De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V

Chapter 3

Chapter 34,122 wordsPublic domain

"Monseigneur," zei ik, "den Hemel zij dank, dat die tijd nog ver verwijderd is. Een geest als de uwe blijft langer groot dan een andere. Ik beschouw u als een tweeden kardinaal Ximenès, wiens buitengewoon genie, inplaats van door de jaren te verzwakken, steeds nieuwe krachten ontving." "Vlei mij niet, mijn vriend. Op mijn leeftijd begint men gebreken te voelen en de gebreken van het lichaam veranderen den geest. Wees niet bevreesd om eerlijk te zijn. Ik zal je waarschuwing beschouwen als een bewijs van je genegenheid. Bovendien gaat het om je eigen belang. Als ik bij ongeluk vernam, dat men in de stad zei, dat mijn preeken minder werden en dat ik rust moest gaan nemen, verklaar ik je, dat je tegelijk met mijn vriendschap het fortuin zou verliezen, dat ik je beloofd heb."

Van dat oogenblik af was ik de verklaarde gunsteling van den aartsbisschop. Het personeel liet mij dat ook merken door buitengewone beleefdheden tegenover mij, om mijn gunst te winnen; ik kon bijna niet begrijpen, dat het uit Spanjaarden bestond. Van mijn positie maakte ik gebruik door te bewerken, dat mijn vriend Melchior een goede gratificatie kreeg.

Wat ik op zekeren dag voor een priester wist gedaan te krijgen, mag worden vermeld. Ik maakte kennis met een jongen priester, Louis Garcia, iemand met een zeer gunstig uiterlijk, naar ik vernam een eerlijk man, die aalmoezenier was geweest, maar dien men belasterd had bij monseigneur, die niets meer van hem wilde weten. Alle pogingen door verschillende personen in Granada gedaan, om hem weer in genade te doen opnemen, waren vruchteloos geweest. Gelukkig schreef hij een buitengewoon mooie hand en daardoor meende ik hem te kunnen helpen. Ik stak een door hem beschreven vel papier bij mij en toen ik alleen met den aartsbisschop was, liet ik hem dat zien. Mijn patroon prees het zeer en van die gelegenheid besloot ik gebruik te maken. "Monseigneur," zei ik, "daar ge weigert om uwe preeken te laten drukken, zou ik althans wenschen, dat ze zóó geschreven waren."

"Ik ben over uw schrift tevreden," zei de prelaat, "maar ik geef toe, dat ik wel graag van die hand een copie van mijn werk zou hebben." "U hebt maar te spreken," zei ik, "die man is een bekende van mij en misschien kunt u hem op die wijze helpen uit den treurigen toestand, waarin hij zich bevindt."

De aartsbisschop vroeg mij naar den naam. "Hij heet Louis Garcia," zei ik, "en is wanhopig over de ongenade, waarin hij bij u gevallen is." "Die Garcia," viel hij mij in de rede, "is, geloof ik, aalmoezenier geweest. Ik herinner mij nog de memories, die tegen hem zijn ingekomen. Op zijn gedrag moet nog al iets te zeggen zijn geweest." "Monseigneur," hernam ik, "het is niet mijn bedoeling, hem te rechtvaardigen, maar ik weet, dat de man vijanden heeft en hij zegt, dat die memories meer ingegeven zijn door zucht om hem te benadeelen, dan om de waarheid te zeggen." "'t Is mogelijk," zei de prelaat, "er zijn zulke slechte menschen in de wereld. Overigens, wanneer hij zich niet goed gedragen heeft, kan hij berouw daarover hebben. Voor alle zonden is er vergeving. Breng mij dien man maar."

Zoo ziet men, dat zelfs de meest strenge menschen hun strengheid vergeten, wanneer hun belang dit meebrengt.

Den volgenden dag bracht ik Garcia bij mijn meester, die hem eerst een kleine berisping gaf en daarna aan het werk zette, om zijn preeken in het net over te schrijven. Later benoemde hij hem weer tot priester en zelfs kreeg hij de parochie van Gabië, een groote plaats in de buurt van Granada. Wat een bewijs is, dat weldaden niet altijd bewezen worden aan hen, die ze verdienen.

HOOFDSTUK IV

De aartsbisschop krijgt een beroerte. Van de verlegenheid, waarin Gil Blas zich bevindt en op welke wijze hij er weer uitkomt.

Don Fernand de Leyva maakte zich gereed, om Granada te verlaten; ik ging afscheid van hem nemen en bedankte hem opnieuw voor de mooie betrekking, die ik gekregen had. "Ik ben daar zeer tevreden," zei ik. "de prelaat is buitengewoon goed voor mij en dat troost mij over het verlaten van don César en zijn zoon."

"Ik ben er van overtuigd," zei hij bij het scheiden, "dat uw vroegere meesters door uw heengaan een groot verlies hebben geleden, maar misschien zijt gij wel niet voor altijd van hen gescheiden. De geheele familie zal steeds levendig belang blijven stellen in uw lot."

Twee maanden later was er een groote opschudding in het bisschoppelijk paleis; mijn meester had een beroerte gekregen. Na eenige dagen echter, scheen hij weer te herstellen. Maar zijn geest had een gevoeligen schok gekregen. Ik merkte dat al dadelijk toen hij weer een preek maakte. Ik wachtte nog een tweede af en die was voor mij beslissend. Niet ik alleen merkte dit op, ook zijn toehoorders fluisterden het elkaar in stilte toe. "Komaan, mijnheer de criticus," zei ik tot mijzelf, "nu moet gij u voorbereiden op uw taak. Ge ziet, dat monseigneur minder wordt en ge moet hem waarschuwen; anders is een van zijn vrienden misschien vrijmoedig genoeg, om u voor te wezen. Ge zult dan geschrapt worden in zijn testament."

Maar bij die overdenkingen kwamen er weer andere. De waarschuwing was niet gemakkelijk te geven. Ik meende, dat een auteur, ingenomen met zijn werk, die misschien slecht zou kunnen opvatten. Maar ik verwierp die gedachte weer en geloofde, dat hij er onmogelijk kwaad om kon worden, na het van mij op zoo dringende wijze geëischt te hebben. Bovendien kon ik het handig inkleeden, om zoodoende de pil te vergulden. Bij slot van rekening vond ik het gevaarlijker om het stilzwijgen te bewaren, dan het te verbreken. Dus besloot ik te spreken.

Ik was er nu alleen nog maar verlegen mee, hoe te beginnen. Gelukkig kwam de redenaar mij onverwachts zelf te hulp, door mij te vragen, wat men zei van zijn laatste preek. Ik antwoordde hem, dat men altijd zijn preeken bewonderde, maar dat zijn laatste niet zulk een diepen indruk op het gehoor had gemaakt als de andere. Hij toonde zich daar verwonderd over en ik haastte mij te zeggen, dat niemand het waagde zijn werk te critiseeren, maar dat hij mij zelf had bevolen ronduit met hem te spreken en dat ik daarom de opmerking waagde, dat zijn laatste preek in kracht bij de andere achterstond.

Mijn woorden deden hem verbleeken en hij zeide met een gedwongen glimlach: "Dat stuk is dus niet naar uw zin geweest, mijnheer Gil Blas?" "Ik vond het uitstekend," hernam ik, "maar het stond niet even hoog als uw ander werk."

"Ik begrijp u," antwoordde hij, "Het schijnt u toe, dat ik minder word en dat ik eraan moet gaan denken, om mij terug te trekken." Ik zei hem, dat ik nooit de stoutmoedigheid zou hebben gehad, zoo tot hem te spreken, indien hij het niet zelf mij had bevolen, dat ik dus niet anders had gedaan dan hem gehoorzamen en dat ik hoopte, dat hij mij dit niet kwalijk zou nemen. "Daar denk ik niet aan, om het u kwalijk te nemen," zei hij, "ik zou al zeer onrechtvaardig zijn, indien ik dat deed en ik vind het volstrekt niet verkeerd, dat ge mij uw meening zegt. 't Is alleen uw meening zelve, die ik verkeerd vind. Ik ben de dupe geworden van uw bekrompen verstand."

Hoe ontdaan ook, zocht ik toch nog naar woorden om den redenaar, die niet anders gewoon was, dan zich te hooren prijzen, zachter te stemmen. "Laten wij er niet verder over spreken, mijn zoon," zei hij, "ge zijt nog te jong, om het ware van het valsche te onderscheiden. Neem van mij aan, dat ik nooit een betere preek heb geleverd dan de laatste, die niet naar uw smaak was. Mijn geest heeft gelukkig nog niets van zijn kracht verloren. Voortaan zal ik echter beter mijn vertrouwelingen kiezen. Ik wil bekwamere mannen dan gij zijt, om mijn werk te beoordeelen. Ga mijn schatmeester zeggen, dat hij u honderd ducaten uitbetaalt en met die som hoop ik, dat de hemel u zal geleiden. Vaarwel, mijnheer Gil Blas! Ik wensch u allen voorspoed en een weinig meer smaak,"

HOOFDSTUK V

Wat Gil Blas deed, nadat de aartsbisschop hem zijn ontslag had gegeven. Door welk toeval hij den geestelijke ontmoette, die zooveel verplichting aan hem had en welke bewijzen van erkentelijkheid hij van hem ontving.

Ik verliet het kabinet, de gril, of liever de zwakheid van den aartsbisschop verwenschende en meer vervuld van toorn tegen hem, dan met droefheid over het verlies van zijn gunst. Eenigen tijd aarzelde ik zelfs, of ik zijn honderd ducaten wel zou gaan ontvangen; maar na goed te hebben nagedacht, besloot ik niet zoo dwaas te zijn, die te laten loopen. Ik meende, dat dit geld mij niet het recht zou ontnemen, om den prelaat belachelijk te maken, wat ik voornam te doen bij elke gelegenheid, dat zijn preeken ter sprake zouden komen.

Dus ging ik de honderd ducaten aan den schatmeester vragen, zonder hem met een enkel woord te spreken over hetgeen er tusschen zijn meester en mij was voorgevallen. Daarna ging ik afscheid nemen van Melchior de la Ronda. Hij hield te veel van mij, om niet getroffen te zijn door mijn ongeluk. Dat kon ik aan zijn gelaat zien, terwijl ik hem het geheele verhaal deed. Niettegenstaande al het respect, dat hij voor den aartsbisschop had, keurde hij deze handelwijze sterk in hem af; maar, toen ik in mijn toorn riep, dat ik het hem betaald zou zetten, zei hij: "Mijn waarde Gil Blas, geloof mij, 't is beter uw verdriet in stilte te dragen. Gewone menschen moeten altijd personen van hoogen stand respecteeren, ook al hebben zij reden zich over hen te beklagen. Wel geef ik toe, dat zij vaak verdienen, om met minder eerbied behandeld te worden, maar zij kunnen ons benadeelen, dus moeten wij hen vreezen."

Ik bedankte mijn ouden vriend voor zijn raad en besloot daarvan te profiteeren. Daarna zei hij nog: "Indien ge naar Madrid gaat, bezoek dan Jozeph Navarro, mijn neef, hij is chef van dienst bij don Baltazar de Zuniga en ik durf te zeggen, dat hij uw vriendschap waard is, hij is levendig, flink en voorkomend. Ik zou wel wenschen, dat ge met hem kennis maakte." Ik antwoordde, dat ik niet zou nalaten Joseph Navarro te gaan opzoeken, zoodra ik in Madrid zou zijn, waarheen ik wel zou terugkeeren. Vervolgens verliet ik het bisschoppelijk paleis, om er nooit weer een voet in te zetten. Indien ik mijn paard nog had gehad, zou ik zonder twijfel naar Tolédo zijn gegaan, maar ik had het verkocht, omdat ik het niet meer dacht noodig te hebben. Het eerste wat ik nu deed, was een kamer zoeken, want ik wilde nog een maand in Granada blijven en daarna den graaf de Polan opzoeken.

Toen de tijd voor het diner naderde, vroeg ik mijn hospita of er niet een goede restauratie in de buurt was. Ze antwoordde mij, dat er een uitstekende was op twee passen afstand van haar huis, waar men zeer goed werd bediend en waar veel nette lieden kwamen.

Ik ging er dadelijk heen en trad een zaal binnen, waar tien of twaalf personen aan een niet al te zindelijke tafel zaten. De portie eten, die men mij bracht, was van dien aard, dat ik op een anderen tijd zeker mijn vorige tafel zou hebben betreurd, maar ik was daarover nu te kwaad op den aartsbisschop.

Terwijl ik zoo, zonder dat ik reden had om bang te zijn, dat ik mijn maag zou overladen, zat te eten, kwam Louis Garcia, die pastoor van Gabie, bij Granada, was geworden, de zaal binnen. Hij was zeer verheugd mij te zien, kwam naast mij zitten en zei, na nogmaals van zijn dankbaarheid te hebben gesproken: "Nu de fortuin mij u doet ontmoeten, zullen we niet scheiden voor we samen hebben gedronken. Maar, daar er hier geen goeden wijn te krijgen is, zullen we op een andere plaats een fijne flesch nemen. Wij moeten ons dit genoegen veroorloven, weiger het mij niet. Wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik u eens in mijn pastorie te Gabie mag zien! Ge zult daar ontvangen worden als een edelmoedige Mécénas, aan wien ik het gemakkelijke leven, dat ik nu leid, dank."

Hij begon te eten en intusschen vertelde ik hem zoo nauwkeurig mogelijk alles wat er tusschen den aartsbisschop en mij was voorgevallen. Ik had verwacht, dat hij zijn leedwezen daarover zou hebben betuigd, dat hij bitter en scherp over den aartsbisschop zou zijn uitgevallen. Maar niets van dit alles, hij werd stil en nadenkend. Toen hij gegeten had, stond hij plotseling van tafel op, groette mij koel en vertrok. Toen hij zag, dat ik hem niet meer nuttig kon zijn, bespaarde die ondankbare zich zelfs de moeite niet mij zijn gevoelens te verbergen. Ik lachte om zijn ondankbaarheid en hem aanziende met al de minachting, die hij verdiende, riep ik, hard genoeg om gehoord te worden: "Hallo! mijnheer de wijze aalmoezenier, ga de fijne flesch vast laten afkoelen, waarop ge mij zoudt onthalen!"

HOOFDSTUK VI

Gil Blas gaat de comedie te Granada bezoeken. Van de verwondering, die het zien van een actrice bij hem opwekte en hetgeen daardoor gebeurde.

Garcia was nog niet uit de zaal, of er traden twee fatsoenlijk gekleede heeren binnen, die dicht bij mij kwamen zitten. Ze begonnen te spreken over den schouwburg te Granada en het nieuwste stuk, dat men speelde. Volgens hen trok dat stuk algemeen de aandacht. Door wat ik hoorde, kreeg ik lust het eens te gaan zien. Ik had de comedie nog niet bezocht, sedert ik te Granada was, want bij den aartsbisschop wilde men daar niets van weten. De preeken waren mijn eenig amusement geweest.

Toen het tijd werd, ging ik dus naar den schouwburg, waar een talrijk publiek bijeen was. Om mij heen hoorde ik niets dan beschouwingen over het stuk en ik merkte op, dat de geheele wereld zich tot oordeelen bevoegd achtte. De een verklaarde zich er voor, de ander er tegen. "Heeft men wel ooit een beter geschreven werk gezien?" werd rechts gevraagd. "Wat een erbarmelijke stijl!" klonk het links. Waarlijk, indien er al veel slechte schrijvers zijn, moet men toegeven, dat er nog meer slechte critici bestaan. En als ik denk aan alles wat de dichters van drama's te slikken krijgen, verwonder ik er mij over, dat er nog zijn, die de onwetendheid van het groote publiek en de gevaarlijke kritiek van z. g. deskundigen, die soms het oordeel van de menigte bederven, trotseeren.

Dadelijk toen de meest gewilde acteur op de planken verscheen, was er een algemeen handgeklap. Het bleek me een van die tooneelspelers aan wie het parterre alles vergeeft. Ik merkte, dat hij sommige oogenblikken uit zijn rol was en dan eigenlijk meer verdiende om uitgefloten, dan om toegejuicht te worden.

Ook bij het opkomen van enkele andere acteurs werd er geklapt en eveneens bij het verschijnen van een actrice, die een kamenier's rol had te vervullen. Ik keek haar goed aan en kon geen woorden vinden, om mijn verbazing te uiten, toen ik Laura zag, mijn dierbare Laura, die ik nog te Madrid bij Arsénia waande. Ik kon er niet aan twijfelen, of zij was het. Haar taille, haar trekken, de toon van haar stem, alles verzekerde mij, dat ik mij niet vergiste. Daar ik echter mijn oogen en ooren niet vertrouwde, vroeg ik haar naam aan een heer, die naast mij zat. "Ge zijt zeker een nieuweling hier, dat ge de schoone Estelle niet kent," zei hij.

De gelijkenis was echter te treffend, dan dat ik mij kon vergissen. Dus besloot ik, dat Laura haar naam had verwisseld en benieuwd om iets anders omtrent haar te weten--want het publiek weet in den regel alles van bekende acteurs en actrices--vroeg ik den man naast mij, of ze ook een minnaar had, die zich in haar bijzondere onderscheiding mocht verheugen. Hij antwoordde mij, dat er sinds twee maanden in Granada een Portugeesch heer was, genaamd markies de Marialva, die zich zeer veel aan haar gelegen liet liggen. Mijn gedachten waren door hetgeen ik van mijn buurman had gehoord, zoo in beslag genomen, dat ik weinig aandacht meer schonk aan het stuk. Ik dacht slechts aan Laura, aan Estelle, en nam mij voor haar den volgenden dag te gaan bezoeken.

In de schitterende omstandigheden, waarin ze zich nu bevond, had ik reden te vermoeden, dat het zien van mij haar geen groot genoegen zou doen. Ook had zij er wel aanleiding toe, om ontevreden op mij te zijn, maar dat alles kon mij niet van mijn plan terughouden. Na een karig maal (er waren n.l. geen andere in mijn hotel) ging ik naar mijn kamer en wachtte vol ongeduld op den volgenden morgen.

Ik sliep dien nacht slecht en stond op bij het krieken van den dag. Daar ik onderstelde, dat de maîtresse van een grooten mijnheer 's morgens wel niet te vroeg op zou zijn, besteedde ik drie of vier uur om mij te kleeden, kappen, scheren en poederen. Ik wilde mij zoo aan haar vertoonen, dat ze zich niet voor mij behoefde te schamen. Over tienen was ik aan een groot huis, waarvan zij de eerste verdieping bewoonde. Tegen de dienstbode, die voor mij de deur opende, zei ik, dat een jonge man mevrouw Estelle wenschte te spreken. De boodschap werd overgebracht en ik hoorde met luide stem vragen: "Waar is die jonge man? Wat wil hij van mij? Laat hem binnenkomen!"

Ik leidde daaruit af, dat ik mijn tijd slecht had gekozen, dat haar Portugeesche beminde zeker aan zijn toilet bezig was en dat zij alleen maar zoo hard praatte, om hem te overtuigen, dat zij niet iemand was, die verdachte bezoeken ontving. Wat ik vermoedde, bleek waarheid; de markies de Marialva bracht steeds de ochtend met haar door. Ik verwachtte dus een alles behalve vriendelijke ontvangst, toen de actrice met open armen op mij toeliep en riep: "O, mijn broer! wat ben ik blij je te zien!" Bij die woorden omhelsde ze mij en keerde zich daarna tot den Portugees: "Vergeef mij, wij hebben elkaar in geen drie jaren gezien en ik heb mijn broer innig lief." Daarna wendde zij zich weer tot mij en zei: "Mijn waarde Gil Blas, vertel mij nu eens spoedig al het nieuws omtrent de familie."

In het begin was ik wel een beetje verlegen, maar spoedig kwam ik op mijn gemak, ik vertelde, dat het met onze ouders zeer goed ging en het werd een aardige scène.

"Ik twijfel er niet aan," zei ze, "of ge zult verwonderd zijn, mij als actrice in Granada te zien, maar veroordeel mij niet zonder mij te hooren. Het is nu, zooals ge weet, drie jaar geleden, dat mijn vader mij goed dacht uit te huwelijken, door mijn hand te schenken aan den kapitein, don Antonio Coello, die mij van Asturië meenam naar Madrid, zijn geboorteplaats. Zes maanden na onze aankomst, werd hij door zijn heftig karakter in een eerezaak gewikkeld. Hij doodde een edelman, die het gewaagd had mij eenige attenties te bewijzen. Daar de gevallene tot een aanzienlijke familie behoorde, moest mijn man dadelijk vluchten naar Catalonië. Al het geld en het edelgesteente, dat hij in ons huis vond, had hij meegenomen. Hij scheepte zich te Barcelona in, stak over naar Italië, trad in dienst van Venetië en verloor na eenigen tijd het leven in een gevecht tegen de Turken. Het landgoed, dat wij bezaten en dat zeer bezwaard was, werd verkocht en ik bleef als een onvermogende weduwe achter. Ik zag geen kans naar Asturië terug te keeren. Wat zou ik er hebben moeten doen? Van mijn familie zou ik voor troost niets als condoleanties hebben gekregen. Wat moest ik doen in dien ongelukkigen toestand? Voor een jonge weduwe was dat een moeilijke zaak. Ik had een zeer goede opvoeding gehad en om mijn goeden naam te bewaren, werd ik actrice.

Hoewel ik bepaald moeite had, om bij het einde van den roman van Laura niet in lachen uit te barsten, zei ik op ernstigen toon: "Mijn zuster, ik kan niet anders dan uw gedrag goedkeuren en het verheugt mij u in Granada zoo goed te zien ingericht."

De markies de Marialva, die geen woord gemist had van het verhaal, dat de weduwe van don Antonio had verzonnen, mengde zich in ons gesprek en vroeg mij, of ik in Granada of elders een betrekking had. Ik dacht er een oogenblik aan, om te liegen, maar daar ik dat niet noodzakelijk vond, besloot ik de waarheid te zeggen en vertelde hem hoe ik bij den aartsbisschop was gekomen en op welke wijze ik hem had verlaten, een verhaal, waarmee hij zich kostelijk amuseerde. Vermakelijk ook was het lachen, dat Laura herhaaldelijk deed. Natuurlijk dacht zij, dat ik haar voorbeeld volgde en een fabeltje vertelde.

Nauwelijks had ik mijn verhaal geëindigd, of een huisknecht kwam zeggen, dat de tafel klaar was. Ik wilde opstaan en mij verwijderen, maar daarvan wilde Laura niet hooren. "Waar denkt ge aan? Ge dineert met ons. En ik wil niet hebben, dat ge langer op die kamer blijft wonen. Laat uw goed vanavond hier brengen en neem bij ons uw intrek."

De Portugeesche heer, wien die gastvrijheid zeker geen genoegen deed, zei: "Neen Estelle, ge zijt er hier niet op ingericht, om nog iemand te huisvesten. Uw broer schijnt mij een beminnelijk man en zijn verwantschap met u boezemt mij belangstelling voor hem in. Ik wil hem in mijn dienst nemen, hij kan mijn secretaris worden en is dan verzekerd van een goede positie. Hij kan bij mij wonen, ik zal heden nog een kamer in orde laten maken. Ik geef hem vierhonderd ducaten salaris en wanneer ik reden heb over hem tevreden te zijn, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij zich er wel spoedig over troosten, dat hij te oprecht is geweest tegen zijn aartsbisschop."

Laura en ik putten ons uit in dankbetuigingen, maar de markies wilde er niets van hooren, hij groette zijn theaterprinses en ging heen.

Nauwelijks was hij vertrokken, of Laura nam mij mee in haar kabinet, viel in een fauteuil en begon onbedaarlijk te lachen, welk voorbeeld ik onmogelijk na kon laten te volgen.

"Gil Blas! Wat hebben wij daar een mooie comedie gespeeld! Maar ik had op zulk een ontknooping niet gerekend. Ik wilde je alleen maar een kamer en eten besparen en om je die met goed fatsoen te kunnen aanbieden, liet ik je voor mijn broer doorgaan. Maar 't is verrukkelijk, dat je door het toeval nu zoo'n goeden post is aangeboden. Markies de Marialva is een edelmoedig man, die nog wel meer voor je doen zal, dan hij nu beloofde. Een andere vrouw dan ik zou misschien een man, die haar verlaten heeft zonder haar vaarwel te zeggen, niet zoo vriendelijk hebben ontvangen, maar ik ben nu eenmaal van dat goede slag meisjes, die altijd met genoegen een oude liefde weerzien."

Ik vroeg vergiffenis voor mijn onbeleefd gedrag en Laura bracht me daarna in een zeer nette eetzaal, waar we ons aan tafel zetten en elkaar, daar er bedienden tegenwoordig waren, als broeder en zuster behandelden. Na het diner gingen wij weer in het kabinet. Daar moest ik Laura alles vertellen, wat er na onze scheiding met mij was gebeurd. Ik deed haar een zoo getrouw mogelijk rapport en toen ik aan haar nieuwsgierigheid had voldaan, bevredigde zij de mijne.

HOOFDSTUK VII

Geschiedenis van Laura.

Ik zal u zoo duidelijk mogelijk vertellen, door welk toeval ik mijn tegenwoordig vak heb gekozen.

Nadat ge mij op zoo beleefde wijze verlaten hadt, gebeurden er groote dingen. Arsénia, mijn meesteres, vermoeid van de wereld, zei het tooneel vaarwel en nam mij mee naar een landgoed, dat ze gekocht had bij Zamora. Wij hadden weldra vele kennissen in die kleine stad en ik ontmoette er don Felix Maldonado, eenigen zoon van den rechter. Ik beviel hem en hij zocht naar gelegenheden, om mij zonder getuigen te spreken; om je de waarheid te zeggen, kan ik niet ontkennen, dat ik hem hielp, om die te vinden. Hij was nauwelijks twintig jaar, schoon en door zijn galante manieren nog meer verleidelijk, dan door zijn uiterlijk. Al spoedig bood hij mij met zooveel aandrang een prachtigen brillant aan, dien hij aan den vinger droeg, dat ik niet kon weigeren.

Wat een onvoorzichtigheid echter van een grisette, om kinderen tot zich te trekken, waarover een vader macht bezit. De rechter, de strengste in zijn soort, haastte zich, toen hij van onze verstandhouding hoorde, om er een eind aan te maken. Hij liet mij oplichten door eenige gerechtsdienaren, die mij, niettegenstaande mijn kreten, naar een klooster brachten.