De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 6

Chapter 64,101 wordsPublic domain

"Beter is het een uitdrager te halen; hij kan u ineens een keuze van kleeren meebrengen, zoodat ge oogenblikkelijk gekleed zijt," antwoordde hij. Ik vond dien raad zeer juist en besloot hem op te volgen, maar, daar de dag bijna ten einde was, stelde ik mijn inkoop uit tot den volgenden morgen en mijn gedachten waren slechts gericht op een goed avondmaal, om me schadeloos te stellen voor al de slechte maaltijden, die ik sinds het verlaten van het hol gekregen had.

HOOFDSTUK XV

Op welke wijze Gil Blas zich kleedde van het nieuwe geschenk, dat hij van de dame ontving en in welke equipage hij Burgos verliet.

Men zette mij een flinke fricassée van schapenpootjes voor, die ik bijna geheel verorberde. Ik dronk naar evenredigheid en ging daarna slapen. Ik had een vrij goed bed en hoopte, dat spoedig een diepe slaap zich van mijn zinnen zou meester maken. Ik kon echter geen oog dicht doen; ik deed niets dan aan de kleeding denken, die ik nemen moest. "Wat moet ik doen," zei ik tot mezelf, "zal ik mijn eerste plan volgen? Zal ik een priesterkleed koopen om in Salamanka een betrekking als onderwijzer te zoeken? Waarom me in een ambtsgewaad gestoken? Voel ik soms roeping me in den geestelijken staat te begeven? Word ik daar door mijn neiging toe gedreven? Neen, ik gevoel zelfs neigingen, die geheel het tegenovergestelde zijn van dat lot. Ik wil een zwaard dragen en zien mijn fortuin in de wereld te maken."

Ik besloot tot de kleeding van een ridder, overtuigd dat ik onder dien vorm er wel in zou slagen een nette en winstgevende betrekking te krijgen. Met deze vleiende gedachte wachtte ik het aanbreken van den dag met groot ongeduld af, en nauwelijks zagen mijn oogen de eerste lichtstralen, of ik stond op. Ik maakte zooveel leven, dat ik allen die nog sliepen, wakker maakte. Ik riep de knechts, die nog te bed waren en die op mijn geroep met verwenschingen antwoordden. Toch waren ze genoodzaakt op te staan en ik gunde hun geen rust voor ze een uitdrager hadden laten komen. Ik zag er weldra een verschijnen. Hij werd door twee jongens gevolgd, die ieder een groot pak van groen linnen droegen. Hij groette me zeer beleefd en zei: "Heer ridder, ge kunt u gelukkig noemen dat men zich tot mij gewend heeft inplaats van tot een ander. Ik wil hier niet mijn collega's in miscrediet brengen, God behoede dat ik in het minst hun reputatie schade wil doen! maar onder ons gezegd, er is onder hen niet een, die er een geweten op na houdt; ze zijn allen nog erger dan joden. Ik ben de eenige kleerkooper, die er een moraal op nahoudt. Ik bepaal me tot een bescheiden winst, ik ben tevreden met een pond inplaats van een stuiver.... ik wil zeggen een stuiver inplaats van een pond. Goddank oefen ik mijn beroep op eerlijke wijze uit."

Na deze inleiding, die ik dom genoeg, woordelijk geloofde, zei de uitdrager tot zijn jongens de pakken open te maken. Men toonde me kleedingstukken van allerlei kleur. Hij liet er mij verschillende van effen kleur zien, die ik echter met minachting afwees, omdat ik ze te eenvoudig vond, maar ze lieten me er een passen, dat als voor mijn figuur gemaakt scheen, en dat me verblindde, hoewel het al een weinig versleten was. 't Was een wambuis met opengesneden mouwen, een broek en een mantel, alles van blauw fluweel met goud bestikt. Ik bepaalde mijn keuze daarop en begon te onderhandelen. De uitdrager, ziende dat het mij beviel, zei dat ik een zeer gedistingeerden smaak had. "Bij God," riep hij uit, "men ziet wel, dat u er verstand van hebt. Weet, dat dit kleed vervaardigd is voor een der grootste heeren van het koninkrijk en dat het nog geen drie keer is gedragen. Bekijk het eens, er bestaat geen mooier, en wat het borduursel betreft, zult ge moeten toestemmen, dat niets beter bewerkt kon zijn." "Voor hoeveel wilt gij het verkoopen?" vroeg ik hem. "Voor zestig dukaten, waarvoor ik het reeds geweigerd heb te verkoopen, op mijn woord van eerlijk man." Die zinsnede was overtuigend. Ik bood er hem vijf-en-veertig voor, hoewel het misschien nog niet de helft waard was. "Heer edelman, ik overvraag niet; ik vraag slechts ervoor, wat het waard is," hernam hij op koelen toon. Daarna mij de kleedingstukken voorhoudende, die ik terzijde had gelegd, ging hij voort: "Ziehier, neem deze, die zal ik u goedkooper geven." Dat wakkerde slechts de voorliefde aan voor dat, waarop ik afdong, en daar ik mij verbeeldde, dat hij niets zou willen afslaan, telde ik hem de zestig dukaten voor. Toen hij zag, dat ik ze zoo gemakkelijk afstond, had hij, geloof ik, niettegenstaande zijn moraliteitsgevoel, groote spijt niet meer te hebben gevraagd. Zeer tevreden echter, dat hij het pond voor den stuiver genomen had, ging hij weg met zijn twee jongens, die ik niet had vergeten.

Ik had dus een zeer netten mantel, wambuis en broek. Nu was het zaak aan de rest der kleeding te gaan denken, wat mij den geheelen morgen bezig hield; ik kocht linnengoed, een hoed, zijden kousen, schoenen en een zwaard, daarna kleedde ik me aan. Wat een genoegen voor mij, me zoo uitgedoscht te zien! Mijn oogen konden zich, om zoo te zeggen, niet genoeg verlustigen aan mijn opschik. Nooit heeft een pauw met meer welgevallen naar zijn vedertooi gekeken. Na dien dag maakte ik nog een tweede visite bij dona Mencia, die me zeer lief ontving. Zij bedankte mij nogmaals voor den dienst, dien ik haar had bewezen. Daarop volgden veel complimenten van weerszijden en me toen veel voorspoed wenschende, zei ze mij vaarwel en trok zich terug, zonder me iets anders te geven dan een ring van dertig pistolen, die ze mij verzocht als aandenken aan haar te bewaren.

Ik bleef vrij beteuterd met mijn ring staan, want ik had op een veel aanzienlijker geschenk gerekend, zoodat ik, weinig tevreden over de edelmoedigheid der dame, mijn logement bereikte, steeds in gedachten verdiept, maar terwijl ik naar binnen ging, werd ik op den voet gevolgd door een man, die, zich plotseling van zijn mantel ontdoende, die hij tot over zijn neus getrokken had, me een grooten zak liet zien, dien hij onder zijn arm droeg. Bij de verschijning van dien zak, die er alleszins naar uitzag goed gevuld met specie te zijn, zette ik groote oogen op, evenals nog enkele menschen, die daar tegenwoordig waren; en ik dacht de stem van een engel te hooren, toen die man, den zak op tafel leggende, tot mij zei: "Heer Gil Blas, ziedaar wat mevrouw de markiezin u zendt." Ik maakte diepe buigingen voor den brenger en overlaadde hem met beleefdheden; en zoodra hij het logement verlaten had, wierp ik mij op den zak, als een valk op zijn prooi en bracht hem naar mijn kamer. Ik opende hem zonder verwijl en vond er duizend dukaten in. Ik was bijna klaar met tellen, toen de waard, die de woorden van den brenger gehoord had, binnentrad om te weten wat er in dien zak was. Het gezicht van al dat geld op de tafel, trof hem hevig,

"Wat duivel! als daar maar geld ligt!" riep hij uit. Daarop vervolgde hij met een sluwen glimlach: "Gij moet toch maar goed partij van de vrouwen weten te trekken. Nauwelijks vierentwintig uur in Burgos, hebt gij reeds markiezinnen, die u schatplichtig zijn."

Die redeneering viel wel in mijn smaak; ik voelde de verleiding Majuelo bij zijn vergissing te laten; ik voelde, dat het mij genoegen deed. 't Verwondert me niet als jongelieden willen doorgaan voor mannen van een gelukkig gesternte. De onschuld mijner zeden behaalde echter de overwinning op mijn ijdelheid, zoodat ik mijn waard uit zijn waan bracht. Ik vertelde hem de geschiedenis van dona Mencia, waarnaar hij aandachtig luisterde. Daarna vertelde ik hem den stand van zaken en daar hij belang in mij scheen te stellen, verzocht ik hem mij met zijn raad ter zijde te willen staan. Hij dacht eenige oogenblikken na en zei toen op ernstigen toon: "Heer Gil Blas, ik gevoel me tot u aangetrokken en daar ge voldoende vertrouwen in mij stelt om openhartig met mij te spreken, zal ik u zonder vleierij vertellen, waar ik u geschikt voor acht. Gij schijnt mij geboren om aan het hof te verkeeren, ik raad u aan daarheen te gaan en u bij den een of anderen voornamen heer aan te sluiten; maar tracht u in zijn zaken te mengen of in zijn genoegens te deelen; anders zoudt ge uw tijd bij hem verbeuzelen. Ik ken de grooten: zij tellen niet den ijver en aanhankelijkheid van een eerlijk man; zij bemoeien zich slechts met de menschen, die ze noodig hebben. Gij hebt nu een hulpbron, gij zijt jong, welgemaakt en zelfs al hadt gij geen geestesgaven, dan zou dat meer dan voldoende zijn om het hoofd op hol te brengen van eene rijke weduwe of van eene mooie vrouw, die ongelukkig getrouwd is. Indien het waar is, dat de liefde mannen, die geld bezitten, ruïneert, dan helpt zij aan den anderen kant er boven op, die niets meer hebben. Ik zou u dus den raad geven naar Madrid te gaan; maar ge moet u daar niet zonder gevolg vertoonen. Daar, evenals overal, oordeelt men slechts naar den uitwendigen schijn en zult ge meer in tel zijn naarmate den zwier, dien men u ziet slaan. Ik zal u een bediende geven, een trouwen knecht, een braven jongen, in één woord een man van mijn hand. Koop twee muilezels, den een voor u, den andere voor hem, en vertrek dan zoo gauw mogelijk."

Die raad was te zeer naar mijn zin, om hem niet op te volgen. Reeds den volgenden morgen kocht ik twee jonge muilezels en nam den bediende in dienst, dien men mij had aanbevolen. Hij was een jongen van dertig jaar, die er eenvoudig en vroom uitzag. Hij vertelde me, dat hij uit het koninkrijk Galicië was en dat hij Ambrosius de Lamela heette. Wat me vreemd leek, was, dat, inplaats van op andere bedienden te gelijken, die gewoonlijk zooveel loon willen hebben, deze zich er niet om bekommerde een hoog loon te verdienen; hij betuigde mij zelfs dat hij iemand was, die zich tevreden stelde met wat ik de goedheid wilde hebben hem te geven. Ik kocht ook laarzen en een valies om mijn linnengoed en mijn dukaten in weg te bergen. Daarna voldeed ik den logementhouder en vertrok den volgenden morgen eer de dag aanbrak uit Burgos om naar Madrid te gaan.

HOOFDSTUK XVI

Waarin wordt aangetoond, dat men niet te veel op de fortuin moet vertrouwen.

Den eersten dag overnachtten we in Duenas en wij kwamen den volgenden dag tegen vier uur 's namiddags te Valladolid aan. Wij stapten aan een logement af, dat een der besten der stad scheen. Ik liet de zorg voor de muilezels aan mijn bediende over en ging naar boven naar een kamer, waar ik mijn valies door een jongen van het logement liet brengen. Daar ik me een weinig vermoeid gevoelde, wierp ik me op mijn bed zonder mij van mijn laarzen te ontdoen en ik viel ongemerkt in slaap. 't Was bijna nacht toen ik ontwaakte: ik riep Ambrosius, die echter niet in het logement was, maar er toch weldra verscheen. Ik vroeg hem waar hij vandaan kwam, waarop hij me met een vroom gezicht antwoordde, dat hij uit de kerk kwam, waar hij den hemel was gaan dank zeggen, ons bewaard te hebben voor eenig ongeval van Burgos af tot Valladolid. Ik keurde die handelwijze goed; daarna gebood ik hem een kippetje voor mijn souper aan het spit te laten steken.

Terwijl ik hem dit bevel gaf, trad de waard mijn kamer binnen met een toorts in de hand. Hij verlichtte eene dame, die me eer schoon dan jong toescheen en die zeer rijk gekleed was.

Zij leunde op den arm van een ouden stalmeester, terwijl een kleine Moor haar sleep droeg. Ik was niet weinig verwonderd, toen die dame na eene diepe buiging mij vroeg of ik ook soms de heer Gil Blas de Santillano was. Nauwelijks had ik ja gezegd, of zij liet den arm van den stalmeester los om me te komen omhelzen met een vreugdebetoon, dat mijne verbazing verdubbelde. "De hemel zij dank voor dit avontuur," riep zij uit. "U bent het, heer ridder, u bent het, dien ik zoek."

Bij deze inleiding kwam mij de parasiet van Pegnaflor in de gedachte en ik wilde juist de dame verdenken van eene ondernemende avonturierster te zijn, toen hetgeen zij mij verder vertelde, me gunstiger voor haar stemde. "Ik ben een nicht van dona Mencia de Mosquera," vervolgde zij, "van haar die u zooveel verschuldigd is. Vanmorgen heb ik een brief van haar ontvangen, waarin ze mij vroeg, vernomen hebbende dat gij naar Madrid waart vertrokken, of ik u goed wilde onthalen, indien gij hier stilhield. Reeds twee uur zoek ik de geheele stad door, van logement tot logement, om naar de vreemdelingen te informeeren, die daar afgestapt zijn en naar de beschrijving, die uw hotelhouder gaf, heb ik gedacht, dat gij wel de bevrijder van mijn nicht zoudt kunnen wezen. En nu ik u gevonden heb, zal ik u toonen hoe gevoelig ik ben voor de diensten, die gij aan mijn familie en in het bijzonder mijn lieve nicht bewezen hebt. Van dit oogenblik af moet ge, indien gij het toestaat, bij mij komen logeeren, gij zult dan beter op uw gemak zijn dan hier."

Ik wilde mij daartegen verzetten door de dame voor te werpen dat ik haar tot last zou kunnen zijn, maar het was niet mogelijk aan haar aandringen te ontkomen. Voor de deur van het logement stond een rijtuig voor ons klaar. Zijzelf zorgde ervoor, dat mijn valies erin werd gebracht, omdat er, zooals zij zeide, zooveel oplichters in Valladolid waren, hetgeen maar al te waar was. Eindelijk steeg ik in de koets met haar en met haar ouden stalmeester en ik liet me op die manier uit het logement halen tot groot misnoegen van den waard, die zich daardoor beroofd zag van de uitgaven, die ik, naar hij gerekend had, bij hem zou doen met de dame, den stalmeester en den kleinen Moor.

Nadat onze koets eenigen tijd had voortgereden, hield hij stil. Wij stegen er uit om een vrij groot huis binnen te gaan en gingen naar boven naar een appartement dat er netjes uitzag en verlicht werd door twintig of dertig kaarsen. Er waren daar verschillende bedienden, aan wie de dame vroeg of don Raphaël reeds was aangekomen, waarop het antwoord ontkennend luidde. Daarna zich tot mij richtende, sprak zij: "Heer Gil Blas, ik wacht mijn broeder, die vanavond terug moet komen van een kasteel, dat we twee mijlen hier vandaan bezitten. Wat een aangename verrassing zal het voor hem zijn als hij in zijn huis een man zal aantreffen, aan wien onze geheele familie zooveel verschuldigd is!" Op hetzelfde oogenblik dat zij die woorden sprak, hoorden we gerucht in huis en vernamen tegelijkertijd, dat dit veroorzaakt werd door de komst van don Raphaël. Die ridder verscheen spoedig voor ons. Ik zag een jongen man van schoone gestalte en gunstig uiterlijk. "Ik ben zeer blij met je terugkomst, lieve broer," zei de dame tot hem, "ge zult mij kunnen helpen om den heer Gil Blas de Santillano op waardige wijze te ontvangen. Wij kunnen niet genoeg dankbaar zijn voor alles, wat hij voor dona Mencia, onze bloedverwante, gedaan heeft. Ziehier," voegde zij er aan toe, hem een brief voorhoudende, "lees wat zij ons schrijft." Don Raphaël opende het biljet en las hardop de volgende woorden: "Lieve Camilla, de heer Gil Blas de Santillano, die mijn eer en mijn leven gered heeft, is zoo juist op weg naar het hof vertrokken. Ongetwijfeld zal hij Valladolid passeeren. Ik bezweer u bij het bloed, en meer nog bij de vriendschap, die ons verbindt, hem hartelijk te ontvangen en eenigen tijd bij u te houden. Ik vlei me, dat ge aan mijn verzoek zult voldoen en dat mijn bevrijder bij u en bij don Raphaël, mijn neef, een goede gastvrijheid zal ondervinden. Uwe liefhebbende nicht Dona Mencia te Burgos."

"Wat!" riep don Raphaël na de lezing van dezen brief uit, "dankt mijn nicht aan dezen ridder haar eer en leven? Den hemel zij geprezen voor deze gelukkige ontmoeting." Dit zeggende naderde hij mij en mij in zijn armen sluitend, vervolgde hij: "Wat een geluk voor mij hier den edelman Gil Blas de Santillano te zien! 't Was overbodig, dat onze nicht de markiezin ons aanbeval u goed te onthalen; zij had ons slechts behoeven te melden, dat gij Valladolid zoudt passeeren; dat was voldoende geweest. Wij weten zeer goed, mijn zuster Camilla en ik, hoe men met een man moet omgaan, die den grootsten dienst ter wereld bewezen heeft aan een lid uit onze familie, dat we het teederst beminnen." Zoo goed mogelijk antwoordde ik op deze ontboezemingen, die nog door vele dergelijke gevolgd werden en door duizend omhelzingen werden afgebroken. Daarna bemerkende, dat ik mijn laarzen nog aan had, liet hij ze mij door zijn bedienden uittrekken.

Vervolgens begaven we ons naar een kamer, waar men gedekt had. Wij zetten ons aan tafel, de ridder, de dame en ik. Gedurende het souper zeiden zij mij nog herhaaldelijk vriendelijke dingen. Niet een woord kon ik zeggen, dat ze niet aanhaalden als een bewonderenswaardige geestigheid en men had de attentie moeten zien, die ze voor mij hadden om me van alle gerechten te bedienen. Don Raphaël dronk dikwijls op de gezondheid van dona Mencia. Ik volgde zijn voorbeeld; tusschenbeide leek het mij of Camilla, die met ons klonk, me veelbeteekenende blikken toewierp. Ik meende zelfs op te merken, of ze slechts geschikte oogenblikken daarvoor koos, alsof ze vreesde dat haar broeder het zou bemerken. Er was niet meer noodig om mij te overtuigen, dat de dame verliefd op mij was en ik vleide me van deze ontdekking te profiteeren voor zoolang ik tenminste in Valladolid bleef. Die hoop was oorzaak, dat ik zonder moeite aan hun verzoek gevolg gaf, eenige dagen bij hen te blijven. Zij bedankten mij voor mijne welwillendheid, en de vreugde, die Camilla betuigde, versterkte mij in mijn overtuiging, dat ze mij zeer naar haar zin vond.

Don Raphaël, ziende dat ik besloten had eenigen tijd bij hem door te brengen, stelde me voor mij mee te nemen naar zijn kasteel. Hij gaf er mij eene prachtige beschrijving van en spiegelde mij de genoegens voor, die hij beweerde mij te zullen laten genieten. "Nu eens zullen we op jacht gaan, dan weer ons met visschen bezig houden, en indien ge van wandelen houdt, hebben we daartoe heerlijke bosschen en tuinen," begon hij en ging voort: "Trouwens we zullen prettig gezelschap hebben en ik hoop, dat ge u niet zult vervelen." Ik nam zijn voorstel aan en er werd besloten dat we reeds den volgenden dag naar het mooie kasteel zouden gaan. Nadat we dit prettige plan gevormd hadden, stonden we van tafel op. Hij omhelsde mij en zei toen: "Heer Gil Blas, ik laat u nu aan mijn zuster over, want ik ga dadelijk de noodige bevelen geven en de lieden waarschuwen, die van de partij zullen zijn." Bij deze woorden verliet hij de kamer en ik zette het gesprek voort met de dame, die door haar praten de teedere oogwenken, die ze mij had toegeworpen, niet logenstrafte. Zij maakte zich van mijn hand meester en mijn ring bekijkende, zei ze: "Gij hebt daar een vrij aardigen diamant, maar hij is wel klein. Hebt gij verstand van edelgesteenten?" Ik antwoordde van neen. "Dat spijt me," hernam ze, "want ik had u willen vragen wat deze waard was." Inmiddels toonde ze mij een grooten robijn aan haar vinger en toen ik dezen bekeek, zei ze: "Een oom van mij, die gouverneur is geweest op de bezittingen, die de Spanjaarden op de Philippijnen hebben, heeft me dezen steen geschonken. De juweliers van Valladolid schatten hem op driehonderd pistolen."--"Dat geloof ik best, want ik vind hem prachtig," antwoordde ik.--"Omdat hij u bevalt, wil ik een ruil met u doen." Daarop nam ze mijn ring en deed den hare aan mijn pink. Na dien ruil, die mij een kiesche wijze van een geschenk geven toescheen, drukte Camilla mij de hand en keek me teeder aan, daarop plotseling de stilte verbrekende, wenschte ze mij eensklaps goeden nacht en trok zich heel verlegen terug, als was zij beschaamd om mij haar gevoelens te doen blijken.

Hoewel ik nog heel onnoozel op het punt van liefde was, begreep ik toch, dat die plotselinge verwarring zeer vleiend voor mij was en ik dacht er over, dat ik den tijd buiten niet slecht behoefde door te brengen. Vol van die vleiende gedachte en van den schitterenden stand van mijn zaken, sloot ik me op in mijn slaapkamer, na aan mijn bediende bevolen te hebben mij den volgenden morgen vroeg te wekken. Inplaats van aan slapen te denken, gaf ik me aan allerlei aangename gedachten over, die me geïnspireerd werden door mijn valies, dat op tafel lag en mijn robijn. "De hemel zij dank," dacht ik, "indien ik ongelukkig ben geweest, dan ben ik het nu toch niet meer. Aan den eenen kant duizend dukaten en aan den anderen een ring van driehonderd pistolen, daarmee ben ik voor langen tijd onder dak. Majuelo heeft me niet overschat, dat zie ik wel; ik zal duizenden vrouwen in Madrid het hart doen verliezen, nu ik zoo gemakkelijk Camilla vervoerd heb." De goedheden van die edelmoedige dame kwamen mij toen voor den geest, met al hun aantrekkelijkheid en bij voorbaat genoot ik reeds van de genoegens, die don Raphaël me op zijn landgoed zou bereiden. Doch niettegenstaande al die beelden van genot, kwam de slaap zijn vleugels over mij uitspreiden. Zoo gauw ik me onder zeil voelde gaan, kleedde ik me vlug uit en ging slapen.

Toen ik den volgenden morgen wakker werd, bemerkte ik, dat het al te laat was. Ik was heel verwonderd mijn knecht nog niet te zien verschijnen, zooals hij van mij bevel had gekregen. Maar ik dacht bij mezelf: mijn trouwe Ambrosius is naar de kerk gegaan of wel hij is vandaag erg lui. Maar weldra maakte die gedachte over hem plaats voor een meer ongunstige, want toen ik was opgestaan, zag ik mijn valies niet meer, zoodat ik hem ervan verdacht, het gedurende den nacht te hebben gestolen. Om mijn vermoedens tot klaarheid te brengen, deed ik mijn kamerdeur open en riep den schijnheilige verscheidene keeren. De stem van een ouden man antwoordde: "Wat wenscht gij, heer? Al uw lieden hebben vóór het aanbreken van den dag mijn huis verlaten." "Wat zegt gij, uw huis, ben ik dan niet bij don Raphaël?" riep ik uit. "Ik weet niet wie die mijnheer is," antwoordde de oude, "maar gij zijt in een gemeubileerd huis en ik ben de eigenaar ervan. Gisterenavond, een uur voor uw aankomst kwam de dame, die met u gesoupeerd heeft, hier om appartementen te bestellen voor een voornaam heer, die incognito reisde. Zij heeft me zelfs vooruit betaald."

Toen begreep ik waar ik aan toe was. Ik wist nu wat ik moest denken van Camilla en don Raphaël en ik begreep, dat mijn knecht, die volkomen op de hoogte van mijn zaken was, mij aan die schurken had overgeleverd. Inplaats van dat treurig ongeval slechts aan mijzelf te wijten en er aan te denken, dat het mij niet zou zijn overkomen indien ik niet de domheid had begaan zonder reden alles aan Majuelo te vertellen, gaf ik de schuld aan het onschuldige lot en vervloekte honderd maal mijn planeet. De eigenaar van het hotel, wien ik het avontuur, dat hij misschien even goed kende als ik, vertelde, toonde zich met mijn lot begaan. Hij beklaagde me, en betuigde mij, dat het hem zoo'n leed deed, dat dit alles in zijn huis had plaats gevonden, maar ik geloof dat hem niet minder het deel in dien schurkenstreek toekwam, dan aan mijn gastheer in Burgos, aan wien ik later altijd de eer van die uitvinding heb toegeschreven.

HOOFDSTUK XVII

Welke partij Gil Blas koos na het avontuur in het gemeubileerde huis.

Toen ik, heel nutteloos, lang genoeg mijn ongeluk beweend had, maakte ik bij me zelf de opmerking, dat, inplaats van aan mijn verdriet toe te geven, ik mij liever tegen mijn noodlot moest harden. Ik riep al mijn moed te hulp en om mij te troosten, zei ik tot mijzelf bij het aankleeden: