De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 2
"Mijn zoon," antwoordde don César, "ik zal uw wenschen geen geweld aandoen. Het eenige, wat ik u vraag, is de dame te zien, die ik voor u bestemd heb. Hoewel ze een zeer bekoorlijke verschijning is en een voordeelige partij, beloof ik u, dat ik u niet zal dwingen haar te trouwen. Zij is hier in het kasteel en gij zult moeten toegeven, dat ge u niets beminnelijkers denken kunt." Na die woorden bracht hij ons naar een zaal.
Daar waren de graaf de Polan met zijn twee dochters, Séraphine en Julie en don Fernand de Leyva, zijn schoonzoon, die een neef was van don César. Er waren ook nog andere dames en heeren. Don Fernand had, zooals men weet, Julie geschaakt en het was ter gelegenheid van hun huwelijk, dat de boeren uit den omtrek waren samengekomen, om feest te vieren. Zoodra don Alphonse verscheen en zijn vader hem aan het gezelschap had voorgesteld, kwam de graaf de Polan naar hem toe, omhelsde hem en zei: "Wees welkom, mijn bevrijder! De deugd vermag veel op edelmoedige zielen. Hebt ge mijn zoon gedood, ge hebt mij het leven gered. Ik gevoel geen wrok meer tegen u en geef u dezelfde Séraphine, wier eer gij hebt gered."
Men kan begrijpen, dat don Alphonse overgelukkig was. Reeds na eenige dagen werd het huwelijk gevierd, tot groote genoegdoening van allen.
Daar ik ook een van de bevrijders was van den graaf de Polan, zei deze heer, die mij dadelijk herkend had, dat hij ook voor mij zou zorgen. Maar ik bedankte hem voor zijn edelmoedigheid en wilde don Alphonse niet verlaten, die mij intendant van zijn huis maakte en met zijn volkomen vertrouwen vereerde. Zoodra hij getrouwd was, zond hij mij op reis, om den koopman Samuel Simon al het geld terug te geven, dat hem ontstolen was. Ik ging dus schade vergoeden. Zoo begon ik mijn betrekking van intendant, zooals men die gewoonlijk eindigt.
ZEVENDE BOEK
HOOFDSTUK I
Van de liefde van Gil Blas en van de dame Lorença Séphora.
Dus ging ik naar Xelva, om den goeden Samuel Simon de drieduizend ducaten te brengen, welke wij hem hadden ontstolen. Ik moet eerlijk bekennen, dat ik op weg veel lust gevoelde, om mij van dat geld meester te maken en zoodoende mijn werk onder gunstige voorteekenen te beginnen. Ik kon dat ongestraft doen; ik had slechts vijf dagen op reis te blijven en dan te zeggen, dat ik mij van mijn taak had gekweten. Don Alphonse en zijn vader waren mij te gunstig gezind om mij te verdenken. Maar ik wist aan de verzoeking weerstand te bieden, als man van eer, mag ik wel zeggen, betaalde den koopman, die daarop in het geheel niet had gerekend, het geld uit, en keerde naar het kasteel de Leyva terug. De graaf de Polan was er niet meer, hij was met Julie en don Fernand naar Tolédo gegaan. Ik vond mijn nieuwen meester verliefder dan ooit op zijn Séraphine, zijn Séraphine verrukt bij hem te zijn en don César gelukkig, hen beiden te bezitten. Ik legde er mij op toe, dezen goeden vader voor mij te winnen en ik slaagde er ook in.
Als intendant van het heele huis, ontving ik het geld van de boeren, deed de uitgaven en had een onbeperkte macht over het personeel, waarvan ik echter geen misbruik maakte, zooals mijn collega's vaak doen. De bewijzen van genegenheid, welke mijn meesters mij steeds gaven, boezemden mij grooten ijver in voor hun dienst. Ik had alleen maar oog voor hun belang, mijn administratie was goed en eerlijk; ik was een intendant, zooals men er geen beteren vindt.
Terwijl ik mij zoo verheugde in mijn uitstekende positie, wilde de god van de liefde mij ook zijn gunsten betoonen en deed in het hart van Lorença Séphora, een van de vrouwen van Séraphine, een sterke neiging geboren worden voor mijnheer den intendant. Om als getrouw geschiedschrijver de waarheid te zeggen, betrof mijn verovering een vijftigjarige. Ze had echter een frisch, aangenaam uiterlijk en mooie oogen, waarmee ze goed wist te werken. Haar kleur had ik gaarne wat rooder gezien, ze was me te bleek, wat ik aan haar oude vrijster-schap toeschreef.
Deze dame wierp mij eerst voortdurend blikken toe, waarin hare liefde voor mij was te lezen, maar ik deed of ik de beteekenis ervan niet begreep. Daardoor scheen ik haar nog onbedreven in die zaken, wat haar wel beviel. Zij verbeeldde zich dus, dat ze bij zulk een onervaren jongeman zich niet bepalen kon tot de taal der oogen en bij het eerste onderhoud, dat ik met haar had, begon ze van haar gevoelens te spreken. Zij gedroeg zich daarbij als een vrouw, die ondervinding had, ze was verlegen en toen ze alles gezegd had wat ze wilde, bedekte ze haar gelaat met de handen, om mij te doen gelooven, dat ze er schaamte over gevoelde, dat ze mij haar zwakheid had getoond. Hoewel de ijdelheid mij meer bewoog dan het gevoel, toonde ik mij zeer dankbaar voor het blijk van hare genegenheid, ik deed zelfs alsof ik hartstochtelijk verliefd op haar was. Ze vreesde zeker, dat het geen goeden indruk zou maken, indien ze zich zoo gemakkelijk liet overwinnen en deed mij op zachten toon verwijten over mijn al te groote vermetelheid, maar scheen toch niet boos. Séphora verbeeldde zich, dat zij door haar voorgewenden tegenstand in mijn oog voor een Vestaalsche maagd doorging.
Aan dit avontuur kwam echter spoedig een einde. Een van de lakeien van don César, een van die nieuwsgierigen, die graag alles zien wat er in een huis voorvalt en dat dan oververtellen, deelde mij op zekeren dag mee, dat Lorença iederen avond den chirurgijn van het dorp in het geheim in haar kamer ontving en dat die jonge man er lang bleef.
Mijn ijdelheid werd door dit bericht zeer getroffen en ik was bijna even kwaad, als ik geweest zou zijn, wanneer ik werkelijk jaloersch was geweest. Ik beheerschte mijn gevoelens en lachte zelfs om het nieuwtje, maar zoodra ik alleen was, stelde ik mij schadeloos door te razen en te tieren. Ik meende, dat mijn eer gebood, om den chirurgijn te verjagen en besloot hem tot een duel uit de dagen. 's Avonds stelde ik mij in hinderlaag op en zag werkelijk den man, met een geheimzinnig gezicht de kamer van mijn geliefde binnengaan. Ik wachtte hem bij zijn terugkomst op den weg op en ieder oogenblik groeide mijn vechtlust aan, maar zoodra mijn vijand verscheen, die een groote en sterke man was, voelde ik mij plotseling als een held van Homerus, door een soort van vrees teruggehouden. Ik was even verward als Paris, wanneer hij Menelaus bevechten moet. Niettemin, hoewel zijn degen mij buitengewoon lang leek, trad ik op hem toe.
Mijn handelwijze verraste hem. "Wat is er, mijnheer Gil Blas? Waartoe die bewegingen van een dolenden ridder?"
"Mijnheer de barbier," zei ik, "ik ben ernstiger dan ooit en wil weten, of gij even dapper zijt als galant. Reken er niet op, dat ik u rustig de gunsten zal laten genieten van de dame, die ge iederen avond in het kasteel bezoekt."
De chirurgijn begon hartelijk te lachen en riep: "Bij den Heiligen Côme, hoe kan de schijn bedriegen! Dat is waarlijk een vermakelijk avontuur!"
Daar ik uit die woorden meende te mogen afleiden, dat hij even weinig lust had om te vechten als ik, werd ik brutaler en zei: "Spot met anderen, mijnheer! Mij zult ge met zulk een antwoord niet afschepen."
"Ik zie wel," hernam hij, "dat ik verplicht ben te spreken, om een ongeluk te voorkomen, dat u of mij zou kunnen treffen. Dus zal ik u een geheim vertellen, hoewel mannen van ons vak niet discreet genoeg kunnen zijn. Weet dan, dat die dame een verouderde zweer in haar rug heeft en dat ik die iederen avond ga verbinden. Om haar kwaal voor de bedienden te verbergen, laat zij mij ongemerkt binnenkomen. Dat is de reden van mijn bezoeken, die u zoo schijnen te verontrusten. Maar zijt ge met mijn verklaring niet tevreden, dan hebt ge slechts te spreken." Bij die laatste woorden sloeg hij de hand aan zijn rapier.
Ik haastte mij hem te zeggen, dat ik niet een van die menschen was, die niet vatbaar zijn voor rede en dat ik hem niet meer als mijn vijand beschouwde. Wij drukten elkaar de hand en scheidden als de beste vrienden.
Van dat oogenblik af vertoonde Séphora zich niet bekoorlijker aan mijn geest en ik vermeed alle gelegenheid om met haar alleen te zijn, wat ze al spoedig opmerkte. Verwonderd over zulk een verandering, wilde zij er de redenen van weten en vond eindelijk gelegenheid mij zonder het bijzijn van anderen te spreken. Ze zei: "Mijnheer de intendant, zeg mij als 't u belieft waarom ge mij ontvlucht. Inplaats van, zooals vroeger, de gelegenheid te zoeken, met mij te spreken, vermijdt ge mij. Het is waar, den eersten stap heb ik gedaan, maar gij hebt er op geantwoord, herinner u maar het onderhoud, dat wij toen hadden; gij waart een en al vuur, nu zijt ge als ijs. Wat heeft dat te beteekenen?"
De kwestie was wel een weinig kiesch en zeer moeilijk; ik weet niet goed meer welk antwoord ik gaf, maar wel, dat het haar geenszins beviel. Séphora, die er zacht en goedig uitzag als een lam, was gelijk een tijgerin als haar woede opgewekt werd.
"Ik geloof," zei ze en ze wierp mij een blik toe, vol woede en spijt, "dat ik een man van geringe afkomst te veel eer heb bewezen, door hem gevoelens te openbaren, waarop adellijke heeren trotsch zouden zijn. Ik ben er wel voor gestraft, dat ik mij onwaardiglijk heb verlaagd tot een ongelukkigen avonturier."
Het bleef daar niet bij, ze had nog honderd andere namen voor mij. Ik was te levendig van natuur om kalm te blijven en de beleedigingen te verdragen, waarom een ander, verstandiger man misschien zou hebben gelachen. Mijn geduld was ten einde en ik zei: "Mevrouw, als die adellijke heeren, waarvan ge spreekt, uw rug hadden gezien, dan geloof ik, dat hunne nieuwsgierigheid daartoe wel beperkt zou zijn gebleven."
Ik had dat nog niet gezegd, of ik kreeg een slag in mijn gezicht, zooals een gebelgde vrouw er misschien nog nooit een heeft gegeven. Ik wachtte er niet meer af en liep weg. Zeer dankbaar, dat dit pijnlijk onderhoud was afgeloopen, verbeeldde ik mij, dat ik verder niets had te vreezen, daar de dame zich gewroken had. Voor haar eer scheen het mij beter, dat ze over het avontuur zweeg en werkelijk verliepen er veertien dagen, dat ik er niet over hoorde spreken. Ik begon het reeds te vergeten, toen ik op zekeren dag hoorde, dat Séphora ziek was. Niettegenstaande al het gebeurde, had ik toch medelijden met haar; ik dacht, dat misschien haar ongelukkige liefde voor mij haar deze ziekte had veroorzaakt. Spoedig bemerkte ik, hoe die liefde in hevigen haat was veranderd en zij niets onbeproefd had gelaten om mij te benadeelen.
Op een ochtend, dat ik met don Alphonse alleen was, vond ik hem in een neerslachtige stemming. Ik vroeg hem, wat er was en hij zei, dat het hem verdriet deed Séraphine zoo zwak en ondankbaar te zien. "Dat verwondert u," voegde hij eraan toe, "maar het is waar. Ik weet niet welke redenen ge aan Lorença hebt gegeven om u te haten, maar ik kan u verzekeren, dat ze u verfoeit en ze zegt, dat ge ongetwijfeld haar dood zult veroorzaken, indien gij niet spoedig het kasteel verlaat. Ge moet niet denken, dat Séraphine zich in het begin daar niet tegen verzet heeft, maar ze is een vrouw, en zeer gehecht aan Lorença, die haar opgevoed heeft. Wat mij betreft, ik zal nooit toegeven hoe lief ik Séraphine ook heb. Alle duenna's in Spanje mogen omkomen vóór ik een jongen man wegstuur, die voor mij meer een broeder dan een ondergeschikte is."
Ik antwoordde hem: "Mijnheer, ik ben nu eenmaal geboren om een speelbal van de fortuin te zijn. Hier, waar alles mij zulke gelukkige dagen voorspelde, had ik gedacht, dat daaraan een eind gekomen zou zijn, maar het is niet zoo. Dus zal ik heengaan."
Don Alphonse wilde daarvan niet weten. "Neen, neen," riep de edelmoedige zoon van don César. "Laat mij Séraphine tot rede brengen. Men zal niet kunnen zeggen, dat gij opgeofferd zijt aan de grillen van een duenna, aan wie toch al te veel wordt toegegeven." Ik overwoog echter, dat alleen mijn heengaan de rust op het kasteel kon herstellen. Den volgenden morgen vroeg vertrok ik, zonder afscheid te nemen van mijn meesters. In mijn kamer liet ik een schrijven achter, waarin ik uitvoerig verslag deed van de door mij gevoerde administratie.
HOOFDSTUK II
Wat Gil Blas werd, nadat hij het kasteel de Leyva had verlaten en van de gelukkige gevolgen, die zijn ongelukkige liefde had.
Ik reed op een goed paard, dat mij toebehoorde en had in mijn valies tweehonderd pistolen, grootendeels afkomstig van de gedoode roovers en van de drieduizend gestolen ducaten, die don Alphonse uit zijn eigen zak had terugbetaald; ik kon dus onbezorgd de toekomst tegemoet gaan, met het vertrouwen bovendien, dat men altijd heeft op een leeftijd, dien ik toen had. Mijn doel stond nog niet vast; wel kon ik naar Tolédo gaan, waar de graaf de Polan mij als een van zijn bevrijders ongetwijfeld zeer goed zou ontvangen, maar ik wilde eerst reizen en verlangde om Murcia en Granada eens te zien. In die laatste stad kwam ik na enigen tijd zonder eenigen tegenspoed aan. Het scheen, dat de fortuin, voldaan over zooveel parten, die ze mij den laatsten tijd gespeeld had, mij eindelijk met rust wilde laten. Echter bereidde zij mij andere voor, zooals men vernemen zal.
Een van de eerste personen, die ik in de straten van Granada ontmoette, was don Fernand de Leyva, schoonzoon van den graaf de Polan. Wij waren beiden even verrast elkaar daar te zien. Hij vroeg mij, hoe ik in Granada kwam. Ik deelde hem mee, dat ik den dienst van don César en diens zoon had verlaten en vertelde hem uitvoerig al wat er tusschen Séphora en mij was gebeurd. Hij lachte er hartelijk om en wilde aan zijn schoonzuster schrijven en als bemiddelaar optreden. Ik dankte hem voor zijn aanbod, maar verklaarde hem, in geen geval naar het kasteel de Leyva terug te zullen gaan. Wel verzocht ik zijn voorspraak, indien soms een van zijn vrienden een intendant of secretaris mocht noodig hebben.
Hij beloofde mij zijn hulp, zei, dat hij in Granada was om een oude, zieke tante te bezoeken en dat ik hem over eenige dagen maar eens in zijn hotel moest komen opzoeken. Misschien wist hij dan wel een goede betrekking voor mij. Toen ik hem eenige dagen later bezocht, zei hij, dat de aartsbisschop van Granada, een bloedverwant en vriend van hem, een man noodig had, op de hoogte van literatuur en met een goede hand, om zijne geschriften in het net over te schrijven. Hij had don Fernand beloofd mij te zullen nemen, dus moest ik mij gaan presenteeren.
Ik kwam in een paleis, dat even prachtig was als dat van onze koningen en vond in de zalen een groot gezelschap, geestelijken en edellieden. De lakeien hadden zeer fraaie kleeren, men zou hen eerder voor groote heeren dan voor knechts hebben aangezien. Ik moest lachen toen ik ze gewichtig zag doen en dacht bij mezelf: "die menschen zijn wel gelukkig, dat zij het juk der dienstbaarheid niet voelen, want anders zouden ze zich minder hooghartig toonen." Ik richtte mij tot een grooten en dikken man, die voor de deur van het kabinet van den aartsbisschop stond, om die te openen en te sluiten, wanneer het noodig was. Ik vroeg hem beleefd, of er gelegenheid was monseigneur een oogenblik te spreken. Op hoogen toon zei hij mij, dat ik moest wachten, dat monseigneur zou uitgaan om de mis te hooren en mij dan een oogenblik audientie geven zou in het voorbijgaan.
Ik wapende mij met geduld en sprak eenige officieren aan, maar ze namen mij van het hoofd tot de voeten op, verwaardigden mij met geen woord en keken elkaar met een trotschen glimlach aan, omdat ik de vrijheid had genomen mij in hun gesprek te mengen.
Nog had ik mij niet geheel hersteld van mijne verlegenheid op zulke wijze te worden behandeld, toen de deur openging en de aartsbisschop verscheen. Allen namen dadelijk een zeer eerbiedige houding aan. De prelaat was een man van ongeveer zeventig jaar, kort en dik, ongeveer als mijn oom de deken Gil Perez. Hij had kromme beenen en was zóó kaal, dat er alleen nog maar een klein bosje haar achter op zijn hoofd zat. Zijn gelaat vond ik als dat van een voornaam man, misschien wel omdat ik wist, dat hij dat was. Wij gewone menschen beschouwen groote heeren dikwijls met een vooringenomenheid, die hun een uiterlijk van grootheid geeft, dat de natuur hun heeft geweigerd.
De aartsbisschop naderde mij en vroeg op zachten toon, wat ik verlangde. Ik antwoordde, dat ik de man was, van wien don Fernand de Leyva hem had gesproken. "Ah! zijt gij het, van wien hij mij zooveel goeds heeft verteld? Ik verbind u aan mijn dienst, ge zijt een goede aanwinst voor mij. Ge kunt hier wonen." Na die woorden sprak hij nog een oogenblik met eenige geestelijken en verliet het vertrek. Nauwelijks was hij weg, of dezelfde officieren, die eerst niet met mij hadden willen spreken, kwamen naar mij toe. Ze betuigden mij hun vreugde, dat ik met hen in het paleis zou wonen. Ze hadden de woorden gehoord, die hun meester tot mij had gesproken en brandden van verlangen om te weten in welke positie ik was geplaatst, maar ik had er een genoegen in om hun nieuwsgierigheid onbevredigd te laten en mij op die wijze te wreken over de minachting, die ze mij eerst hadden betoond.
Monseigneur kwam spoedig terug en liet mij bij zich komen in zijn kabinet. Zooals ik wel vermoed had, begon hij met een onderzoek naar mijn kennis. Hij deed mij verschillende vragen op het gebied van geschiedenis en letterkunde. Op alles gaf ik hem voldoende antwoorden en hij maakte de opmerking, dat mijn opvoeding niet verwaarloosd was geworden. Vervolgens moest hij mijn schrift zien, ook daarover was hij zeer tevreden. Hij zei, dat hij zijn neef dankbaar was, dat deze hem een zoo geschikt persoon had aanbevolen.
Er werd bezoek aangediend en ik begaf mij onder de officieren, die mij met beleefdheden overlaadden. Toen het tijd er voor was, ging ik met hen eten. Wederkeerig beschouwden wij elkaar en ik vond, dat de geestelijke heeren er zeer wijs uitzagen. Zij leken mij heilige personages, zoo was ik onder den indruk van de plaats waar ik mij bevond. De gedachte kwam niet bij mij op, dat het valsche schijn was, alsof zooiets uitgesloten was bij de vorsten der kerk.
Aan tafel zat ik naast een ouden kamerdienaar, genaamd Melchior de la Ronda. Daar hij de attentie had, om er voor te zorgen, dat ik van het beste bediend werd, was ik zeer beleefd tegen hem, wat hem kennelijk genoegen deed. Na tafel zei hij me, dat hij graag een onderhoud met mij wilde hebben en hij nam mij mee naar een gedeelte van het paleis, waar wij door niemand beluisterd konden worden. Hij zei: "Mijn zoon, van het eerste oogenblik, dat ik u heb gezien, heb ik mij tot u aangetrokken gevoeld. Ik wil u daarvan een zeker bewijs geven, door u vertrouwelijke mededeelingen te doen, die u van groot nut zullen zijn. Ge zijt hier in een huis, waarin ware en valsche vromen met elkaar leven. Er zou voor u een heele tijd noodig zijn, om het terrein te verkennen. Ik wil u die lange en onaangename studie besparen, door u het een en ander mee te deelen omtrent het karakter van verschillende personen. Daarnaar kunt ge u gedragen.
Ik zal beginnen met monseigneur. Hij is een zeer vrome prelaat. Al sinds vijf en twintig jaar leeft hij uitsluitend voor het heil van zijn kudde. Hij is een zeer geleerd man en een groot redenaar. Hij preekt graag en zijn toehoorders hangen aan zijn lippen. Misschien is hij daar een weinig ijdel op. Indien het mij overigens geoorloofd was aanmerkingen op mijn meester te maken, zou ik zeggen, dat hij voor zwakke broeders dikwijls te streng is en hen te zwaar straft. Een ander gebrek heeft hij met vele andere aanzienlijke heeren gemeen; hij houdt wel van de personen, die in zijn dienst zijn, maar let weinig op hun werk en hunne verdiensten. Hij zal ze oud laten worden in zijn huis zonder er aan te denken voor hen te zorgen. Wanneer hij hun soms een gratificatie geeft, dan hebben zij die te danken aan de goedheid van iemand, die voor hen gesproken heeft."
Na dit portret van onzen meester kreeg ik er een van de verschillende geestelijken, met wie wij gedineerd hadden. Naar wat ik ervan hoorde, waren het niet zoozeer slechte menschen, dan wel slechte priesters. Hij zonderde er enkelen uit, wier deugd hij prees. Van dien avond af was ik niet verlegen meer met mijn houding tegenover de heeren. Dienzelfden dag nog aan het souper schafte ik mij een wijs gezicht aan net als zij. Dat kost niets. Men moet zich niet erover verbazen, dat er zooveel huichelaars zijn.
HOOFDSTUK III
Gil Blas wordt de gunsteling van den aartsbisschop en het kanaal van zijn gunsten.
Men had in het gebouw een zeer goede en zindelijke slaapkamer voor mij in orde gemaakt en den volgenden dag werd ik al vroeg bij monseigneur geroepen. Hij gaf mij een preek om over te schrijven en drukte mij op het hart dat zoo nauwkeurig mogelijk te doen. Ik voldeed daaraan en vergat geen punt en geen komma. Hij keek mijn copie in en was verrukt daarover. "Zeg me eens eerlijk," zei hij, "ge zijt een te goed copiïst, om ook niet een taalkundige te zijn, hebt ge al schrijvende niets gevonden, dat u hinderde? Geen slordigheid in mijn stijl, of eenige onjuiste uitdrukking? Die kunnen mij gemakkelijk ontsnapt zijn in het vuur van mijn scheppingsdrang."
"O, monseigneur," zei ik bescheiden, "ik ben niet ontwikkeld genoeg, om critische aanmerkingen te maken en wanneer ik het zou doen, dan ben ik toch overtuigd, dat uw werken mijn censuur zouden trotseeren." De prelaat glimlachte en antwoordde mij niet, maar hij liet duidelijk merken, dat hij met al zijn vroomheid, niet ongestraft schrijver was.
Door deze en andere vleierijen won ik zijn vertrouwen. Van dag tot dag bleek hij meer op mij gesteld en ik hoorde van don Fernand, die hem dikwijls opzocht, dat mijn fortuin gemaakt was.
Op een avond repeteerde hij voor mij een preek, bestemd om den volgenden dag in de cathedraal te worden uitgesproken. Hij bepaalde zich er niet toe met mij te vragen, wat ik er over het algemeen van dacht, maar noodzaakte mij ook om te zeggen, welke gedeelten mij het meest hadden getroffen. Ik had het geluk hem eenige passages op te noemen, die voor hem geliefkoosde stukken waren. Daardoor ging ik bij hem door voor een man, die een fijnen smaak bezat voor het schoone en goede in een werk. Hij was zoo tevreden, dat hij mij zei, dat ik in het vervolg gerust kon wezen over mijn lot en dat hij dat zoo aangenaam mogelijk zou maken. "Ik houd van je en om je dat te bewijzen zal ik je tot mijn Vertrouweling maken."
Hij had die woorden nog niet uitgesproken, of ik viel op de knieën en omklemde zijn kromme beenen, om een bewijs te geven van mijn dankbaarheid. Hij ging voort met spreken en zei: "Ik wil u een bewijs geven van mijn groot vertrouwen. Ik heb genoegen in preeken, de Heer zegent mijn woorden. Ik breng den gierigaard ertoe zijn kisten te openen en den inhoud kwistig uit te deelen, den wellusteling zijn genietingen op te geven, de hermitages bevolk ik met geloovigen en een onstandvastige vrouw doe ik haar verleider ontvlieden. Deze veelvuldige bekeeringen moesten voldoende zijn om mij aan het werk te houden. Maar ik zal je mijn zwakheid bekennen, ik stel er grooten prijs op, dat de wereld mijn geschriften bewondert. En ik moet het zeggen, de roem om voor een uitmuntend prediker door te gaan heeft voor mij veel bekoring. Ook mijn werken prijst men algemeen, maar ik wil de fout vermijden van vele schrijvers, die te lang schrijven en daardoor een gedeelte van hunne reputatie verliezen. Dus, mijn waarde Gil Blas, ik vraag van u, als een bewijs van uw toewijding en ijver, mij te waarschuwen wanneer ge zult merken, dat mijn pen den ouderdom gaat gevoelen. Ik vertrouw ook in dit opzicht op u."