De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V

Chapter 25

Chapter 253,068 wordsPublic domain

"Ik ben daar al aan gewoon," zei hij, "al ben ik zoo langen tijd steeds door allerlei zaken in beslag genomen geweest, van dag tot dag krijg ik meer genoegen in het stille en vreedzame leven, dat ik nu leid."

HOOFDSTUK XI

De graaf-hertog wordt plotseling somber en droomerig. Van de wonderlijke oorzaak van zijn droefgeestigheid en haar verdrietige gevolgen.

Mijn meester had er soms ook genoegen in, om in zijn tuin te werken. Lachend sprak hij dan wel eens van een minister, die verbannen was geworden van het hof en nu tuinman was te Loeches.

We waren allen verheugd, dat onze meester zulk een genoegen schepte in een leven, zoo geheel verschillend van hetgeen hij tot nog toe had geleid. Tot ons groot leedwezen bemerkten wij echter na eenigen tijd, dat hij veranderde. Hij werd somber en verviel in een diepe droefgeestigheid. Met ons spelen deed hij niet meer en alles wat wij trachtten te doen om hem te verstrooien, scheen hem onverschillig te laten. Eerst dachten we, dat het verdriet over het verlies van zijn hooge positie weer was teruggekomen. De woorden van zijn biechtvader echter, die hem vroeger zoo goed met dit verlies hadden kunnen troosten, bleven thans zonder uitwerking.

Het kon niet anders of deze toestand moest een geheime oorzaak hebben, die hij ons niet wilde meedeelen.

"Mijnheer," vroeg ik, toen ik eens alleen met hem was, met een mengeling van eerbied en genegenheid, "mag Gil Blas zijn meester een vraag doen?"

"Zeker. Spreek maar," antwoordde hij.

"Wat is er geworden van de tevreden uitdrukking, die eenigen tijd geleden nog op uw gelaat lag? Doet het verlies van uw verloren positie u opnieuw verdriet?"

"Neen, ik denk in het geheel niet meer aan wat ik vroeger ben geweest, alle eerbewijzen heb ik voor altijd vergeten."

"Maar waarom hebt ge dan geen kracht u te verzetten tegen een droefgeestigheid, die ons allen zoo ongerust maakt? Wat is er toch, mijn goede meester? Kunt ge er een geheim van maken voor Santillano, wiens trouw en bescheidenheid ge kent? Door welk ongeluk kan ik uw vertrouwen hebben verbeurd?"

"Dat bezit ge nog altijd, maar ik zie er tegen op om te spreken over hetgeen mij in zulk een droevige stemming brengt. Ik kan alleen aan een dienaar en vriend als Santillano een dergelijke vertrouwelijke mededeeling doen. Ik ben ten prooi aan een sombere zwaarmoedigheid, die het eind van mijn leven verhaast. Voortdurend word ik achtervolgd door allerlei nare visioenen, die zich aan mijn oogen voordoen. Al is mijn hoofd sterk genoeg om mij te zeggen, dat dergelijke zaken niets te beteekenen hebben, ze keeren steeds terug."

Met verwondering had ik hem aangehoord; ik begreep nu, dat hij ziek was.

"Mijnheer," vroeg ik, "kan het misschien ook een gevolg zijn van onvoldoende voeding? U eet zoo weinig."

"Dat heb ik ook gedacht en daarom heb ik sinds eenige dagen meer gegeten, maar het is alles nutteloos! Het spookbeeld verdwijnt niet."

Weinig tijd daarna werd de graaf-hertog ziek. Hij gevoelde, dat zijn toestand ernstig was en ontbood een notaris, die zijn testament moest opmaken.

Ook kwamen er drie beroemde geneesheeren bij hem, die de reputatie hadden, dat zij soms hun zieken genazen en die naar het voorbeeld van dokter Sangrado begonnen met aderlatingen en dat zes dagen volhielden. Den zevenden dag was hij bevrijd van visioenen.

Na den dood van onzen meester heerschte er in het kasteel te Loeches een oprechte droefheid. Alle bedienden beweenden hem. Wel verre van ons te troosten met de zekerheid in het testament te staan, was er niet een, die niet gaarne afstand zou hebben gedaan van zijn legaat, om onzen heer weer in het leven te kunnen roepen.

Wat mij betreft, ik, die zoo aan hem was gehecht, heb, geloof ik, bij den dood van Antonia niet meer tranen vergoten, dan bij den zijne.

HOOFDSTUK XII

Van wat er op het kasteel de Loeches gebeurde, na den dood van den graaf-hertog en wat Gil Blas deed.

Onze meester werd, zooals hij gewenscht had, op eenvoudige wijze begraven. Daarna liet mevrouw het testament lezen, waaruit bleek, dat alle bedienden goed waren bedacht. Mijn legaat was het grootste; ik kreeg tienduizend pistolen, als blijk van de ongewone genegenheid, die hij voor mij had gehad.

Mevrouw zond alle bedienden naar Madrid, waar de intendant don Raimond Caporis de legaten uitbetaalde. Ik kon niet meegaan, want ik was ziek. Zeven of acht dagen moest ik te bed blijven en in dien tijd verliet de Dominicaner-priester, die de biechtvader van mijn meester was geweest, mij bijna niet.

De goede geestelijke, die vriendschap voor mij gevoelde en belang stelde in mijn heil, vroeg mij toen ik begon te herstellen, wat ik wilde gaan doen.

"Ik weet het nog niet vader, er zijn oogenblikken, dat ik mij in een cel zou willen opsluiten voor boetedoening."

"Profiteer van die oogenblikken mijn zoon. Ik zou u aanraden u in ons klooster te Madrid terug te trekken. Word er een weldoener van, door het uwe goederen te schenken en sterf als een heilige Dominicaner. Er zijn veel menschen, die een wereldsch leven zoo eindigen."

In den gemoedstoestand, waarin ik mij op dat oogenblik bevond, was ik wel geneigd den raad van den priester te volgen. Maar Scipio, die een oogenblik later bij mij kwam, bracht mij tot andere gedachten.

"Wel foei! mijnheer de Santillano. Dat is een ziekelijke gedachte! Is uw kasteel te Lirias niet een aangenaam verblijf? Vroeger hadt ge daar reeds zulk een genoegen in en bij het klimmen van de jaren moet het grooter zijn geworden."

Scipio hoefde niet veel moeite te doen om mij van plan te doen veranderen en ik besloot naar mijn kasteel terug te gaan.

Zoodra ik hersteld was, ging ik naar Madrid, waar ik mijn legaat in ontvangst nam en orde stelde op mijn overige zaken.

Met Scipio sprak ik af, dat hij me zou vergezellen naar Lirias. Den avond voor ons vertrek vroeg ik hem, of hij afscheid had genomen van don Henri.

"Ja," antwoordde hij, "wij zijn vanmorgen in der minne gescheiden. Hij heeft mij gezegd, dat het hem speet, dat ik heenging; maar al was hij tevreden over mij, ik was het weinig over hem. Het is niet voldoende, dat de knecht den meester bevalt, de meester moet den knecht ook bevallen, anders passen zij niet bij elkaar. Overigens maakt don Henri zoowel aan het hof als in de stad een treurig figuur. Er was geen eer aan te behalen."

Zoo vertrokken wij dus weer uit Madrid en sloegen den weg in naar Cuença. Scipio en ik zaten met een koetsier in een wagen, getrokken door twee muilezels. Daarachter kwamen drie muilezels, beladen met ons geld en ons goed en bij ieder een drijver. Al die mannen waren gewapend met sabels en pistolen en daarachter volgden twee tot aan de tanden gewapende lakeien. Wij waren dus met zeven man, waarvan er zes dapper waren en behoefden niet bang te zijn voor onze veiligheid.

In de dorpen, waar wij doorreden, kwamen de boeren op het geluid van de schelletjes, die onze muilezels droegen, naar buiten, om onze equipage te bewonderen. Het scheen hun zeker wel, of er een grande op weg ging, om ergens het ambt van onderkoning te gaan bekleeden.

HOOFDSTUK XIII

Van den terugkeer van Gil Blas in zijn kasteel. Van de vreugde, die hij had de kleine Séraphine weer te zien en op welke dame hij verliefd werd.

Wij maakten geen groote dagreizen en hadden veertien dagen noodig om te Lirias te komen. Het gezicht van mijn kasteel wekte eerst droevige gedachten bij mij op, omdat het mij herinnerde aan Antonia; maar er waren twee-en-twintig jaren sinds haar dood voorbijgegaan en mijn smart was gesleten.

Béatrix en haar dochter kwamen ons hartelijk welkom heeten. Ik vond het jonge meisje zeer bekoorlijk.

"Hoe is 't mogelijk!" riep ik uit, "dat dit de kleine Séraphine is! We moeten er aan gaan denken haar uit te huwelijken."

"Wel beste peetvader!" zei het meisje en zij bloosde een weinig, "u ziet mij nog maar een oogenblik en nu wilt ge u al van mij ontdoen!"

"Neen, mijn kind," antwoordde ik, "wij willen geen man voor u, die u ons ontneemt, maar een die, om zoo te zeggen, met ons kan samenleven."

"Er heeft zich al iemand voorgedaan," zei Béatrix. "Een jonge edelman uit deze streek heeft Séraphine in de mis gezien en is verliefd op haar geworden. Hij is bij mij gekomen en heeft zijn liefde geopenbaard, maar ik heb hem natuurlijk gezegd, dat de beslissing afhing van haar vader en van den heer van het kasteel. Nu ge beiden teruggekomen zijt, kan hij zich tot u wenden."

"Wat voor man is het?" vroeg Scipio. "Is hij trotsch op zijn adel en ziet hij laag op ons neer?"

"O neen, hij is een zeer zachte en beleefde jongeman, met een goed uiterlijk en nog geen dertig jaar oud."

"Ge geeft ons daar een mooi portret," zei ik. "En hoe heet hij?"

"Don Juan de Jutella," antwoordde de vrouw van Scipio. "Hij woont op zijn kasteel op een uur afstand van hier met zijn zuster."

"Ik heb vroeger," zei ik, "van die familie hooren spreken. Ze behoort tot den voornamen adel van Valencia."

"Op zijn karaktereigenschappen let ik meer dan op zijn adel," zei Scipio.

Séraphine beantwoordde haar vader door te zeggen, dat de jonge man in zijn omgeving zeer werd geacht, waarna hij en ik elkaar aankeken en begrepen, dat de galant het meisje niet onverschillig was.

Reeds spoedig maakten wij kennis met hem, want hij kwam ons twee dagen later op het kasteel bezoeken. Als buurman kwam hij ons gelukwenschen met onze terugkomst en ons welkom heeten.

De jongeman maakte op mij een zeer gunstigen indruk. Hij sprak nog niet van zijn liefde, maar gaf wel den wensch te kennen, dat wij, als goede buren, elkaar dikwijls zouden zien.

Toen hij weg was, vroeg Béatrix hoe wij over hem dachten. Zoowel Scipio als ik meende, dat zich voor Séraphine geen betere partij kon voordoen.

Den volgenden dag brachten Scipio en ik een tegenbezoek aan don Juan de Jutella. Zijn antiek kasteel lag in een bosch, aan den voet van een berg. Het gebouw was min of meer vervallen, maar goed gemeubileerd.

Don Juan ontving ons in een zaal, waar hij ons aan een dame voorstelde, zijn zuster Dorothea, die ongeveer twintig jaar kon zijn. Zij was sierlijk gekleed, alsof ze bezoek had verwacht en ze was bekoorlijk. Ze maakte op mij denzelfden indruk als vroeger Antonia deed, dat is te zeggen, dat ik verlegen was, maar ik wist mijn verlegenheid zoo goed te verbergen, dat ze zelfs Scipio niet opviel.

Onze gastheer sprak nog niet van zijn liefde voor Séraphine. Wij onderhielden ons eenigen tijd aangenaam en ik kon daarbij mijn oogen moeilijk van Dorothea afhouden.

Toen wij naar huis terugkeerden, sprak ik onophoudelijk van haar.

"Wel mijnheer," zei Scipio, "ge houdt u zoo druk bezig met de zuster van don Juan! Ge zijt toch niet verliefd op haar?"

"Ja, mijn vriend," antwoordde ik en ik werd rood van schaamte. "Sinds den dood van Antonia, heb ik duizend mooie vrouwen gezien, die mij onverschillig lieten. Moet ik nu op mijn leeftijd nog verliefd worden, zonder dat ik mij daartegen kan verdedigen?"

"Ge moest u daarover verheugen, inplaats van u te beklagen," zei Scipio, "ge zijt nog niet op een leeftijd, dat het belachelijk is, om verliefd te zijn en uw uiterlijk is nog goed genoeg, om een meisje te bevallen. Geloof mij, als ge don Juan weerziet, vraag hem dan zijn zuster. Hij zal u haar niet weigeren, vooral niet, omdat ge ook van adel zijt. Na vier of vijf geslachten, zal dat van Santillano misschien een der schitterendste zijn."

HOOFDSTUK XIV

Het dubbel huwelijk, dat te Lirias plaats had en dat het einde is van de geschiedenis.

Scipio moedigde mij door zijn woorden aan, om Dorothea mijn liefde te verklaren. Hoewel ik er zeker tien jaar jonger uitzag dan ik was, maakte ik mij toch ongerust over de wijze, waarop mijn aanzoek zou worden opgenomen.

Den volgenden dag, toen ik juist bezig was mij te kleeden, kwam don Juan bij mij om mij, naar hij zei, over een ernstige zaak te spreken.

Ik liet hem in mijn kabinet, waar hij mij dadelijk het doel van dit bezoek begon mee te deelen.

"Het zal u wellicht niet onbekend zijn," zei hij, "dat ik Séraphine liefheb. Gij hebt veel invloed op haar vader, help mij en ik zal u het geluk van mijn leven te danken hebben."

"Mijnheer," antwoordde ik hem, "ge zult er misschien geen bezwaar tegen hebben, dat ik uw voorbeeld volg. Ik beloof u, bij den vader van Séraphine voor u te spreken, doe hetzelfde voor mij bij uw zuster."

Bij deze woorden liet don Juan een aangename verrassing blijken, die ik als een gunstig teeken voor mij beschouwde. "Is het mogelijk!" riep hij, "dat Dorothea uw hart heeft veroverd?"

"Ik zou de gelukkigste van alle menschen zijn," antwoordde ik, "indien mijn aanzoek gunstig door haar en u werd ontvangen."

"Daar kunt ge zeker van zijn," zei hij, "al zijn wij van adel, we zullen prijs stellen op een verbintenis met u."

"Het doet mij genoegen," hernam ik, "dat ge verstandig genoeg zijt, om de hand van uw zuster ook te willen schenken aan een burgerman. Maar wanneer ge ijdel genoeg waart, om haar alleen te willen geven aan een edelman, dan zou ik u ook kunnen tevreden stellen. Ik heb twintig jaar gewerkt in de bureaux van het ministerie en om de diensten, die ik aan den staat heb bewezen, te beloonen, heeft de koning mij brieven van adeldom verleend, die ik u zal toonen."

Daarop bracht ik mijn papieren te voorschijn, die hij met kennelijk genoegen inzag.

"Nog beter!" zei hij, "Dorothea is voor u."

"En gij kunt rekenen op Séraphine," riep ik.

Tot de twee huwelijken was dus besloten, indien althans de dames daaraan hare goedkeuring wilden hechten. Want don Juan, zoowel als ik waren beiden veel te fijngevoelig zonder haar toestemming onzen zin te willen doorzetten. Dadelijk deelde ik Scipio en Béatrix het onderhoud mee. De laatste was zeer met het aanzoek ingenomen en Séraphine bewees door haar zwijgen, dat ze van hetzelfde gevoelen was. Scipio maakte eenige bezwaren, omdat er een groote bruidschat zou noodig zijn voor het huwelijk met een heer, wiens kasteel noodig moest hersteld worden; maar ik stopte hem den mond door te zeggen, dat ik zijn dochter vierduizend pistolen tot bruidschat zou geven.

Ik zag don Juan denzelfden avond. "Uw zaak," zei ik, "staat zoo goed als het maar kan, ik zou wel willen, dat het met de mijne hetzelfde was."

"Dat is zoo," antwoordde hij. "Mijn zuster stemt gaarne toe. Gij bevalt haar, alleen maakt ze bezwaar, dat zij u niets anders kan schenken dan haar hart en hand."

"Wat zou ik meer vragen?" riep ik verheugd. "Ik ben rijk genoeg om haar zonder bruidschat te trouwen."

Don Juan en ik, verheugd, dat de zaken tot zoover naar wensch waren gegaan, besloten onze huwelijken spoedig te doen plaats hebben en overbodige ceremonies daarbij te vermijden. Ik bracht hem daarop bij Séraphine en haar ouders. Hij beloofde ons den volgenden dag te zullen terugkomen met Dorothea.

Uit lust, een goeden indruk te maken op mijn uitverkorene, bleef ik wel drie uur bezig met mijn toilet, zonder nog tevreden over mijzelf te zijn. Voor een jongen man, die zijn geliefde wacht, is dat een aangenaam werk, maar voor iemand, die reeds op jaren begint te komen, is het een moeilijke bezigheid.

Ik was echter zoo gelukkig, dat zij mij met veel welwillendheid aanzag, toen wij elkaar weer ontmoetten. Er volgde een lang onderhoud, waarin ik gelegenheid had ook het verstand van mijn aanstaande vrouw te bewonderen.

Een notaris uit Valencia stelde de huwelijksche voorwaarden op en de pastoor uit Paterna kwam te Lirias, om de twee huwelijken in te zegenen.

Over mijn huwelijk heb ik mij nooit beklaagd. Dorothea was een deugdzame vrouw, die, gevoelig voor mijne goede zorgen, zich weldra aan mij hechtte, alsof ik jong was geweest.

Ook don Juan en zijn vrouw waren zeer gelukkig en de twee schoonzusters werden weldra intieme vriendinnen.

Van mijn kant vond ik zooveel goede eigenschappen in mijn zwager, dat ik een groote genegenheid voor hem opvatte, die hij met dankbaarheid beantwoordde.

De verstandhouding was van dien aard, dat, wanneer wij 's avonds scheidden om elkaar den volgenden dag weer te zien, het ons leed deed. Daarom besloten wij van de twee families er een te maken, die nu eens op het kasteel te Lirias woonde en dan op dat van Jutella. Het laatste had belangrijke herstellingen ondergaan.

Het is nu reeds drie jaar, lezer en vriend, dat ik een zeer gelukkig leven leid met de personen, die mij zoo dierbaar zijn. Om mijn geluk te volmaken, heeft de hemel mij twee kinderen geschonken, wier opvoeding de vreugd is van mijn ouden dag en waarvan ik oprecht geloof de vader te zijn.

Einde van Gil Blas

VERKLARINGEN

blz. 7. _Bacchus_, God van den wijn.

_Ceres_, Godin van het koren.

blz. 16. _Mercurius_, God van den handel; ook de bode der goden; hij wordt afgebeeld met vleugels aan de voeten.

blz. 29. _Paris_. Zie aanteekening in deel I.

blz. 64. _Ariadne_. Door Theseus bevrijd uit het doolhof van den monsterachtigen Minotaurus, maar op den terugtocht door hem op het eiland Naxos achtergelaten.

blz. 78. _Pythagoras_, beroemd Grieksch wijsgeer.

blz. 86. _Virgilius_, beroemd Romeinsch dichter.

blz. 93. _Lucilius_, Romeinsch satyriek dichter.

blz. 95. _Alcibiades_, een talentvol losbol, leerling van Socrates.

blz. 150. _Isocrates_, Grieksch schrijver.

blz. 152. _Numa_, de tweede Romeinsche koning.

blz. 154. _Anacreon_, Grieksch dichter.

blz. 159. _Danaë_, geliefde van Zeus (Jupiter). Zij werd door haar vader in een onderaardsch gewelf opgesloten, maar Zeus drong tot haar door in de gedaante van gouden regen.

blz. 174. _Fortuna_, godin van het geluk.

_Epictetus_, Grieksch wijsgeer en moralist.

blz. 190. _Ay de my_ etc. Helaas! een jaar van genoegen gaat voorbij als een zuchtje van den wind; maar een oogenblik van ongeluk is als een eeuw vol pijniging.

blz. 209. _Weegschaal en Tweelingen_, twee sterrebeelden uit den Dierenriem.

blz. 215. _Diogenes_, Grieksch wijsgeer, die leefde in een leegen ton.

_Hesiodes_, Grieksch dichter.

blz. 244. _Sophocles_ en _Euripides_, Grieksche treurspeldichters.

blz. 262. _Penelope_, vrouw van Odysseus, die haar man trouw bleef in diens lange afwezigheid, ofschoon zij door vrijers omringd was.

blz. 295. _Furto_ etc. Wij zijn zelfs trotsch op onze dieverij.

AANTEEKENINGEN

[1] Zie boek II, hoofdstuk VII.

[2] Ligero = licht.