De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 14
Hij vertelde mij, dat hij vroeger in Salamanca een meester had gehad, die niets deed dan Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn in het Spaansch vertalen en dat hij veel voor dien heer had moeten copieeren.
Onderweg spraken wij verder over onze toekomstige woonplaats en waar we die zouden kiezen. We besloten na eenig overleg ons in Aragon te vestigen.
HOOFDSTUK X
Wat zij te Madrid aankomende deden. Wien Gil Blas op straat ontmoette en door welke gebeurtenis die ontmoeting werd gevolgd.
Toen wij te Madrid waren aangekomen, namen wij onzen intrek in een klein hotel en het eerste wat wij deden was naar Salero te gaan, om ons geld te ontvangen. Hij heette mij hartelijk welkom en betuigde zijn blijdschap, dat ik weer op vrije voeten was. "Ik moet u meedeelen," zei hij, "dat ik door de ongenade, waarin gij zijt gevallen, een weinig huiverig ben geworden voor aanrakingen met menschen van het hof. Hun fortuin zweeft mij te veel in de lucht. Ik heb mijn dochter Gabriella uitgehuwelijkt aan een rijken koopman." Ik antwoordde hem, dat hij daar zeer goed aan gedaan had. Behalve, dat het veiliger is, komt er nog bij, dat een burgerlijke schoonvader niet altijd tevreden is over mijnheer den voornamen schoonzoon.
Wij ontvingen daarop het geld terug, dat wij meenamen naar ons hotel en in volmaakte orde bevonden.
Voor ons vertrek naar Aragon deden wij verschillende inkoopen en zoo ontmoette ik baron von Steinbach, den Duitschen officier, bij wien don Alphonse was opgevoed.
Wij herkenden elkaar dadelijk en ik zei: "Het doet mij zeer veel genoegen, dat ik u zoo in de beste gezondheid terugzie en nu tevens gelegenheid heb, om nieuws te vernemen omtrent don César en don Alphonse de Leyva."
"Daar bestaat alle gelegenheid toe," antwoordde hij, "daar ze beiden in Madrid en bij mij gelogeerd zijn. Voor eenigen tijd zijn ze hier gekomen, om den koning te bedanken voor een onderscheiding, die don Alphonse heeft ontvangen, als blijk van erkentelijkheid voor de door zijn voorvaderen aan den staat bewezen diensten. Hij is gouverneur van de stad Valencia, zonder te hebben gesolliciteerd, noch iemand te hebben gevraagd zijn invloed daartoe aan te wenden. Dat doet zien, dat onze koning naar waarde weet te beloonen."
Hoewel ik, beter dan Steinbach, wist wat ik daarvan moest denken, deed ik of ik niets wist van wat hij mij vertelde. Ik betuigde hem zooveel ongeduld en verlangen om mijn oude meesters te bezoeken, dat hij mij dadelijk meenam.
In een groote zaal speelde Alphonse schaak met de baronesse von Steinbach. Hij sprong dadelijk op en snelde op mij toe met een gelaat dat werkelijk vreugde verried. "Mijn waarde Gil Blas! Wat een genoegen je eindelijk weer te zien! Het is mijn schuld niet, dat we niet samen zijn gebleven. Ik had je verzocht, zooals je weet, om het kasteel de Leyva niet te verlaten. Je hebt geen gevolg gegeven aan mijn verzoek, maar ik maak je daar geen verwijt van; ik weet welke beweegredenen je hadt. Maar sedert dien tijd heb je mij ook niets meer van je laten hooren. Mijn zwager, don Fernand, had mij bericht, dat je in Granada was, maar ik heb je daar tevergeefs gezocht. Maar zeg me nu eens, wat je in Madrid doet. Zeker een goede betrekking. Wees ervan overtuigd, dat ik levendig belang stel in je omstandigheden."
Ik antwoordde hem: "Voor ongeveer vier maanden nog, had ik aan het hof een gewichtige betrekking. Ik had de eer de secretaris en vertrouweling te zijn van den hertog de Lerme."
"Is het mogelijk? De vertrouweling van den eersten minister?" riep don Alphonse met groote verwondering.
"Ik had zijn gunst gewonnen en heb die weer verloren op de wijze, die ik u zal meedeelen," zei ik en ik vertelde mijn geschiedenis en sprak ook van mijn besluit om van het weinige, wat mij van mijn voorspoed was overgebleven, een klein huis te koopen en daarin in afzondering te gaan leven.
Nadat de zoon van don Cesar mijn verhaal met veel belangstelling had aangehoord, zei hij: "Mijn waarde Gil Blas, wij zijn altijd goede vrienden geweest en ik ben zeer dankbaar, dat de hemel mij in staat stelt je te helpen. Ge zult niet langer een speelbal zijn van de fortuin. Ik zal je eigenaar maken van een goed, dat je niet kan worden ontnomen. Je wilt buiten leven, welnu, ik geef je het kleine landgoed, dat wij bezitten bij Lirias, op vier mijlen afstands van Valencia. Je kent het. Zonder eenig bezwaar voor ons kunnen we je dit afstaan en ik ben er zeker van dat mijn vader en Séraphine dit besluit zeer zullen toejuichen."
Ik wierp mij op de knieën voor don Alphonse, die mij echter dadelijk oprichtte. Hartelijk dankte ik hem voor zijn edelmoedigheid. In den verderen loop van het gesprek deelde ik hem toen mee, hoe het mij gelukt was die gouverneursplaats voor hem te krijgen. Hij was daar zeer verwonderd over en beweerde nu, dat het niet voldoende was mij het kleine landgoed te geven, maar dat hij mij er ook een jaarlijksch inkomen bij zou schenken.
"Neen mijnheer," zei ik, "te veel bezit is bij mij alleen maar dienstig om mijn hebzucht op te wekken. Dat heb ik maar al te zeer ondervonden. Gaarne neem ik uw landgoed bij Lirias aan en ik zal er gemakkelijk kunnen leven van hetgeen ik nog bovendien bezit. Maar dat is mij voldoende, meer begeer ik niet. Rijkdom behoort niet op een plaats, waar men slechts rust zoekt."
Tijdens ons gesprek kwam don Cesar binnen, die mij eveneens met groote hartelijkheid begroette. Nadat hij van alles op de hoogte was gebracht, brachten vader en zoon mij dadelijk naar een notaris, waar zij een akte van schenking lieten opmaken en die beiden met meer genoegen teekenden, dan zij het een stuk zouden hebben gedaan, dat hun voordeel opleverde. De akte werd mij ter hand gesteld en ik kon van het landgoed bezit gaan nemen wanneer ik wilde. Zij gingen daarop naar baron von Steinbach terug en ik begaf mij naar ons hotel, waar ik de verwondering opwekte van Scipio met de mededeeling, dat wij een landgoed hadden gekregen in Valencia en de wijze vertelde, waarop dat in mijn bezit was gekomen.
"Hoeveel zou dat kleine domein waard zijn?" vroeg hij.
"Vijfhonderd ducaten rente en ik kan je verzekeren, dat het daar een zeer mooie omgeving is. Als intendant van de heeren de Leyva ben ik er meermalen geweest. Het is een zeer klein landhuis aan de oevers van den Guadalquivar, in een gehucht met nog vijf of zes andere huizen".
"Wat mij zeer bevalt", riep Scipio, "is dat wij daar goed wild zullen hebben, met wijn van Bernicarlo en uitstekenden muscaat! Komaan patroon! laten wij ons haasten om de wereld te verlaten en onze eenzaamheid op te zoeken".
"Ik heb niet minder lust dan jij", antwoordde ik, "maar ik moet eerst nog naar Asturië. Mijn vader en moeder leven daar niet in zeer gelukkige omstandigheden, ik zal hen gaan halen en naar Lirias brengen, waar ze de rest van hun dagen in rust kunnen slijten. De hemel heeft mij misschien deze plaats gegeven, om er hen te ontvangen en zou mij straffen, indien ik dit verzuimde". Scipio prees mijn voornemen en met spoed maakten wij de toebereidselen voor ons vertrek.
TIENDE BOEK
HOOFDSTUK I
Gil Blas vertrekt naar Asturië; hij reist over Valladolid, waar hij dokter Sangrado, zijn ouden meester gaat bezoeken. Hij ontmoet bij toeval den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het klooster.
In den tijd, dat Scipio en ik Madrid verlieten, benoemde Paulus V den hertog de Lerme tot kardinaal. De paus, die de inquisitie in het koninkrijk Napels wilde instellen, bekleedde den minister met het purper, om daardoor koning Philips voor zijn plannen te winnen. Al wie dit nieuwe lid van het heilige college goed kenden, vonden als ik, dat de kerk een schoone aanwinst had gedaan.
Scipio, die mij liever in een schitterende betrekking aan het hof zag terugkeeren dan begraven in de eenzaamheid, raadde mij aan den nieuwen kardinaal te gaan bezoeken. "Misschien," zei hij, "dat zijn eminentie, wanneer hij u op bevel van den koning uit de gevangenis ontslagen ziet, niet meer doet of hij gebelgd op u is en u weer in zijn dienst terugneemt."
"Scipio," antwoordde ik hem, "je vergeet klaarblijkelijk, waarde, dat ik de Castiliën zou verlaten. Denk je overigens, dat ik nu al genoeg heb van mijn kasteel te Lirias? Ik heb je al gezegd en herhaal het: wanneer de hertog de Lerme mij zijn gunsten weer zou willen schenken, wanneer hij mij zelfs de plaats aanbood van Calderone, zou ik weigeren. Mijn besluit is genomen, ik ga mijn ouders halen en dan nabij Valencia wonen. Mocht het je berouwen, dat je je lot aan het mijne hebt verbonden, dan behoef je dat maar te zeggen, ik ben bereid om je de helft van mijn geld te geven, waarmee je in Madrid kan blijven om verder je fortuin te maken".
"Hoe mijnheer!" zei Scipio, "denkt u dat het mij berouwt, dat ik besloten heb u te volgen? Hoe, Scipio, die trouwe dienaar, die gaarne de rest van zijn dagen met u zou hebben gesleten in den toren van Ségovië, zou u niet gaarne vergezellen naar een plaats, waar ons zooveel genot wacht! Neen mijnheer, ik denk er niet aan op mijn besluit terug te komen. Ik moet u bekennen dat ik, toen ik dien raad gaf u alleen maar eens heb willen polsen, om te zien of er nog iets van de oude eerzucht in u was overgebleven. Maar ik zie, dat ge niet meer aan grootheid zijt gehecht!"
Wij reisden in een wagen, bespannen met twee goede muilezels, gemend door een jongen, dien ik bij mijn gevolg had gevoegd. Na eenige dagen kwamen wij te Valladolid. Bij het gezicht van die stad kon ik mij niet weerhouden te zuchten. Mijn metgezel vroeg, waarom ik dat deed. "Mijn vriend", zei ik, "dat komt, omdat ik langen tijd hier de geneeskunde heb beoefend. Ik kan er niet rustig aan denken. Mijn geweten doet mij op dit oogenblik geheime verwijten. Wat zeg ik? Het is mij of alle zieken, die ik vermoord heb, uit hun graven rijzen, om mij in stukken te scheuren!"
"Wat een idee!" riep Scipio, "Waarlijk, mijnheer Santillano, ge zijt te goed. Waarom maakt ge u er een verwijt van, dat ge uw beroep hebt uitgeoefend? Kijk naar de oudste doktoren, hebben zij de wroeging? Wel neen! Ze gaan steeds hun gang. Loopt een geval ongelukkig af, dan is de natuur de schuld ervan en genezen zij iemand, dan hebben zij de eer!"
"'t Is waar," zei ik, "dat dokter Sangrado, wiens methode ik getrouw volgde, er die manieren op nahield. Al stierven er per dag twintig personen onder zijn handen, hij was zoo overtuigd van het heilzame van aderlaten en van zijn drankjes, dat hij zeker was, daarmee alle ziekten te kunnen genezen. Hij geloofde, dat de zieken alleen stierven, omdat hij hen niet genoeg had gelaten, of dat ze te weinig geslikt hadden!"
Lachend riep Scipio: "Dat is een interessante persoonlijkheid!"
"Als ge hem wilt leeren kennen," zei ik, "dan is daar morgen gelegenheid toe, wanneer althans Sangrado nog leeft en nog in Valladolid woont. Ik kan dat echter moeilijk gelooven, want hij was al oud, toen ik hem verliet en er zijn sedert dien tijd heel wat jaren verloopen."
Ons eerste werk, toen wij in het hotel aankwamen, was te informeeren naar dokter Sangrado, die nog leefde, maar te oud was om visites te maken en dus zijn practijk aan drie of vier andere doktoren had overgedaan. Wij besloten den volgenden dag in die stad over te blijven, zoowel om hem te bezoeken, als om onze muilezels te laten rusten.
Den volgenden morgen om tien uur gingen wij hem bezoeken; wij vonden hem in een fauteuil, met een boek in de hand. Zoodra hij ons zag, stond hij op, kwam naar ons toe met een fermen stap voor een zeventigjarige en vroeg, wat wij wilden.
"Dokter," zei ik, "kijk mij eens oplettend aan! Herkent ge mij niet? Ik heb toch de eer een van uw leerlingen te zijn. Herinnert gij u niet een zekeren Gil Blas, die bij u gewoond heeft?"
Hij drukte mij hartelijk de hand en zei: "Zijt gij het Santillano? Ik zou u niet meer herkend hebben. Het doet mij recht veel genoegen u weer te zien. Wat hebt ge sedert onze scheiding gedaan? Zeker de geneeskunde beoefend?"
"Wat mij betreft," antwoordde ik, "had ik daar wel neiging toe, maar redenen van overwegenden aard hebben het mij belet."
"Dat is jammer," zei Sangrado, "want met de grondbeginselen, die ik bij u had gelegd, zoudt ge een uitstekend geneesheer zijn geworden, indien de hemel u althans had behoed voor de gevaarlijke liefde tot de scheikunde. Wat een verandering in de geneeskunde in de laatste jaren! Ge ziet mij er tegelijkertijd verwonderd en bedroefd over. Men ontneemt aan onze wetenschap de eer en de waardigheid. Die kunst, die door alle eeuwen heen het leven van den mensch heeft gerespecteerd, is nu ten prooi geworden aan vermetelheid, aan vermoedens, aan onervarenheid. Men ziet tegenwoordig ook in deze stad dokters, wier eenige wetenschap van de geneeskunde bestaat in het bereiden van scheikundige mengsels. Alles is verkeerd in hun methode! Het aderlaten van den voet bijvoorbeeld, vroeger zoo zeldzaam gedaan, is tegenwoordig bijna de eenige wijze. De purgeermiddelen vroeger zacht en weldadig, zijn nu brakerig werkende. Het is een chaos geworden, iedereen doet wat hij wil en overschrijdt de grenzen van de regelmaat en wijsheid, die onze eerste meesters hebben vastgesteld."
Welk een lust ik ook had om te lachen, ik wist mij te weerhouden. Scipio, wien het geval vermaakte, wilde het vuur nog wat aanwakkeren. "Dokter," zei hij tegen Sangrado, "daar ik een achterneef ben van een dokter van de andere school, zij het mij vergund, met u al die scheikundige remedies ver weg te werpen. Wijlen mijn oudoom was een zoo overtuigd volgeling van Hippocrates, dat hij dikwijls gevochten heeft met de kwakzalvers, die met niet genoeg respect spraken van dien koning der geneeskunde. Het bloed verloochent zich niet en ik zou graag voor beul dienen van al die nieuwerwetsche domooren, over wie gij u met evenveel rechtvaardigheid als welsprekendheid beklaagt. Welk een wanorde veroorzaken deze ellendelingen niet in de beschaafde maatschappij!"
"Die wanorde," zei de dokter, "gaat veel verder dan ge denkt. Het heeft mij niet gebaat een boek uit te geven tegen die struikrooverij op het gebied van de geneeskunst; integendeel, ze neemt van dag tot dag toe. De chirurgen zijn zoo gek dokters te willen zijn en denken, dat ze er geschikt voor zijn als er maar braakmiddelen hoeven gegeven te worden, waarbij ze dan, heel willekeurig voet-aderlatingen voegen. Deze besmetting verspreidt zich zelfs in de kloosters, er zijn onder de monniken sommige broeders, die tegelijk apotheker en chirurgijn zijn en schadelijke drankjes maken, die het leven verkorten van de eerwaarde vaders."
Hier werd ons gesprek gestoord door de komst van een oude dienstbode, die een blad bracht, waarop een broodje, een glas en twee caraffen, de een gevuld met water en de andere met wijn. Hij vulde het glas voor niet meer dan een vierde gedeelte met wijn en de rest met water. "Ho, ho! dokter!" riep ik, "daar betrap ik u op heeterdaad, u drinkt wijn, gij, die u altijd zoo tegen dien drank hebt verklaard en daardoor veroorzaakt hebt, dat ik in tien jaren tijds geen druppel wijn heb gedronken. Sedert wanneer zijt gij zoo veranderd? Ge kunt u niet beroepen op uw leeftijd, omdat ge in een van uw geschriften den ouderdom verklaart als een natuurlijke tering en ge daarom de onwetendheid betreurt van personen, die den wijn de melk der grijsaards noemen. Wat hebt ge te zeggen om u te rechtvaardigen?"
"Ge doet mij onrecht aan," zei de oude heer. "Indien ik enkel wijn dronk, zoudt ge gelijk hebben, maar ik vermeng dien met veel water." "Mijn waarde meester," antwoordde ik, "herinnert ge u niet, dat ge het afkeurde in den kanunnik Sedillo, dat hij wijn dronk, hoewel hij er veel water in deed? Beken maar, dat ge uw dwaling hebt ingezien, dat het drinken van wijn niet slecht is, zooals ge in uw boeken hebt gezegd, mits men er maar een matig gebruik van maakt."
De dokter was een weinig verlegen door mijn woorden; hij kon zich er niet goed uit redden, dus bracht ik het gesprek op een ander onderwerp en wij vertrokken spoedig na hem nogmaals goed succes te hebben toegewenscht in zijn strijd tegen de nieuwe geneeskunde.
Terwijl Scipio en ik op weg naar het hotel nog eens hartelijk lachten om dien origineelen dokter, ging ons een man voorbij van omstreeks zestig jaren, die de oogen naar den grond hield geslagen. Ik herkende in hem Manuel Ordonnez, den administrateur, van wien ik zoo eervol melding maakte in het eerste deel van mijn geschiedenis. Ik groette hem, hij keek mij aan en zei, dat hij, hoewel mijn gezicht hem niet onbekend voorkwam, zich toch niet kon herinneren, wie ik was. Ik kwam zijn geheugen te hulp en zei, dat ik vroeger wel eens bij hem kwam toen hij een vriend van mij in dienst had, genaamd Fabricius Nunez. Hij antwoordde: "Ja, nu herinner ik het mij. Ge hebt samen wel eens streken uitgehaald! Maar zeg mij eens, wat er van dien armen Fabricius geworden is."
"Fabricius is in Madrid, waar hij zich met verschillend werk bezig houdt."
"Wat verstaat ge onder verschillend werk?" vroeg hij. "Dat klinkt mij zoo dubbelzinnig."
"Ik wil daarmee zeggen," antwoordde ik, "dat hij schrijft in poëzie en in proza, hij maakt comedies en romans; in één woord, het is iemand met talent, die zeer goed wordt ontvangen in groote huizen."
"Maar hoe staat het met zijn geldmiddelen?"
"Niet al te best," antwoordde ik. "Ik geloof niet, dat hij rijk is."
"O, dat dacht ik wel!" riep Ordonnez. "Laat hij het hof maar maken aan groote heeren! Dat zal hem even weinig inbrengen als zijn geschrijf. Ik zie hem den een of anderen dag nog eens in ons armenhuis terechtkomen."
"Dat zou wel kunnen," stemde ik toe, "de poëzie heeft er wel anderen gebracht. Mijn vriend Fabricius zou beter hebben gedaan, indien hij maar bij u was gebleven, dan zou zijn karretje nu over een zandweg gaan."
"Hij zou het tenminste goed hebben," zei Manuel. "Ik hield van dien jongen en hij had in onze inrichting een goede positie kunnen krijgen, indien het hem niet in het hoofd was gekomen zich aan de schoone kunst te gaan wijden. De domoor! Hij maakte een comediestuk, dat opgevoerd werd door een troep, die bij ons in de stad was. Hij had succes en zijn hoofd werd daardoor op hol gebracht. Hij meende een nieuwe Lopez de Vega te zijn en gaf de voorkeur aan den bedwelmenden rook van het applaudissement van het publiek, boven de werkelijke voordeelen die mijn vriendschap hem kon aanbieden. Hij heeft zijn geluk niet begrepen. De jongen, dien ik in zijn plaats nam, is daar het bewijs van. Hij heeft minder verstand dan Fabricius, maar legde zich uitsluitend op zijn betrekking toe en bekleedt nu bij ons twee posten, waarvan de minste hem ruimschoots in staat stelt te leven als een fatsoenlijk man, die een groot huishouden tot zijn last heeft."
HOOFDSTUK II
Gil Blas vervolgt zijn reis en komt gelukkig te Oviédo aan. In welken toestand hij zijn ouders vindt. Dood van zijn vader; gevolg van dien dood.
Van Valladolid reisden wij in vier dagen naar Oviédo, zonder onderweg slechte ontmoetingen te hebben gehad, niettegenstaande er gezegd wordt, dat de dieven van verre het geld van de reizigers ruiken. Ze hadden anders gemakkelijk hun slag kunnen slaan; want ik had aan het hof geen dapperheid geleerd en mijn ezeldrijver scheen me niet iemand, die zich zou laten dooden om de beurs van zijn meester te verdedigen. Alleen Scipio had iets van een vechtersbaas.
Het was nacht toen wij in de stad aankwamen. Wij gingen in een logement, dicht naast het huis van mijn oom Gil Perez. Voor ik naar mijn ouders ging, wilde ik naar hen informeeren en ik wist niet beter te doen, dan mij daarvoor te wenden tot den waard en zijn vrouw, die wel alles van hunne buren zouden afweten. Na mij goed te hebben aangekeken riep de herbergier uit: "Bij den heiligen Antonius van Padua! Dat is de zoon van onzen goeden Blas de Santillano!"
"Ja waarlijk," bevestigde de vrouw, "hij is het, ik herken hem zeer goed, hij is bijna niet veranderd. 't Is, of ik hem nog zie zooals hij hier 's avonds met een flesch kwam, om wijn voor het souper van zijn oom te halen."
"Ge hebt een goed geheugen," zei ik, "maar wees zoo goed en vertel mij iets van mijn familie. Mijn vader en moeder hebben het zeker niet te best!"
"Dat hebben ze zeker niet," antwoordde de vrouw, "ze konden er moeilijk slechter aan toe zijn. De goede Gil Perez is door een beroerte aan de eene helft van zijn lichaam verlamd en zal waarschijnlijk niet lang meer leven; uw vader, die sedert korten tijd bij hem woont, heeft een longontsteking of liever gezegd hij bevindt zich tusschen leven en dood en uw moeder, wie het ook al niet te best gaat, past hen beiden op. Ongelukkiger kon het dus wel niet!"
Ontroerd door alles, wat ik had gehoord, ging ik naar het huis van mijn oom. Nadat mijn moeder mij had omhelsd, zei ze, dat ik nog juist op tijd was gekomen, om mijn vader te zien sterven. Ze bracht mij in een kamer waar op een armoedig bed de ongelukkige man lag te sterven. Hoe nabij de dood ook was, was hij nog niet geheel buiten kennis. Mijn moeder zei: "Hier is Gil Blas, je zoon, die je vergiffenis vraagt voor het verdriet, dat hij je heeft aangedaan en om je zegen smeekt." Bij die woorden opende mijn vader zijn oogen, hij vestigde die op mij en merkte aan mijn droefheid, dat ik zeer getroffen was door zijn verlies. Hij wilde spreken, maar had er de kracht niet toe. Ik nam een van zijn handen, mijn tranen beletten mij om een woord te spreken. Hij zuchtte, 't was of hij mijn aankomst had afgewacht om den laatsten adem uit te blazen.
Mijn moeder was te veel voorbereid op zijn dood, om nu een hevig verdriet te gevoelen. Ik was er misschien meer van onder den indruk dan zij, hoewel mijn vader mij zijn leven lang geen enkel bewijs van vriendschap had gegeven. Ik was niet alleen bedroefd omdat ik mijn vader had verloren, maar ook omdat ik aan mijn hardheid moest denken. Een monster van ondankbaarheid vond ik mijzelf, of liever een vadermoordenaar.
Ook bij het zien van mijn oom, deed ik mijzelf heftige verwijten. Alle verplichtingen, die ik aan hem had, kwamen mij nu voor den geest. "Indien ge," zei ik tot mijzelf, "hun maar een klein gedeelte van den overvloed hadt gegeven, die gij hebt gehad, dan zouden zij een gelukkig leven hebben geleid en je vader was dan misschien niet dood."
De ongelukkige Gil Perez was kindsch geworden. Of mijn moeder hem al zei, dat ik zijn neef Gil Blas was, hij lachte slechts met een onnoozel gezicht en gaf geen antwoord. Ondertusschen bewaarde Scipio een somber stilzwijgen, zuchtte met mij mee en vermengde uit vriendschap zijn tranen met de mijne.
Mijn moeder en ik deden elkaar daarna een getrouw verslag van hetgeen er gebeurd was nadat ik uit Oviédo was gegaan. Met alle respect voor de nagedachtenis van mijn moeder, was ze nog al wijdloopig in haar verhalen en zou mij driekwart van haar verhaal hebben kunnen besparen, indien ze allerlei onnutte kleinigheden had terzijde gelaten.
Toen zij aan het eind van hare geschiedenis was gekomen, begon ik de mijne. Slechts in het kort vertelde ik haar van al mijn avonturen, maar bij het bezoek van den zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier uit Oviédo, bij mij te Madrid, stond ik langen tijd stil. "Ik moet u bekennen," zei ik, "dat ik dien slecht heb ontvangen en om zich te wreken zal hij zeker wel niet veel goeds van mij hebben gezegd."
"Hij vond je," antwoordde zij, "zoo trotsch geworden, omdat je de gunsteling van den eersten minister was, dat je hem niet wilde herkennen en het liet je geheel koud, toen hij van onze armoede vertelde. Maar daar ouders altijd het beste van hunne kinderen gelooven, dachten wij, dat hij overdreef. En je komst te Oviédo toont nu, dat we gelijk hebben gehad."