wij verloren beiden het geduld en besloten op zekeren dag in der minne te scheiden. Wilt ge wel gelooven, dat de laatste dag van ons samenzijn nog het genoegelijkst voor ons was? Wij waren beiden vermoeid door het leed, dat we elkaar hadden gedaan en vonden er genoegen in, toen wij elkaar vaarwel zeiden. Wij waren als twee gevangenen, die na een harde slavernij hunne vrijheid hadden weerkregen.

Na dat avontuur ben ik zeer voorzichtig geworden in de liefde, ik wil geen verbintenis meer, die mijn rust verstoort.

In dien tijd legde ik mij zeer op mijn rollen toe en ik kreeg den naam van een uitstekende actrice. Toen het gezelschap te Granada mij een voordeelig aanbod deed, besloot ik dat aan te nemen, hoeveel het mij ook kostte om van Phénice en Dorothea afscheid te nemen, van wie ik zooveel hield als het onder vrouwen mogelijk is. De eerste hield zich in dien tijd druk bezig met den eigenaar van een goudsmidswinkel, die uit ijdelheid een actrice tot maîtresse wilde hebben.

Ik heb nog vergeten om te vertellen, dat ik, toen ik bij het tooneel ging, mijn naam Laura veranderde in Estelle.

Mijn debuut te Granada was even schitterend als te Sévilla. Weldra zag ik mij weer omringd door aanbidders. Maar ik was zeer voorzichtig en terughoudend, tot ik voor het eerst den markies de Marialva zag. Deze Portugees, die uit nieuwsgierigheid Spanje bereisde, kwam in Granada en hield zich daar op. Hij kwam in den schouwburg op een dag, dat ik niet speelde. Met groote attentie nam hij de actrices op, die toen optraden. Een was er, die in zijn smaak viel en den volgenden dag maakte hij kennis met haar. Maar toen verscheen ik op het tooneel en nam hem dadelijk voor mij in. Ik kan niet ontkennen, dat ik reeds wist dat mijne collega hem bevallen was; en ik spaarde geen moeite om hem te bekoren en dit gelukte mij. De andere was er wel zeer kwaad om, maar wat te doen? Ze moest maar denken, dat dit bij vrouwen een zeer natuurlijke zaak is, en dat zelfs de beste vriendinnen elkaar in dit opzicht niet sparen."

HOOFDSTUK VIII

Van de ontvangst, die de comedianten van Granada Gil Blas bereidden en van de kennismaking, die hij hernieuwde in de foyers van den schouwburg.

Toen Laura haar geschiedenis geëindigd had, kwam een oude actrice om haar mee te nemen naar den schouwburg. Mijn zuster stelde aan deze bejaarde figuur haar broeder voor en er volgden van weerszijden vele complimenten.

Ik verliet beiden, na Laura gezegd te hebben, dat ik haar in de comedie zou terugzien, als ik mijn goed had gebracht naar het huis van den markies de Marialva, dat ze mij had aangewezen. Met een man, die mijn koffer droeg, ging ik van mijn kamer naar het huis van mijn nieuwen meester. Ik werd ontvangen door den intendant, die mij zeer beleefd welkom heette en naar mijn kamer bracht. Dat was een klein vertrekje, boven in het huis, met een niet te groot bed, een kast en twee stoelen. Mijn geleider zei: "U hebt het hier niet te ruim, maar in Lissabon zult ge prachtig logeeren." Ik sloot mijn valies weg en vroeg hoe laat men soupeerde. Hij antwoordde mij, dat onze meester dat gewoonlijk niet thuis deed en aan ieder van zijn personeel maandelijks een zekere som gaf om voor zijn eigen voeding te zorgen. Nog andere vragen deed ik, en uit de antwoorden, die ik kreeg, leidde ik af, dat de lieden van den markies gelukkige nietsdoeners waren. Ik verliet den intendant, om Laura op te zoeken en hield mij onderweg aangenaam bezig met de voorstelling, die ik mij van mijn nieuwe betrekking maakte.

Aan den schouwburg had ik nog niet gezegd, dat ik de broeder was van Estelle, of alles stond voor mij open. De wachters maakten ruim baan voor mij, alsof ik een van de voornaamste personen van de stad was. Allen, die ik op mijn weg tegenkwam, waren buitengewoon beleefd. Maar dat alles beteekende nog niets, vergeleken bij de ontvangst, die mij in den foyer te beurt viel. Daar vond ik het geheele gezelschap gekleed en gereed om te beginnen. De acteurs en actrices, aan wie Laura mij voorstelde, wierpen zich als 't ware op mij. De vrouwen drukten hare gezichten op het mijne en bedekten het met rood en wit. Niemand wilde de laatste zijn, om mij te complimenteeren en ze begonnen allen tegelijk met mij te spreken. Het was mij onmogelijk om op alles antwoord te geven, maar mijn zuster kwam mij te hulp en haar geoefende tong maakte, dat iedereen zijn beurt kreeg.

Daarmee was ik er echter nog niet af, ik werd nog begroet door den decorateur, de violisten, den souffleur, den grimeur, den kaarsensnuiter en den onder-kaarsensnuiter. Het scheen wel, of al die menschen gevonden kinderen waren, die nooit een broer hadden gezien.

Intusschen begon men te spelen en ik bleef achter de coulissen, waar ik mij onderhield met de personen, die niet behoefden op te treden. Een was er onder hen, die Melchior werd genoemd. Die naam trof mij en het scheen mij, dat ik den man elders had gezien. Eindelijk herkende ik in hem Melchior Zapata, dien armen, rondreizenden tooneelspeler, die, zooals ik in het eerste gedeelte van mijn geschiedenis [1] heb meegedeeld, korsten brood doopte in een fontein.

Ik wendde mij tot hem en zei: "Als ik mij niet bedrieg, dan zijt ge dezelfde heer Melchior, met wien ik eens de eer heb gehad te ontbijten aan den rand van een bron, tusschen Valladolid en Ségovia. Ik was een barbiersleerling. Wij voegden onze provisie bij de uwe en hadden een maal, dat aangenaam gekruid werd door een gezellige conversatie."

Zapata dacht eenige oogenblikken na en antwoordde toen: "Ge spreekt me van iets, wat ik mij nog zeer goed kan herinneren. Ik had toen gedebuteerd in Madrid en keerde naar Zamora terug. Mijn zaken stonden toen zeer slecht."

"Ik herinner mij ook nog," zei ik, "dat ge u toen zeer beklaagde over een al te verstandige vrouw, die ge hadt."

"O, dat is sinds dien tijd veel verbeterd," antwoordde hij.

Ik wilde hem daarmee gelukwenschen, toen hij mij verlaten moest om op te treden. Benieuwd om iets omtrent die vrouw te vernemen, vroeg ik een anderen acteur, die me zei, "O, ge kunt haar zien, het is Narcissa, na uw zuster de mooiste van onze dames."

Er kwam een vermoeden bij mij op, dat deze actrice degene was aan wie de markies de Marialva het hof had gemaakt, voor hij zijn Estelle had ontmoet en mijn vermoeden bleek maar al te juist.

Aan het eind van het stuk bracht ik Laura naar huis. Men maakte een groote tafel gereed en ze wilde hebben, dat ik zou blijven soupeeren, maar ik wilde dat niet doen tegenover mijn meester en ging naar een restauratie, waar ik mij voornam iederen dag te gaan eten, daar mijn meester er geen tafel op nahield.

HOOFDSTUK IX

Met welken buitengewonen man hij dien avond soupeerde en wat er tusschen hen voorviel.

In de zaal bemerkte ik een soort van ouden monnik, die alleen in een hoek soupeerde. Uit nieuwsgierigheid ging ik tegenover hem zitten, ik groette hem zeer beleefd en hij beantwoordde mijn groet op dezelfde wijze. Men bracht mij mijn eten, waaraan ik met veel eetlust begon. Intusschen bemerkte ik, dat de oogen van den ouden man voortdurend op mij gericht waren. Daar mij dat begon te vervelen, zei ik: "Vader, kunnen wij elkaar misschien elders reeds hebben ontmoet? U ziet mij aan, als een man, dien u niet geheel onbekend is."

Hij antwoordde mij ernstig: "Indien ik mijn blikken op u laat rusten, dan is het om de groote verscheidenheid van avonturen te bewonderen, die aangegeven zijn in de trekken van uw gezicht." "Daaruit maak ik op, dat ge aan gelaatkunde doet," zei ik lachend.

"Ik kan zeggen, dat ik die kennis bezit," zei de monnik, "en daaruit voorspellingen te hebben gedaan, die in de toekomst bewaarheid zijn geworden. Ook kan ik voorspellen uit de hand en ik durf zeggen, dat mijn uitspraken onfeilbaar zijn, wanneer ik de inspectie van de hand vergeleken heb met die van het gezicht."