De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 13
Mijn bediende, Ramire, kweet zich zoo vlug van die taak, dat hij reeds drie uren na mij in Placencia aankwam. Hij zei me, dat dona Eléonor meer verheugd dan bedroefd was over dezen strijd, die mij eens genoegdoening had gegeven na de beleediging door mij ondervonden en ik ontving een groot bedrag aan goud en edelgesteenten, om aangenaam te kunnen reizen, totdat mijn zaak zou zijn geschikt.
Ik reisde naar Valencia en scheepte mij te Denia in, om naar Italië te gaan. Helena betreurde mijn afwezigheid en terwijl de familie van Olighera pogingen aanwendde om mij te vinden, verlangde zij naar mijn terugkeer. Reeds was ik zes maanden weg, toen een edelman van de kust van Galicië, don Blas de Combados te Coria kwam, om een erfenis te ontvangen, die hem vruchteloos werd betwist door don Miguel de Caprara, zijn neef.
Combados was een knap man, hij was beleefd en geestig en verkeerde weldra met de voorname families in de stad.
Hij wist, dat don George een dochter had, wier schoonheid tot nu toe de mannen slechts tot hun ongeluk in liefde had doen ontvlammen. Dit prikkelde zijn nieuwsgierigheid, hij wilde die dame zien. Hij zocht daarom met den vader op een vriendschappelijken voet te komen en slaagde daarin zoo goed, dat de grijsaard hem toestond zijn huis te bezoeken en met zijn dochter te spreken. De Galiciër werd dadelijk verliefd, dat was onvermijdelijk. Don George ontving zijn aanzoek gunstig, maar wilde zijn dochter niet dwingen, hij liet haar meesteres over haar hand. Combados deed, wat hij kon om haar te behagen, maar zij bleef ongevoelig voor zijn hulde en dacht slechts aan mij. Félicia, die ook door den nieuwen minnaar was omgekocht, wendde al haar behendigheid in zijn voordeel aan, don George ondersteunde diens pogingen, maar dona Helena bleef mij trouw.
Combados, die zag dat alle pogingen tot nu toe vergeefsch waren geweest, stelde een ander middel voor. Hij bedacht het volgende plan: een koopman te Coria zou een brief omtvangen van een handelsvriend in Italië, waarin na eenige mededeelingen betreffende zaken, te lezen zou zijn: "Sinds korten tijd is aan het hof te Parma een Spaansch edelman aangekomen, don Gaston de Cogollos genaamd. Hij zegt, dat hij de neef en eenige erfgenaam is van een rijke weduwe, die te Coria woont onder den naam van dona Eléonor de Laxarilla. Hij doet aanzoek om de hand van de dochter van een voornaam heer, maar men wil hem die niet geven zonder eerst geïnformeerd te hebben. Bericht mij dus, of ge dien don Gaston kent en waarin het vermogen van zijn tante bestaat. Uw antwoord zal beslissend zijn voor dit huwelijk. Schrijf naar Parma enz. enz."
Dit bedrog scheen den grijsaard een list, wel geoorloofd van een verliefde en Félicia, die nog minder nauwgezet was, juichte het zeer toe. De uitvinding scheen daarom te beter, omdat zij Helena kende als een trotsch meisje, die in staat was oogenblikkelijk een besluit te nemen, indien zij vermoeden had, dat men haar ontrouw was geworden. Don George belastte zich er zelf mee, om haar op de hoogte te brengen en om de zaak nog natuurlijker te maken, zou men haar laten spreken met den koopman, die den nagemaakten brief zou hebben ontvangen.
De oude edelman zei dus tegen haar: "Mijn dochter, ik behoef wel niet meer te zeggen, dat onze familieleden mij alle dagen verzoeken om nooit toe te staan, dat de moordenaar van don Augustin mijn schoonzoon wordt. Heden heb ik een nog meer overwegende reden om u te zeggen niet meer aan don Gaston te denken. Hij is een trouwelooze! Ziehier een zeker bewijs daarvan. Lees dezen brief, dien een koopman te Coria uit Italië heeft ontvangen."
De toeleg gelukte. Helena weende eerst een oogenblik, maar haar trotschheid kwam spoedig boven, ze zei, dat ze mij verachtte en bereid was om Combados naar het altaar te volgen. Don George was zeer verheugd en Combados overgelukkig.
Zonder te hooren naar de stem der liefde, die voor mij in haar hart sprak, had ze mijn medeminnaar haar hand gereikt. Eenige dagen na het huwelijk begon ze zichzelf wel te verwijten, dat ze overijld had gehandeld en rees het vermoeden bij haar op, dat die brief misschien bedrog was, maar haar echtgenoot liet haar niet veel tijd om daarover te denken. Hij had er den slag van een reeks vermaken uit te vinden, om haar te verstrooien.
Zoo leefden zij in een gelukkig huwelijk, toen mijn tante erin slaagde om mijn zaak met de bloedverwanten van don Augustin te schikken. Ze schreef mij dat dadelijk naar Italië en ik keerde onmiddellijk terug. Dona Eléonor, die mij het huwelijk van Helena niet per brief had meegedeeld, stelde mij bij mijn aankomst daarvan in kennis. Ze zag welk een diepen indruk die tijding op mij maakte en zei: "Betreur het verlies van een meisje niet, dat u niet trouw is kunnen blijven, ze heeft daardoor getoond, dat ze niet waard is, dat ge aan haar denkt."
Daar mijn tante niet wist, dat men Helena bedrogen had, kon ze mij zeker geen wijzeren raad geven. Ik nam mij dan ook voor dien te volgen, of mij althans onverschillig te houden, indien ik mijn hartstocht niet kon overwinnen. Maar ik kon geen weerstand bieden aan de nieuwsgierigheid om te weten te komen op welke wijze dit huwelijk was tot stand gekomen en bezocht daarom de oude Théodora, van wie ik reeds heb gesproken. Toevallig vond ik bij haar Félicia, die in het geheel niet had verwacht mij weer te zien en dadelijk wilde vertrekken, om eenige opheldering te voorkomen. Maar ik liet haar niet gaan en met moeite gelukte het mij van haar een bekentenis te krijgen van alles wat er was gebeurd. Zij zag, dat ik wanhopig was en om mij te troosten beloofde zij mij weder haar hulp. Ik zal u het verhaal besparen van al wat wij deden om Helena te bewegen mij een onderhoud toe te staan. Toen Combados voor een paar dagen ging jagen op een van zijn landgoederen, ontving ze mij 's avonds.
Ik wilde het gesprek beginnen met verwijten, maar zij sloot mij den mond en zei: "'t Is onnoodig ons het verleden te herinneren. Wij behoeven elkaar niet treurig te stemmen. In dit onderhoud heb ik alleen toegestemd, om u persoonlijk te kunnen zeggen, dat ge voortaan niet meer aan mij moet denken. Misschien zou ik meer tevreden zijn met mijn lot, indien het aan het uwe verbonden was, maar de hemel heeft het anders gewild en ik moet zijn besluiten gehoorzamen."
Ik riep uit: "Hoe mevrouw! Is het niet voldoende, dat ik moet toezien hoe een ander u bezit, moet ik u ook nog uit mijn gedachten verbannen! Denkt ge, dat zoo iets mogelijk is bij een man, die eens uw liefde heeft bezeten? Ge wilt mij mijn liefde ontnemen, het eenige wat waarde voor mij heeft."
"Ik heb u slechts een kort woord te zeggen," hernam zij op beslisten toon, "de echtgenoote van don Blas de Combados zal nooit de minnares worden van don Gaston. Bedenk dat wel. Laten wij dit onderhoud thans eindigen. Niettegenstaande de zuiverheid van mijne bedoelingen, verwijt ik dat mijzelf en het zou misdadig zijn het voort te zetten." Bij die woorden, die mij alle hoop ontnamen, viel ik voor haar op de knieën, maar ik smeekte vruchteloos; de plicht ging bij haar vóór alles. Een gevoel van woede maakte zich van mij meester, ik trok mijn degen en wilde mijzelf doorsteken. Maar zij wierp zich op mij en riep: "Houd op! Denkt ge niet aan mijn naam? Door u hier van het leven te berooven, ontneemt ge mij mijn eer en mijn echtgenoot zou voor uw moordenaar doorgaan."
Ik wilde echter niet naar hare woorden luisteren en zou misschien mijn noodlottig voornemen hebben volvoerd, indien don Blas de Combados niet verschenen was. Deze was verwittigd geworden van het onderhoud, dat wij zouden hebben, was daarom niet naar buiten gegaan en had gehoord, wat wij hadden gesproken. Hij hield mijn arm vast en zei: "Don Gaston, denk aan de plaats, waar ge u bevindt. Geef niet toe aan het gevoel van wanhoop, dat u op 't oogenblik bezielt!" Ik viel Combados in de rede: "Moet gij me van mijn besluit afbrengen? Ge moest mij liever zelf een dolk in het hart stooten. Mijne liefde, hoe ongelukkig die ook zijn moge, is voor u een beleediging. Is het niet voldoende, dat ge mij 's avonds laat in het vertrek van uw vrouw vindt? Is er nog meer noodig om uw lust naar wraak op te wekken? Doorsteek mij en ontdoe u zoo van een man, die alleen door te sterven, kan ophouden dona Helena te aanbidden!"
Don Blas antwoordde mij: "Ge beproeft tevergeefs op mijn eergevoel te werken, om mij te bewegen u te dooden. Ge zijt al genoeg gestraft voor uw vermetelheid en mijn echtgenoot ben ik zoo dankbaar voor hare deugdzame gevoelens, dat ik haar geen verwijt kan maken van dit samenzijn met u. Geloof mij Gogollos, wees niet wanhopig als een zwak man, maar onderwerp u met moed aan een harde noodzakelijkheid!"
Door deze en dergelijke woorden wist de voorzichtige man werkelijk mijn woede en wanhoop te doen bedaren. Ik ging weg met het plan mij van Helena te scheiden en van de plaats, waar zij woonde. Dus vertrok ik twee dagen later naar Madrid, waar ik aan het hof verscheen en vele vrienden kreeg. Maar ik had het ongeluk mij inzonderheid te hechten aan den markies de Villaréal, een Portugees van veel invloed, die verdacht werd Portugal te hebben willen bevrijden van de Spaansche heerschappij. Hij werd daarom naar het kasteel van Alicante gevoerd. Daar de hertog de Lerme wist, dat ik in nauwe relatie stond met dien heer, heeft hij mij ook laten oplichten en naar hier brengen. De minister verdenkt mij, dat ik medeplichtig zou zijn aan zulk een plan. Dat is een gevoelige beleediging, die hij een edelman en Spanjaard aandoet".
Hier hield don Gaston op met spreken, waarna ik om hem te troosten zei: "Uw eer wordt niet geschaad door de ongenade, waarin ge zijt gevallen en alles zal zich zeker ten goede keeren. Wanneer de hertog de Lerme zal weten, dat ge onschuldig zijt, zal hij u ongetwijfeld in uw eer herstellen en u een aanzienlijke betrekking geven, om u schadeloos te stellen."
HOOFDSTUK VII
Scipio komt Gil Blas opzoeken in den toren te Ségovië en deelt hem veel nieuws mee.
Ons gesprek werd afgebroken door Tordesillas, die zei: "Mijnheer Gil Blas, ik heb zooeven een jongeman gesproken, die zich aan de deur van deze gevangenis aanmeldde. Hij vroeg of gij hier gevangen waart. Toen ik aanvankelijk weigerde om aan zijn nieuwsgierigheid te voldoen, zei hij met tranen in de oogen: 'Weiger mijn zeer onderdanig verzoek niet en deel mij mee of de heer de Santillano hier is. Ik ben zijn eerste bediende en gij zult een zeer goede daad verrichten, indien ge mij wilt toestaan hem een oogenblik te zien, ge zijt in Ségovië als een zeer edelmoedig man bekend en ik hoop, dat ge mij in de gelegenheid zult stellen met mijn meester te spreken, die meer ongelukkig dan schuldig is.' Om kort te gaan, die jongen heeft van mij verkregen, dat ik hem beloofd heb, vanavond zijn verzoek te zullen inwilligen."
Ik verzekerde Tordesillas, dat hij mij geen grooter genoegen had kunnen doen, want dat mijn bediende mij zeker zeer gewichtig nieuws had te vertellen. Met ongeduld wachtte ik het oogenblik af, waarop ik mijn getrouwen Scipio zou kunnen spreken, want ik twijfelde er niet aan, of hij was het en daarin bedroog ik mij niet.
Groot was onze vreugde, toen wij elkaar weerzagen. Mijn eerste vraag aan Scipio was, hoe hij mijn huis had achtergelaten. Hij antwoordde mij: "U hebt geen huis meer en om u de moeite te besparen, mij vraag voor vraag te doen, zal ik u in het kort meedeelen, wat er bij u is gebeurd. Uw huis is geplunderd zoowel door de dienaren van het gerecht als door uw eigen bedienden, die u als een verloren man beschouwden en op rekening van hun loon maar meenamen wat ze konden krijgen. Gelukkig voor u, heb ik uit hun handen twee groote zakken met dubbele pistolen weten te redden, die ik uit uw brandkast haalde en in veiligheid bracht bij Salero, die ze u zal teruggeven, zoodra ge uit de gevangenis komt, waar ge wel niet lang zult blijven, omdat ge zijt gearresteerd zonder medeweten van den hertog de Lerme."
Ik vroeg Scipio hoe hij wist, dat de minister daaraan geen deel had gehad. "O! dat weet ik zeker. Een van mijn vrienden, die het vertrouwen heeft van den hertog d'Uzède, heeft mij alles verteld. Calderone had door een huisknecht vernomen, dat senora Sirena onder een anderen naam 's nachts den prins ontving en dat de graaf de Lemos en gij hem daarbij hadt geholpen. Hij besloot zich op u beiden en zijn maîtresse te wreken en zocht den hertog d'Uzède op, wien hij deze zaak meedeelde. De hertog, verheugd, dat hij zulk een schoone gelegenheid had, om zijn vijand, den graaf de Lemos, in het verderf te storten, verzuimde niet daarvan gebruik te maken. Hij ging naar den koning, vertelde alles en liet niet na in levendige kleuren de gevaren te schilderen, waaraan men den prins had blootgesteld. De koning was woedend, liet dadelijk Sirena in een klooster opsluiten, verbande den graaf de Lemos en veroordeelde u tot levenslange gevangenisstraf.
Op die wijze heeft zich de zaak toegedragen. Ge ziet daaruit, dat uw ongeluk het werk is van den hertog d'Uzède, of beter gezegd van Calderone."
Na die mededeelingen meende ik, dat de zaak wel spoedig zou worden geschikt, omdat de eerste minister ongetwijfeld alles in het werk zou stellen om de ballingschap van zijn neef op te heffen en hem weer aan het hof terug te krijgen, en ik hoopte, dat hij mij bij die gelegenheid niet zou vergeten. Wat is de hoop toch een schoone zaak! Ze troostte mij eensklaps over het verlies van mijn goed. Wel verre van mijn gevangenschap als een ongeluk te beschouwen, dat misschien tot het eind van mijn dagen zou voortduren, scheen ze mij nu een middel, waarvan de fortuin zich wilde bedienen, om mij tot een hooge betrekking te verheffen. Ziehier hoe ik redeneerde: de eerste minister heeft aan zijn zijde staan de meeste personen, die het vertrouwen bezitten van den koning; met de hulp van die machtige vrienden kan hij weerstand bieden aan al zijn vijanden, ofwel de staat kan binnenkort van uitzicht veranderen. De koning is nl. zeer ziekelijk. Zoodra hij er niet meer zal zijn, zal het eerste werk van den prins zijn, om den graaf de Lemos terug te roepen, die mij van hier zal halen, om mij naar den jongen koning te brengen, die mij overladen zal met weldaden, voor alles wat ik ter wille van hem heb geleden.
Over Scipio was ik zoo tevreden, dat ik behoefte gevoelde hem daarvan een bewijs te geven en ik bood hem de helft van het geld aan, dat hij bij de plundering had weten te redden. Maar hij weigerde en zei: "Ik verwacht van u een ander bewijs van uw erkentelijkheid. Laten wij niet meer scheiden. Ik gevoel voor u een vriendschap, zooals ik die nooit voor een van mijn vorige meesters heb gekend." "En ik, mijn zoon, kan je verzekeren, dat het wederkeerig is. Van het eerste oogenblik af aan, dat ik je zag, had ik schik in je. Ik denk, dat we allebei onder Weegschaal of Tweelingen zijn geboren, wat, naar men zegt, de gesternten zijn, die de menschen verbinden." Gaarne stemde ik dus toe en wij besloten samen den gevangenbewaarder te vragen of Scipio zich met mij mocht laten opsluiten, met het recht nu en dan eens naar Madrid te gaan, om te zien, hoe de zaken stonden. De welwillende man was zoo vriendelijk mij deze gunst niet te weigeren.
HOOFDSTUK VIII
Scipio reist voor het eerst naar Madrid, de beweegredenen daartoe en het gevolg ervan. Gil Blas wordt ziek en wat daaruit voortvloeide.
Indien wij soms zeggen, dat wij geen grootere vijanden hebben dan onze dienstboden, dan moeten wij eraan toevoegen, dat we geen betere vrienden hebben aan hen, indien ze ons trouw en genegen zijn. In Scipio kon ik niet anders zien dan mijn tweede ik. Dus, geen onderdanigheid meer, Gil Blas en zijn secretaris hadden één kamer, een bed en één tafel. Hij was van een zeer goed humeur en verstand. "Mijn vriend," zei ik op zekeren dag tegen hem, "het schijnt me, dat het niet kwaad zou zijn, indien ik eens aan den hertog de Lerme schreef. Wat denk je daarvan?"
"Wel," antwoordde hij, "de groote heeren zijn niet altijd gelijk van humeur en dus weet ik niet zeker, hoe uw brief zou worden opgenomen. Maar ik meen, dat het in ieder geval goed zou zijn, om hem te schrijven. Hoewel de minister veel van u houdt, moet ge niet stilzitten. Hij moet aan u herinnerd worden. Die heeren vergeten dikwijls de personen, van wie ze niet hooren spreken."
"Hoewel ge in het algemeen gesproken gelijk hebt," antwoordde ik hem, "oordeel ik toch beter over mijn patroon. Zijn goedheid is mij bekend. Ik ben er van overtuigd, dat hij medelijden heeft met mijn toestand en onophoudelijk daaraan denkt. Hij wacht kennelijk met mij uit de gevangenis te helpen, tot de toorn van den koning bedaard is." "Ik hoop," zei hij, "dat ge juist over den minister oordeelt. Roep dus zijn hulp in door een treffenden brief. Ik zal hem dien brengen en persoonlijk ter hand stellen." Ik schreef een zeer welsprekend stuk, dat Tordesillas zelfs boven de preeken van den aartsbisschop stelde.
Ik vleide mij, dat de hertog de Lerme door medelijden zou worden bewogen bij het lezen van het verhaal, dat ik hem deed van den treurigen toestand, waarin ik niet verkeerde en in dat vertrouwen liet ik mijn koerier naar Madrid vertrekken. Hij slaagde erin dadelijk na zijn aankomst tot den minister door te dringen en zei, terwijl hij hem den brief gaf: "Excellentie, een van uw trouwste dienaren, die op stroo ligt in een donker cachot van den toren te Ségovië, verzoekt u nederig dezen brief te lezen, dien hij heeft kunnen schrijven door de goedhartigheid van den gevangenbewaarder." De minister nam den brief aan en las dien door. In plaats van daardoor getroffen te zijn, zei hij met woedende stem, zóó luid dat alle personen in zijn omgeving het konden hooren: "Zeg aan Santillano, dat ik hem wel vermetel vind, om zich tot mij te durven wenden na de onwaardige daad, die hij heeft bedreven en waarvoor hij rechtvaardig wordt gestraft. Het is een ongelukkige, die niet meer op mijn steun moet rekenen en dien ik geheel overlaat aan het oordeel van den koning."
Scipio was geschrikt door die woorden, maar hij zweeg niet. "Excellentie, die arme gevangene zal van verdriet sterven, als ik hem die tijding breng." De hertog antwoordde mijn pleitbezorger niet, maar keerde hem den rug toe. Zoo behandelde de minister mij, om beter het aandeel te kunnen verbergen, dat hij zelf had in deze verliefde intrige van den prins. En zoo wordt dikwijls de kleine man behandeld, wanneer hij groote heeren dient in hunne geheime en gevaarlijke ondernemingen.
Toen mijn secretaris terug was te Ségovië en mij verteld had, hoe hij zich van zijn opdracht had gekweten, zag ik mij opnieuw gedompeld in den verschrikkelijken afgrond, waarin ik den eersten dag van mijn gevangenschap had verkeerd. Ik meende, dat ik zelfs nog ongelukkiger was, omdat ik de bescherming miste van den hertog de Lerme. Al mijn moed was mij ontzonken, ik had groot verdriet en hoe men mij ook trachtte op te beuren, ik begon te kwijnen en werd ernstig ziek.
De gevangenbewaarder was zoo vol deelneming, dat hij niet beter meende te kunnen doen, dan een paar doktoren te roepen. Ik was altijd zoo vooringenomen geweest tegen dokters, dat ik ook nu, wanneer ik nog aan het leven gehecht was geweest, die heeren zeer slecht zou hebben ontvangen, maar ik was het leven zoo moe, dat ik er Tordesillas dankbaar voor was, dat hij mij in hun handen stelde.
Een van hen zei: "Mijnheer, voor alles is het noodig, dat u een onbeperkt vertrouwen in ons hebt."
"Dat heb ik ook," antwoordde ik. "Met uw hulp ben ik er zeker van, dat ik spoedig van al mijn kwalen zal bevrijd zijn."
Hij hernam: "Ja, met Gods hulp zult ge dat zijn. Wij zullen tenminste ons best doen."
Nu dat deden ze ook, het ging zoo goed, dat ik kennelijk op weg was naar de andere wereld. Tordesillas had een ouden monnik laten komen, die mij voorbereid had op den dood en ikzelf geloofde niet anders, of mijn laatste uur had geslagen. Ik gaf Scipio een teeken om bij mijn bed te komen en zei met een nauwelijks hoorbare stem, zoozeer hadden de medicijnen en aderlatingen mij verzwakt: "mijn vriend, ik laat je den eenen zak met pistolen en verzoek je den anderen naar Asturië te brengen naar mijn vader en moeder die, als ze nog leven, dat geld noodig zullen hebben. Vraag of ze mij vergiffenis willen schenken voor mijn ondankbaarheid en onverschilligheid. Leven zij niet meer, besteed dan dat geld om den hemel om rust te laten bidden voor hunne ziel en de mijne." Dat zeggende, reikte ik hem de hand, die hij met zijn tranen bevochtigde, zoo bedroefd was hij. De tranen van een erfgenaam zijn dus klaarblijkelijk niet altijd verborgen glimlachjes.
Ik wachtte niet anders dan het einde, maar het kwam niet. Nadat de dokters mij hadden verlaten en het terrein vrij was, genas ik. De koorts, die volgens hen mij moest wegnemen, week. Het gevolg van die ziekte was een volmaakte kalmte van geest. Ik behoefde niet meer getroost te worden; ik had toen de dood mij nabij was, een groote verachting gekregen voor eer en rijkdommen en het voornemen opgevat, om, al zou de hertog de Lerme mij terugroepen, nooit aan het hof weer te keeren. Ik stelde mij voor, wanneer ik uit de gevangenis kwam een hut te koopen en daarin rustig te leven.
Mijn vertrouweling juichte mijn plan toe en wilde, om de uitvoering ervan te verhaasten, nog eens naar Madrid gaan, om mijn bevrijding te bewerken. Hij was vroeger in dienst geweest bij de min van den prins, die op dezen altijd nog een grooten invloed had.
HOOFDSTUK IX
Scipio keert naar Madrid terug. Hoe en op welke voorwaarden Gil Blas in vrijheid wordt gesteld. Waar zij heengingen, na den toren van Ségovië te hebben verlaten en welk gesprek zij samen hadden.
Scipio vertrok dus naar Madrid. In afwachting van zijn terugkomst las ik veel.
Tordesillas verschafte mij zooveel boeken, als ik wilde hebben. Hij leende die, van een ouden commandant, die niet kon lezen, maar een groote bibliotheek had om voor een geleerde door te gaan. Ik hield vooral van goede boeken over moraal omdat ik daarin telkens stukken vond, die mijn afkeer van het Hof en mijn liefde voor de eenzaamheid rechtvaardigden.
Na drie weken kwam de onderhandelaar terug, om mij mee te deelen, dat de zaak gunstig stond. Op verzoek van de min had de prins beloofd er met zijn vader over te spreken. Om nog een laatste hand aan het werk te slaan, moest Scipio weer terug naar Madrid.
Zijn derde reis duurde niet lang. Na acht dagen keerde hij terug met de tijding, dat de prins, hoewel niet zonder moeite, mijn bevrijding van zijn vader had verkregen. Denzelfden dag kreeg ook Tordesillas bericht. De koning had mij de vrijheid gegeven onder voorwaarde, dat ik mij niet meer aan het hof zou vertoonen en binnen een maand de beide Castiliën zou verlaten.
Ik liet twee muilezels huren en wij vertrokken den volgenden dag, na een hartelijk afscheid te hebben genomen van Collogos en Tordesillas duizendmaal te hebben bedankt voor al zijn bewijzen van vriendschap. Wij sloegen den weg in naar Madrid, om eerst onze twee zakken te gaan halen, die ieder vijfhonderd dubbele pistolen bevatten. Mijn metgezel zei onderweg: "Indien wij al niet rijk genoeg zijn om een groot landgoed te koopen, een behoorlijk verblijf kunnen wij althans hebben." Ik antwoordde hem: "Ik ben tevreden, als ik een hut heb. Ik heb genoeg van het leven in groote steden en stel mij er een groot genoegen van voor op het land te wonen en te visschen en te jagen. Wat voeding betreft, zal het meest eenvoudige voor mij voldoende zijn." Scipio was er echter niet voor om een leven te leiden als Diogenes, hij wilde een aangenaam tehuis en een goeden wijnkelder, om rustig van de genoegens des levens te kunnen genieten. "Wat men in zijn huis heeft, schaadt niet, zegt Hésiodes en wat men er niet heeft, kan wel schaden. Het is beter de noodzakelijke dingen te bezitten dan te verlangen."
"Wat drommel! Scipio," riep ik, "ken je de Grieksche dichters?"