De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 2 V
Chapter 11
Catalina is de dochter van een armen edelman uit Aragon. Op haar vijftiende jaar was ze wees en even arm als mooi. Zij werd ten huwelijk gevraagd door een ouden commandant die haar naar Tolédo bracht, waar hij stierf na zes maanden meer een vader dan een echtgenoot voor haar te zijn geweest. Zijn nalatenschap bestond uit niet meer dan driehonderd pistolen. Catalina ging toen samenwonen met senora Mencia, die nog zeer in de mode was, hoewel ze wel achteruit ging. De dames begonnen een leven te leiden, waarmee het gerecht wel eens nader wilde kennismaken. Dat beviel haar niet, ze verlieten plotseling Tolédo, om zich te gaan vestigen in Madrid, waar ze twee jaar leven zonder omgang te hebben met andere dames. Maar het merkwaardigste is: zij hebben twee huizen gehuurd, die slechts gescheiden worden door een muur en men kan door den kelder van het eene in 't andere komen. Senora Mencia bewoont met een jonge dame het eene huis en de weduwe van den commandant heeft in het andere haar intrek met een oude gezelschapsjuffrouw, die ze voor haar grootmoeder laat doorgaan, zoodat ze nu eens de nicht is, die door hare tante is opgevoed en dan weer de kleindochter, onder bescherming van hare grootmoeder. Als zij de nicht is heet ze Catalina en speelt ze voor kleindochter dan wordt ze Sirena genoemd".
Bij het hooren van den naam Sirena voelde ik, dat ik verbleekte en ik viel Scipio in de rede: "Wat zeg je daar! Helaas, ik ben bang dat zij de maitresse is van Calderone!"
"Ja zeker, dat is zij! ik dacht, dat het u een genoegen zou doen, wanneer ik u dat nieuwtje kon vertellen!"
"Mij een genoegen doen? Mijn leed is niet te overzien! Wat zullen van dat alles de gevolgen zijn?"
Scipio antwoordde mij: "Maar welk ongeluk kan daardoor dan gebeuren? Het is niet zeker, dat don Rodrigo ontdekt hetgeen er voorvalt en als ge vreest, dat hij het merkt, waarschuw dan den eersten minister. Vertel hem de zaak zooals zij is. Hij kan aan uw goede trouw niet twijfelen en als Calderone later probeert om u een hak te zetten, dan weet hij, dat daarbij wraakzucht in het spel is."
Scipio had door die woorden mijn vrees wel eenigszins weggenomen. Ik volgde zijn raad en deelde den hertog mijn ontdekking mee. De minister lachte er om. "Ga maar gewoon je gang, 't is voor Calderone nog een eer, om dezelfde dame te beminnen als onze prins."
Ook den graaf de Lemos bracht ik op de hoogte en ik vroeg hem zijn protectie, wanneer Calderone soms iets mocht ontdekken en zich op mij wilde wreken. Op die wijze meende ik mij voldoende te hebben beveiligd. Ik vergezelde den prins nog meermalen naar Catalina, anders gezegd de schoone Sirène, die door de eigenaardige inrichting van haar huis het middel had gevonden om don Rodrigo te bedriegen.
HOOFDSTUK XIII
Gil Blas gaat voort met den heer te spelen. Hij krijgt berichten van zijn familie. Welken indruk die op hem maken. Hij verliest zijn vriend Fabricius.
Ik heb reeds gezegd, dat er 's morgens altijd veel personen in mijn antichambre waren. Naar het gebruik van het hof echter en om gewichtig te schijnen, had ik de gewoonte aangenomen om tegen ieder te zeggen, dat men mij de zaak schriftelijk moest meedeelen. Ik was daar zoo aan gewend geraakt, dat ik het op zekeren morgen ook tot mijn huisheer zei, toen hij mij er opmerkzaam op kwam maken, dat ik hem een jaar huur schuldig was. Mijn slager en mijn bakker bespaarden mij de moeite, zóó prompt kwamen ze iedere maand met hun verzoekschrift aanzetten.
Nog een andere belachelijke eigenschap had ik aangenomen, n.l. van groote heeren te spreken, alsof ik huns gelijke was. Indien ik b.v. den hertog van Alva, den hertog van Assune, of den hertog de Medina Sidonia noemde, zei ik altijd kortweg Alva, Assune en Medina Sidonia. Ik was in één woord zoo trotsch en ijdel geworden, dat ik niet meer de zoon was van mijn vader en moeder. Helaas! arme stalmeester en arme vrouw, ik informeerde er niet naar of zij gelukkig dan wel ellendig en armoedig leefden in Asturië!
Ik had mijn familie vergeten, toen op zekeren dag een jongeman bij mij binnenkwam, die zei, dat hij mij alleen wenschte te spreken. Ik liet hem in mijn kabinet en daar ik zag dat hij een man was uit het gewone volk, bood ik hem geen stoel aan, maar vroeg dadelijk, wat hij verlangde. "Mijnheer Gil Blas," zei hij, "herkent ge mij niet?" Oplettend bekeek ik zijn trekken, maar ik was verplicht te zeggen, dat ik niet wist, wie hij was. "Ik ben een van uw dorpsgenooten, geboren te Oviédo en zoon van Bertrand Muscada, den kruidenier, den buurman van uw oom den kanunnik. U herken ik heel goed, wij hebben wel duizendmaal samen gespeeld."
"Van de spelen in mijn jeugd herinner ik mij maar heel weinig meer; de zorgen, die ik later heb gehad, hebben mij ze doen vergeten", zei ik.
"Ik ben te Madrid gekomen," vervolgde hij, "om af te rekenen met een leverancier van mijn vader en hoorde van u spreken. Men zei me, dat ge een goede betrekking hadt aan het hof en dat ge al rijk waart als een jood. Ik maak u er mijn compliment over en ik ben blij, dat ik bij mijn terugkomst uw familie genoegen kan doen met zulk een aangename tijding."
Beleefdheidshalve kon ik niet nalaten mijn kruidenier te vragen naar mijn vader, moeder en oom, maar ik deed dat zoo koel, dat ik hem geen aanleiding gaf, om mijn liefde voor mijn familie te prijzen. Hij gaf mij dat te kennen. Mijn onverschilligheid voor menschen, die mij zoo dierbaar moesten zijn, hinderde hem en daar hij een openhartige jongen was, zei hij: "Ik meende, dat ge meer belang zoudt stellen in uw naaste familie. Op welk een koelen toon vraagt ge naar hen! Het schijnt wel of ge hen vergeten hebt. Weet ge iets van hun toestand? Uw vader en moeder zijn nog altijd in betrekking en van uw oom, die geplaagd wordt door ziekte en gebreken van den ouderdom, is het einde nabij. Hij heeft hulp noodig en daar gij in staat zijt uw familie goed te doen, geef ik u als vriend den raad om hun ieder jaar tweehonderd pistolen te zenden. Door dien steun kunt ge hun, zonder dat het u zelf hindert, een gemakkelijk en gelukkig leven verschaffen."
Inplaats van getroffen te zijn door zijn woorden, hinderde het mij slechts, dat hij de vrijmoedigheid had genomen, om zich in mijn zaken te mengen. Met meer voorzichtigheid zou hij misschien meer van mij gedaan hebben gekregen. Hij merkte wel, dat ik ontstemd was, maar ging op het onderwerp door tot ik eindelijk mijn geduld verloor en zei: "'t Is genoeg, mijnheer de Muscada, meng u niet in zaken, die u niet aangaan. Ga naar den leverancier van uw vader en reken met hem af. Het past u niet, mij mijn plicht voor te schrijven. Ik weet beter dan gij, wat ik in deze aangelegenheid heb te doen." Met die woorden wees ik hem de deur.
Wat hij mij gezegd had, maakte intusschen wel indruk op mij, ik verweet mijzelf, dat ik een onnatuurlijke zoon was. Ik herinnerde mij de zorgen, die men in mijn jeugd voor mijn opvoeding had gehad en hoeveel ik aan mijn ouders verschuldigd was; maar andere gedachten drongen deze overwegingen weer op den achtergrond. Ik vergat mijn familie. Er zijn vele vaders, die zulke kinderen hebben.
De gierigheid en eerzucht, die zich van mij hadden meester gemaakt, veranderden mijn humeur geheel. Ik had mijn vroolijkheid verloren en werd teruggetrokken en stil. Fabricius, die merkte dat ik mij met niets anders bezighield dan met de zorg voor mijn fortuin, kwam maar zeer zelden meer bij mij. Op zekeren dag kon hij zich niet weerhouden te zeggen: "Waarlijk Gil Blas, ik herken je niet meer. Voor je aan het hof kwam, was je altijd rustig en kalm, nu ben je steeds zenuwachtig en gejaagd. Je vormt plan op plan om je te verrijken en hoe meer je krijgt, hoe meer je hebben wilt. Ook ben je niet meer zoo vrij in den omgang, je verbergt, wat er in je omgaat. Om kort te gaan, Gil Blas, je bent niet meer de Gil Blas, dien ik gekend heb."
"Dat is zeker scherts", antwoordde ik op vrij koelen toon. "Ik merk niet, dat ik in eenig opzicht ben veranderd."
"En toch is het zoo, mijn vriend," vervolgde hij. "Als ik vroeger bij je aanklopte, maakte je zelf de deur open en ik kwam vrij en zonder complimenten je kamer binnen. Wat een verschil met tegenwoordig! Je hebt lakeien, men laat mij in een antichambre wachten en ik moet aangediend worden, voor ik met je kan spreken. En hoe ontvang je mij dan? Met koele beleefdheid. 't Is of mijn bezoeken je beginnen te vervelen. Denk je, dat zoo iets aangenaam is voor een man, die je kameraad is geweest? Neen Santillano, dat bevalt mij in het geheel niet. Adieu, laten wij in der minne scheiden."
Ik liet hem gaan zonder de minste poging te doen, om hem terug te houden. In den toestand waarin mijn geest verkeerde, scheen de vriendschap van een dichter mij niet zulk een kostbaar bezit, om mij over het verlies daarvan te bedroeven. Ik vond genoegen in den omgang met andere ambtenaren, wier stemming met de mijne overeenkwam. Die kennissen waren mannen, waarvan de meesten ik weet niet waar vandaan kwamen en die door hun gelukkig gesternte hun betrekkingen hadden gekregen. Zij gevoelden zich behagelijk in hun positie, schreven de weldaden, waarmee de koning hen had overladen, slechts aan eigen verdiensten toe en vergaten zichzelf.
O Fortuna! zoo deelt gij meestal uw diensten uit. Epictetus, de Haïker, had geen ongelijk toen hij u vergeleek met een jonkvrouw, die zich overgeeft aan knechts.
NEGENDE BOEK
HOOFDSTUK I
Scipio wil Gil Blas laten trouwen en stelt hem de dochter van een rijken en beroemden goudsmid voor. De stappen, die daartoe worden gedaan.
Op een avond dat het gezelschap, dat bij mij gesoupeerd had, was vertrokken, bevond ik mij alleen met Scipio. Ik vroeg hem wat hij dien dag had gedaan. "Een meesterwerk," antwoordde hij. "Ik wil u rijk laten trouwen met de eenige dochter van een goudsmid, dien ik ken."
"De dochter van een goudsmid!" riep ik op minachtenden toon. "Ben je gek geworden, dat je me zulk een burgerlijk meisje durft voor te stellen? Wanneer men zijn verdiensten heeft en men heeft aan het hof een zekere positie, dan heeft men het recht zijn blikken verder te doen reiken."
"Nu mijnheer, sla maar zoo'n toon niet aan! Denk er aan, dat het de man is, die den adel bepaalt en weet wel, dat het een partij is van minstens honderd duizend ducaten! Is dat niet een mooi stuk goudsmidswerk?"
Toen ik van die groote som hoorde, werd ik meer handelbaar en zei tegen mijn secretaris: "Ik geef mij over. De bruidschat doet me beslissen! Wanneer kan ik dat geld opnemen?" "Zachtjes aan, mijnheer! Een beetje geduld. Eerst moet ik de zaak nog aan den vader meedeelen."
Lachend riep ik: "dat huwelijk is dus nog niet ver gevorderd!" Hij antwoordde mij: "Verder dan ge denkt. Als ik maar een uur met den goudsmid heb gesproken, sta ik u voor zijn toestemming in. Maar voor wij verder gaan, moeten wij eerst iets afspreken. Onderstel, dat u die honderdduizend ducaten krijgt, hoeveel geeft u er mij dan van?" "Twintig duizend," antwoordde ik. "De hemel zij geprezen!" riep hij. "Ik had gedacht, dat uw edelmoedigheid zich tot tien duizend zou bepalen. Ik zal morgen die zaak ter hand nemen en ge kunt er verzekerd van zijn, dat ze zal gelukken."
Werkelijk zei hij twee dagen later: "Ik heb gesproken met mijnheer Gabriel de Salers--zoo heet mijn goudsmid--en ik heb hem zooveel verdienstelijks van u verteld, dat hij een willig oor heeft geleend aan mijn voorstel, om u tot schoonzoon te nemen. Ge zult zijn dochter hebben, met honderd duizend ducaten, mits ge hem duidelijk aantoont, dat gij in de gunst staat bij den minister."
"Als het daarvan afhangt," zei ik, "zal ik wel spoedig getrouwd zijn. Maar zeg mij eens: heb je het meisje gezien? Hoe is zij?"
"Niet zoo mooi als haar bruidschat. Maar daar zult ge u zeker wel niet om bekommeren?"
"Wel neen, mijn vriend. Wij heeren van het hof trouwen alleen om getrouwd te zijn. Wij zoeken de schoonheid alleen bij de vrouwen van onze vrienden en wanneer bij toeval de onze ze bezit, den schenken wij daar zoo weinig aandacht aan, dat zij groot gelijk hebben, wanneer zij ons ervoor straffen."
Scipio vervolgde: "Mijnheer Gabriel geeft vanavond een souper. Wij zijn overeengekomen, dat ge niet over het voorgenomen huwelijk zult spreken. Hij noodigt verschillende vrienden uit en gij zult als een gewone gast zijn. Morgenavond geeft gij op dezelfde wijze een souper. Ge ziet, dat het een man is, die u eerst wil bestudeeren, voordat de zaak wordt beklonken. Het zal dus goed zijn, dat ge u een weinig in acht neemt."
"Wel voor den duivel!" riep ik vol zelfvertrouwen, "laat hij mij maar bestudeeren zooveel hij wil; ik kan bij dat onderzoek slechts winnen."
Het gebeurde zooals was afgesproken. Ik ging naar den goudsmid, die mij zoo familiaar ontving, alsof wij elkaar reeds verscheiden malen hadden ontmoet. Hij scheen mij een goede man en stelde mij dadelijk voor aan senora Egénia, zijn vrouw, en de jonge Gabriella, zijn dochter. Ik maakte eenige complimentjes en sprak in zeer fraaie woorden over allerlei nietigheden.
Wat mijn secretaris mij ook van haar had gezegd, scheen Gabriella mij toch niet leelijk, misschien wel omdat ze zoo mooi was gekleed, of mogelijk bekeek ik haar wel door haar bruidschat heen. Een goed huis, dat van mijnheer Gabriel! Er was daarin geloof ik meer zilver dan in de mijnen van Peru. Overal zag men dat metaal, onder duizend verschillende vormen. Elke kamer, en vooral die, waar wij aan tafel gingen, was een schat. Welk een gezicht voor een schoonzoon. De schoonvader had vijf of zes kooplieden gevraagd, allen ernstige en vervelende personen. Zij spraken alleen over den handel en hun conversatie was meer een gesprek over zaken, dan een gezellig onderhoud van vrienden, die met elkaar soupeeren.
Den volgenden avond ontving ik den goudsmid. Daar ik niet kon schitteren door mijn zilverwerk, had ik iets anders uitgevonden. Ik noodigde aan het souper diegenen van mijn vrienden, die een goed figuur maakten aan het hof, eerzuchtig waren en geen grenzen stelden aan hunne begeerten. Mijn gasten spraken slechts over grootheid en schitterende en voordeelige posten, die ze najoegen. Dat miste zijn uitwerking niet. Gabriel, de burgerman, zeer onder den indruk van al hunne groote ideeën, gevoelde zich niettegenstaande al zijn rijkdom klein tegenover al die groote heeren. Wat mij betreft, ik deed alsof ik matig was in mijn wenschen en mij tevreden stelde met een middelmatig fortuin van twintigduizend pistolen rente, waarop mijn vrienden uitriepen, dat ik dwaas was en dat ik bemind als ik was bij den eersten minister, met zoo weinig niet tevreden behoefde te zijn. De schoonvader verloor geen enkel van die woorden en ik kon merken, dat hij zeer voldaan was, toen hij heenging.
Scipio zocht hem den volgenden morgen op om hem te vragen of hij tevreden was. Hij kreeg ten antwoord: "Uw meester bevalt mij buitengewoon goed, maar wij zijn oude kennissen, laten we dus eerlijk met elkaar spreken. Wij hebben zooals ge weet, allen ons zwak. Zeg mij die van mijnheer de Santillano. Speelt hij, of houdt hij veel van galante avonturen? Welke slechte neigingen heeft hij? Verberg mij niets." Scipio zei: "Ge beleedigt mij, mijnheer Gabriel, door mij die vragen te doen. Ik werk meer in uw belang, dan in dat van mijn meester. Indien hij slechte eigenschappen bezat, geschikt om uw dochter ongelukkig te maken, dan zou ik het nooit gewaagd hebben hem als uw schoonzoon voor te stellen. Ik kan bij hem geen andere fout vinden, dan dat hij geen fouten heeft. Hij is te verstandig voor een jongen man." "Zooveel te beter," hernam de goudsmid, "dat doet mij genoegen. Nu mijn vriend, ge kunt hem verzekeren, dat hij mijn dochter zal hebben, zelfs al stond hij niet in de gunst bij den minister."
Zoodra mijn secretaris mij dit onderhoud had meegedeeld, ging ik naar de Salero, om hem te bedanken voor de gunstige beschikking, die hij ten opzichte van mij had genomen. Zijn vrouw en dochter had hij reeds van de zaak gesproken en dat zij geen bezwaar hadden gemaakt, merkte ik aan de houding, die zij tegenover mij aannamen. Ik stelde nog dienzelfden dag mijn aanstaanden schoonvader voor aan den hertog de Lerme, die ik den vorigen avond had ingelicht. De minister ontving hem zeer vriendelijk en betuigde zijn vreugde, dat hij tot schoonzoon iemand had gekozen, van wien hij zooveel hield en dien hij zou vooruithelpen. Verder zei hij nog zooveel goeds van mij, dat de goede Gabriel meende, dat hij in heel Spanje voor zijn dochter geen betere partij zou hebben kunnen vinden. Hij was er zoo door geroerd, dat hij tranen in de oogen kreeg. Hartelijk nam hij afscheid van mij toen wij scheidden en zei: "Mijn zoon, ik verlang er zoo naar, u als de echtgenoot van Gabriella te zien, dat ge het binnen acht dagen zijn zult."
HOOFDSTUK II
Door welk toeval Gil Blas zich don Alphonse de Leyva herinnerde en van den dienst, dien hij hem, uit ijdelheid bewees.
Laten wij mijn huwelijk een oogenblik rusten. De volgorde in mijn geschiedenis eischt, dat ik vertel van den dienst, dien ik bewees aan don Alphonse, mijn ouden meester. Ik had dien edelman bijna geheel vergeten en ziehier bij welke gelegenheid ik weer aan hem werd herinnerd.
In dien tijd kwam de betrekking van gouverneur der stad Valencia vacant. Toen ik dit nieuws vernam, dacht ik aan don Alphonse de Leyva. Die betrekking zou bij uitstek voor hem geschikt zijn en minder misschien uit vriendschap dan uit zucht om te pralen, vroeg ik haar voor hem; als dat gebeurde, zou het een buitengewoon groote eer voor mij zijn. Ik richtte mij dus tot den hertog de Lerme, zei, dat ik intendant was geweest van don Cesar de Leyva en zijn zoon, dat ik alle redenen had om hen te prijzen en dus voor een van hen die betrekking vroeg. De minister antwoordde mij: "Zeer gaarne, Gil Blas. Het doet mij genoegen te zien, dat je dankbaar bent. Overigens sprak je van een familie voor welke ik achting heb. De Leyva's zijn goede dienaren van den koning, zij verdienen die plaats wel. Beschik daarover naar goedvinden. Ik geef je haar als bruidsgeschenk."
Ten zeerste erover verheugd, dat mijn plan zoo goed was geslaagd, ging ik zonder tijd te verliezen naar Calderone, om de zaak in orde te laten maken. Er waren vele personen bij hem, die in eerbiedige stilte wachtten, tot Rodrigo hen audiëntie wilde verleenen. Toen hij mij zag, brak hij plotseling het gesprek, waarin hij met een van de heeren gewikkeld was, af en kwam naar mij toe met een zoo vriendschappelijke begroeting, dat ik er verbaasd over was. "Wel mijn waarde collega, wat verschaft mij het genoegen u te zien? Waarmee kan ik u van dienst zijn?"
Toen ik hem vertelde, welke de zaak was, die mij tot hem voerde, gaf hij mij dadelijk de verzekering, dat den volgenden morgen de noodige stukken zouden gereed zijn. Hij bepaalde zich niet tot die beleefdheid, maar bracht mij zelf naar de deur van de antichambre, wat hij anders nooit deed, dan bij zeer groote heeren.
Onder het heengaan dacht ik: "Wat beteekent al die beleefdheid? Zou Calderone het op mijn val toeleggen? Of wil hij mijn vriendschap winnen en probeeren nu zijn gelukster aan het dalen is, dat ik hem in een gunstig licht zal stellen bij onzen patroon?" Ik wist niet, waaraan ik mij te houden had. Den volgenden morgen nam hij weer diezelfde houding tegenover mij aan. Tegen andere menschen met wie hij sprak, was hij dien morgen al zeer onbeleefd, den een snauwde hij af, voor den ander had hij geen woord over; maar ze werden allen gewroken door een voorval, dat ik niet met stilzwijgen mag laten voorbijgaan.
Een zeer eenvoudig gekleed man, die er uitzag alsof hij beneden zijn stand gekleed was, naderde Calderone en sprak hem van een zekere memorie, die hij bij den hertog de Lerme had ingediend. Don Rodrigo keek den spreker nauwelijks aan en zei op bruusken toon: "Hoe heet ge?" Hij kreeg tot antwoord: "Men noemde mij in mijn jeugd Francillo, later don Francisco de Zuniga en thans graaf de Pedrosa". Calderone, die nu merkte, dat hij met iemand van den hoogsten stand te doen had, wilde zich nu verontschuldigen. "Neem mij niet kwalijk, ik kende u niet...." De ander viel hem in de rede: "Ik bedank voor uw verontschuldigingen, evenals voor uw onbeleefdheden. Een secretaris van een minister moet iedereen beleefd ontvangen. Wees, als ge wilt, ijdel genoeg om u te beschouwen als den plaatsvervanger van uw meester, maar vergeet niet, dat ge zijn ondergeschikte zijt."
De trotsche don Rodrigo was niet weinig uit het veld geslagen door die vermaning. Ik voor mij leerde er uit, dat ik in het vervolg goed zou opletten tegen wien ik sprak op mijn audienties en alleen onhebbelijk zou zijn tegen doofstommen.
Daar de papieren van don Alphonse gereed waren, zond ik die per expresbode met een brief van den hertog de Lerme, waarin deze hem kennis gaf, dat de koning hem had benoemd tot gouverneur van Valencia. Ik voegde er geen brief van mezelf bij over mijn bemoeiïngen in deze zaak, maar wilde het genoegen hebben dit hem mondeling mee te deelen, als hij naar Madrid moest komen om den eed af te leggen.
HOOFDSTUK III
Van de toebereidselen voor het huwelijk van Gil Blas en van de groote gebeurtenissen, die ze overbodig maakten.
Laten wij terugkeeren tot mijn schoone Gabrielle. Ik moest haar dus binnen acht dagen trouwen. Wij bereidden ons beiden op die plechtigheid voor. Salero liet rijke kleeren maken voor de bruid en ik huurde voor haar een kamenier, een lakei en een ouden stalknecht, allen gekozen door Scipio, die nog met meer ongeduld dan ik den dag afwachtte, waarop mij de bruidschat zou worden uitgekeerd.
Den avond voor dien grooten dag, soupeerde ik bij den schoonvader met ooms en tantes, neven en nichten. Ik huichelde heel goed den dankbaren schoonzoon, betuigde den goudsmid en zijn vrouw honderdmaal mijn erkentelijkheid, speelde den hartstochtelijk verliefde bij het meisje, maakte mij aangenaam bij alle leden van de familie, wier platte conversatie en burgerlijke manieren mij aanstoot gaven. Er was er niet een, die zich niet verheugde over deze verbintenis.
Toen het souper geëindigd was, ging het gezelschap naar een groote zaal, waar een concert was, dat hoewel niet door de eerste krachten van Madrid gegeven, toch niet slecht was. De muziek deed ons zoo aangenaam aan, dat er zelfs gedanst werd.
Bij het weggaan zei Salero: "Adieu schoonzoon, ik zal u morgen den bruidschat komen brengen in schoone gouden stukken." Ik antwoordde: "Mijn waarde schoonvader, ge zult mij welkom zijn." Na de familie te hebben gegroet, stapte ik in mijn rijtuig, dat voor de deur op mij wachtte en ging naar huis.
Nauwelijks was ik tweehonderd pas van het huis van Gabriel verwijderd, of vijftien of twintig man, sommigen te voet en anderen te paard, allen gewapend met rapieren en karabijnen, omringden mijn rijtuig, hielden het aan en riepen: "In naam des konings!" Zij lieten mij uitstappen en plaatsten mij in een koets, waarin ook de aanvoerder stapte, die daarna zei, dat men de richting moest inslaan naar Ségovië. Ik onderstelde, dat ik een gerechtsdienaar naast mij had en wilde hem ondervragen over de redenen van mijn gevangenneming, maar hij antwoordde mij op den toon van die heeren, d.w.z. brutaal, dat hij mij geen rekenschap had te geven. Ik zei hem, dat men zich misschien vergiste. "Neen, neen, ik ben zeker van mijn zaak. Ge zijt mijnheer de Santillano en ik heb opdracht u te brengen, waar ge nu heengevoerd wordt." Daar ik niets op die woorden te zeggen had, zweeg ik verder. Het overige van den nacht reden wij in stilte door. Wij verwisselden van paarden te Colmenar en kwamen tegen den avond in Ségovië, waar men mij in den toren opsloot.
HOOFDSTUK IV
Hoe Gil Blas behandeld werd in den toren van Ségovië en op welke wijze hij de redenen van zijn gevangenneming vernam.