De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 8
Ik merkte, dat die woorden den kanunnik zeer bevielen. Niet minder tevreden was hij met de verzekering, die ik hem gaf, dat ik steeds onderworpen zou zijn aan den wil van juffrouw Jacinta. Daar ik dus wilde doorgaan voor een dienaar, wien de vermoeienis nooit kon afmatten, deed ik mijn dienst met de meeste nauwkeurigheid. Ik kon echter niet nalaten dat alles heel onaangenaam te vinden; en zonder het legaat, waarop mijn hoop gevestigd was, zou ik spoedig genoeg hebben gehad van mijne betrekking en zou ik het niet hebben kunnen volhouden; wel is waar rustte ik overdag eenige uren, want de huishoudster, wie ik recht moet laten wedervaren, had veel oplettendheden voor mij, hetgeen men moet toeschrijven aan de zorgvuldigheid, waarmee ik trachtte haar gunst te winnen door voorkomende en eerbiedige manieren tegenover haar. Wanneer ik met haar en haar nicht die Inesilla heette, aan tafel was, wisselde ik de borden en schonk hen in; ik had een buitengewone attentie voor haar. Daardoor drong ik mij in hun vriendschap in. Op zekeren dag dat juffrouw Jacinta was uitgegaan voor de noodige provisie, was ik alleen met Inesilla en begon een gesprek met haar. Ik vroeg haar of haar vader en moeder nog leefden, waarop zij mij antwoordde: "O, neen, ze zijn al heel, heel lang dood, want mijn tante zegt het en ik heb ze nooit gezien." Ik geloofde heilig wat het kleine meisje mij zei, hoewel haar antwoord niet zeer duidelijk was, en ik bracht haar zoo goed aan het praten, dat ze meer vertelde dan ik weten wilde. Zij vertelde me, of liever ik begreep door haar naïve gezegden, dat haar tante een goeden vriend had, die ook bij een ouden kanunnik was, waar hij de wereldlijke zaken van administreerde en dat die gelukkige bedienden erop rekenden de nalatenschap hunner meesters te vereenigen door een huwelijk, waarvan ze nu reeds de genietingen smaakten. Ik heb reeds gezegd dat juffrouw Jacinta, hoewel niet jong meer, nog zooveel frischheid bezat. 't Is waar dat zij niets spaarde om die te behouden; behalve, dat ze elken morgen een lavement nam, gebruikte ze elken avond bij het slapen gaan een aftreksel van zoethout. Daarbij sliep ze den geheelen nacht heel rustig, terwijl ik bij mijn meester waakte. Maar wat misschien nog meer bijdroeg tot haar frissche gelaatskleur, was, zooals Inesilla mij vertelde, een fontenel, die ze aan ieder been had.
HOOFDSTUK II
Op welke wijze de kanunnik behandeld werd toen hij ziek was; wat er het gevolg van was en wat hij bij testament aan Gil Blas naliet.
Gedurende drie maanden diende ik dan kanunnik Sédillo zonder te klagen over de slechte nachten, die ik in zijn dienst doorbracht. Na verloop van dien tijd werd hij ziek, de koorts kwam op, en met de pijn, die deze hem veroorzaakte, verergerde ook zijn podagra. Voor de eerste maal in zijn lang leven, nam hij zijn toevlucht tot de geneesheeren. Hij ontbood dokter Sangrado, die door geheel Valladolid als een Hippocrates werd aangezien. Juffrouw Jacinta had liever gezien, dat de kanunnik begonnen was met zijn testament, te maken en sprak er zelfs over, maar behalve dat hij zich nog niet zoo dicht bij zijn einde dacht, was hij in eenige dingen bijzonder stijfhoofdig. Ik ging dus dokter Sangrado halen en bracht hem thuis. 't Was een groote, magere, bleeke man, die meer dan veertig jaar praktiseerde. Deze wijze man zag er ernstig uit; hij overwoog zijn redeneeringen en gaf een edelen zin aan zijn uitdrukkingen. Zijn redeneeringen leken wiskundig en zijn denkbeelden heel zonderling.
Na mijn meester nauwkeurig te hebben gadegeslagen, zei hij op dokterstoon: "Het komt er hier op aan een fout van begane transpiratie te hulp te komen, Anderen in mijn plaats zouden zonder twijfel geneesmiddelen voorschrijven als zouten, op de urine werkende, of vluchtige drankjes die voor het meerendeel zwavel en kwik bevatten, maar die afdrijvende- en transpireermiddelen zijn zeer schadelijk en uitgevonden door kwakzalvers; al die chemische preparaten lijken me toe zeer slecht te zijn. Ik gebruik eenvoudiger en zekerder middelen. Aan welk voedsel zijt gij gewend?" vervolgde hij. "Ik gebruik gewoonlijk kreeftensoep en sappige vleezen", antwoordde de kanunnik. "Kreeftensoep en sappige vleezen," riep de dokter verbaasd uit. "O, dan ben ik waarlijk niet meer verwonderd, dat ge ziek zijt geworden. Heerlijke gerechten zijn genotrijke vergiften, het zijn valstrikken die de zinnelijkheid den menschen spreidt om hun ondergang des te stelliger te bewerken. Gij zult van die smakelijke spijzen moeten afzien; de flauwste zijn de beste voor de gezondheid. Daar het bloed smakeloos is, wil ik dat het voedsel daarmee overeenstemt. En drinkt gij wijn?" "Ja, versneden wijn," antwoordde de kanunnik, "O! versneden, zooveel ge maar wilt," hernam de geneesheer, "wat een ongeregelde levenswijze! Dat is een verschrikkelijke leefregel. Gij zoudt reeds lang dood hebben moeten zijn. Hoe oud zijt ge?" "Ik ga mijn negen-en-zestigste in," antwoordde de kanunnik. "Juist, een te vroege ouderdom is altijd de vrucht van de onmatigheid. Indien ge slechts altijd water gedronken had, en u tevreden gesteld met eenvoudig voedsel, zooals gekookte appelen of boonen en erwten, dan zoudt ge nu niet van het pootje te lijden hebben en zouden al uw ledematen nog gemakkelijk hun diensten verrichten. Toch wanhoop ik er niet aan, u weer op de been te helpen, indien ge tenminste mijn bevelen opvolgt." Hoe groot een fijnproever de domheer ook was, beloofde hij toch stipte gehoorzaamheid.
Toen liet Sangrado mij een chirurgijn halen en liet om te beginnen mijn meester zesmaal flink aderlaten om aan het transpireeren tegemoet te komen. Daarna zei hij tot den chirurg: "Meester Maarten Onez, kom over drie uur terug om dezelfde hoeveelheid te laten en begin morgen opnieuw. 't Is een vergissing te denken, dat het bloed noodig is om te leven; men kan een zieke niet genoeg aderlaten. Daar hij tot geen enkele beweging in staat is en hij niets te doen heeft dan alleen niet te sterven, heeft hij niet meer bloed noodig dan een ingeslapen mensch. Bij beiden bestaat het leven nog slechts in den polsslag en de ademhaling." De goede kanunnik, die zich verbeeldde, dat zoo 'n groot geneesheer geen drogredenen kon vertellen, liet zich zonder tegenstand maar aderlaten. Nadat de dokter verschillende en flinke aderlatingen geboden had, schreef hij ook nog voor, dat men den kanunnik veel warm water moest laten drinken, verzekerende dat water, overvloedig gedronken, kon doorgaan voor het werkelijke middel tegen allerlei ziekten. Vervolgens ging hij weg, terwijl hij juffrouw Jacinta en mij vol vertrouwen meedeelde, dat hij voor het leven van den kanunnik instond indien men hem behandelde zooals hij had voorgeschreven. De huishoudster, die wellicht anders over zijn methode van behandeling oordeelde dan hijzelf, verzette zich niet tegen een nauwkeurige opvolging van zijn voorschriften.
Inderdaad zetten we dadelijk water te warmen en daar de dokter ons bevolen had hem op geenerlei wijze te sparen, lieten we den eersten keer mijn meester twee of drie pinten achter elkaar uitdrinken. Een uur later begonnen we opnieuw en herhaalden dit van tijd tot tijd, zoodat we in zijn maag een zondvloed van water goten. Aan den anderen kant hielp de chirurg ons door de hoeveelheid bloed, die hij hem aftapte en zoo brachten wij in minder dan twee dagen den kanunnik op het uiterste.
Toen ik dien goeden kanunnik, die het niet langer kon uithouden, nog een groot glas van het heilmiddel wilde toedienen, zei hij met zwakke stem: "Houd op Gil Blas, geef me niet meer, mijn jongen. Ik zie wel, dat ik sterven moet; niettegenstaande het heil van het water en hoewel er ternauwernood nog een druppel bloed in mij is overgebleven, gevoel ik mij niets beter; hetgeen bewijst dat de knapste geneesheer ter wereld mijn dagen niet zou kunnen verlengen, als het noodlottig einde daar is. Ik moet me dus gereed houden naar de andere wereld te verhuizen; ga een notaris halen, want ik wil mijn testament maken." Bij die laatste woorden die mij bijster bedroefden, zooals iedere erfgenaam in een dergelijk geval pleegt te doen en terwijl ik niets liet blijken van het genoegen, waarmee ik dadelijk, de boodschap, die hij mij opgaf, wilde ten uitvoer brengen, zei ik: "Maar mijnheer, ge zijt Goddank nog niet zoo ver, dat ge niet meer er bovenop zult komen."--"Neen, mijn jongen," antwoordde hij, "'t is gedaan met me; ik voel dat de podagra weer opkomt en de dood nadert; haast u te gaan, waarheen ik u gezegd heb." Ik zag inderdaad dat hij zienderoogen veranderde; de zaak leek me zoo dringend, dat ik vlug ging doen wat hij bevolen had, juffrouw Jacinta bij hem latende, die meer nog dan ik, bevreesd was, dat hij zou sterven zonder testament te hebben gemaakt. Ik trad het huis van den eersten notaris dien men mij aanwees binnen, vond hem thuis en zei: "Mijnheer, de kanunnik Sédillo, mijn meester, gaat zijn einde tegemoet; hij wenscht zijn laatsten wil te doen neerschrijven; er is geen oogenblik te verliezen." De notaris was een kleine vroolijke grijsaard, die graag gekheid maakte; hij vroeg mij welke dokter den kanunnik bezocht. Ik antwoordde dat het dokter Sangrado was. Bij dien naam nam hij haastig zijn mantel en hoed en riep uit: "Groote God, laten we dan vlug vertrekken; want die dokter is zoo gezwind dat hij zijn zieken niet eens den tijd geeft den notaris te laten roepen. Die man heeft me al wat testamenten mis laten loopen."
Zoo pratende haastte hij zich met mij mee te gaan en terwijl wij beiden snel voortstapten om er aan te komen vóór den dood, zeide ik hem: "Mijnheer, gij weet dat een stervende dikwijls zijn geheugen kwijt is; als mijn meester mij soms mocht vergeten, wees dan zoo goed hem aan mijn ijver te herinneren".--"Dat wil ik wel doen, mijn jongen," antwoordde de notaris, "gij kunt op mij rekenen. Ik zal hem zelfs aansporen je wat van beteekenis te geven." Toen wij zijn kamer binnen kwamen, was de kanunnik nog geheel bij kennis. Juffrouw Jacinta was bij hem, met het gelaat badende in krokodillentranen. Zij had haar rol al gespeeld om den goeden man te bewegen haar veel na te laten. Wij lieten den notaris alleen met mijn meester en zij en ik gingen samen in de voorkamer, waar wij den chirurgijn vonden, dien de dokter had gezonden voor eene nieuwe en laatste aderlating. Wij hielden hem tegen. "Meester Martin", zeide de huishoudster, "gij kunt thans niet binnengaan. Hij is bezig zijn laatsten wil aan een notaris op te geven; gij kunt hem op uw gemak aderlaten als hij zijn testament gemaakt heeft."
Wij waren doodsbang, de kwezel en ik, dat de kanunnik stierf onder het testament maken, maar gelukkig werd de akte, waar wij ons bezorgd om maakten, voltooid. Wij zagen den notaris weggaan, die in 't voorbijgaan, me op den schouder klopte en glimlachend zei: "Gil Blas is niet vergeten." Bij die woorden kwam een heerlijk gevoel van blijdschap over me en ik was er mijn meester zoo dankbaar voor, dat hij aan mij gedacht had, dat ik bij mezelf de belofte aflegde voor hem na zijn dood tot God te bidden; welken dood zich niet lang wachten deed, want daar de chirurg hem nogmaals had adergelaten, stierf de arme grijsaard, die reeds al genoeg verzwakt was, bijna op hetzelfde oogenblik. Terwijl hij den laatsten adem uitblies, verscheen de dokter, die, niettegenstaande zijn gewoonte het einde van de zieken te verhaasten, nu toch gek stond te kijken. Maar verre van den dood des kanunniks toe te schrijven aan het drinken en aderlaten, ging hij weg, en zei op koelen toon, dat men hem niet genoeg bloed had afgetapt en niet genoeg warm water had laten drinken. De uitvoerder van de hoogere medicijnkunst, ik wil zeggen de chirurg, ziende dat men zijn diensten niet meer noodig had, volgde dokter Sangrado, de een zoowel als de ander zeggende, dat ze van den eersten dag af den kanunnik ten doode hadden opgeschreven. Werkelijk vergisten ze zich haast nooit, als ze een dergelijk oordeel uitspraken.
Zoodra we zagen dat onze meester gestorven was, begonnen juffrouw Jacinta, Inesilla en ik een concert van treurgalmen, die door de geheele buurt weerklonken. Vooral de kwezel, die het meest reden had verheugd te zijn, slaakte zulke klagende kreten, alsof ze de zwaarst getroffen persoon ter wereld was. In een oogwenk was de kamer gevuld met lieden, die minder door medelijden dan door nieuwsgierigheid daarheen waren gekomen. Niet zoodra kreeg de familie van den overledene lucht van zijn dood of ze kwamen het huis overvallen en lieten overal alles verzegelen. Zij vonden de huishoudster zoo bedroefd, dat ze eerst dachten, dat de kanunnik geen testament had gemaakt, maar tot hun spijt vernamen ze weldra, dat er wel degelijk een was, voorzien van alle noodige formaliteiten. Toen men het kwam openen en zij zagen dat de erflater zijn beste bezittingen aan juffrouw Jacinta had vermaakt, deden zij de uitvaartgebeden ter zijner gedachtenis in minder lofwaardige termen. Zij gaven tegelijkertijd op de kwezel af en maakten ook nog even gewag van mij. Nu, ik moet bekennen, dat ik dit wel verdiende. De kanunnik, God hebbe zijn ziel, had, om mij mijn geheele leven aan hem te doen denken, op deze wijze zich omtrent mij in een artikel van zijn testament uitgelaten: "Idem, daar Gil Blas een jongen is, die al iets van litteratuur afweet, laat ik hem, om zijn wijsgeerige opvoeding te voltooien, mijn bibliotheek na, al mijn boeken en mijn manuscripten, zonder eenige uitzondering."
Ik wist niet waar die zoogenaamde bibliotheek wel kon zijn; ik had niet gemerkt, dat er een in huis was. Ik wist alleen, dat er eenige papieren met vijf of zes deelen op twee dennenhouten plankjes in het kabinet van mijn meester stonden. Dat was mijn legaat! En de boeken konden me nog niet eens van groot nut zijn, want de een had den titel van: "De volmaakte kok"; de ander handelde over de slechte spijsvertering en de wijzen waarop die te genezen was, terwijl de andere de vier deelen van het brevier vormden, half door de wormen verteerd. Wat de manuscripten betreft, het meest interessante behelsde al de stukken van een proces, dat de kanunnik vroeger voor zijn domheerschap had gevoerd. Na mijn legaat nauwkeuriger te hebben bekeken, dan het verdiende, gaf ik het aan de familie, die er mij zoo om benijd had. Ik gaf hun zelfs het kleed terug, dat ik gedragen had en nam het mijne terug, terwijl ik de vrucht mijner verdiensten tot mijn loon bepekte.
Juffrouw Jacinta had behalve de sommen die haar nagelaten waren, nog mooie buitenkansjes gehad, die zij met behulp van haar goeden vriend gedurende de ziekte van onzen meester in veiligheid had gebracht.
HOOFDSTUK III
Gil Blas komt in betrekking bij dokter Sangrado en wordt een beroemd geneesheer.
Ik besloot een man te gaan opzoeken, tot wien zich het meerendeel der lakeien wendden, die op straat staan en dan uit zijn register een nieuwe betrekking te zoeken, maar toen ik juist de doodloopende straat waarin hij woonde, wilde binnen gaan, ontmoette ik dokter Sangrado, die ik niet meer gezien had sinds den dag van het sterven mijns meesters en ik nam de vrijheid hem te groeten. Hij herkende me oogenblikkelijk, hoewel ik van kleeding verwisseld had en terwijl hij eenige blijdschap toonde mij te zien, zei hij: "Zoo, mijn jongen, zijt gij daar, ik dacht straks juist aan je. Ik heb een goeden jongen noodig om me te dienen, en ik dacht dat gij wel de aangewezen persoon voor mij zoudt zijn, als gij zou kunnen lezen en schrijven,"--"Mijnheer, wat dat aangaat ben ik wat u verlangt, want ik kan het een zoowel als het ander," antwoordde ik. "Als dat zoo is, zijt gij de man, dien ik noodig heb," hernam hij. "Kom bij mij, gij zult er slechts aangenaam bezig zijn en ik zal u met voorkomendheid behandelen. Ik zal u geen loon geven; maar het zal u aan niets ontbreken. Ik zal zorg dragen je goed te onderhouden en ik zal je de groote kunst leeren alle ziekten te genezen. In één woord, ge zult meer mijn leerling dan mijn bediende zijn."
Ik nam het voorstel van den dokter aan in de hoop, dat ik onder een zoo bekwaam meester, mij in de geneeskunde beroemd zou kunnen maken. Hij nam me dadelijk met zich mee om me in de betrekking, waarvoor hij mij bestemde, te installeeren; en die betrekking bestond in het opschrijven van den naam en de woonplaats van al de zieken, die hem lieten halen, terwijl hij de stad in was. Tot dat doel was er een register in huis, waarin een oude meid, die hij als eenige dienstbode hield, de adressen opteekende; maar behalve, dat zij de kunst der spelling niet verstond, schreef ze zoo slecht, dat men meestentijds haar schrift niet ontcijferen kon. Hij belastte mij met de zorg dat boek bij te houden, dat men zeer juist een sterfteboek zou kunnen noemen, daar de lieden, wier namen ik opnam, bijna allen stierven. Ik schreef er om zoo te zeggen alle menschen in op, die naar de andere wereld wilden vertrekken, zooals een kommies op een bureau van openbare vervoermiddelen de namen opschrijft van hen, die plaatsen reserveeren. Ik had dikwijls de pen in de hand, daar er in dien tijd geen een dokter in Valladolid was, die zoo goed stond aangeschreven als dokter Sangrado. Hij was in de gunst van het publiek gekomen door een schoonschijnende woordenkeus, vergezeld van een indrukwekkend voorkomen en ook door eenige gelukkige behandelingen, die hem meer hadden aangebracht dan zij verdienden.
Het ontbrak hem niet aan praktijk, dus ook niet aan welvaart. Toch nam hij het er daarom niet beter van; men leefde bij hem zeer sober. Wij aten gewoonlijk niets anders dan erwten, boonen, gebraden appelen en kaas. Hij zei dat die spijzen het beste voor de maag waren, als zijnde de meest geschikte voor de opname, dat wil zeggen om gemakkelijker verteerd te worden. Niettegenstaande hij ze gemakkelijk te verteren vond, wilde hij niet, dat we er ons genoegen aan aten, waarin hij zich zeker heel redelijk betoonde. Maar indien hij aan de dienstbode en mij verbood veel te eten, stond hij ons als belooning toe zooveel water te drinken als wij maar wilden. Verre van ons daarin te beperken, zei hij ons dikwijls: Drink maar, kinderen; de gezondheid bestaat in het soepele en de vochtigheid der organen. Drink ruimschoots water; dat is een algemeen oplossingsmiddel, het water doet alle zouten smelten. Gaat de stroom van het bloed langzamer, dan wordt hij daardoor sneller; is hij te snel, dan vertraagt het die onstuimigheid." Onze dokter geloofde zoo vast aan dit alles, dat hij zelf, hoewel van gevorderden leeftijd, nooit iets anders dan water dronk. Hij betitelde den ouderdom als een natuurlijke tering, die ons uitdroogt en verteert en bij die definitie beklaagde hij de onwetendheid van hen, die de wijn de melk der grijsaards noemen. Hij hield vol dat de wijn het gestel verslijt en ondermijnt en zei zeer welsprekend, dat die doodelijke vloeistof voor hen, evenals voor allen, een verraderlijke vriend en een bedriegelijk genoegen is.
Niettegenstaande die geleerde theorieën kreeg ik na acht dagen in dat huis te zijn geweest een hevigen buikloop en ik begon heftige maagpijnen te gevoelen, die ik de brutaliteit had aan het algemeene oplossingsmiddel toe te schrijven en aan het slechte voedsel, dat ik daar gebruikte. Ik beklaagde er mij bij mijn meester over, in de hoop dat hij een beetje van zijn regime zou afwijken en mij wat wijn bij mijn maaltijden zou geven, maar hij was een te groot vijand van deze vloeistof om me dat toe te staan, en zei: "Indien ge eenmaal de gewoonte van het waterdrinken hebt, zult ge er de uitnemende werking van op prijs stellen; trouwens als ge eenigszins een afkeer van zuiver water hebt, zijn er onschuldige hulpmiddelen om de maag tegen het flauwe van dien waterdrank bestand te doen zijn. De salie, bijvoorbeeld, en de prij geven het een verrukkelijken smaak en indien ge ze nog heerlijker wilt imaken, behoeft ge er slechts anjelierbloesems-, rozemarijn- of klaprozen-aftreksel door te doen."
Al prees hij water ook nog zoo en al wilde hij mij in de geheimen inwijden er heerlijke brouwsels mee samen te stellen, ik dronk voortaan zoo matig, dat hij op een goeden dag dit bemerkende, zeide: "O, waarlijk, Gil Blas, ik verwonder er me niet over, dat gij geen volmaakte gezondheid bezit; ge drinkt niet genoeg, beste vrind. Wanneer het water in kleine hoeveelheden genomen wordt, dient het slechts om de galdeelen te ontwikkelen en hun werkzaamheid te verhoogen, inplaats dat ze verdronken worden in een overvloedige verdunning. Denk niet, beste jongen, dat deze overvloed van het water verzwakt of je maag zal verkoelen; laat verre van u dien panischen schrik, dien het vele drinken u misschien inboezemt. Ik sta je daarvoor borg, en indien ge mij niet goed genoeg acht om daarvoor in te staan, zal zelfs Celcius het doen. Dat latijnsche orakel heeft een bewonderenswaardigen lof van het water verkondigd; daarbij zegt hij in duidelijke bewoordingen, dat zij, die om wijn te drinken zich verontschuldigen met zwakte van hun maag, een blijkbare onrechtvaardigheid tegen dat lichaamsdeel verkondigen en slechts zoeken hun zinnelijkheid te verbergen."
Daar het mij niet zou gepast hebben mij stijfhoofdig te toonen bij het betreden der medische loopbaan, deed ik maar of ik ervan overtuigd was, dat hij gelijk had; ik zal zelfs bekennen, dat ik hem werkelijk geloofde. Ik ging dus voort met water drinken, op verantwoordelijkheid van Celsius, of liever ik begon mijn gal te verdrinken door zooveel mogelijk van dien drank naar binnen te werken en hoewel ik mij van dag tot dag benauwder gevoelde, behaalde het vooroordeel de overwinning over de ondervinding.
Men ziet dus wel dat ik een gelukkigen aanleg had om dokter te worden. Toch kon ik niet altijd aan de hevigheid mijner pijnen weerstand bieden, die zoo verergerden, dat ik eindelijk het besluit opvatte bij dokter Sangrado weg te gaan. Doch hij belastte mij met een nieuwen werkkring, die me van gevoelens deed veranderen. Op zekeren dag zei hij tot mij: "Luister, ik ben geenszins een van die harde ondankbare meesters, die hun dienaren oud laten worden in dienstbaarheid zonder hen te beloonen. Ik ben tevreden over je en houd van je; en zonder te wachten tot ge me langeren tijd gediend hebt, heb ik het besluit genomen van heden af je fortuin te maken; ik wil je aanstonds het fijne ontdekken van de gezondheidsleer, die ik reeds gedurende zooveel jaren uitoefen. Andere dokters laten de kennis baseeren op duizende lastige wetenschappen en ik stel me voor je dien langen weg te bekorten en je de moeite te besparen van het bestudeeren der natuur-, pharmacie- kruid- en ontleedkunde. Weet dan, mijn jongen, dat het eenige is: aderlaten en warm water laten drinken; dat is het geheim tot de genezing van alle ziekten ter wereld. Ja, dat eenvoudige geheim dat ik je ontdek, en dat de natuur, ondoordringbaar voor mijn collega's niet aan mijn opmerkingsgave heeft kunnen onttrekken, is besloten in deze twee punten: aderlating en veelvuldig drinken. Ik heb je nu niets meer te leeren, je kent de geneeskunde nu grondig, en als je profiteert van de vrucht mijner vele ondervindingen, dan ben je eensklaps even geleerd als ik. Gij kunt me nu terzijde staan; 's morgens zult ge ons register bijhouden en 's middags een gedeelte van mijn patiënten bezoeken. Terwijl ik de zorgen op mij neem voor de voornamen en de geestelijken, zult gij voor mij de huizen bezoeken van den derden stand; en wanneer ge eenigen tijd voor mij zult gewerkt hebben, zal ik u bij mij als geneeskundige aannemen. Gil Blas, gij zijt geleerd voor ge dokter zijt, in tegenstelling met anderen die reeds lang geneesheer zijn, zelfs velen hun leven lang, voor ze geleerden zijn."