De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 9
Ik bedankte den dokter er voor, dat hij me zoo vlug geschikt had gemaakt hem tot plaatsvervanger te kunnen dienen; en om mijn dankbaarheid voor zijn goedheden te betoonen, verzekerde ik hem, dat ik mijn geheele leven zijn ideeën zou deelen, zelfs als ze geheel het tegengestelde waren van die van Hippocrates; die verzekering was echter niet geheel oprecht. Ik kon niet instemmen met zijn gevoelens over het water en ik nam me voor elken dag wijn te drinken als ik mijn zieken ging bezoeken. Ik hing voor den tweeden keer mijn geborduurden rok aan den kapstok om er een van mijn meester te dragen, die me het voorkomen van een dokter gaf. Daarna hield ik mij gereed dokter te gaan spelen ten koste van wien er het slachtoffer van werd. Ik begon met een gerechtsdienaar, die pleuris had; ik beval dat men hem zonder genade moest aderlaten en dat men hem het water niet spaarde. Daarna trad ik bij een koekbakker binnen, die van de podraga luide gillen slaakte. Hem, zoo min als de gerechtsdienaar, spaarde ik het bloed aftappen en beval, dat men hem van tijd tot tijd moest laten drinken. Ik ontving twaalf realen voor mijn voorschriften, wat me zooveel schik in mijn ambt deed krijgen, dat ik niets liever wenschte dan wonden en bulten. Toen ik het huis van den koekbakker verliet, ontmoette ik Fabricius, dien ik sedert den dood van Sédillo niet meer gezien had. Hij bekeek me geruimen tijd met verbazing en begon toen uit alle macht te schateren, met zijn handen zijn buik vasthoudende. Nu, er was wel reden voor, want ik had een mantel, die over den grond sleepte, en een wambuis en broek, die vier keer grooter waren dan ze moesten zijn. Ik kon best voor een zonderling, belachelijk type doorgaan. Ik liet hem maar schudden van het lachen, niet zonder in verzoeking te komen zijn voorbeeld te volgen; maar ik hield me in om het decorum in de straat te bewaren en beter de waardigheid van den geneesheer op te houden, die geen belachelijk dier is. Had mijn dwaas voorkomen den lachlust van Fabricius gewekt, zoo werd deze door mijn ernstig gezicht nog verdubbeld; en toen hij flink had uitgebruld, riep hij uit: "Groote God, Gil Blas, wat zie jij er heerlijk uit. Duivels, wie heeft jou zoo toegetakeld?"--"Zachtjes aan, beste vriend, zachtjes aan; heb eerbied voor een nieuwen Hippocrates! Verneem, dat ik de plaatsvervanger ben van dokter Sangrado, die de beroemdste geneesheer van Valladolid is! Ik woon sedert drie weken bij hem; en daar hij niet bij machte is alle zieken, die hem roepen, zelf op te zoeken, ga ik er een gedeelte van zien om hem wat te verlichten. Hij bezoekt de groote huizen en ik de kleine."--"Zeer goed," hernam Fabricius, "dat wil zeggen dat hij je het bloed der armen overlaat en hij zich dat der voorname lui voorbehoudt. Ik wensch je geluk met jou deel, beter is het met het volk te doen te hebben dan met de groote wereld. Leve de geneesheer der voorsteden! Zijn fouten komen minder aan het licht en zijn moorden worden minder ruchtbaar. Ja, beste jongen, je lot lijkt me waard benijd te worden en om als Alexander te spreken: indien ik Fabricius niet was, zou ik Gil Blas willen zijn."
Om den zoon van den barbier Nunez te toonen, dat hij geen ongelijk had het geluk van mijn tegenwoordigen werkkring te roemen, liet ik hem de realen van den gerechtsdienaar en den koekbakker zien; daarna gingen we een herberg binnen om een partijtje te drinken. Men bracht ons vrij goeden wijn, die me nog beter toescheen door den grooten lust dien ik gevoelde er van te proeven. Ik dronk met lange teugen, en in weerwil van het Latijnsche orakel, hoe meer ik er van in mijn maag goot, hoe meer ik voelde, dat dit orgaan de onrechtvaardige behandeling, die ik het deed ondergaan, niet kwalijk nam. We bleven lang in de herberg plakken, en we vermaakten ons zeer ten koste onzer meesters, zooals dat de gewoonte is onder dienaren. Vervolgens, ziende dat de avond begon te vallen, scheidden wij, na wederzijds beloofd te hebben, dat we elkaar den volgenden middag weer op dezelfde plaats zouden ontmoeten.
HOOFDSTUK IV
Gil Blas gaat voort de geneeskunde uit te oefenen met evenveel succes als geschiktheid. De teruggevonden ring.
Nauwelijks was ik op mijn kamer, of dokter Sangrado kwam binnen. Ik begon met hem te spreken over de zieken die ik gezien had en overhandigde hem acht realen van de twaalf, die ik verdiend had met recepten schrijven. "Slechts acht realen," zei hij na ze geteld te hebben, "dat is niet veel voor twee visites, maar enfin, men moet alles aannemen." Vervolgens nam hij zelf het leeuwendeel, namelijk zes realen en gaf er mij twee, zeggende: "Hier Gil Blas, nu kunt ge vast beginnen een spaarcentje te overleggen. Bovendien kom ik dit met je overeen, dat ge het vierde deel krijgt van alles wat ge mij aanbrengt. Gij zult zoodoende in minder dan geen tijd rijk wezen, want als het Gode behaagt zullen er dit jaar veel zieken zijn."
Ik kon tevreden zijn met mijn deel, daar ik het plan had altijd vooraf het vierde gedeelte van mijn ontvangsten achter te houden en daarna nog het vierde deel van de rest kreeg, zoodat wiskundig berekend bijna de helft van de geheele ontvangst voor mij was. Dit maakte mij vol ijver voor de geneeskunde. Den volgenden dag zoodra ik gegeten had, trok ik mijn kleeren van plaatsvervangend geneesheer aan en ging op weg. Ik bezocht verschillende zieken, wier namen ik opgeschreven had, en ik behandelde ze allen volgens dezelfde wijze, hoewel zij verschillende ziekten hadden. Tot nog toe was alles goed gegaan en dank zij den hemel had niemand zich nog verzet tegen mijn voorschriften; maar hoe ervaren een geneesheer ook moge wezen, er zullen altijd lieden zijn, die hem benijden en zijn behandeling becritiseeren. Ik trad binnen bij een kruidenier, die een waterzuchtig zoon had. Ik trof hem in gezelschap van een kleinen, donkeren dokter, een zekeren Cuchillo, dien een bloedverwant had meegebracht om den zieke eens te zien. Ik groette iedereen zeer hoffelijk en in het bijzonder den man, dien men, naar ik oordeelde, had medegebracht om zijn raad te hooren. Hij groette zeer deftig en na mij eenige oogenblikken nauwkeurig te hebben gadegeslagen, zei hij zeer beleefd: "Mijn waarde collega, ik verzoek u mijne nieuwsgierigheid te verontschuldigen. Ik dacht alle geneesheeren van Valladolid te kennen, die natuurlijk mijn collega's zijn, maar ik moet bekennen, dat uw gelaatstrekken mij onbekend zijn. Gij hebt u dus zeker pas sedert zeer korten tijd hier gevestigd." Ik antwoordde dat ik nog maar pas in de praktijk was en dat ik nog slechts werkte onder toezicht van dokter Sangrado. "Ik mag u dan voorzeker gelukwenschen, dat gij de methode van zulk een groot man tot de uwe gemaakt hebt. Ik twijfel dan ook niet, of gij zult wel zeer ervaren zijn al schijnt gij nog zeer jong." Hij zei dat op zoo'n natuurlijken toon, dat ik niet wist of hij het in ernst had gezegd of dat hij mij bespotte. Ik dacht er nog over na, wat ik hierop zou antwoorden, toen de kruidenier, gebruik makende van dezen tusschentijd, het woord nam: "Mijne heeren, ik ben overtuigd dat gij beiden de geneeskunde op uw duimpje kent; onderzoekt dus beiden mijn zoon en brengt uw oordeel uit wat wij moeten doen om hem te genezen."
Hierop begon de kleine dokter den zieke nauwkeurig te onderzoeken en na mij alle symptonen van de ziekte gewezen en uitgelegd te hebben, vroeg hij mij hoe ik dacht dat de zieke behandeld moest worden. "Ik ben van oordeel," antwoordde ik, "dat men hem elken dag een aderlating moet laten ondergaan en dat hij overvloedig warm water moet drinken." Bij deze woorden zei de kleine dokter glimlachend op een boosaardigen toon: "En zijt gij van meening dat deze middelen den zieke het leven zullen redden?" "Twijfel er niet aan," zei ik op beslisten toon, "gij zult den zieke zienderoogen zien genezen; die aderlatingen zullen dat effect teweeg brengen, omdat zij juist geschikt zijn voor al dergelijke ziekten. Vraag het maar eens aan dokter Sangrado!" "In dit opzicht," hernam hij, "heeft Celcius groot ongelijk door te verzekeren, dat om waterzucht te genezen het zeer dienstig is den patiënt honger en dorst te doen lijden." "O!" antwoordde ik, "Celcius is geenszins een orakel voor mij; hij heeft zich evenzeer vergist als anderen en soms kan ik mijzelven prijzen tegen zijne voorschriften te hebben gehandeld." "Ik zie aan uw gesprek duidelijk," antwoordde Cuchillo, "hoe dokter Sangrado zijn methode bij de jonge medici in zwang brengt. Aderlaten en drinken vormen zijne geheele geneesmethode en ik ben er niet verwonderd over, dat zoovele zieken onder zijne handen bezwijken."
"Geen beleedigingen als het u blieft," antwoordde ik hem kortaf; "iemand van uw beroep toont al heel weinig opvoeding door zulke verwijten te doen! Kom, kom, dokter, zonder aderlaten en drinkkuren van warm water worden er ook nog heel wat zieken naar de andere wereld gezonden. Gij zelf hebt er misschien meer naar den hemel gestuurd dan anderen. Als ge iets hebt tegen Sangrado, schrijf hem dan; hij zal niet op zijn antwoord laten wachten en wij zullen zien wie de lachers aan zijn zijde zal hebben." "Wel voor den duivel!" antwoordde hij in woede, "kent gij dokter Cuchillo dan niet? Weet dan, dat ik niet met mij laat spotten, en dat ik in 't minst niet bang ben voor Sangrado, die, niettegenstaande zijn ijdelheid en zijne verwaandheid, toch slechts een zonderling is." Het gelaat van den kleinen dokter teekende een en al woede. Ik antwoordde hem op scherpen toon, hij niet minder en weldra gingen wij tot handtastelijkheden over. Wij gaven elkaar een paar vuistslagen en trokken elkaar de haren uit, doch spoedig kwamen de kruidenier en zijn zoon om ons te scheiden. Toen wij zoover waren, betaalden zij mij mijne visite en lieten mijn tegenstander, dien zij waarschijnlijk voor knapper hielden, bij zich blijven.
Na dit avontuur beleefde ik bijna een tweede. Ik ging een grooten zanger bezoeken, die de koorts had. Zoodra ik hem van warm water sprak, toonde hij zoo 'n afkeer van dit middel, dat hij begon te vloeken, mij duizend beleedigingen naar het hoofd slingerde en zelfs dreigde mij het venster te zullen uitwerpen als ik niet drommels gauw wegging. Dit liet ik mij geen tweemaal zeggen, trok mij snel terug en daar ik geen lust had dien dag nog meer zieken te gaan bezoeken, ging ik naar de herberg, waar ik met Fabricius had afgesproken te komen. Deze laatste wachtte mij al. Daar wij in een stemming waren om te drinken, dronken wij een stevig glaasje en keerden later in een vroolijke stemming halfdronken naar onze meesters terug. Sangrado bemerkte mijn dronken toestand niet eens, daar ik hem met zooveel vuur de worsteling met den kleinen dokter vertelde, dat hij mijn levendige gebaren aanzag voor nawerkingen van mijn heftigen gemoedstoestand bij het gevecht. Bovendien interesseerde mijn verslag hem zeer, daar het hem persoonlijk gold en verontwaardigd tegen Cuchillo riep hij uit: "Gij hebt zeer goed gedaan, Gil Blas, door onze geneesmiddelen te verdedigen tegen dat dwergachtig gedrochtje van de geneeskundige faculteit. Dat wil tegen mij volhouden dat men waterzuchtigen geen water te drinken mag geven? Zoo'n waanwijze gek! En ik houd vol dat men hun het gebruik van water wel mag toestaan. Het water alleen kan allerlei gevallen van waterzucht genezen, evenals het alleen goed is voor rheumatiek en bloedarmoede. Het is ook bijzonder genezend in gevallen van koorts, die iemand het eene oogenbiik verbrandt en hem het volgende oogenblik doet rillen van kou en 't heeft een wonderdadige kracht bij katarrhale aandoeningen. Deze meening lijkt jonge dokters zooals Cuchillo vreemd, maar zij is zeer goed te verdedigen en als die lieden logisch konden redeneeren, inplaats van mij uit te jouwen, zooals zij doen, zouden zij mijne methode bewonderen en mijn ijverigste collega's worden."
Hij zag dus in het geheel niet, dat ik gedronken had, zoozeer was hij in woede ontstoken, want om hem nog meer te verbitteren tegen den kleinen dokter, had ik in mijn rapport eenige gebeurtenissen vermeld, die ik maar op eigen houtje er bij verzon. Hij geloofde dan ook, dat ik smaak begon te krijgen in die water drankjes en zei: "Tot mijn genoegen zie ik, Gil Blas, dat je al niet zoo'n afkeer meer van water hebt, en dat ge het al drinkt als wijn. Dit verwondert mij echter niet in 't minst, mijn waarde vriend, want ik wist van tevoren, dat je je wel aan dezen drank zoudt gewennen." "Alles op zijn tijd, mijnheer," antwoordde ik hem, "op 't oogenblik bijvoorbeeld zou ik een vat wijn geven voor een glas water!" Dit antwoord beviel den dokter zeer, die dan ook deze gelegenheid niet liet voorbijgaan om alle voortreffelijke eigenschappen van het water nog eens op te sommen. Met ware geestdrift verkondigde hij den lof van het water. "Duizendmaal te verkiezen boven onze tegenwoordige kroegen waren de drinkhuizen der oudheid, waar men zijne gezondheid en zijn geld niet ging verkwisten door wijn te drinken, maar waar men gezellig bijeenkwam om zich te amuseeren met een glas warm water. Men kan niet voldoende de wijze voorzienigheid van die oude meesters van het publieke leven bewonderen, die overal publieke gelegenheden hadden laten oprichten, waar men aan allen warm water schonk en die den wijn lieten opbergen in de winkels van de apothekers om het gebruik ervan slechts toe te staan op voorschrift van een geneesheer. Welk een verheven wijsheid! Het is misschien nog een gevolg van die oude soberheid, de gouden eeuw waardig, dat er nog heden ten dage enkele lieden zijn, zooals gij en ik, die slechts water drinken en die gelooven zich te harden tegen alle kwalen en die te genezen, door slechts warm water te drinken, dat men gekookt heeft; want ik heb opgemerkt, dat gekookt water zwaarder op de maag ligt en moeilijker wordt verdragen."
Terwijl hij zijne welsprekende redevoering hield, moest ik mij goedhouden om niet telkens in lachen uit te barsten. Ik wist mij echter te bedwingen en deelde natuurlijk ten volle het gevoel van den dokter. Ik keurde het gebruik van wijn ten zeerste af en beklaagde de menschen, die van zulk een noodlottigen drank hielden. Daarna nam ik, daar ik nog vreeselijken dorst had, een groot glas water en dronk het met groote teugen uit. "Kom mijnheer," sprak ik, "laten wij beiden ons laven aan dezen heilzamen drank! Laten wij in uw huis weer zoo'n drinkgelegenheid van warm water herstellen, zooals de ouden die hadden." Hij juichte deze woorden luid toe en vermaande mij wel meer dan een uur om toch nooit iets anders te drinken dan water. Ik beloofde hem, dat ik, om mij er aan te gewennen, elken avond een groote hoeveelheid water zou drinken en om mij beter mijn belofte te doen houden, beloofde ik mijzelf, dat ik voortaan elken avond naar het wijnhuis zou gaan.
Het onaangename voorval, dat ik gehad had bij den kruidenier, verhinderde mij niet mijn beroep verder uit te oefenen en van 's morgens vroeg tot 's avonds laat aderlatingen en warm water voor te schrijven. Toen ik op een keer uit het huis kwam van een dichter, die aan waanzin leed, ontmoette ik een oude vrouw, die mij staande hield en mij vroeg of ik een dokter was. Ik antwoordde haar ja. "O," zei zij toen, "als dat zoo is, smeek ik u om met mij naar huis te komen, mijn nichtje ligt sinds gisteren ziek en ik weet niet wat haar scheelt." Ik volgde de oude vrouw naar haar huis en trad een tamelijk zindelijke kamer binnen, waar ik iemand te bed zag liggen, Ik kwam dichter bij om te zien en terstond troffen mij haar gelaatstrekken en na haar eenige oogenblikken te hebben gadegeslagen, herkende ik in haar de avonturierster, die zoo goed de rol van Camilla gespeeld had. Zij herkende mij blijkbaar niet, misschien omdat zij te veel pijn leed, of omdat mijn dokterskleeding mij onkenbaar maakte. Ik nam haar arm om haar de pols te voelen en bemerkte toen mijn ring aan haren vinger. Ik was ten prooi aan een heftige gemoedsbeweging op het zien van dat voorwerp, waarop ik eigendomsrecht had, en ik had grooten lust een poging te doen om mij er meester van te maken. Ik hield mij echter in, bedenkende, dat onze vrouwen zeker zouden beginnen te schreeuwen en dat misschien don Raphaël of een ander verdediger van het schoone geslacht op dit geschreeuw zouden toeschieten. Ik bedacht dus bijtijds, dat het maar beter was te huichelen en er eens met Fabricius over te beraadslagen. Ondertusschen drong de oude vrouw mij haar te zeggen, waaraan hare nicht lijdende was. Ik was natuurlijk niet zoo dom te bekennen dat ik er niets van wist, maar speelde den geleerde in navolging van mijn meester, zei ik dat de ziekte daardoor ontstond, dat de zieke niet transpireerde; dat het daarom noodzakelijk was zoo spoedig mogelijk een aderlating te doen, omdat een aderlating een vervanging was van het natuurlijk transpireeren. Bovendien beval ik het drinken van warm water om geheel in de gewoonte te blijven.
Ik bekortte mijn bezoek zooveel als ik maar kon en ging naar den zoon van Nunez, dien ik ontmoette juist toen hij een boodschap voor zijn meester ging doen. Ik vertelde hem mijn nieuw avontuur en vroeg hem of hij het in dit geval gewenscht achtte Camilla door de politie te doen arresteeren. "Niet doen," riep hij uit, "want dat zou al heel dom zijn, daar je dan je ring zeker niet terug zoudt krijgen. Die luidjes houden er niet van iets terug te geven. Denk maar eens aan de gevangenis te Astorga; hebt ge hun niet alles moeten laten, je paard, je geld, ja zelfs je kleeren? Neen, we moeten hier veel slimmer te werk gaan en ik zal wel een list vinden. Ik zal er eens over denken terwijl ik naar het hospitaal ga, waar ik voor mijn meester een paar woordjes te zeggen heb aan den provisiemeester. Ga jij intusschen naar onze kroeg en wacht mij daar. Zoo spoedig mogelijk kom ik bij je."
Er verliepen echter meer dan drie volle uren voor hij kwam. Op het eerste gezicht herkende ik hem niet zoo gauw. Behalve, dat hij een ander pak aangetrokken en zijne haren gevlochten had, bedekte een kunstmatige knevel de helft van zijn gezicht. Hij droeg een grooten degen en werd gevolgd door vijf mannen, die er even barsch uitzagen met hun zware snorren en die elk een lang rapier op zij droegen. "Uw dienaren, Mijnheer Gil Blas, ziehier een nieuwbakken ridder met zijn dappere knechten, die van hetzelfde slag zijn. Wilt u ons bij de vrouw brengen, die uwen diamanten ring heeft gestolen en wij zullen zorgen dat u hem terug krijgt." Toen Fabricius uitgesproken had, vloog ik hem om den hals, waarna hij mij zijn geheele krijgsplan uitlegde en ik verzekerde hem dat ik dit prachtig vond. Ik groette daarna de nagemaakte krijgsknechten. Het waren drie lakeien en twee kappersbedienden, die hij kende en die hij gevraagd had ervoor te willen spelen. Ik liet wijn brengen om de bende te tracteeren en wij begaven ons daarna bij het vallen van den avond naar Camilla. Wij klopten op de gesloten deur en de oude vrouw kwam opendoen. Zij verschrikte hevig toen zij de mannen zag die zij voor politiebeambten hield, welke niet met lieflijke bedoelingen bij haar huiszoeking kwamen doen. "Stel je gerust oudje," zei Fabricius, "wij hebben hier slechts even wat te doen en dat zal gauw genoeg afgeloopen zijn want wij zijn altijd zeer gehaast". Dit zeggende ging hij ons voor naar binnen, en wij kwamen in de ziekenkamer waarheen de oude vrouw ons den weg wees en ons voorlichtte met een kaars in een zilveren kandelaar. Ik nam de kaars en begaf mij naar het ledikant en toonde mijn gezicht aan Camilla: "Trouwelooze," zei ik, "herken je den al te lichtgeloovigen Gil Blas niet, dien ge bedrogen hebt! Zoo, canaille, ontmoet ik je dan eindelijk na je lang tevergeefs gezocht te hebben. De rechter heeft mijn beschuldiging aangenomen en zendt deze gerechtsdienaren om je te arresteeren. Welnu mijnheer de officier," zei ik tot Fabricius, "doe wat u gelast is." "Het is niet noodig mij aan te sporen mijn plicht te doen," antwoordde deze met vervaarlijke stem. "Ik herken die jonge dame daar, sedert tien jaar staat zij bij mij in het roode boekje. Sta op, schoone dame, en kleed je maar gauw aan. Ik zal je tot schildknaap dienen en je naar de stadsgevangenis brengen, als je er niets op tegen hebt."
Ziende dat twee van de krijgsknechten zich gereed maakten haar beet te grijpen en uit het bed te trekken, ging Camilla uit zichzelf rechtop zitten, vouwde de handen en in smeekende houding mij aankijkende bad zij mij: "Mijnheer Gil Blas, heb medelijden met mij; ik bezweer u bij een reine moeder aan wie gij het leven dankt, dat ik eer ongelukkig dan schuldig ben. Gij zult ervan overtuigd worden als gij slechts naar mijne geschiedenis wil luisteren--"Neen jonge dame," schreeuwde ik, "ik wil je volstrekt niet aanhooren. Ik weet maar al te goed dat ge prachtige romannetjes kunt maken."--"Welnu dan, daar ge mij niet toestaat mijzelf te rechtvaardigen, zal ik u uwen ring teruggeven, maar maak mij niet ongelukkig." Dit zeggende trok zij mijn ring van den vinger en gaf hem mij terug. Ik antwoordde echter, dat ik niet met den ring alleen tevreden was, maar dat ik ook de duizend dukaten terug moest hebben, die mij in het gemeentehuis waren ontstolen. "O mijnheer," riep zij uit, "wat uwe dukaten aangaat, vraag die niet aan mij. De schurk van een Raphaël heeft ze meegenomen en ik heb hem na dien tijd niet meer gezien."--"Wel mijn lieve jonge dame," zei toen Fabricius, "zou je nu ook maar niet ineens erbij liegen, dat je er in het geheel niets van hebt gekregen? Zoo goedkoop kom je er echter bij ons niet van af. Alleen het feit, dat ge een medeplichtige van Don Raphaël zijt, is voldoende om u rekenschap te vragen van uw geheele vroegere leven. Je zult wel heel wat op je geweten hebben en in de gevangenis kun je dan op je gemak een volledige bekentenis afleggen. Ik zal ook dit oudje medenemen; ik geloof dat zij wel heel wat geschiedenisjes zal kunnen vertellen, die den rechter niet onverschillig zullen zijn."
Op het hooren van deze woorden stelden de beide vrouwen alles in het werk om ons te verteederen en begonnen luidkeels te jammeren en te klagen. Terwijl de oude vrouw op haar knieën liggende nu eens het medelijden inriep van den alguazil, dan weer van de krijgsknechten, smeekte Camilla mij op hartroerende wijze haar uit de handen van de justitie te redden. Het was als het ware een tooneelspel. Ik deed alsof ik mij liet verteederen. "Mijnheer de officier," zei ik tot den zoon van Nunez, "daar ik ten minste mijn ring terug heb, zal ik mij over het overige maar troosten. Ik verlang niet, dat men deze vrouw straffen zal, want ik wil den dood van den armen zondaar niet!"
"Wat nu?" antwoordde hij, "gij hebt nog medelijden, je zoudt zeker niet deugen voor rechter. Ik zal dan ook kalm mijn opdracht verder vervullen. De rechter heeft mij uitdrukkelijk gelast deze twee jonge dames in hechtenis te nemen daar hij een voorbeeld met hen wil stellen."
"Komaan," antwoordde ik, "geef nu een weinig gehoor aan mijn bede en neem uw plicht nu eens niet zoo nauwgezet op met het oog op de belooning die deze dames u zullen geven."
--O! in dat geval verandert de zaak een beetje. Zoo iets helpt altijd beter dan de grootste welsprekendheid. Komaan, wat willen de dames mij zooal aanbieden?"
"Ik heb een parelsnoer en oorbellen van groote waarde," zei Camilla.
"Ja, maar," viel hij plotseling in de rede, "als die van de Philippijnen komen wil ik ze volstrekt niet hebben."
"Gij kunt ze gerust aannemen," hernam zij, "ik sta u ervoor in, dat ze prachtig zijn." Zij liet daarop de oude vrouw een kistje brengen waaruit zij het collier en de oorbellen haalde en gaf ze over aan den alguazil. Hoewel hij net zooveel verstand had van edelgesteenten als ik, twijfelde hij geen oogenblik aan de echtheid van de diamanten oorbellen en de parelen. "Die kleinoodiën schijnen heel mooi te zijn," zei hij na ze nauwkeurig te hebben bekeken, "en als men er dan nog den zilveren kandelaar bijtelt, dien Gil Blas vasthoudt, dan geloof ik dat men mijn getrouwheid wel aan het wankelen zou kunnen brengen."