De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 12
Men begon mij in een cachot te stoppen, waar men mij op het stroo liet liggen als een gemeene misdadiger. Ik bracht den nacht door, niet met toe te geven aan mijn droefheid, want ik overzag al mijn leed nog niet, maar met het zoeken naar hetgeen mijn ongeluk kon hebben veroorzaakt. Ik twijfelde er niet aan, of het was het werk van Calderone. Maar al vermoedde ik, dat hij alles had ontdekt, ik begreep niet, hoe hij den hertog de Lerme er toe had kunnen brengen, om mij zoo wreed te behandelen. Nu eens verbeeldde ik mij, dat ik buiten zijn medeweten was gevangen genomen en dan weer dacht ik, dat hij om politieke redenen mij had laten opsluiten, zooals ministers soms doen met hun gunstelingen.
Zoo bleef ik in gepeins verzonken tot het daglicht aanbrak en toen eerst kon ik zien, in welk ellendig verblijf ik mij bevond. Ik gaf mij toen aan mijn droefenis over en de tranen liepen mij langs de wangen. Toen ik zoo zat, kwam er een gevangenbewaarder binnen, die mij een stuk brood en een kruik water bracht. Hij scheen innig medelijden met mij te gevoelen, al was hij dan ook een cipier, en zei: "Mijnheer de gevangene, wanhoop niet. Ge moet niet zoo gevoelig zijn voor den tegenspoed in het leven. Ge zijt nog jong; na dezen tijd komt een andere. Eet intusschen het brood van den koning."
Mijn trooster ging weg na die woorden, die ik slechts met een zucht beantwoordde.
Ik bracht een ellendigen dag door en werd tegen den avond opgeschrikt door het rinkelen van sleutels. De deur van mijn cachot ging open en een oogenblik later trad een man binnen, die een kandelaar droeg. Hij zei: "Mijnheer Gil Blas, ge ziet een van uw oude vrienden voor u. Ik ben don André de Tordesillas, die met u samenwoonde in Granada, in dienst was van den aartsbisschop en op uw voorspraak een zending kreeg naar Mexico. Inplaats echter van mij in te schepen, bleef ik in Alicante, ik trouwde er en door een reeks van avonturen, die ge later zult vernemen, ben ik gevangenbewaarder geworden in Ségovië. Een groot geluk is het voor u in mij een man te ontmoeten, die niets onbeproefd zal laten, om het harde van uw straf te verzachten. Er is mij uitdrukkelijk last gegeven, u met niemand te laten spreken, u op stroo te doen slapen en slechts water en brood tot voedsel te geven. Maar behalve dat ik te menschlievend ben, om geen medelijden met u te gevoelen, hebt ge mij een dienst bewezen en mijn dankbaarheid weegt zwaarder dan de bevelen, die ik heb ontvangen. Sta op en kom mee."
Hoewel de gevangenbewaarder zeker aanspraak mocht maken op mijn dank, kon ik op dat oogenblik geen woorden vinden. Ik volgde hem over een plaats, we beklommen vervolgens een trap en kwamen in een klein kamertje, boven in den toren. Het zag er daar netjes uit, op de tafel stonden twee kandelaars en er was gedekt voor twee personen.
Tordesillas zei: "Men zal dadelijk eten brengen. Wij zullen hier soupeeren. Dit vertrekje heb ik voor u bestemd, ge zult het er beter hebben dan in uw cachot. Het uitzicht is mooi, ge zult een goed bed krijgen, goede voeding, boeken, zooveel ge wilt; in één woord het verblijf zal u zoo aangenaam worden gemaakt, als dat voor een gevangene mogelijk is."
Toen bedankte ik mijn bewaarder voor zooveel goeds en ik zei, dat ik nog eens in de gelegenheid hoopte te komen, die te kunnen vergelden. "En waarom zoudt ge die niet vinden?" vroeg hij. "Denkt ge dan, dat ge voor altijd de vrijheid hebt verloren? Indien ge u dat voorstelt, wil ik u wel verzekeren, dat ge u bedriegt. Ik durf u verzekeren, dat ge over eenige maanden weer in vrijheid zult zijn."
"Wat zegt ge, don André? Het schijnt, dat gij er meer van weet", zei ik.
Hij antwoordde mij: "Ik moet u bekennen, dat de gerechtsdienaar, die u heeft hier gebracht, mij het verhaal heeft meegedeeld. Hij heeft mij gezegd, dat ge op een nacht met den graaf de Lemos den prins hebt gebracht bij een verdachte dame. Dat is den koning ter oore gekomen; hij heeft den graaf verbannen en u naar hier gezonden om met alle strengheid te worden behandeld."
Ons gesprek werd gestoord door bedienden, die brood, wijn, hazepeper en een jong kalkoen binnenbrachten. Toen wij alles hadden, zond Tordesillas de bedienden weg, zoodat wij vrijuit konden praten.
Mijn gastheer overlaadde mijn bord met vleesch, hij dacht zeker, dat ik uitgehongerd was en had daar ook wel reden toe, om mijn dieet van twee dagen. Maar mijn hart was te vol om met smaak te kunnen eten, hoe goed de tafel ook was. Om mij wat afleiding te geven, spoorde hij mij herhaaldelijk aan om te drinken en vertelde mij allerlei histories, ook die van zijn huwelijk. Ik luisterde, maar was zoo verstrooid, dat ik hem na afloop van het verhaal er niets van had kunnen navertellen. Eindelijk stond hij van tafel op en zei: "Mijnheer de Santillano, ga nu rusten, of liever gezegd, over uw ongeluk denken, zooveel ge wilt. Maar ik herhaal u, het zal niet van langen duur zijn. De koning is goedhartig van natuur en als zijn toorn bedaard is en hij denken zal aan den treurigen toestand, waarin hij zich verbeeldt, dat ge verkeert, dan zal hij u voldoende gestraft achten." Na deze woorden ging hij weg, de lakeien kwamen afnemen en namen zelfs de kaarsen mee zoodat ik naar bed ging bij het licht van een lampje, dat aan den muur hing.
HOOFDSTUK V
Van de overdenkingen, die hij dien nacht had, voor hij insliep en van het geluid, dat hem wekte.
Twee uur minstens bracht ik door met na te denken over hetgeen Tordesillas mij had gezegd. Ik was daar dus, omdat ik bijgedragen had tot het plezier van den erfgenaam der kroon! Welk een onvoorzichtigheid ook, om zulk een dienst te hebben bewezen aan zoo'n jongen prins! Want in zijn jeugd alleen bestond geheel mijn misdaad. Indien hij wat ouder geweest was, zou de koning gelachen hebben, in plaats van zoo vertoornd te zijn zooals nu. Maar wie zou den koning het geheim hebben ontdekt?
Tot dit laatste punt kwamen mijn gedachten altijd maar weer terug. Vervolgens begon ik er aan te denken. Al die opeenvolgende gedachten, de vermoeienis, het eten, de wijn, het een met het ander deden mij in een diepen slaap vallen, die zeker tot den dag zou hebben geduurd, indien ik niet was wakker gemaakt door een in de gevangenis ongewoon geluid. Ik hoorde een stem, begeleid door een guitaar. Ik luisterde met aandacht en hoorde niets meer, zoodat ik dacht gedroomd te hebben, maar een oogenblik later werd mijn oor opnieuw getroffen door hetzelfde instrument en door de stem, die ik zooeven had gehoord. Ik kon thans de woorden duidelijk verstaan. Ze luidden:
Ay de my! un anno felice Parece un soplo ligero; Perô sin dicha un instante Es un siglo de tormento.
Dat scheen opzettelijk voor mij te zijn vervaardigd. Ik gevoelde maar al te zeer de waarheid van die woorden. De tijd van mijn geluk was snel voorbijgegaan en het was mij, of ik nu al bijna een eeuw in de gevangenis zuchtte. Het daglicht stemde mij wat rustiger. Ik opende mijn raam en vond het uitzicht lang zoo prachtig niet als mijn gastheer het mij had afgeschilderd den vorigen avond.
Toen ik bezig was mij te kleeden, kwam Tordesillas binnen, gevolgd door een oude dienstbode, die mij handdoeken, hemden en ander linnen bracht. "En hoe hebt ge den nacht doorgebracht? Hebt ge nog wat kunnen slapen?" vroeg hij. "Ik zou misschien nog slapen," antwoordde ik hem, "als ik niet gewekt was geworden door een stem begeleid door een guitaar." Hij hernam: "De heer, die uw rust heeft gestoord, is een staatsgevangene, die zijn kamer naast de uwe heeft. Hij heet don Gaston de Cogollos, is ridder van de militaire orde van Calatrava en een zeer beminnelijk man. Ge kunt elkaar bezoeken en samen eten. Dat is voor u beiden een troost".
Ik betuigde mijn vriendelijken gevangenbewaarder mijn dank voor zijn welwillendheid en maakte denzelfden dag reeds kennis met don Gaston, die mij verrastte door zijn aangenaam uiterlijk en schoonheid. Stel u nu eens voor hoe hij er uit moest zien om oogen te verblinden, gewend aan de schitterende jonge edellieden van het Hof. Hij scheen geschapen voor het geluk, een romanheld, bestemd om slapelooze nachten te bezorgen aan prinsessen. Bovendien had de natuur, die meestal haar giften een beetje verdeelt, hem veel geest en gevoel gegeven. Het was een volmaakte edelman.
Wij bevielen elkaar en een vriendschapsband is spoedig gesloten tusschen twee personen, die een ongelukkig lot samenbrengt. Gaarne maakten wij gebruik van de vrijheid die ons was gegeven, om in elkaars gezelschap te zijn.
Op een avond, dat ik zijn kamer binnenkwam, wilde hij juist op zijn guitaar gaan spelen. Ik ging zitten en luisterde naar het lied, dat hij er bij zong. De woorden handelden over de wreedheid van een vrouw. "Daarover zult ge u wel nooit te beklagen gehad hebben?" zei ik tegen hem. "Daarin zoudt ge u wel eens kunnen vergissen", antwoordde hij. "Ik zal u daarvan een verhaal vertellen, dat tegelijkertijd de geschiedenis van mijn ongeluk is."
HOOFDSTUK VI
Geschiedenis van don Gaston de Cogollos en van dona Helena de Galisteo.
Het zal weldra vier jaar geleden zijn, dat ik uit Madrid vertrok om te Coria dona Eléonor de Laxarilla te bezoeken, mijn tante, een van de rijkste weduwen van Oud-Castilië en die geen andere erfgenamen heeft dan mij. Nauwelijks was ik er aangekomen, of de liefde kwam mijn rust verstoren. Zij gaf mij een kamer, waarvan de vensters uitzagen op de kamer van een dame, die daar tegenover woonde en die zoo schoon was, dat ze dadelijk een diepen indruk op mij maakte. Door de taal der oogen en zelfs door gebaren, trachtte ik haar dat duidelijk te maken; zij bemerkte dat wel, maar was er niet het meisje naar, om daarop te antwoorden.
Ik wilde den naam van deze schoone weten en vernam, dat zij dona Helena heette en de eenige dochter was van don Georges de Galisteo, die een landgoed bezat op eenige mijlen afstand van Coria, dat aanzienlijke inkomsten afwierp. Reeds dikwijls hadden zich partijen voor haar voorgedaan, maar haar vader had die alle afgeslagen, omdat hij van plan was haar uit te huwelijken aan don Augustin de Olighera, haar neef, die in afwachting van dit huwelijk de vrijheid had haar iederen dag te bezoeken. Dat ontmoedigde mij niet; integendeel, ik werd nog meer verliefd en ging voort haar vurige blikken toe te werpen. Smeekend keek ik ook Félicia aan, haar kamenier, als om haar hulp in te roepen; maar 't was alles te vergeefs. Zij bleven wreed en ontoegankelijk voor mij.
Daar zij weigerden om op de taal van mijn oogen te antwoorden, nam ik mijn toevlucht tot andere middelen. Ik liet onderzoeken, welke kennissen Félicia in de stad had en vernam, dat zij dikwijls een oude dame bezocht, Théodora. Verheugd over die ontdekking ging ik daar zelf een bezoek brengen en door geschenken wist ik van haar belofte te krijgen, dat ik den volgenden dag een onderhoud in haar huis zou kunnen hebben met de kamenier.
Op den bepaalden tijd vond ik haar daar en ik drukte er mijn groote vreugde over uit, dat ik haar kon spreken. Ze antwoordde me: "Mijnheer, mijn vriendin Théodora kan veel van mij gedaan krijgen. Ze stelt belang in u en als ik iets voor u zou kunnen doen, dan zou mij dat aangenaam wezen, maar met den besten wil geloof ik niet, dat ik u van veel dienst kan zijn. Ge moet u niet met hoop vleien, ge hebt nooit voor een moeilijker onderneming gestaan. Ge bemint een dame, bestemd voor een ander en welk een dame! Eene, die zoo trotsch is, dat wanneer ze al door uw zuchten zou worden bewogen, ze het toch niet zou laten merken."
"Mijn beste Félicia!" riep ik smartelijk. "Waarom schildert ge mij die moeilijkheden zoo onoverkomelijk af? Misleid me liever, dan dat ge mij wanhopig maakt." Bij die woorden greep ik haar handen en schoof haar een diamant aan den vinger van driehonderd pistolen. Daarna sprak ik zoo tot haar, dat ze tot tranen toe werd bewogen.
Ze was te aangedaan en te dankbaar, om mij troosteloos te laten en scheen de zaak eenigszins lichter te gaan inzien. "Mijnheer, misschien behoeft u niet alle hoop te worden ontnomen. Uw medeminnaar wordt wel niet door haar gehaat. Hij komt zijn nicht vrij bezoeken. Hij spreekt met haar, wanneer het hem behaagt en dat is in uw voordeel. De gewoonte om alle dagen samen te zijn, maakt hun onderhoud een weinig kwijnend. En het schijnt mij, dat ze zonder smart van elkaar scheiden en elkaar zonder genoegen weerzien. Men zou zeggen, dat ze reeds getrouwd zijn. In één woord, mijn meesteres heeft geen levendigen hartstocht voor don Augustin. Overigens is er, wat persoonlijke hoedanigheden betreft, tusschen u en hem een verschil, dat niet onopgemerkt kan blijven voor een zoo fijngevoelig meisje als dona Helena. Geef den moed dus niet op. Ik zal doen, wat ik kan."
Wij scheidden, beiden zeer voldaan over dit onderhoud. Ik bleef dus de dochter van don George verliefde blikken toewerpen en bracht haar zelfs een serenade, waarbij ik de verzen zong, die ge zooeven hebt gehoord.
Om haar eens te polsen, vroeg de kamenier aan haar meesteres, hoe haar dat lied was bevallen. Dona Helena antwoordde: "Naar die stem heb ik met genoegen geluisterd." "En de woorden, hebben die u niet zeer getroffen?" "Daar heb ik in het geheel geen acht op geslagen. Ik heb alleen naar den zang geluisterd, het vers is mij onverschillig evenals de man, die mij deze serenade heeft gebracht." Félicia zei: "Dat is dan een misrekening voor dien armen don Gaston de Cogollos en 't is dwaas van hem, om dan altijd zoo naar onze ramen te zien." Op koelen toon antwoordde de meesteres: "Misschien is hij het niet, mogelijk wel een ander, die mij op zulke wijze zijn liefde verklaart." "Neen" zei de kamenier, "'t is niemand anders dan don Gaston. Daarvoor heeft hij mij ook van morgen in de straat aangehouden. Hij heeft mij verzocht u te willen zeggen, dat hij u aanbidt en dat hij zich de gelukkigste van alle stervelingen zou achten, indien ge hem wildet vergunnen u zijn hulde te betuigen."
De dochter van Don George keek haar dienstbode zeer streng aan en zei: "Ge zoudt beter gedaan hebben, indien ge mij niet van dit ongepast onderhoud had gesproken. Laat het niet weer gebeuren, dat ge met dergelijke mededeelingen bij mij komt, en als die vermetele jonge man nog eens tot u durft spreken, gelast ik u hem te zeggen, dat hij zich maar tot andere dames moet wenden, die misschien van galante avonturen houden en dat hij nuttiger bezigheid zoeke dan den geheelen dag door het raam te kijken, naar hetgeen ik in mijn kamers doe."
Dat alles werd mij getrouw oververteld door Félicia, toen ik een tweede onderhoud met haar had. Ze beweerde echter, dat ik mij niet moest laten ontmoedigen door de woorden van hare meesteres. Maar ik meende, dat ik die toch moeilijk in mijn voordeel kon uitleggen. Zij lachte om mijn sombere beschouwingen, vroeg papier en inkt aan haar vriendin en zei: "Mijnheer, schrijf dadelijk als wanhopige geliefde een brief aan dona Helena. Schilder haar levendig uw lijden en beklaag u vooral over het verbod, om aan uw vensters te verschijnen. Beloof, dat ge haar zult gehoorzamen, maar dat het u het leven zal kosten. Richt dien brief maar in, zooals gij heeren dat zoo goed kunt en ik belast mij met de rest."
Ik stelde zulk een brief samen en las hem Félicia voor, die glimlachend opmerkte, dat indien vrouwen al den slag bezaten om mannen het hoofd op hol te jagen, de mannen op hun beurt de kunst verstonden, om vrouwen te verlokken. Zij nam mijn brief, verzekerde mij, dat het niet aan haar zou liggen, wanneer die geen goede uitwerking had en zei me, dat ik ervoor moest zorgen, gedurende eenige dagen mijn ramen gesloten te houden.
Toen zij weer thuiskwam, zei ze tegen dona Helena: "Ik heb don Gaston ontmoet. Hij hield mij dadelijk aan en vroeg met bevende stem en als een schuldige, die zijn vonnis afwacht, of ik u over hem had gesproken. Toen heb ik hem uw antwoord op brutalen toon meegedeeld en hem op straat laten staan." "'t Is goed," zei dona Helena, "dat ge mij op die wijze van dien man hebt bevrijd; maar het was niet noodig op brutalen toon tot hem te spreken. Een meisje moet altijd zacht blijven." De kamenier antwoordde: "Men ontdoet zich niet van een hartstochtelijk minnaar door zachte woorden te gebruiken. 't Is zelfs dikwijls niet genoeg, als men op driftigen toon spreekt. Dat is hier gebleken, want toen ik terugkwam van de boodschappen, die ik voor u had gedaan, stond hij mij op te wachten. Zijn gezicht echter was zóó ontdaan, dat ik, hoewel ik anders nooit om mijn woorden verlegen ben, nu niet spreken kon. Hij duwde mij haastig dit briefje in de hand en verdween".
Félicia overhandigde daarop hare meesteres mijn brief, dien zij aannam als om zich er mee te vermaken en hem las. Daarop werd ze eenige oogenblikken stil. "Waarlijk Félicia, 't is dwaas genoeg geweest dien brief aan te nemen. Wat moet don Gaston daarvan denken? En wat moet ikzelf gelooven? Misschien verbeeldt hij zich op dit oogenblik wel, dat ik zijn brief lees en herlees. Aan die schande heb je mij door je handelwijze blootgesteld." De kamenier antwoordde: "O neen, die gedachte zal hij niet hebben en indien hij haar al had, dan zou hij er toch niet lang genoegen van hebben, want den eersten den besten keer, dat ik hem zie, zal ik hem zeggen, dat ge zijn brief minachtend hebt aangekeken en daarna verscheurd, zonder hem te hebben gelezen". "Je kunt er gerust op zweren, dat ik hem niet gelezen heb. Ik zou er geen twee woorden van kunnen herhalen." Ten slotte verbood zij haar kamenier verder tot haar over mij te spreken.
Daar ik beloofd had, niet meer aan mijn raam te zullen komen, hield ik mijn jaloezieën gedurende eenige dagen gesloten. Maar intusschen bereidde ik mijn wreede Helena een nieuwe serenade voor. Ik had enige muzikanten geëngageerd en begaf mij 's avonds laat met hen onder haar balkon. Reeds stemden ze hunne guitaren, toen een ridder met een degen in de hand op ons toesnelde, rechts en links om zich heen sloeg en de muzikanten op de vlucht joeg. Zijn woede wekte de mijne op. Ik naderde hem en er volgde een hevig gevecht. Dona Helena en haar kamenier hadden het geluid van de degens gehoord en keken door haar jalouzieën naar buiten. Toen ze het gevecht zagen, uitten ze angstkreten, waarop don George en zijn bedienden naar buiten snelden, om de vechtenden te scheiden. Maar zij kwamen te laat, en vonden op het terrein van den strijd slechts één ridder, badende in zijn bloed en bijna zonder leven. Die ongelukkige was ik. Men droeg mij binnen in het huis van mijn tante en de bekwaamste chirurgijns werden geroepen.
Iedereen beklaagde mij en inzonderheid dona Helena, die nu een blik gaf in haar hart. Met haar kamenier bracht zij het overige gedeelte van den nacht door met weenen en met het verwenschen van haar neef, don Augustijn, in wien zij den dader vermoedde en die dan ook werkelijk onze serenade op zulk een onaangename wijze had gestoord. Hij scheen opgemerkt te hebben, dat ik zijn nicht het hof maakte, geloofde, dat zij daarvan was gediend en had nu op deze wijze getoond, dat hij niet zoo onverschillig was, als men wel vermoedde.
Intusschen werd het treurige ongeval gevolgd door een heugelijke gebeurtenis, die het spoedig deed vergeten. Hoe gevaarlijk ik ook gewond was, ik herstelde en mijn tante had een onderhoud met don George, waarbij ze hem voor mij de hand van zijn dochter vroeg. Hij stemde daarin toe, omdat hij don Augustijn beschouwde als een man, dien hij waarschijnlijk wel nooit meer zou terugzien. De goede grijsaard was echter bang, dat zijn dochter er iets op tegen zou hebben omdat ze haar neef d'Olighera zoo veel had gezien, maar zij bleek geheel bereid haars vaders wensch op te volgen waaruit men kan opmaken dat in Spanje evenals overal elders de nieuw-aangekomenen een streepje voor hebben bij de vrouwen.
Zoodra het kon, had ik een gesprek gehad met Félicia en van haar vernomen hoe hare meesteres getreurd had over het ongeluk, dat mij was overkomen. Ik kon er niet aan twijfelen, of ik was de Paris van mijn Helena geworden en zegende mijn wond, omdat die zulke gelukkige gevolgen had gehad voor mijn liefde.
Van don George kreeg ik toestemming om met zijn dochter te spreken in tegenwoordigheid van haar kamenier. Wat was dat onderhoud heerlijk voor mij! Ik drong er bij haar op aan mij te zeggen of ik dit geluk alleen had te danken aan haar gehoorzaamheid aan haar vader. Zij verzekerde mij, dat dit niet het geval was en nu volgde voor mij een zeer gelukkige tijd. Onze bruiloft zou een groot feest zijn, waarop de geheele adel van Coria en omstreken zou schitteren. Voor dien tijd gaf ik een partij op een landgoed, dat mijn tante buiten de stad bezat. Terwijl wij aan tafel zaten, kwam een man in de zaal, die mij voor een zeer gewichtige zaak te spreken vroeg. Ik volgde den onbekende, die het uiterlijk had van een kamerdienaar en mij een brief gaf van den volgenden inhoud:
"Indien de eer u dierbaar is, zooals ze het moet zijn aan alle ridders van uw orde, dan zult ge u morgenochtend bevinden op het plein van Manroi. Ge zult er een ridder vinden, die u rekenschap zal geven van de beleediging, die hij u heeft aangedaan en u, indien het kan, buiten staat zal stellen, om dona Helena te huwen. Don Augustin de Olighera".
Heeft de liefde veel macht over de Spanjaarden, de wraak nog meer. Ik las dien brief niet met een rustig hart. Bij het zien van den naam Augustin had ik bijna de plichten vergeten, welke mij dien dag aan mijn gasten bonden. Het liefst was ik dadelijk mijn vijand gaan opzoeken, maar ik kon het feest niet verstoren en zei daarom tot den man: "Mijn vriend, ge kunt aan den ridder, die u gezonden heeft, zeggen, dat mijn lust om hem weer te zien zoo groot is, dat ik morgen voor zonsopgang op het door hem aangewezen terrein zal zijn."
Daarna ging ik naar mijn gasten terug, nam mijn plaats aan tafel weer in en wist mij zoo goed te beheerschen, dat niemand iets merkte van hetgeen er in mij omging. Als alle anderen nam ik deel aan het feest, dat tegen middernacht geëindigd was. Toen het gezelschap uiteenging bleef ik in het landhuis, onder voorwendsel den volgenden morgen een wandeling te willen doen in de frissche lucht, maar het was alleen om vroeger op de plaats van samenkomst te zijn. In plaats van te gaan slapen, wachtte ik met ongeduld het aanbreken van den dag af. Zoodra die verscheen, besteeg ik mijn beste paard en vertrok geheel alleen. Ik reed in de richting van Manroi en zag een ruiter naderen. Het was mijn medeminnaar, die, toen hij bij mij was, zei: "Het doet mij leed, dat ik voor de tweede maal met u moet samenkomen; maar de schuld daarvan is aan u. Na het avontuur met de serenade, hadt ge er van moeten afzien, om te trachten de gunst van de dochter van Don George te verwerven." Ik antwoordde: "ge zijt wel trotsch op een voordeel, dat ge misschien minder aan uw behendigheid dan wel aan de duisternis van den nacht hebt te danken." Ik sprong daarbij op den grond, don Augustin volgde mijn voorbeeld en wij bonden onze paarden aan een boom. Verwoed vielen wij op elkaar aan. Hoewel ik een geoefend schermer was, moet ik zeggen, dat ik met een vijand te doen had, die zijn wapen beter meester was dan ik. Maar gelijk de sterkere dikwijls wordt overwonnen door den zwakkere, zoo ging het ook hier. Ik wist mijn tegenstander in het hart te treffen en hij viel dood neer.
Dadelijk keerde ik naar het landhuis terug, waar ik aan mijn kamerdienaar, op wiens trouw ik rekenen kon, het gebeurde meedeelde, hem gelastte het beste paard te nemen en dadelijk mijn tante op de hoogte te brengen van dit avontuur. Ik zei hem, dat hij haar namens mij om goud en edelgesteenten moest vragen, om mij dat te brengen te Placencia, waar hij me vinden zou in het eerste hotel bij den ingang van de stad.