De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 7

Chapter 73,956 wordsPublic domain

"Ik mag nog blij zijn, dat die schelmen niet mijn kleeren hebben meegenomen en enkele dukaten, die ik in mijn zakken heb." Ik was hun dankbaar voor die gevoeligheid. Zij waren zelfs zoo edelmoedig geweest, mij mijn laarzen te laten, die ik aan den waard verkocht voor een derde van wat ze mij gekost hadden. Eindelijk verliet ik het hotel, zonder goddank iemand noodig te hebben om mijn lompen te dragen. Het eerste wat ik deed, was te gaan zien of de muilezels niet nog in het logement waren, waar ik den vorigen dag was afgestapt. Ik dacht wel, dat Ambrosius ze daar niet zou hebben laten staan, had ik maar altijd zoo'n gezond oordeel over hem gehad. Ik vernam, dat hij reeds denzelfden avond zorg had gedragen ze weg te halen. Er op rekenende ze nooit meer terug te zien, net zoo min als mijn dierbaar valiesje, liep ik treurig door de straten en dacht erover, wat ik beginnen moest.

Ik voelde de verzoeking bij me opkomen naar Burgos terug te keeren en nog eens mijn toevlucht tot dona Mencia te nemen; maar begrijpende, dat dit van de goedheid der dame misbruik maken zou zijn en dat ik dan voor een dom schaap zou doorgaan, liet ik die gedachte weer los. Ik zwoer ook, dat ik in 't vervolg meer op mijn hoede tegen de vrouwen zou zijn en ik zou nu zelfs de kuische Suzanna gewantrouwd hebben. Van tijd tot tijd richtte ik de oogen op mijn ring, en toen ik eraan dacht dat het een geschenk van Camilla was, zuchtte ik van smart. "Helaas," zuchtte ik bij mezelf, "ik heb geen verstand van robijnen, maar ik ken lieden die ze inruilen. 't Is geloof ik niet noodig dat ik naar een juwelier ga, om me te laten overtuigen dat ik een dwaas ben."

Toch wilde ik graag opheldering krijgen over de waarde van den ring en ik liet hem zien aan een diamantkooper, die hem op drie dukaten schatte. Bij die schatting, die me echter niet verwonderde, wenschte ik de nicht van den gouverneur der Philippijnen naar den duivel, of liever, wenschte ik het slechts opnieuw. Toen ik van den diamantverkooper kwam, ging er dicht langs me een jonge man voorbij, die stil hield om me te bekijken. Ik kon mij hem zoo gauw niet te binnen brengen, hoewel ik hem goed kende. "Hoe nu, Gil Blas, veinst ge mij niet meer te kennen, of hebben twee jaar tijds den zoon van den barbier Nunez zoo doen veranderen, dat ge hem niet meer herkent?" riep hij uit. "Herinner u Fabricius, uw landgenoot en uw metgezel op school, Wij hebben zoo dikwijls bij dokter Godinez gedisputeerd over de algemeene eigenschappen en de bovennatuurlijke graden!"

Voor hij eindigde, had ik hem reeds herkend en wij omhelsden elkaar vriendschappelijk. Daarop vervolgde hij: "Vriend, wat ben ik blij je te ontmoeten! Ik kan je niet zeggen hoe een genoegen me dat doet.... Maar," vervolgde hij met verwonderd gezicht, "in wat voor een toestand komt ge mij onder de oogen? Mijn God! ge zijt gekleed als een prins! Een prachtig zwaard, zijden kousen, een wambuis en mantel van fluweel met zilverdraad bestikt! Sapristi! dat riekt duivels naar voorspoed. Ik wil wedden, dat de een of andere vrijzinnige oude vrouw je in haar overvloed doet deelen."--"Gij vergist u," zei ik, "mijn zaken staan zoo schitterend niet als ze wel lijken." "Maak dat anderen wijs; je wilt de onnoozele spelen. En die mooie robijn, dien ik aan uw vinger zie, mijnheer Gil Blas, waar komt die dan vandaan alsjeblieft?"--"Die heb ik van eene brutale oplichtster, mijn beste Fabricius, verre van den veroveraar der vrouwen van Valladolid te zijn, moet gij weten, mijn vriend, dat ik haar dupe ben."

Die laatste woorden sprak ik zóó droevig uit, dat Fabricius wel inzag, dat men mij een poets had gebakken. Hij drong er op aan hem te zeggen, waarom ik mij zoo over het schoone geslacht beklaagde. Zonder moeite besloot ik aan zijne nieuwsgierigheid te voldoen, maar daar mijn verhaal nog al lang zou zijn en we trouwens elkaar toch niet zoo gauw wilden verlaten, gingen we een herberg binnen om gemakkelijker met elkaar te kunnen praten.

Daar vertelde ik hem onder 't ontbijt, alles wat mij overkomen was sedert ik Oviédo had verlaten. Hij vond mijn avonturen nog al erg vreemd; en na mij zijne deelneming betuigd te hebben in de moeilijke omstandigheid, waarin ik mij bevond, zei hij:

"Beste jongen, gij moet u troosten over al de ongelukken in dit leven; daardoor onderscheidt een moedige, krachtige ziel zich van een zwakke. Is een verstandig man ongelukkig, dan wacht hij geduldig een beteren tijd af. Nooit, zooals Cicero zegt, moet hij zich laten terneerslaan tot hij zich haast niet meer kan herinneren, dat hij mensch is. Zoo'n karakter heb ik; de tegenspoeden matten me niet af; ik stel me altijd boven mijn noodlot. Zoo beminde ik eens een meisje uit Oviédo en ik werd door haar bemind. Ik vroeg haar ten huwelijk aan haar vader, maar werd afgewezen. Een ander zou van smart gestorven zijn, maar ik (bewonder mijn geestkracht!) ik ontvoerde het kleintje. Zij was levendig, pittig, vurig en koket, het genot overwon bijgevolg steeds den plicht. Ik ging zes maanden met haar aan den wandel door Galicië, en nu zij eenmaal smaak in het reizen had gekregen, had zij lust naar Portugal te gaan, maar ze nam een anderen reisgezel: dat was een nieuwe reden tot wanhoop. Doch ik bezweek niet onder dat nieuwe ongeluk en, wijzer dan Menelaus, dankte ik de Paris die mij van mijn Helena ontslagen had. Daar ik niet naar Austurië wilde terugkeeren om alle twist met de lieve justitie te vermijden, trok ik door het rijk van Léon, van stad tot stad het geld verterend dat ik nog overhad van de schaking van mijn vroeger liefje; want voor we uit Oviédo vertrokken, hadden wij beiden onzen slag geslagen en waren niet kwaad eraf gekomen, maar alles wat ik bezat was weldra verbrast. Ik kwam in Valencia aan met een dukaat, waarvoor ik een paar schoenen moest koopen. Met de rest kwam ik niet ver. Ik raakte in een lastigen toestand en begon reeds op dieet te leven, ik moest beslissen wat te doen. Ik besloot in dienst te gaan. 't Eerst kreeg ik een plaats bij een groot lakenkooper, die een losbandigen zoon had. Ik vond er een schuilplaats tegen de onthouding en tegelijkertijd kwam ik in een groote moeilijkheid. De vader gebood me den zoon te bespieden; de zoon verzocht me hem te helpen zijn vader te bedriegen: ik moest toen kiezen. Ik koos het verzoek boven het bevel en dat bezorgde mij mijn ontslag. Daarna kwam ik bij een ouden schilder, die mij uit vriendschap de beginselen van zijn kunst wilde leeren; maar terwijl hij mij die onderwees, liet hij mij haast verhongeren. Dat deed me een afkeer krijgen van de schilderkunst en van mijn verblijf in Valencia. Ik kwam naar Valladolid, waar ik, door het buitengewoonste geluk der wereld terecht kwam in het huis van een administrateur van een hospitaal; daar ben ik nog en ik ben verrukt over mijn betrekking. De heer Manuel Ordonnez, mijn meester, is een man van groot mededoogen en een man, die het goed heeft, want hij loopt altijd met neergeslagen oogen en een dikke rozenkrans in de hand. Men zegt, dat hij van zijn jeugd af slechts het welzijn der armen op het oog heeft gehad en daar heeft hij zich dan ook met ijver op toegelegd. Zijne zorgen zijn dan ook niet vergeefs geweest; alles is hem meegeloopen. Wat een zegen! zich het lot der armen aantrekkende, is hij rijk geworden!"

Toen Fabricius me dit alles verteld had, zei ik tot hem: "Ik ben blij, dat ge u tevreden gevoelt in uw lot, maar, onder ons gezegd, zoudt ge dunkt mij een mooier rol in de wereld kunnen spelen dan die van knecht, iemand van uw verdienste kan een grooter vlucht nemen."--"Dat meent ge niet, Gil Blas. Weet, dat een man van mijn aard geen aangenamer betrekking kan vervullen dan de mijne. De post van lakei is pijnlijk, dat geef ik je toe: maar voor een verstandigen jongen is hij vol aantrekkelijkheid. Een hoogstaand mensch, die in betrekking gaat, doet zijn werk niet zoo machinaal als een onnoozele. Hij treedt in eene betrekking eerder om te bevelen dan om te gehoorzamen. Hij begint met zijn meester te bestudeeren; hij voegt zich naar diens zwakheden, wint zijn vertrouwen en leidt hem eindelijk bij den neus. Zoo heb ik mij bij mijn administrateur gedragen. Ik herkende dadelijk in hem den huichelaar, zag, dat hij graag voor een heilig personnage doorging: ik veinsde daar de dupe van te zijn, dat kost niets. Meer nog, ik werd net als hij; en door tegenover hem dezelfde rol te spelen, die hij tegenover een ander speelt, bedrieg ik den bedrieger en zoo ben ik nu bijna zijn factotum. Ik hoop, dat ik den een of anderen dag onder zijn toezicht me met de zaak der armen zal kunnen bemoeien. Ik zal dan wellicht ook fortuin maken, want ik voel evenveel liefde voor hun welzijn als hij."

"Dat zijn mooie vooruitzichten," hernam ik, "en beste Fabricius, ik wensch er je geluk mee. Wat mij betreft, ik keer tot mijn eerste plan terug. Ik zal mijn geborduurde rok tegen een toga verwisselen, naar Salamanca gaan en daar me onder de banieren van de universiteit scharende, leeraar worden."--"Wat een prachtig plan," riep Fabricius uit: "wat een aangename verbeelding, wat een onzin op jou leeftijd een schoolvos te willen worden! Weet je wel, ongelukkige, wat je begint door dat plan uit te voeren? Zoodra ge geplaatst zult zijn, zal het geheele huis je op de vingers kijken; je minste handelingen zullen haarfijn onderzocht worden. Gij zult u voortdurend anders moeten voordoen dan ge zijt, u met een huichelachtig bekleedsel omgeven en u voordoen of ge alle mogelijke deugden bezit. Gij zult haast geen oogenblik hebben om aan uw genoegens te denken. Voortdurend zedemeester van uw leerling, zult ge uwe dagen doorbrengen met hem latijn te leeren en hem te bestraffen als hij iets zegt of doet tegen de wellevendheid, wat u niet weinig te doen zal geven. Na zooveel last en onaangenaamheid, wat denkt ge dat de vruchten van uw zorgen zullen zijn? Als de kleine edelman een slecht sujet wordt zal men zeggen dat gij hem verkeerd hebt opgevoed en zijn ouders zullen u zonder belooning wegsturen; misschien zelfs zonder het u verschuldigde salaris uit te betalen. Spreek me dus niet van de betrekking van gouverneur; dat is een hondebaantje. Maar heb je nu de betrekking van lakei, dat is een eenvoudig ambt dat geen verantwoordelijkheid draagt. Heeft een meester ondeugden, dan stijft de hooger ontwikkelde knecht hem daarin en ziet ze zelfs tot zijn voordeel te brengen. Een knecht kan zonder onrust in zijn hart in een goed huis leven. Na zijn genoegen gegeten en gedronken te hebben, gaat hij rustig slapen als een kind des huizes, zonder zich om bakker of slager te bekommeren."

"Ik zou nog steeds kunnen voortgaan, beste jongen," vervolgde hij, "met je alle voordeelen van het knechtschap op te sommen. Geloof mij, Gil Blas, laat voor goed je lust in het onderwijzersvak varen en volg mijn voorbeeld." "Ja, maar Fabricius," antwoordde ik, "men vindt niet elken dag administrateurs; en als ik besluiten zou in dienst te gaan, dan zou ik toch geen slechte plaats willen hebben".

"O! daar heb je gelijk in," antwoordde hij, "en daar zal ik wel voor zorgen. Ik sta je in voor een goede betrekking, al was het alleen maar om een eerlijk man aan het onderwijsgeven te onttrekken."

De armoede, die mij bedreigde en het voldane gezicht van Fabricius, haalde me nog meer over dan zijn redeneeringen en ik besloot dan maar in dienst te gaan. Daarop verlieten wij het herbergje en mijn metgezel zei tot mij: "Ik zal je meteen naar den kanunnik Sédillo brengen, oud domheer van het kapittel dezer stad, die gisteravond zijn knecht juist heeft weggejaagd. De kanunnik Sédillo is een vriend van mijn meester en ik ken hem heel goed. Ik weet dat hij als huishoudster een oude schijnheilige heeft, die men juffrouw Jactina noemt en die over alles bij hem te zeggen heeft. Dat is een der beste huizen van Valladolid, men leeft er kalmpjes en neemt het er goed van, Verder is de kanunnik een hulpbehoevend man, die het pootje heeft en wel gauw zijn testament zal maken, zoodat er op een legaat te rekenen valt. Heerlijk vooruitzicht voor een bediende! Gil Blas, laten we geen tijd verliezen, beste vriend; laten we dadelijk naar den domheer gaan. Ik wil je zelf aan hem gaan voorstellen en borg voor je blijven."

TWEEDE BOEK

HOOFDSTUK I

Fabricius brengt Gil Blas bij den kanunnik Sédillo. In welken staat zij dezen vonden en hoe zijn huishoudster er uitzag.

Zoo bang waren we te laat te zullen komen, dat we vliegensvlug naar het huis holden. De deur vonden we gesloten en we klopten daarom aan. Een meisje van tien jaar, dat de huishoudster niettegenstaande de kwaadsprekerij voor haar nichtje liet doorgaan, deed ons open, en toen we haar vroegen of we den kanunnik konden spreken, kwam juffrouw Jacinta te voorschijn. Zij was een dame van reeds twijfelachtigen leeftijd, maar nog mooi en ik bewonderde vooral de frischheid van haar gelaatskleur. Zij droeg een lange japon van een zeer slechte kwaliteit stof, met een breeden leeren gordel, aan den eenen kant hing een bos sleutels en aan den anderen een rozenkrans van dikke kralen.

"Ik heb vernomen," begon mijn metgezel, "dat de kanunnik een eerlijken netten jongen noodig heeft en ik kom er hem een aanbieden, waarover ik hoop dat hij tevreden zal zijn." Bij die woorden richtte de huishoudster haar oogen op mij en keek me strak aan; en daar ze mijn borduursel niet in overeenstemming kon brengen met de bewering van Fabricius, vroeg ze of ik het dan was, die naar de vacante plaats dong. "Ja," antwoordde haar de zoon van Nunez, "dat is die jonge man. Zooals ge hem daar ziet heeft hij zooveel tegenspoeden ondervonden, dat hij genoodzaakt is in betrekking te gaan", en een zachten zoetsappigen toon aanslaande, ging hij verder: "maar hij zal zich troosten over zijn ongeluk, als hij 't geluk heeft in dit huis te kunnen dienen en in de nabijheid van de deugdzame Jacinta te leven, die waardig is de huishoudster van den opperkerkvoogd van Indië te zijn." Bij die woorden hield de oude scheinheilige op met mij te bestudeeren om beter het galante jongmensch op te nemen, dat tot haar sprak, en gefrappeerd door zijn haar niet onbekende trekken, zei ze:

"Ik heb een vaag idee u reeds meer gezien te hebben; help me dat eens ophelderen."--"Kuische Jacinta, ik ben er zeer door vereerd, dat ik uw aandacht getrokken heb. Ik ben reeds twee keer hier in huis geweest met mijn meester, den heer Manuel Ordonnez, administrateur van het hospitaal," "Ah, juist, nu herinner ik het mij en weet ik weer wie gij zijt. En daar ge bij den heer Ordonnez behoort, zult ge wel een goede, eerlijke jongen zijn. Uw betrekking strekt u tot eer en die jonge man zou geen betere aanbeveler kunnen hebben dan u. Kom", vervolgde zij, "ik zal u met den heer Sédillo laten praten."

Wij volgden juffrouw Jacinta en zagen den ouden podagrist in een leuningstoel gedoken, met een kussen onder zijn hoofd, kussens onder zijn armen en met zijn voeten op een groot donzen rustbed. Wij naderden hem zonder buigingen te sparen, en Fabricius steeds nog het woord voerende, stelde zich niet tevreden met alles te herhalen, wat hij aan de huishoudster gezegd had, maar begon mijn verdiensten te prijzen en hield vooral stil bij de eer, die ik bij den dokter Godinez behaald had met mijn redetwisten over philosophie, als ware het noodig een groot philosoof te zijn om knecht van een kanunnik te worden. Maar door den grooten lof, dien hij mij toezwaaide, verblindde hij toch de oogen van den domheer, die ook ziende dat ik juffrouw Jacinta niet ongevallig was, tot mijn aanbeveler zei: "Mijn vriend, ik zal hem, dien ge mij aanbeveelt in dienst nemen; hij lijkt me nog al en ik heb een goed denkbeeld van zijn zeden, daar hij mij door een knecht van den heer Ordonnez is voorgesteld."

Zoodra Fabricius zag, dat ik was aangenomen, maakte hij een diepe buiging voor den kanunnik, een nog diepere voor de huishoudster en trok zich toen zeer voldaan terug, na me nog zacht te hebben toegefluisterd dat we elkaar zouden terugzien en dat ik daar maar moest blijven. Nadat hij weg was, vroeg de domheer mij hoe ik heette, waarom ik mijn land verlaten had en noodzaakte mij zoodoende door zijn vragen in het bijzijn van juffrouw Jacinta mijn geschiedenis te vertellen. Ik vermaakte hen beiden vooral met het verhaal van mijn laatste avontuur. Camilla en don Raphaël brachten hem zoo aan het lachen dat het bijna het leven aan den ouden podagrist koste; terwijl hij uit alle macht lachte, overviel hem zoo'n zware hoestbui, dat ik dacht dat hij zou stikken. Hij had zijn testament nog niet gemaakt, dus denk eens of de huishoudster ontsteld was! Ik zag haar beven, geheel van streek te hulp snellen naar den ouden man en hem het voorhoofd wrijven en op den rug slaan, alles beginnende wat men doet om kinderen die hoesten bij te staan. Het was echter maar een valsch alarm; de grijsaard hield op met hoesten en zijn gouvernante met hem te plagen. Ik wilde toen mijn verhaal eindigen, maar juffrouw Jacinta, die een tweeden aanval vreesde, verzette zich daartegen. Zij bracht mij zelfs buiten de kamer van den kanunnik in een kleedkamer, waar tusschen verschillende andere kleedingstukken de rok van mijn voorganger hing. Zij deed mij hem er uit nemen en hing de mijne er voor in de plaats die ik graag wilde bewaren in de hoop, dat hij me later weer van dienst zou kunnen zijn. Daarna gingen wij beiden het eten klaarmaken.

Ik bleek niet onbekend te zijn met de kunst van koken. 't Is waar, ik had het gelukkig wat geleerd bij Leonarda, die voor een goede kookster zou kunnen doorgaan maar ze was niet te vergelijken bij juffrouw Jacinta. Deze overtrof misschien zelfs den kok van den aartsbisschop van Toledo. Zij muntte in alles uit. Men vond haar kreeftensoep overheerlijk, zoo goed als zij het sap der verschillende vleezen wist te kiezen en te vermengen; en haar gehakt wist zij zoo te kruiden dat het een genot voor den smaak was. Toen het middagmaal gereed was, gingen we terug naar de kamer van den kanunnik en terwijl ik de tafel dekte, schoof de huishoudster den grijsaard een servet onder den kin en hechtte het op zijn schouders vast. Een oogenblik later diende ik een soep op, die men aan den lastigsten directeur van Madrid had kunnen voorzetten, en daarna twee voorgerechten, die den zinnelijken smaak van een onderkoning zouden geprikkeld hebben, indien juffrouw Jacinta er niet de kruiderijen zoo in gespaard had uit angst dat deze het podagra van den domheer zou verergeren. Op het gezicht van dezen goeden schotel toonde mijn oude meester, dien ik verlamd aan alle ledematen dacht, dat hij nog niet volkomen het gebruik van zijn armen had verloren. Hij bediende zich van die ledematen om zich van hoofd- en andere kussens te ontdoen en hield zich toen vroolijk gereed om met eten te beginnen. Hoewel zijn hand beefde, weigerde ze toch niet haar dienst; hij deed haar nog al los heen en weer gaan, maar toch zóó, dat de helft van hetgeen hij naar zijn mond bracht op het tafelkleed en het servet terecht kwam.

Toen hij genoeg van de kreeftesoep had, nam ik deze weg en bracht een patrijs, geflankeerd door twee gebraden kwartels, die juffrouw Jacinta voor hem stuk sneed. Zij droeg ook zorg hem van tijd tot tijd groote slokken versneden wijn te laten drinken uit een grooten diepen kroes van zilver, dien ze hem voorhield als aan een kind van 15 maanden. Hij viel met grooten eetlust op de voorgerechten aan en bewees niet minder eer aan de fijne vogeltjes. Toen hij zich goed had volgestopt, deed de kwezel hem zijn servet af en gaf hem weer zijn noodige kussens; daarna lieten wij hem in zijn leuningstoel zoetjes de rust genieten, die men gewoonlijk na het middagmaal neemt, en ruimden de tafel af, waarna we op onzen beurt gingen eten.

Op deze wijze at nu onze kanunnik, die misschien een der grootste eters van het kapittel was, elken dag. Maar zijn souper was lichter; hij stelde zich dan tevreden met een kippetje of een konijn, met de een of andere vruchtencompôte. Ik leefde daar heerlijk in dat huis en ik leidde er een rustig leventje. Slechts een ding vond ik onpleizierig, nl. dat ik 's nachts bij mijn meester moest waken en hem als een verpleger oppassen. Behalve een aandrang van urine, die hem noodzaakte zijn kamerpot tien keer per uur te vragen, was hij nog onderhevig aan zweten en wanneer dat hem overviel moest men hem een ander hemd aantrekken. Den tweeden nacht, dat ik bij hem was, zei hij opeens tot mij: "Gil Blas, ge zijt handig en ijverig; ik voorzie dat je me van veel dienst zult zijn. Ik wilde je dan ook alleen maar aanbevelen gewillig tegenover juffrouw Jacinta te zijn en gedwee alles te doen, wat ze je vraagt alsof ik het je zelf zou bevelen; 't is een meisje, dat me al vijftien jaar bedient met een bijzonderen ijver; ze heeft zooveel zorg voor mij, dat ik er haar niet genoeg dankbaar voor kan zijn. Daarom ook, moet ik je bekennen, is zij mij dierbaarder dan mijn geheele familie. Om harentwille heb ik mijn neef, den zoon van mijn eigen zuster hier weggejaagd, en ik heb daaraan goed gedaan. Hij had in het geheel geen achting voor dat arme meisje en verre van recht te doen wedervaren aan haar oprechte toewijding voor mij, noemde de onbeschaamde haar een valsche femelaarster, want tegenwoordig schijnt de deugd slechts schijnheiligheid aan de jongelieden. Den hemel zij dank, heb ik me van dien deugniet ontslagen. Ik verkies de genegenheid, die men mij betoont, boven de rechten van het bloed, en ik laat me slechts innemen door de goedheid, die men mij bewijst."--"Gij hebt gelijk mijnheer," antwoordde ik, "de dankbaarheid moet meer kracht over ons hebben dan de wetten der natuur."--"Ongetwijfeld en mijn testament zal wel toonen, dat ik me al heel weinig om mijn bloedverwanten bekommer. Mijn huishoudster zal er een goed deel van hebben en gij zult er niet in vergeten worden, indien ge voortgaat met mij te bedienen zooals ge begonnen zijt. De knecht, dien ik gisteren de deur heb gewezen, heeft door eigen schuld een goed legaat verloren. Indien die kerel mij niet door zijn gedrag genoodzaakt had hem zijn ontslag te geven, dan zou ik hem rijk hebben gemaakt; maar hij was een hoogmoedige, die geen respect toonde voor juffrouw Jacinta, een luiaard, die bang voor moeite was. Hij bleef niet graag waken en het was voor hem een vermoeienis de nachten door te brengen met me bij te staan." "De ongelukkige," riep ik uit als had de geest van Fabricius mij geïnspireerd, "hij verdiende niet bij zoo'n fatsoenlijk man als u te wezen. Een jongen, die het geluk heeft u toe te behooren, moet een onvermoeiden ijver bezitten; hij moet zich zijn plicht tot een genoegen maken en niet denken dat hij genoeg werkt, zelfs al zweet hij water en bloed voor u."