De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V

Chapter 21

Chapter 214,060 wordsPublic domain

Dit stuk, dat veel langer was dan het eerste, hield mij bijna drie dagen bezig, maar gelukkig voldeed het mijn meester, die mij met lof overlaadde. De plaatsen, waar de stijl het meest gezwollen was, roemde hij het hardst. Niettegenstaande zijn betuigingen van tevredenheid, veranderde hij nog veel in het geschrift, dat bij den koning en het hof in zeer goede aarde viel. In de stad juichte men het eveneens toe; men vleide zich, dat de monarchie haar ouden luister zou hernemen onder zulk een minister.

Mijn meester, die zooveel eer inoogstte, wilde ook mij van de vruchten doen plukken en liet mij vijfhonderd kronen betalen. Dat scheen mij een zeer behoorlijke belooning van mijn werk en ze was mij te aangenamer, omdat ze niet op slechte wijze was verkregen, al had ik haar dan ook gemakkelijk genoeg verdiend.

HOOFDSTUK VII

Door welk toeval, op welke plaats en in welken toestand Gil Blas zijn vriend Fabricius terugvond en van het onderhoud, dat zij samen hadden.

Niets was den minister aangenamer, dan te vernemen, wat men in Madrid van het ministerie dacht. Alle dagen vroeg hij mij, wat men van hem zei. Hij had zelfs spionnen, die voor geld hem verslag gaven van al wat er in de stad gebeurde. Zij brachten hem tot het minste gesprek over, dat zij hadden gehoord en daar hij hen beval oprecht te zijn, leed zijn eigenliefde er dikwijls door, want het volk heeft een tong, die niets eerbiedigt.

Daar ik bemerkte, dat de graaf zeer op dergelijke rapporten was gesteld, ging ik er 's avonds op uit, bezocht openbare plaatsen en mengde mij in het gesprek. Werd er over de regeering gesproken, dan luisterde ik scherp toe en maakte den minister deelgenoot van hetgeen ik had vernomen. Echter zorgde ik er wel voor, dat ik hem niets overbracht, wat niet in zijn voordeel was. Het scheen mij toe, dat hij op deze wijze moest worden behandeld.

Op een dag, dat ik terugkwam van een dier plaatsen, ging ik langs een hospitaal. Ik kreeg lust naar binnen te gaan en doorliep twee of drie zalen, die vol lagen met zieken.

Onder de ongelukkigen, die ik niet zonder medelijden aanschouwde, was er een, die mijn aandacht trok; ik meende in hem Fabricius te herkennen, mijn ouden kameraad. Om hem meer van nabij te zien, naderde ik zijn bed en ik kon er niet aan twijfelen, het was de dichter Nunez. Eenige oogenblikken keek ik naar hem zonder iets te zeggen. Van zijn kant herkende hij mij ook. Eindelijk verbrak ik het stilzwijgen: "Mijn oogen bedriegen mij dus niet; is het werkelijk Fabricius, dien ik hier zie?"

"Hij is het zelf," antwoordde hij koel, "en je moet je daarover niet verwonderen. Sedert ik je verlaten heb, heb ik steeds hetzelfde auteursvak beoefend. Ik heb romans en comedies gemaakt, alle soorten geestelijken arbeid verricht. Ik heb mijn weg afgelegd; ik ben in het hospitaal."

Ik kon mij niet weerhouden te glimlachen om zijn woorden en meer nog om den ernstigen toon, waarop hij ze uitsprak.

"Wel," riep ik, "heeft je muze je naar deze plaats geleid! Dan heeft ze je een slechten dienst bewezen!"

"Je ziet het," antwoordde hij, "dit huis dient dikwijls als schuilplaats voor schoone geesten. Jij hebt goed gedaan, met een anderen weg te nemen dan ik. Maar je bent, naar het schijnt, niet meer aan het hof en de zaken zijn veranderd. Ik herinner me zelfs te hebben gehoord, dat je in de gevangenis waart op bevel van den koning."

"Je hebt de waarheid vernomen. De aangename positie, waarin je mij verlaten hebt toen wij scheidden, werd korten tijd daarna gevolgd door een tegenslag van de fortuin, die mij mijn goederen en mijn vrijheid ontnam. Maar mijn vriend, je ziet mij nu nog in een schitterender staat, dan waarin ge mij toen hebt gezien."

"Dat is niet mogelijk," zei Nunez, "je houding is nu wijs en bescheiden, je hebt niet het ijdel en traag uiterlijk, dat de voorspoed gewoonlijk geeft."

"De tegenspoed heeft mij gelouterd. In die school heb ik geleerd van de rijkdommen te genieten, zonder dat ze mij bezitten."

"Zeg me dan eens wat je nu doet? Ben je intendant bij een groot heer, die zich ruïneert of bij een vermogende weduwe?"

"Ik heb een betere betrekking," zei ik, "maar laat ons daar niet over spreken. Later zal ik je nieuwsgierigheid bevredigen. Op het oogenblik kan ik mij er toe bepalen je mee te deelen, dat ik in staat ben je genoegen te doen, of beter nog de rest van je dagen behoorlijk te doen slijten, mits je mij belooft, geen werken des geestes meer samen te stellen, noch in verzen, noch in proza. Voel je, dat je in staat bent, mij zulk een offer te brengen?"

"Dat heb ik al aan den hemel gedaan in een doodelijke ziekte, waaraan je me nu ontsnapt ziet. Een Dominicaner heeft mij de poëzie doen afzweren, als een vermaak, dat, zoo het al niet misdadig is, dan toch van de wijsheid afbrengt."

"Mijn waarde Nunez, daar feliciteer ik je hartelijk mee. Maar pas op, dat je niet weer terugvalt."

"O, daar is geen gevaar voor. Ik heb een kloek besluit genomen om de muzen te verlaten: toen je hier binnenkwam, was ik juist bezig aan een vers, om ze voor eeuwig vaarwel te zeggen."

"Mijnheer Fabricius, ik weet niet, of wij wel trots kunnen zijn op je eed. Je schijnt woedend verzot te zijn op die geleerde maagden."

"Neen, neen, ik heb alle banden verbroken, die mij aan haar hechtten. Ik deed meer: ik heb een afkeer gekregen van het publiek en mijn haat is gerechtvaardigd. Het verdient niet, dat er auteurs zijn, die het hun werken willen offeren. Ik zou bedroefd zijn, indien ik iets maakte, dat het publiek beviel. Meen niet, dat het verdriet mij die woorden ingeeft; ik spreek in koelen bloede. Ik veracht zoowel de toejuiching, als den afkeer van het publiek, dat grillig is, heden zus denkt en morgen zoo. Wat zijn de dramatische dichters niet gek van ijdelheid, indien hunne stukken slagen! Welk een leven wordt er gemaakt als die stukken voor het eerst worden opgevoerd! Maar ze handhaven zich zelden na dien eersten indruk en worden ze twintig jaar later opgevoerd, dan worden ze slecht ontvangen. Het tegenwoordige geslacht beschuldigt het vorige van slechten smaak en het tegenwoordige zal op zijn beurt weer worden veroordeeld door het komende. Dat heb ik altijd opgemerkt en daaruit heb ik besloten, dat de schrijvers, die nu worden toegejuicht, moeten verwachten, dat ze in de toekomst zullen worden uitgefloten. Zoo gaat het ook met romans. De roem van een werk is niet anders dan een hersenschim, een illusie, een vuur van stroo, waarvan de rook weldra in de lucht zal verdwijnen."

Hoewel ik meende, dat de dichter uit Asturië alleen zoo sprak uit spijtigheid, liet ik dat niet merken.

"Het doet mij zeer veel genoegen," zei ik, "dat je een tegenzin in dat werk hebt gekregen en dat je radikaal bent genezen van je schrijverswoede, je kan er op rekenen, dat ik je dadelijk een betrekking zal geven, waarin je rijk kan worden zonder een groote verspilling van genie."

"Zooveel te beter, de geest doet me stikken en ik beschouw hem als het noodlottigste geschenk, dat de hemel den mensch had kunnen maken."

"Mijn waarde Fabricius, wanneer je er bij blijft, de poëzie te laten varen, dan zal ik je een eerlijke en winstgevende betrekking bezorgen. Maar in afwachting dat ik je dien dienst kan bewijzen, verzoek ik je dit kleine bewijs van mijn vriendschap te willen aanvaarden." Bij die laatste woorden gaf ik hem een beurs met ongeveer zestig pistolen.

"O edelmoedige vriend!" riep de zoon van den barbier Nunez, "hoe kan ik den hemel genoeg danken, dat hij je dit hospitaal heeft doen betreden, dat ik nu kan verlaten!"

Voor ik wegging gaf ik hem mijn adres op en verzocht hem mij te komen bezoeken, zoodra zijn gezondheid dat zou toelaten.

Een buitengewone verrassing toonde hij, toen ik hem zei, dat ik bij den graaf van Olivarès woonde.

"O, al te gelukkige Gil Blas!" riep hij, "wiens lot het is, ministers te behagen; ik verheug mij in je geluk, omdat je er een zoo goed gebruik van maakt."

HOOFDSTUK VIII

Gil Blas komt van dag tot dag meer in de gunst bij zijn meester. Van de terugkomst van Scipio te Madrid en van het verhaal, dat hij Santillano van zijn reis doet.

De graaf van Olivarès, dien ik voortaan den graaf-hertog zal noemen, omdat de koning hem in dien tijd met dezen titel vereerde, had het gebrek, dat hij bemind wilde worden. Zoodra hij bemerkte, dat iemand zich uit genegenheid aan hem hechtte, schonk hij hem zijn vriendschap. Dit had ik opgemerkt en ik zorgde ervoor het niet te verwaarloozen. Ik bepaalde mij er niet toe, om goed te verrichten, wat hij mij opdroeg, ik voerde zijn bevelen uit met een ijver, die hem opviel. Ik bestudeerde zijn smaak in alle zaken, om mij daarnaar te vormen en ik voorkwam zijn wenschen, zooveel mij dat mogelijk was.

Door dit gedrag, dat bijna altijd tot het doel leidt, werd ik ongemerkt de gunsteling van mijn meester, die van zijn kant, daar ik hetzelfde zwak had als hij, mij voor zich won, door mij tal van bewijzen van zijn genegenheid te schenken. Al spoedig begon ik zijn vertrouwen te deelen met Carnero, zijn eersten secretaris.

Carnero had zich van hetzelfde middel bediend als ik, om den minister te bevallen en hij was daarin zoo goed geslaagd, dat hij deelgenoot was van de kabinetsgeheimen. Die secretaris en ik werden dus de vertrouwelingen van den eersten minister met dit onderscheid, dat hij met Carnero slechts over staatszaken sprak en dat hij mij slechts onderhield over zijn particuliere aangelegenheden. Hij maakte om zoo te zeggen twee gescheiden departementen, waarover wij beiden tevreden waren. Wij leefden zonder jaloezie, maar ook zonder vriendschap voor elkaar.

Toen de graaf-hertog niet meer twijfelde aan mijn gehechtheid aan hem, werd hij zeer openhartig in zijn mededeelingen.

"Santillano," zei hij op zekeren dag tot mij, "je hebt den hertog de Lerme van een macht zien genieten, die minder op dien van een minister dan van een onbeperkt heerscher geleek; ik ben echter nog gelukkiger dan hij het op het hoogtepunt van zijn macht was. Hij had twee geduchte vijanden in den hertog d'Uzède, zijn eigen zoon en in den biechtvader van koning Filips III, terwijl niemand bij den koning is, die genoeg invloed bezit om mij te benadeelen. Zelfs verdenk ik er niemand in die omgeving van dat hij mij slecht gezind is.

Het is waar, dat ik, toen ik minister werd, ervoor gezorgd heb bij den koning slechts personen te plaatsen, die door banden des bloeds of vriendschap aan mij verbonden zijn. Van alle groote heeren, die door hunne persoonlijke verdiensten mij een deel van de gunsten des konings zouden kunnen ontnemen, heb ik mij ontdaan, door hen naar gezantschappen te zenden en zoo kan ik nu zeggen, dat er niemand is, die tekort doet aan mijn invloed."

Terwijl mijn meester zulke gesprekken met mij hield, naderde de tijd, dat Scipio van zijn reis terug moest keeren.

"Ik heb u geen lang verhaal te doen," zei hij bij zijn terugkomst. "Het deed den heeren de Leyva een zeer groot genoegen te vernemen, welke ontvangst de koning u bereidde, toen hij u herkende en de wijze, waarop de graaf van Olivarès van uw diensten gebruik maakt."

Hier viel ik Scipio in de rede: "Mijn vriend, je had hun nog veel grooter genoegen kunnen doen, indien je had kunnen zeggen op welken goeden voet ik nu met mijn meester ben. Sinds je vertrek heb ik groote vorderingen in zijn gunst gemaakt."

"Den hemel zij dank, mijn waarde meester. Ik heb een voorgevoel, dat ons een schoone toekomst wacht."

"Maar laten wij nu van onderwerp veranderen, Scipio, vertel nu van Oviédo. Je bent in Asturië geweest. Hoe heb je mijn moeder gevonden?"

Zijn gezicht nam een treurige uitdrukking aan en hij zei: "O mijnheer, ik heb u in dat opzicht slechts treurig nieuws te brengen."

"O hemel! Mijn moeder is zeker dood?"

"Helaas ja, zes maanden geleden is zij gestorven en ook uw oom Gil Perez is overleden." De dood van mijn moeder deed mij smartelijk aan, hoewel ik in mijn jeugd nooit die bewijzen van teederheid van haar had ontvangen, waaraan kinderen zoo groote behoefte hebben. Ook mijn goeden oom, die zooveel zorg voor mijn opvoeding had gedragen, betreurde ik.

HOOFDSTUK IX

Hoe en aan wien de graaf-hertog zijn eenige dochter ten huwelijk gaf en van de slechte gevolgen van dat huwelijk.

Weinig tijd na den terugkeer van Scipio verviel de graaf-hertog in een gepeins, dat hem wel acht dagen bezighield. Eerst dacht ik, dat hij weer een of ander groot staatsstuk voorbereidde, maar spoedig bleek het zijn familie te zijn, die zijn gedachten in beslag nam.

"Gil Blas," zei hij op een namiddag, "je moet gemerkt hebben, dat ik den laatsten tijd zeer afgetrokken ben geweest. Ik ben dan ook vervuld van een zaak, waarvan de rust van mijn leven afhangt en zal je die in vertrouwen meedeelen.

"Dona Maria, mijn dochter, is huwbaar en er doen zich veel heeren voor, die om haar hand dingen. De graaf van Niebles, oudste zoon van den hertog van Médina Sidonia, hoofd van het huis de Gusman, en don Louis de Haro, oudste zoon van den markies van Corpio, en van mijn oudste zuster, schijnen twee pretendenten die het meest in aanmerking komen. De laatste vooral heeft zooveel verdiensten boven zijn medeminnaars, dat het geheele hof er niet aan twijfelt of ik zal hem tot schoonzoon kiezen. Zonder redenen op te geven, die mij daartoe nopen, moet ik u echter zeggen, dat ik de voorkeur geef aan don Ramire de Nunez de Gusman, markies van Toral. Aan de kinderen, die uit dat huwelijk zullen worden geboren en die den naam graaf van Olivarès aan den hunnen kunnen toevoegen, zal ik mijn goederen nalaten. Wat zegt ge daarvan Santillano?"

"Natuurlijk zult u zelf het best daarin beslissen," antwoordde ik. "Maar, indien het mij geoorloofd is een opmerking te maken, zou de hertog de Médina Sidonia niet ontevreden zijn over die beslissing?"

"Laat hij ontevreden zijn zooveel hij wil, ik zal mij daar weinig om bekommeren," antwoordde de minister. "Het spijt mij nog meer voor de markiezin van Corpio. Maar hoe het ook zij, ik wil mijn zin volgen en don Ramire zal mijn dochter hebben, dat is beslist."

Nadat de graaf-hertog mij dit besluit had meegedeeld, gaf hij weer een nieuw blijk van zeldzame politiek. Hij bood den koning een verzoekschrift aan, om hem en ook de koningin te verzoeken zijn dochter uit te huwelijken. Hij gaf een beschrijving van de verschillende heeren, die aanzoek hadden gedaan; de keuze liet hij geheel aan het koninklijk echtpaar over, maar hij liet, sprekende van den markies van Toral, niet na te kennen te geven, dat deze hem het meest aangenaam zou zijn. De koning, die een blinde ingenomenheid voor zijn minister had, gaf hem dit antwoord:

"Ik geloof, dat don Ramire de Nunez dona Maria waardig is. Kies echter zelf wien ge wilt, bij voorbaat kan ik u verzekeren, dat uw besluit mij naar genoegen zal zijn. De Koning."

De minister was niet weinig verheugd met dit antwoord en het latende voorkomen als een bevel van den vorst, haastte hij zijn dochter uit te huwelijken aan den markies de Toral. Dit huwelijk verbitterde de markiezin van Corpio en hare familieleden. Maar men kon niets daaraan veranderen en de bruiloft werd met allerlei feesten gevierd. Men zei, dat de geheele familie de keuze toejuichte, maar de ontevredenen werden weldra gewroken op een voor den graaf-hertog zeer wreede wijze. Dona Maria beviel na tien maanden van een meisje, dat bij de geboorte stierf en zij zelve volgde haar kind een paar dagen later.

Welk een verlies voor een vader, die om zoo te zeggen slechts oogen had gehad voor zijn dochter. Hij was zoo gebroken, dat hij zich eenige dagen opsloot en niemand zien wilde dan mij, daar ik mij richtte naar zijn verdriet. Nieuwe tranen vergoot ik in die dagen bij de gedachte aan Antonia. De overeenkomst van omstandigheden, waaronder de markiezin de Toral was gestorven, opende mijn wond weer, die nog niet was gesloten.

Voor den minister was het een troost, dat hij een vertrouweling had, die zoo gevoelig scheen voor zijn verdriet. Op een van die dagen betuigde hij me dat. "O, Excellentie," antwoordde ik, "ondankbaar en onnatuurlijk hard zou ik moeten zijn, indien ik niet in uw smart deelde."

HOOFDSTUK X

Gil Blas ontmoet bij toeval den dichter Nunez, die hem meedeelt, dat hij een treurspel heeft gemaakt, dat opgevoerd zal worden in den koninklijken schouwburg. Van de mislukking van dit stuk en van het geluk, waardoor het werd gevolgd.

De minister begon zich te troosten en daar ik tengevolge daarvan ook beter van humeur werd, ging ik 's avonds weer uit. Op een rijtoer ontmoette ik den dichter uit Asturië, dien ik nog niet gezien had na zijn vertrek uit het hospitaal. Hij was zeer net gekleed; ik liet hem roepen en bij mij instappen.

"Mijnheer Nunez," zei ik, "het is gelukkig voor mij, dat ik u bij toeval ontmoet, anders zou ik niet het genoegen hebben gehad u...."

"Geen verwijten, Santillano," viel hij mij in de rede, "ik zal je eerlijk bekennen, dat ik je niet heb willen bezoeken en ik zal je zeggen, wat daarvan de reden is. Jij hadt mij een goede betrekking beloofd, mits ik de poëzie wilde afzweren en ik heb nu een even goede gevonden, onder voorwaarde, dat ik verzen zal maken. Ik heb de laatste aangenomen, omdat ze het best past bij mijn karakter. Door tusschenkomst van een mijner vrienden ben ik geplaatst bij don Bertrand Gomes del Ribero, schatmeester van den koning. Don Bertrand, die iemand met gevoel voor het schoone in zijn dienst wilde hebben, heeft mij uitgekozen uit vijf of zes andere schrijvers, die zich bij hem aanmeldden voor het ambt van secretaris."

"Dat doet mij genoegen," zei ik, "want die don Bertrand is, naar het schijnt, zeer rijk."

"Wat rijk! Men zegt dat hij zijn eigen rijkdommen niet kent! Hoe het zij, ik zal je zeggen, waarin het werk bestaat, dat ik bij hem heb te doen. Daar hij galant is en wil doorgaan voor een geestig man, is hij in correspondentie met verschillende kunstminnende dames en ik leen hem mijn pen voor zijn brieven. Ik schrijf aan de eene in verzen, aan de andere in proza en ik breng er soms de brieven zelf heen, om de veelzijdigheid van mijn talent te doen zien."

"Maar ge deelt me niet mee, wat ik het liefst wilde weten. Is de betaling goed?"

"Zeer goed," antwoordde hij. "De rijke lui zijn niet allen edelmoedig en ik ken er wel, die gierig zijn, maar don Bertrand behandelt mij zeer mild. Behalve tweehonderd pistolen vast salaris, ontvang ik van tijd tot tijd gratificaties en daardoor ben ik in staat als een heer te leven en mijn tijd aangenaam door te brengen met andere schrijvers, die als ik, vijanden zijn van het verdriet."

"Maar," vroeg ik, "heeft je meester smaak genoeg, om de schoonheid te gevoelen van een werk en om er de gebreken van op te merken?"

"O neen," antwoordde Nunez. "Hij praat er wel over, maar een kenner is hij niet. Wel is hij gewoon om zijn beweringen steeds op hoogen toon vol te houden en hij kan niet verdragen, dat men hem tegenspreekt. Je begrijpt dus wel, dat ik mij daar nooit aan waag, welke aanleiding hij er ook toe geeft, want ongerekend de minder aangename woorden, die hij mij naar het hoofd zou slingeren, zou hij ook in staat zijn, mij buiten de deur te zetten. Dus keur ik goed, wat hij prijst en ik veroordeel al, wat niet in zijn smaak valt. Hij heeft mij nu een treurspel laten schrijven, waarvoor hij mij het idee heeft aan de hand gedaan en als het succes heeft, heb ik aan zijn goeden raad een deel van mijn roem te danken."

Ik vroeg aan onzen dichter den titel van zijn treurspel.

"Die luidt: "De graaf van Saldagne." Het stuk zal over drie dagen in den koninklijken schouwburg worden opgevoerd."

"Ik hoop," antwoordde ik, "dat het een goed resultaat voor je hebben zal, waaraan ik trouwens niet twijfel."

"Ik hoop het ook," zei hij. "Maar niets is bedriegelijker dan zoo iets. De schrijver is altijd onzeker omtrent het lot van een dramatisch werk."

Op den dag van de eerste voorstelling kon ik niet naar den schouwburg gaan, omdat ik werk te doen had voor den minister. Al wat ik doen kon, was Scipio er heen te zenden, om althans denzelfden avond nog te weten hoe het was afgeloopen. Ik zag hem terugkomen met een gezicht, dat mij weinig goeds voorspelde.

"Wel," vroeg ik, "hoe is "De graaf van Saldagne" door het publiek ontvangen geworden?"

"Zeer slecht. Ik heb nooit een stuk bijgewoond, dat zóó is ontvangen en ik ben verontwaardigd over de onbeschaamdheid van het parterre."

"En ik," antwoordde ik, "ben woedend op Nunez, dat hij zulke dramatische gedichten maakt. Wat een dwaasheid! Moet hij het verstand niet hebben verloren, om het slijk, dat het publiek naar hem werpt, te verkiezen boven het gelukkige lot, dat ik hem wilde bereiden?"

Twee dagen later zag ik den dichter bij mij binnenkomen en zeer tot mijn verwondering in de vroolijkste stemming. "Santillano!" riep hij, "ik kom je vertellen welk geluk ik heb gehad! Mijn fortuin is gemaakt mijn vriend, door dat nieuwe stuk. Je weet, dat men aan "De Graaf van Saldagne" een vreemde ontvangst heeft bereid. Alle toehoorders vonden het leelijk en juist aan die algemeene afkeuring heb ik het geluk van mijn leven te danken."

Ik was zeer verwonderd den dichter Nunez op deze wijze te hooren spreken.

"Maar Fabricius, hoe is het mogelijk, dat de val van je treurspel je zulk een geluk heeft kunnen geven?"

"Ik heb je al gezegd, dat don Bertrand mij het idee van het stuk had ingegeven, dus vond hij het uitstekend en hij was buiten zichzelf, toen hij moest zien, dat het geheele publiek er anders over dacht dan hij. Hij zei me, dat zoo het stuk al niet voldaan had aan het publiek, het hem althans wel was bevallen en dat mij zulks voldoende moest zijn. Om mij te troosten, heeft hij mij een vast inkomen van duizend kronen uit zijn goederen geschonken. Hij heeft daarvan dadelijk bij een notaris een acte laten opmaken en het eerste jaar is mij vooruit betaald."

Ik feliciteerde Fabricius met het ongelukkige lot van den Graaf van Saldagne, omdat die zaak voor hem zoo goed was afgeloopen.

"Dat is wel een felicitatie waard," zei hij. "Er kon mij geen grooter geluk zijn overkomen dan het gefluit van het parterre. Indien het publiek mij gunstiger gezind was geweest en geapplaudisseerd had, waartoe zou dat dan hebben geleid? Tot niets. Ik zou door mijn werk een kleine som hebben verdiend. En nu ik uitgefloten ben, kan ik zeggen dat ik voor de rest van mijn leven binnen ben."

HOOFDSTUK XI

Santillano bezorgt een betrekking aan Scipio, die naar Nieuw Spanje reist.

Mijn secretaris keek niet zonder afgunst naar het geluk van den dichter Nunez. Wel veertien dagen lang sprak hij er mij onophoudelijk van. "Ik bewonder de grillen van Fortuna," zei hij, "die een slecht schrijver met gunsten overlaadt, terwijl ze dikwijls voor goede niets heeft dan armoede. Ik zou wel willen, dat ze mij op een goeden dag eens gunstig was."

"Dat zal wel gebeuren," antwoordde ik, "en misschien eerder dan je denkt. Je bent hier in haar tempel; want het huis van den eersten minister mag wel den tempel van Fortuna heeten."

"'t Is waar mijnheer, maar men moet geduld hebben om er op te wachten."

"Nog eens Scipio, wees gerust, je bent misschien op het punt om iets goeds te krijgen."

Werkelijk deed zich na eenige dagen een gelegenheid voor, om hem nuttig te gebruiken in den dienst van den graaf-hertog en ik liet die niet ongebruikt voorbijgaan.

Op een ochtend had ik een gesprek met don Raimond Caporis, intendant van den eersten minister en daarbij kwamen ook diens inkomsten ter sprake.