De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 16
Ik juichte het plan van Raphaël toe en wij besloten Karthuizers te worden. Om dat plan te volvoeren, gingen wij naar den prior, die ons een cel gaf en een jaar lang volgden wij zoo trouw en standvastig de voorschriften, dat wij onder de novices werden opgenomen. Later werden wij monnik en don Raphaël, die begaafd is met een buitengewoon talent voor zaken, werd aangewezen tot hulp van een ouden vader, die toen administrateur was. Hij kweet zich zoo uitnemend van die taak, dat hij, hoewel hij zijn tijd liever uitsluitend aan gebeden zou hebben gewijd, dien ouden vader opvolgde toen deze stierf. Dat ambt oefent don Raphaël nu uit en het is merkwaardig, dat hij bij alle zorg voor het verbeteren van onze inkomsten slechts vervuld schijnt van de eeuwigheid. Laten zijn werkzaamheden hem een oogenblik wat rust dan verdiept hij zich in het gebed."
Hier viel ik Lamela met een uitroep van vreugde in de rede, want ik zag don Raphaël naderen. Wij begroetten elkaar hartelijk en zonder in het minst iets van verwondering te laten blijken, zei hij: "God zegene u, mijnheer de Santillano, wat voert u naar Valencia?"
"Werkelijk, mijn beste Raphaël, ik verheug mij in uw voorspoed. Broeder Ambrosius heeft mij de geschiedenis van uwe bekeering verteld en dat verhaal deed mij veel pleizier. Welk een voorrecht voor u beide, tot deze kleine schare van uitverkorenen te behooren, die een eeuwige gelukzaligheid zullen genieten!"
Ik vertelde hun daarna mijn geschiedenis. Toen ik ook meedeelde, dat don Alphonse de Leyva mij met drieduizend ducaten naar Samuel Simon had gezonden, viel Lamela mij in de rede door tot Raphaël te zeggen: "Die koopman heeft zich dus niet te beklagen. Hij heeft zijn geld met woeker teruggekregen en in dat opzicht kunnen wij ons geweten dus onbezwaard achten."
"Voor wij in het klooster gingen," zei don Raphaël, "hebben Ambrosius en ik hem in het geheim door tusschenkomst van een geestelijke vijftienhonderd ducaten doen toekomen. Zooveel te erger voor Samuel Simon, indien hij die som heeft aangenomen, na haar reeds in haar geheel te hebben ontvangen van den heer de Santillano."
"Maar," vroeg ik, "is het wel zeker, dat het geld van u hem in handen is gekomen?"
"Daarvoor kunnen wij u borg staan. Ze zijn hem gebracht door een priester die gewoon is zulke opdrachten te vervullen en die zelfs al over dergelijke hem toevertrouwde sommen twee of drie processen heeft gevoerd en gewonnen." "Als dat zoo is," hernam ik, "is er geen twijfel mogelijk, of het geld is hem trouw afgedragen."
Ons gesprek duurde nog eenigen tijd en wij scheidden nadat ze mij nog hadden aangemaand om steeds de vreeze Gods voor oogen te houden en ik hun had verzocht mij in hunne gebeden te willen gedenken.
Dadelijk hierna ging ik naar don Alphonse en zei: "Ge kunt nooit raden met wie ik zooeven een lang onderhoud heb gehad. Zooeven heb ik twee Karthuizer monniken gesproken, die hier in het klooster zijn, goede kennissen van u."
"Ik ken hier geen Karthuizers," zei don Alphonse.
"Toch wel," hield ik vol. "Ge hebt hen vroeger ontmoet, toen zij commissaris en griffier waren van de heilige inquisitie!"
"Is het mogelijk? Zijn Raphaël en Lamela monnik geworden?"
"Ja, al sinds eenige jaren en ze hebben beiden een ambt. De een is administrateur en de andere portier. De eerste is dus meester van de kas en de tweede van de deur."
Don Alphonse dacht eenige oogenblikken na en zei: "'t Is best mogelijk, dat mijnheer de commissaris en mijnheer de griffier weer een nieuwe comedie spelen!"
"Dat kan zijn," antwoordde ik hem, "maar wat mij betreft, hoewel men iemand niet in het hart kan zien, oordeel ik toch gunstiger over hen. Naar het schijnt, hebben de schelmen zich werkelijk bekeerd."
"Het gebeurt wel meer, dat zulke vagebonden later in een klooster terechtkomen," zei don Alphonse, "en dan oprecht boete doen, maar ik kan toch niet nalaten deze twee heeren te wantrouwen, vooral als zij over de kas gaan. Men zet geen dronkaard, die onthouder geworden is, in een wijnkelder. Ik beklaag de Karthuizers."
Het wantrouwen van don Alphonse werd werkelijk na eenige dagen reeds gerechtvaardigd. Als een loopend vuurtje ging het door de stad dat de broeder administrateur en de broeder portier zich met de kas van de Karthuizers hadden verwijderd.
Wij wachtten er ons wel voor, om te zeggen dat die heeren kennissen van ons waren.
HOOFDSTUK VII
Gil Blas keert naar zijn kasteel te Lirias terug. Van de aangename mededeeling, welke Scipio hem deed en van de verandering in het dienstpersoneel.
Acht dagen bracht ik te Valencia in de groote wereld door, levende als een graaf of een markies. Toen werd het weer tijd, om naar Lirias terug te gaan; maar don Alphonse drong er op aan, dat ik den winter in Valencia zou komen doorbrengen, wat ik beloofde.
Scipio was zeer verheugd mij weer te zien. Ik vroeg hem, waarmee hij zich dien tijd had beziggehouden. Hij antwoordde mij: "Ik heb gewandeld, ik heb gejaagd en gevischt en wat mij het meeste voldaan heeft, ik heb verschillende goede boeken gelezen." Ik vroeg hem, hoe hij aan die boeken was gekomen. "Ik heb ze gevonden in een mooie bibliotheek, die in het kasteel is," antwoordde hij. "Meester Joachim heeft me die gewezen."
"Maar waar kan die dan zijn? Wij hebben op den dag van onze aankomst toch het geheele kasteel doorloopen!"
"Jawel, maar wij hebben slechts drie van de paviljoentjes bezocht en er zijn er vier, en het laatste was de bibliotheek, wanneer don César hier was. Er zijn zeer goede boeken in; we hebben nu een uitstekend middel tegen verveling, als de tuin zijn bloemen en het bosch zijn bladeren zal hebben verloren. De heeren de Leyva hebben hun werk niet ten halve gedaan. Ze hebben zoowel aan het voedsel voor den geest, als aan dat voor het lichaam gedacht."
Die mededeeling deed mij groot genoegen. Ik ging dadelijk dat paviljoen zien, en vond er tal van werken op allerlei gebied: Wijsgeeren, dichters, geschiedschrijvers, en een groot aantal ridderromans. Don César moest stellig van deze laatste soort lectuur veel gehouden hebben, en ik beken tot mijn schande dat ook ik er niet afkeerig van was, ondanks alle buitensporigheden, die er in voorkomen. Misschien keek ik niet zoo nauw of kwam het omdat Spanjaarden nu eenmaal dol zijn op fantasieën.
"Mijn vriend," zei ik tot Scipio, "deze boeken kunnen ons veel aangename uren verschaffen, maar voor we daaraan kunnen denken, hebben wij iets anders te doen. Wij moeten verandering brengen in ons personeel."
"Om u die moeite te besparen," antwoordde Scipio, "heb ik tijdens uwe afwezigheid het personeel bestudeerd en ik durf u verzekeren, dat ik die lieden nu ken! Laten wij beginnen bij meester Joachim; ik ben ervan overtuigd, dat hij een schelm is, en dat hij bij den aartsbisschop is weggejaagd om fouten, die hij in zijn rekensommen maakte. Maar er zijn twee redenen om hem te behouden: de eerste is, dat hij een goede kok is en de tweede, dat ik hem steeds in het oog zal houden. Ik zal wel zoo op hem toezien, dat het hem niet mogelijk zal zijn ons te foppen. Gisteren zei ik hem, dat het uw plan was, om driekwart van het personeel weg te zenden. Daar zat hij erg over in. Hij zei me, dat hij wel in uw dienst wilde blijven voor de helft van het salaris, dat hij nu heeft en daaruit leid ik af, dat hij hier ergens een meisje heeft. Wat den bijkok aangaat, die drinkt te veel en de portier is brutaal; hen kunnen wij dus missen. Bij de lakeien is er één goede jongen, de rest deugt niet. Dus zou ik u in overweging geven hen ook te ontslaan."
Na nog eenige besprekingen besloten wij te doen, wat Scipio raadde en met behulp van eenige goudstukken, die als troost moesten dienen, werd reeds den volgenden dag het plan uitgevoerd. Het werk werd nu behoorlijk geregeld. Wat mij betreft, ik zou mij gaarne met eenvoudige maaltijden hebben tevreden gesteld, maar mijn secretaris, die veel van ragouts en andere fijne schotels hield, was er de man niet naar, om de kennis van onzen kok ongebruikt te laten.
HOOFDSTUK VIII
Van de liefde van Gil Blas en van de schoone Antonia.
Twee dagen na mijn terugkomst uit Valencia, kwam Basilo, de bewoner van de boerderij, die bij het landgoed behoorde, mij toestemming vragen om mij zijn dochter Antonia voor te stellen, die de eer wilde hebben haren nieuwen meester te begroeten. Ik antwoordde hem, dat mij dit genoegen zou doen. Hij vertrok en kwam een oogenblik later terug met de schoone Antonia, een meisje van zestien à achttien jaar, met regelmatige trekken, een zeer schoone teint en de prachtigste oogen van de wereld. Ze was maar eenvoudig gekleed en had het haar van achter opgebonden in een vlecht, met een klein bouquetje er in.
Toen zij binnenkwam, was ik zoo getroffen door haar schoonheid, dat ik geen woorden kon vinden om haar te begroeten. Scipio nam dat van mij over, maar langzamerhand geraakte ik meer op mijn gemak en ik had met het meisje, dat aardig en volstrekt niet verlegen was, een levendig gesprek. Basilo, die dat niet zonder onrust zag en mij reeds als een man beschouwde, die alles in het werk zou stellen, om Antonia te verleiden, haastte zich, met haar weg te gaan, misschien wel met het voornemen om haar nooit meer onder mijn oogen te laten komen.
Toen Scipio met mij alleen was, zei hij glimlachend: "Ziedaar mijnheer, een ander middel tegen de verveling! Ik wist niet, dat uw boer zoo'n aardige dochter had, ik had haar nog nooit gezien, hoewel ik al tweemaal bij hem ben geweest. Ik geloof, dat hij er goed voor zorgt om haar weg te houden en daarin kan ik hem geen ongelijk geven. Maar ik geloof niet, dat het noodig is om dit alles te zeggen, want ik heb zeer goed gemerkt, welken indruk ze op u heeft gemaakt."
"Ik kan dat niet ontkennen," antwoordde ik hem; "zij heeft mij plotseling verliefd op haar gemaakt, de bliksem kan niet sneller gaan, dan zij mijn hart heeft getroffen."
"Het doet mij een verbazend groot genoegen!" riep mijn secretaris met geestdrift, "te vernemen, dat gij verliefd zijt. Er ontbrak u alleen een maitresse, om in uw eenzaamheid een volmaakt geluk te genieten. De gelegenheid biedt zich nu aan. Ik weet wel, dat we eerst wat last zullen hebben om de waakzaamheid van Basilo te verschalken, maar dat is mijn zaak en ik sta er voor in, dat u over drie dagen een geheim onderhoud met Antonia zult hebben."
"Scipio," zei ik, "misschien zoudt ge toch uw woord wel niet kunnen houden, welk talent ge ook bezit in dergelijke zaken; maar ik wil er niet de proef mee nemen. Het is mij niet te doen om dat meisje te verleiden. Maar wel heb ik uw tusschenkomst noodig om haar te trouwen, want dat is mijn plan, indien tenminste haar hart nog vrij is."
"Ik dacht niet," zei hij, "dat ge dadelijk zulke ernstige trouwplannen zoudt hebben; andere heeren zouden in uw plaats minder eerlijk handelen. Maar des te beter. De dochter van onzen boer verdient uw liefde. Ik zal trachten vandaag nog een onderhoud te hebben met den vader en misschien ook met haar."
Mijn vertrouweling was een man, gewoon om zijn belofte te houden. Hij ging Basilo opzoeken en 's avonds wachtte ik met een mengeling van ongeduld en vrees.
Hij zag er vroolijk uit, toen hij binnen kwam. "Als ik je lachend gezicht mag gelooven," zei ik, "dan geloof ik, dat je goed nieuws voor mij hebt."
"Dat heb ik ook," antwoordde hij, "ik heb Basilo en zijn dochter gesproken en hun uw gevoelens meegedeeld. De vader is er verrukt over, dat ge zijn schoonzoon wilt worden en ik kan u ook verzekeren, dat ge in den smaak valt van Antonia."
"Wat een geluk!" riep ik uit.
"Twijfel er maar niet aan, zij bemint u reeds; wel heb ik die bekentenis niet uit haar mond gehoord, maar ik kon het opmaken uit haar vroolijkheid, toen ik haar uw plan meedeelde. Echter hebt ge een medeminnaar...."
"Een medeminnaar....!" viel ik hem bleek van schrik in de rede.
"Ja, maar dat behoeft u niet in het minst te verontrusten: 't is meester Joachim, uw kok!"
"Zoo'n galgenaas!" riep ik lachend. "Daarom toonde hij dus zoo weinig lust, om mijn dienst te verlaten."
"Juist," antwoordde Scipio, "hij heeft Antonia ten huwelijk gevraagd, maar ze heeft beleefd geweigerd."
"Het schijnt mij toch het beste," zei ik hem, "dat ik mij van dien man ontdoe, voor hij verneemt, dat ik de dochter van Basilo wil trouwen. Een kok is, zooals je weet, een gevaarlijk medeminnaar!"
"Zoo denk ik er ook over," stemde mijn vertrouweling toe. "Ik zal hem morgenochtend namens u zijn ontslag geven, dan hebben wij niets meer te vreezen, noch van zijn saus, noch van zijn liefde. Het is wel jammer, dat wij zoo'n goeden kok verliezen, maar ik offer mijn trek in lekker eten gaarne op aan uw veiligheid."
"Dat verlies is overigens niet onherstelbaar," zei ik, "uit Valencia zal ik een anderen kok laten komen, die even goed is."
Werkelijk schreef ik dadelijk aan don Alphonse om hem een kok te vragen en hij zond er een, die Scipio troostte met het verlies van meester Joachim.
Hoewel mijn vlijtige secretaris beweerde, dat Antonia mijn liefde beantwoordde, was ik daar nog niet zeker van en ik besloot zelf een onderhoud met haar te hebben. Dus ging ik naar Basilo, om te bevestigen wat Scipio had gezegd. De boer, een goed en eenvoudig man, verklaarde mij, dat hij mij gaarne de hand van zijn dochter schonk. "Maar," voegde hij er aan toe, "u moet niet denken, dat dit alleen komt omdat ge heer van ons dorp zijt. Al waart ge alleen nog maar intendant van don César, dan zou ik u toch boven alle anderen verkiezen; ik heb altijd een zwak voor u gehad, en het spijt mij alleen maar, dat de bruidschat van Antonia niet grooter is."
"Ik wil er in 't geheel geen hebben!" riep ik. "'t Is mij alleen om haar persoon te doen."
"Maar ik ben er de man niet naar om mijn dochter zonder bruidschat uit te huwelijken. De toestand van Basilo Buenotrigo is gelukkig niet van dien aard, dat dit noodig is; geeft u haar te eten, dan wil ik, dat zij u te soupeeren geeft. Uw inkomsten van het kasteel bedragen ongeveer vijfhonderd ducaten, ik zal die bij uw huwelijk aanvullen tot duizend."
"Mijn waarde Basilo, ik vind alles goed, zooals gij het doet. Maar we zijn op 't oogenblik niet bij elkaar om over zaken te spreken. Wij zijn het met elkaar eens; 't is nu echter te doen om de toestemming van uw dochter."
"Ge hebt de mijne. Is dat niet voldoende?"
"Niet geheel en al. Uw toestemming is noodig, maar de hare ook," antwoordde ik.
"De hare hangt van de mijne af. Ik zou wel eens willen zien, dat Antonia weigerde, wanneer ik het goedvind."
"Graag geloof ik," hernam ik, "dat ze u zal gehoorzamen; maar ik hoop, dat ze uit eigen aandrang mij haar hand wil reiken."
"Dat is philosophie, waarvan ik weinig begrijp. Spreek zelf maar met Antonia."
Bij die laatste woorden riep hij zijn dochter en verliet het vertrek.
"Schoone Antonia," zei ik, "beschik over mijn lot. Hoewel ik de toestemming heb van uw vader, wil ik niet, dat ge uw gevoelens geweld zult aandoen."
Antonia bloosde een weinig en antwoordde mij: "Uw aanzoek is mij zeer aangenaam en de beslissing van mijn vader doet mij genoegen. Ik weet niet of ik goed doe met zoo tot u te spreken, maar indien u mij niet beviel zou ik het ook vrijmoedig zeggen en waarom zou ik het nu dan niet doen?"
Bij die woorden viel ik voor haar op de knieën en kuste haar handen. Een oogenblik later kwam Basilo binnen en vroeg of ik tevreden was over Antonia.
"Ik ben zóó voldaan," antwoordde ik, "dat ik mij dadelijk zal gaan bezighouden met de toebereidselen voor ons huwelijk." Dit zeggende verliet ik den vader en de dochter, om te gaan spreken met mijn secretaris.
HOOFDSTUK IX
Bruiloft van Gil Blas en de schoone Antonia. Op welke wijze die gevierd werd; welke personen erbij tegenwoordig waren en welke genoegens er op volgden.
Hoewel ik de toestemming van de heeren de Leyva niet noodig had om te trouwen, meenden Scipio en ik toch, dat het niet meer dan mijn plicht was, die te vragen. Den volgenden dag vertrok ik dus naar Valencia, waar men even verrast was mij te zien, als te vernemen, wat het doel was van mijn reis. Don César en don Alphonse, die Antonia kenden, doordat ze haar meermalen hadden gezien, wenschten mij hartelijk geluk. De eerste vooral maakte mij met zulk een levendigheid zijn compliment, dat indien hij niet een heer geweest was op een leeftijd, waarop men van zekere genoegens terugkomt, ik hem er van verdacht zou hebben soms meer naar Lirias te zijn gegaan om het boerinnetje, dan om het kasteel. Séraphine van haar kant zeide, dat zij altijd zeer gunstig over Antonia had hooren spreken. "Maar," voegde ze er ondeugend aan toe, alsof ze mij mijn onverschilligheid voor Séphora's liefde verweet, "ook al had ik haar schoonheid niet hooren roemen, zou ik op dat punt wel gerust zijn, daar ik uw kieskeurigheid ken."
De beide heeren stemden niet alleen in mijn huwelijk toe, ze wilden ook alle kosten daarvan voor hunne rekening nemen.
"Ga nu naar Lirias terug," zeiden ze, "en blijf er rustig, tot ge van ons hoort. Maak geen toebereidselen voor uw bruiloft; dat is een zorg, waarmee wij ons zullen belasten."
Ik keerde terug, gaf Basilo en zijn dochter kennis van de plannen van mijn beschermers en wij wachtten acht dagen op hetgeen er zou gebeuren. Den negenden dag kwam er een groote wagen, bespannen met vier muilezels, waarin kleermakers waren, die de schoonste zijden stoffen brachten, om de bruid te kleeden. Verschillende bedienden kwamen mee en een hunner gaf mij een brief van don Alphonse, waarin hij mij meedeelde, dat hij den volgenden dag zelf zou komen met zijn vader en zijn vrouw en dat een dag daarna ons huwelijk zou worden voltrokken door den groot-vicaris van Valencia.
Na de aankomst van het voorname gezelschap betuigde ook Séraphine mij haar ingenomenheid met mijn keuze.
Toen wij in de kleine kerk van het gehucht in het huwelijk zouden worden verbonden, geleidde don Alphonse mij naar het altaar en Séraphine bewees diezelfde eer aan mijn bruid. Alle inwoners van Lirias waren daarbij tegenwoordig en ook de rijke boeren uit naburige dorpen, die door Basilo waren uitgenoodigd. Hun dochters hadden zich getooid met bloemen en linten en hielden tamboerijnen in haar handen.
Na deze plechtigheid keerden wij naar het kasteel terug, waar drie tafels gereed stonden, een voor de heeren en dames, de tweede voor de personen uit hun gevolg en de derde, die de grootste was, voor de andere gasten. Scipio wilde aan geen van die tafels aanzitten, hij liep van de eene naar de andere, om toe te zien dat alles goed ging.
Daar de maaltijd bereid was door koks van den gouverneur, behoeft niet te worden gezegd, dat er niets aan ontbrak. De goede wijnen, die meester Joachim voor mij had ingeslagen, werden flink toegesproken en er heerschte een vroolijke stemming, toen plotseling een ongeval de vreugde kwam verstoren.
Mijn secretaris had een flauwte gekregen in een van de zalen en toen ik toesnelde om hem te helpen, merkte ik, dat ook een van de vrouwen van Séraphine in zwijm was gevallen. Het geheele gezelschap onderstelde natuurlijk, dat dit geen toeval kon zijn, maar dat er een geheim in het spel was en dat bleek ook reeds spoedig, want, nadat Scipio weder tot zichzelf was gekomen, zei hij zacht: "Moet nu de schoonste dag van uw leven de onaangenaamste van het mijne zijn? Maar men kan zijn noodlot niet ontgaan. Ik heb in een van die kameniers mijn vrouw herkend!"
"Wat!" riep ik, "ben je de man van de dame, die ook flauw gevallen is?"
"Ja mijnheer, ik ben haar man en er kan mij geen grooter ongeluk overkomen dan haar te zien!"
"Ik weet niet, wat er gebeurd is, maar doe ter wille van mij jezelf geweld aan en verstoor op dit oogenblik de feestvreugde niet."
"U zult tevreden over mij zijn," zei Scipio mij.
Wij gingen daarop naar zijn vrouw, die weder was bijgebracht en hij zei, "Mijn lieve Béatrix, de hemel vereenigt ons eindelijk weer, na tien jaar gescheiden te zijn geweest; welk een gelukkig oogenblik voor mij."
"Ik weet niet," zei zijn vrouw, "of het je wel zooveel genoegen doet mij weer te zien; wel ben ik ervan overtuigd, dat ik je nooit reden heb gegeven, om mij te verlaten. Toen je in dien nacht don Fernand de Leyva bij ons vond, die verliefd was op mijn meesteres Julie, dacht je, dat hij daar om mij was gekomen. En in je dolle jaloesie verliet je mij, vertrok uit Tolédo, ontvluchtte mij als een monster, zonder ook zelfs maar eenige opheldering te vragen. Wie van ons beiden heeft het meeste recht om zich te beklagen?"
"Dat heb jij, ontegenzeggelijk," antwoordde Scipio.
"Dat denk ik ook," stemde zij toe. "Don Fernand trouwde korten tijd later Julie en ik bleef bij haar tot ze helaas door een vroegen dood werd weggenomen. Toen ging ik over in dienst van mevrouw haar zuster en deze zal je kunnen verklaren, dat mijn gedrag steeds onberispelijk is geweest."
Mijn secretaris vroeg haar, nadat hij nogmaals zijn schuld had bekend, om vergiffenis en ook ik verzocht Béatrix om het verledene te vergeten. Ze beloofde dat en het geheele gezelschap juichte de hereeniging van het echtpaar toe, die gevierd werd door hen naast elkaar aan tafel te plaatsen en op hunne gezondheid te drinken.
Later op den avond liet Séraphine hen roepen en zei: "Het doet mij veel genoegen, dat ge elkaar hebt teruggevonden. U, Scipio, kan ik verzekeren, dat uw vrouw steeds van onbesproken gedrag is geweest en gij Béatrix, hecht u even trouw aan Antonia als uw man dat deed aan den heer de Santillano."
Scipio, die na dat alles zijn vrouw niet anders kon beschouwen dan als een tweede Penelope, beloofde alle mogelijke zorg voor haar te hebben.
Lustig werd er den ganschen avond gedanst. Er was nog een prachtig souper, de groot-vicaris zegende het echtelijk bed, Séraphine ontkleedde mijn vrouw en de heeren de Leyva bewezen mij die eer.
Vermakelijk was het, dat de personen uit het gevolg van don Alphonse en zijn vrouw dezelfde ceremonie wilden verrichten bij Scipio en Béatrix. Rustig lieten zij zich ontkleeden en te bed leggen.
HOOFDSTUK X
Gevolg van het huwelijk van Gil Blas en de schoone Antonia. Begin van de geschiedenis van Scipio.
Den volgenden dag keerden de heeren de Leyva naar Valencia terug en mijn secretaris en ik bleven met onze vrouwen en het gewone personeel op het kasteel achter. De zorg, die wij ervoor over hadden om onze dames te behagen, was niet vruchteloos; in korten tijd gevoelde mijn vrouw voor mij evenveel liefde als ik voor haar en Scipio deed de zijne al het verdriet vergeten, dat hij haar had aangedaan.
Béatrix, die een zacht karakter had, was spoedig in de gunst en het vertrouwen van haar nieuwe meesteres. Wij leefden zeer genoeglijk met ons vieren. Antonia was ernstig en Béatrix en ik waren vroolijk, maar al waren wij het niet geweest, dan zou de aanwezigheid van Scipio wel voldoende zijn geweest om alle droefgeestigheid te verdrijven. Hij was een van die menschen, die zich maar behoeven te vertoonen, om een gezelschap te vermaken.
Op zekeren dag vroeg ik hem ons zijn geschiedenis te vertellen, omdat hij daarvan nog nooit had gesproken.
"Wanneer ik u mijn geschiedenis nog niet verteld heb," zei hij, "komt dat omdat ge nooit van het minste verlangen getuigd hebt die te weten. Maar zijt ge er nieuwsgierig naar, dan zal ik uw verlangen bevredigen.