De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 5

Chapter 54,154 wordsPublic domain

Hij zeide mij nog vele dergelijke dingen, maar hoe meer hij zich van mijn geluk scheen te willen scheiden, hoe minder ik genegen was er in toe te stemmen. Toen hij mij vastbesloten zag hem te volgen, veranderde hij eensklaps. "Mevrouw", zeide hij, "is het mogelijk dat gij mij nog genoeg bemint om de ellende te verkiezen boven den welstand van thans? Laat ons dan in Bétancos gaan wonen, in het rijk van Galicië, daar ben ik veilig. Al zijn mij al mijne goederen ontnomen, toch heb ik mijne vrienden nog niet verloren; er zijn nog getrouwen overgebleven die mij in staat hebben gesteld u te ontvoeren. Ik heb een karos laten komen naar Zamara, heb ezels en paarden gekocht en ben vergezeld van drie vastberaden Galiciërs. Laat ons van de afwezigheid van don Ambrosis profiteeren; ik zal de karos laten voorrijden en wij vertrekken onmiddellijk." Ik stemde toe. Don Alvares snelde naar Zamara, kwam binnenkort terug met zijne drie ruiters en ontvoerde mij te midden mijner vrouwen, die niet wetend wat te denken van deze ontvoering, verschrikt vluchtten. Alleen Inès wist er alles van, doch zij weigerde haar lot aan het mijne te verbinden, daar zij een kamerdienaar van Don Ambrosius liefhad, wat wel bewijst dat de gehechtheid van onze getrouwste bedienden niet bestand is tegen de liefde.

Ik steeg dus met don Alvarez in den karos, nam alleen mijne kleederen mee en eenige juweelen, die ik voor mijn tweede huwelijk reeds bezat. Wij reisden twee dagen en nachten door om niet door Ambrosius en zijne lieden te worden achterhaald en ontmoetten niemand. Reeds waren wij geruster en hoopten dat de derde dag eveneens zoo zou voorbijgaan. Don Alvarez vertelde mij het treurig ongeval dat aanleiding had gegeven tot het gerucht van zijn dood en hoe hij na vijf jaren slavernij de vrijheid had herkregen, toen wij gisteren de dieven ontmoetten, waar gij bij waart. Hem met zijne lieden hebben zij gedood en om hem zijn de tranen, die ge mij ziet weenen.

HOOFDSTUK XII

Op welke onaangename wijze Gil Blas en de dame werden gestoord.

Na dit verhaal barstte donna Mencia in tranen uit. Verre van haar te willen troosten door gesprekken in den geest van Seneca, liet ik haar den vrijen loop geven aan haar verdriet; ik schreide zelf ook, zoo natuurlijk is het dat men meegevoelt met de ongelukkigen en vooral met eene bedroefde schoone. Ik wilde haar juist vragen welke houding zij dacht aan te nemen in den toestand, waarin zij zich bevond en wellicht zou ze mij daarover hebben geraadpleegd, indien ons onderhoud niet ware onderbroken; we hoorden in het logement zooveel leven, dat dit onwillekeurig onze aandacht trok.

Dit gerucht werd veroorzaakt door de komst van den baljuw, gevolgd door twee gerechtsdienaars en verscheidene boogschutters. Ze traden de kamer binnen, waar wij ons bevonden. Een jongeman, die hen vergezelde, kwam het eerst op mij toe en begon van nabij mijn kleeding te monsteren. Hij had niet veel tijd noodig haar te bekijken. "Bij Sint Jacob!" riep hij uit, "ziedaar mijn wambuis; het is even gemakkelijk te herkennen als mijn paard. Gij kunt dien vent op mijn woord gevangen nemen; ik ben er niet bang voor mij aan een herstelling van zijn eer bloot te stellen; ik ben er van overtuigd, dat het een der roovers is, die hier een onbekende schuilplaats hebben."

Bij dit gesprek, waardoor ik vernam dat die jonge man de bestolen edelman was, van wien ik ongelukkigerwijze de geheele plunje aan had, bleef ik verstomd, verlegen en uit het veld geslagen staan. De baljuw, die door zijn ambt uit mijn verlegenheid eerder eene slechte gevolgtrekking moest afleiden dan een goede, vond dat de beschuldiging niet zonder grond was; en veronderstellende, dat de dame eene medeplichtige kon zijn, liet hij ons beiden afzonderlijk gevangen zetten. Die rechter was niet een dergenen, die schrik aanjagen door hun uiterlijk: hij zag er zacht en lachend uit. God weet, of hij daarom beter was! Zoodra ik in de gevangenis zat, kwam hij er ook met zijn twee fretten, d. w. z. zijn gerechtdienaars; zij kwamen met een vroolijk gezicht binnen als hadden zij er een voorgevoel van, dat zij goede zaken gingen doen. Zij vergaten hun goede gewoonte niet en begonnen met me te fouilleeren. Wat een buitenkansje voor die heeren; zij hadden misschien nog nooit zoo 'n goeden slag geslagen. Bij elke handvol geldstukken, die ze te voorschijn haalden, zag ik hun oogen van vreugde schitteren. Vooral de baljuw scheen buiten zichzelf. "Mijn jongen," zij hij tot me op een toon vol zachtzinnigheid, "wij doen onzen plicht; maar vrees niet, indien ge niet schuldig zijt, zal men u geen kwaad doen," Ondertusschen ledigden ze zachtjesaan al mijn zakken en namen me zelfs af, wat de roovers me gelaten hadden, nl. de veertig dukaten van mijn oom. Maar daar bleef het niet bij: hun gretige, onvermoeide handen betastten me van het hoofd tot de voeten; ze draaiden mij naar alle kanten en ontkleedden me geheel om te zien of ik geen geld onder mijn hemd had zitten. Ik geloof, dat ze me graag mijn buik hadden geopend om te zien of daar niets meer in was. Nadat ze zich zoo goed van hun taak gekweten hadden, ondervroeg de baljuw mij. Ik vertelde onomwonden alles wat mij was overkomen. Hij liet mijn verklaring opschrijven; daarna vertrok hij met zijn lieden en mijn geld en liet me spiernaakt op het stroo achter.

"O menschenleven!" riep ik uit, toen ik me alleen en in dien toestand zag, "wat zijt ge vervuld van vreemde avonturen en teleurstellingen! Van dat ik uit Oviédo ben gegaan, ondervind ik slechts tegenspoeden: nauwelijks ben ik aan het eene gevaar ontsnapt of ik val in een ander. Toen ik in deze stad kwam, dacht ik niet, dat ik zoo spoedig kennis met den baljuw zou maken." Terwijl ik deze nuttelooze beschouwingen hield, deed ik dat vervloekt wambuis en de rest der kleeding, die me zooveel ongeluk had gebracht, weer aan; daarna zei ik tot mezelf om me moed in te spreken: "Kom, Gil Blas, wees ferm, denk er aan, dat na dezen tijd er wellicht een gelukkiger aanbreekt. Past het je wel in een gewone gevangenis te gaan wanhopen, na zoo 'n pijnlijke proef van geduld te hebben doorstaan in dat hol? Maar, helaas!" hernam ik droevig, "ik vergis me. Hoe zou ik hier kunnen uitkomen? Men heeft er me juist alle middelen toe ontnomen, daar een gevangene zonder geld, gelijk is aan een vogel, wiens vleugels men heeft afgeknipt."

Inplaats van den patrijs en het konijntje, die ik aan het spit had laten braden, bracht men mij een klein bruin brood met een kruik water, en men liet mij in mijn cel mijn leed verkroppen. Ik bleef er volle veertien dagen zonder iemand te zien, dan mijn cipier, die mij elken morgen mijn provisie kwam vernieuwen. Zoodra ik hem zag, begon ik tegen hem te spreken, ik trachtte een gesprek met hem te beginnen om me een beetje uit mijne verveling op te wekken; maar dat personnage gaf geen antwoord op al wat ik tot hem zei; 't was me niet mogelijk een enkel woord uit hem te krijgen; zelfs kwam en ging hij meestal weer zonder mij aan te zien. Den 16den dag kwam de baljuw en zei tot me: "Eindelijk, mijn vriend, zijn je rampen ten einde, ge kunt u verheugen; ik kom je een aangename tijding mededeelen! Ik heb de dame, die bij je was, naar Bargos laten brengen; voor haar vertrek heb ik haar ondervraagd en haar antwoorden zijn in je voordeel. Gij zult vandaag vrijgelaten worden, tenminste als de muilezeldrijver met wien ge van Pennaflor naar Cacabelos zijt gekomen, zooals ge me hebt gezegd, uwe verklaring bevestigt. Hij is in Astorga, ik hem om hem gestuurd en verwacht hem elk oogenblik; indien hij uw verhaal als waar verklaart, herkrijgt gij dadelijk uw vrijheid."

Deze woorden verheugden mij, want ik dacht van nu af buiten gevaar te zijn. Ik bedankte den rechter voor de korte en goede rechtvaardiging die hij mij wilde laten wedervaren; ternauwernood had ik uitgesproken of de muilezeldrijver trad binnen vergezeld van twee boogschutters. Ik herkende hem dadelijk; maar die beul van een muilezeldrijver, die ongetwijfeld mijn valies met den geheelen inhoud had verkocht, en die vreesde genoodzaakt te zijn het geld, dat hij ervoor ontvangen had, terug te moeten geven indien hij toegaf mij te herkennen, zei brutaalweg dat hij niet wist wie ik was en dat hij me nooit gezien had.

"O! schelm," riep ik uit, "beken liever dat je mijn armzalige kleeding hebt verkocht en vertel de waarheid. Kijk me goed aan, ik een der jongelieden, die ge bedreigdet met een gerechtelijk onderzoek in de buurt van Cacabelos en die ge zoo angstig maakte." De drijver antwoordde op kouden toon, dat ik van een voorval sprak, dat hij in 't geheel niet kende en daar hij tot het einde toe volhield dat ik hem onbekend was, werd mijn bevrijding tot een volgenden keer uitgesteld. "Mijn beste jongen," zei de baljuw, "ge ziet wel dat de ezeldrijver uwe verklaring niet bevestigt; ik kan je dus, hoe graag ook, nog niet in vrijheid stellen."

Er bleef dus niets anders over dan mij met nieuwen moed te wapenen, nogmaals te vasten met water en brood en den stilzwijgenden cipier weer te zien. Wanneer ik eraan dacht, dat ik me niet uit de klauwen der justitie kon redden, hoewel ik niet de minste misdaad had begaan, dan bracht die gedachte me tot wanhoop en betreurde ik het roovershol. Ik zei tot mezelf: "Goed beschouwd, had ik het daar minder onaangenaam dan hier; ik at en dronk er goed van met de roovers, onderhield me prettig met hen en leefde in de zoete hoop op ontvluchting; terwijl ik hier niettegenstaande mijn onschuld, misschien al gelukkig zal zijn als ik hieruit kom om naar de galeien te gaan."

HOOFDSTUK XIII

Door welk toeval Gil Blas eindelijk de gevangenis verlaat en waar hij heengaat.

Terwijl ik mijn dagen met dergelijke vroolijke gedachten doorbracht, werden mijn avonturen zooals ik die in het verslag had verteld, door de geheele stad bekend. Verscheidene personen wilde me uit louter nieuwsgierigheid zien; de een na den ander kwam voor een klein venstertje staan, dat het licht in mijn cel doorliet, en als ze me zoo eenigen tijd hadden begluurd, gingen zij weer weg. Ik was over die nieuwsgierigheid verstomd; van dat ik gevangen was gezet, had ik nooit iemand aan dat venster zien verschijnen, dat op een plaats uitzag, waar stilte en verschrikking heerschten. Daarom begreep ik, dat ik opzien baarde in de stad; maar ik wist niet of ik er een goed of een kwaad teeken in moest zien.

Een van hen, dien ik het eerst te zien kreeg, was de kleine zanger van Monteviédo, die net als ik de ondervraging gevreesd had en de vlucht had genomen. Ik herkende hem en hij ontveinsde niet mij te kennen. Wij groetten elkaar en begonnen een lang gesprek. Ik was genoodzaakt een nieuw verslag van mijne avonturen te geven, wat twee uitwerkingen op den geest van mijn toehoorders had: ik deed hen lachen en ik wekte hun medelijden op. Van zijn kant vertelde de zanger mij alles wat er in het logement van Cacabelos was voorgevallen tusschen den ezeldrijver en de jonge vrouw, nadat een panische schrik er ons van had verwijderd; in één woord, hij vertelde me alles, wat ik hierboven beschreven heb. Nadat hij afscheid van mij had genomen, beloofde hij mij zonder verwijl voor mijne bevrijding te zullen werken. Al de menschen, die daar op dat oogenblik aanwezig waren, betuigden mij toen hun medelijden en verzekerden me zelfs, dat ze zich met den kleinen zanger zouden vereenigen en al hun best zouden doen om mij mijn vrijheid terug te bezorgen.

Inderdaad hielden zij woord. Zij spraken te mijnen gunste bij den baljuw, die niet meer twijfelend aan mijn onschuld, vooral nadat de zanger alles verteld had wat hij wist, drie weken later mijn cel binnentrad. "Gil Blas," zeide hij, "ik zou je nog hier kunnen houden als ik een slecht rechter was; maar ik wil de zaak niet rekken: ga, ge zijt vrij; ge kunt weggaan wanneer ge wilt. Maar," ging hij voort, "indien men je naar het bosch bracht waar het roovershol ligt, zou je het dan niet kunnen vinden?" "Neen, mijnheer," antwoordde ik, "want ik ben er slechts 's avonds ingekomen en ik heb het vóór het aanbreken van den dag verlaten." Daarop vertrok de rechter, zeggende dat hij den portier zou gelasten mij de deuren te ontsluiten. Werkelijk trad een oogenblik later de cipier binnen met een van de cipiersknechten, die een pak linnen droeg.

Met ernstig gelaat en zonder me een woord te zeggen ontdeden ze mij van mijn wambuis en broek, die bijna nog nieuw en van fijn laken waren en nadat ze mij een oude plunje in de plaats ervan hadden aangetrokken, zetten ze mij bij de schouders buiten de deur.

De verlegenheid, die ik gevoelde mij zoo slecht gekleed te zien, verminderde de vreugde, die gevangenen gewoonlijk ondervinden als ze zich pas weer vrij gevoelen. Ik had lust dadelijk de stad te verlaten om me te onttrekken aan het kijken der menschen, wier blikken ik met moeite doorstond. Maar mijn dankbaarheid had de overhand op mijn verlegenheid, ik ging den kleinen zanger, wien ik zooveel verschuldigd was, mijn dank betuigen. Toen hij mij zag, kon hij zich niet weerhouden te lachen. "Wat ziet ge er uit!" riep hij, "ik herkende je in deze kleeding niet dadelijk; zooals ik zie, heeft de justitie je op alle manieren er van langs gegeven." "Ik beklaag me niet over de justitie, die is heel billijk, ik wilde alleen maar dat haar dienaren eerlijke lieden waren; ze hadden me minstens mijn kleeding moeten laten, die ik, dunkt me, niet slecht betaald heb," "Dat stem ik toe," hernam hij, "maar men zal u tegenwerpen, dat dit formaliteiten zijn, die men moet in acht nemen. Of denkt ge soms, dat het paard aan zijn eersten meester is teruggegeven? Geen denken aan, hoor, op het oogenblik staat het in de stallen van den griffier, daar geplaatst als bewijsstuk van den diefstal; ik denk niet dat die arme edelman er zelfs den staartriem van krijgt. Maar laten we over wat anders praten. Wat is uw plan, wat denk je nu te doen?" "Ik heb zin," antwoordde ik, "den weg naar Burgos in te slaan en de dame op te zoeken die ik bevrijd heb; zij zal me wat geld geven, waarvoor ik een nieuwen rok kan koopen, vervolgens naar Salamanka gaan, om te zien voordeel uit mijn Latijn te trekken. Wat me hindert is, dat ik nog niet in Burgos ben, ik moet onderweg ook eten en ge zult wel begrijpen dat men het schraal heeft als men zonder geld reist." "Dat geloof ik best," antwoordde hij "en ik bied u mijn beurs aan, ze is wel wat plat, maar ge weet dat een zanger geen bisschop is." Tegelijkertijd bracht hij haar te voorschijn, en gaf ze mij zoo gul, dat ik niet schroomde haar aan te nemen zooals ze was. Ik bedankte hem alsof hij me al het goud ter wereld had gegeven, en bood hem duizendmaal mijn diensten aan, waar het nooit toe is gekomen.

Daarna verliet ik hem en de stad zonder de andere menschen, die mijne invrijheidstelling hadden bewerkt, te gaan opzoeken; ik vergenoegde mij er mee hen en mezelf duizend zegeningen toe te wenschen,

De kleine zanger had gelijk gehad zijn beurs niet erg gevuld te noemen; ik vond er weinig geldstukken in, en dan nog wat voor geldstukken, slechts kleingeld! Gelukkig was ik reeds twee maanden gewend aan een sober leven, zoodat me nog twee realen restten toen ik aan de burcht Ponte-de-Abula kwam, niet ver van Burgos verwijderd. Ik hield hier even stil om naar tijding van dona Mencia te vragen. Ik ging een logementje binnen, waarvan de eigenares een klein, droog, vlug vrouwtje was. Ik zag dadelijk aan het grimmige gezicht dat ze trok, dat mijn plunje in 't geheel niet in haar smaak viel, iets, wat ik haar graag vergaf. Ik ging aan een tafel zitten, at brood en kaas en dronk enkele teugen van een afschuwelijken wijn, dien men mij had voorgezet. Gedurende dezen maaltijd, die nogal overeenstemde met mijne kleeding, wilde ik een gesprek beginnen met de waardin, die me door een minachtend gezicht deed verstaan, dat ze niets op mijn onderhoud gesteld was. Ik verzocht haar mij te zeggen of zij den markies de la Guardia (die de man was van dona Mencia, zooals deze mij verteld had) kende; of het kasteel van den markies ver van de burcht af was, en vooral of ze wist, wat er van de markiezin, zijne vrouw, terecht kon zijn gekomen. "U vraagt heel wat!" antwoordde zij mij trotsch. Maar hoewel met tegenzin, vertelde ze me toch, dat het kasteel, waarvan ik sprak, slechts een kleine mijl van Ponte-de-Abula verwijderd was.

Nadat ik gegeten en gedronken had en de nacht inviel, beduidde ik haar, dat ik moe begon te worden en vroeg haar een kamer, "Voor jou een kamer!" antwoordde de eigenares met een blik vol minachting; "ik heb geen kamers voor lieden, die hun avondmaal met brood en kaas doen. Al mijn bedden zijn besproken, want ik verwacht aanzienlijke heeren, die hier vanavond moeten komen logeeren. Het eenige, wat ik voor je kan doen, is je een plaats in mijn schuur geven; dat zal, denk ik, wel niet de eerste keer zijn, dat ge op stroo slaapt...." Zij wist niet, hoe juist ze de waarheid daar zei. Ik antwoordde niet op haar toespraak en bepaalde er mij bij, stilletjes den stroozolder op te zoeken, waar ik spoedig in slaap viel als een oververmoeid man.

HOOFDSTUK XIV

Hoe dona Mencia hem in Burgos ontving.

Den volgenden morgen was ik vroeg uit de veeren. Ik ging met de eigenares afrekenen, die reeds op was en die me wat minder trotsch en beter gehumeurd scheen dan den vorigen avond, wat ik toeschreef aan de aanwezigheid van drie dappere dienaren van den heiligen Hermandad, die zich met haar op zeer vrije wijze onderhielden. Zij hadden in het logement geslapen; en dit waren ongetwijfeld de aanzienlijke heeren, voor wie al de bedden vrij waren gehouden.

Ik vroeg in het gehucht den weg naar het kasteel, dat ik wilde gaan opzoeken. Bij toeval richtte ik mij tot een man van het karakter van mijn gastheer te Pegnaflor. Hij stelde er zich niet mee tevreden op de vraag die ik hem deed, te antwoorden, maar hij vertelde me nog, dat don Ambrosio, echtgenoot van dona Mencia, drie maanden geleden gestorven was en dat de markiezin zich in een klooster te Burgos, dat hij mij noemde, had teruggetrokken. Dadelijk begaf ik mij naar die stad, in plaats van den weg naar het kasteel te vervolgen, zooals ik eerst van plan was en ik snelde allereerst naar het klooster, waarin dona Mencia woonde. Ik verzocht de sleutelbewaarster aan die dame te zeggen, dat een jonge man, die pas uit de gevangenis van Astorga ontslagen was, haar wenschte te spreken. Oogenblikkelijk ging de oppaster mijn verzoek overbrengen. Een oogenblik later kwam ze weer terug en liet me een spreekkamer binnengaan, waar ik nog niet lang was of ik zag achter de traliën de weduwe van don Ambrosio in zwaren rouw verschijnen.

"Wees welkom," zeide zij vriendelijk tot mij. "Vier dagen geleden heb ik aan iemand in Astorga geschreven, waarin ik hem verzocht u in mijn naam te gaan opzoeken en u te zeggen, dat ik u dringend verzocht mij bij het verlaten van de gevangenis te komen opzoeken. Ik twijfelde er niet aan, dat ge spoedig in vrijheid zoudt worden gesteld; alles wat ik den baljuw te uwen gunste had verteld, was genoeg daarvoor. Men had mij dan ook verteld, dat ge reeds in vrijheid gesteld waart, maar dat men niet wist wat er verder van u was geworden. Ik vreesde u niet meer terug te zullen zien en van het genoegen beroofd te worden u mijn dank te kunnen betuigen, wat me zeer zou hebben gespeten. Troost u," voegde zij er aan toe, ziende hoe beschaamd ik was zoo slecht gekleed onder haar oogen te komen, "bedroef u niet over den toestand, waarin ik u zie. Na den gewichtigen dienst, dien ge me hebt bewezen, zou ik wel de ondankbaarste van alle vrouwen moeten zijn, als ik niets voor u deed. Ik wil u uit den slechten toestand helpen, waarin ge u bevindt; ik moet het en kan het. Ik bezit meer dan genoeg om mijn schuld aan u af te doen zonder mij te behoeven bekrimpen."

"Gij kent," vervolgde zij, "mijne lotgevallen tot op den dag dat wij samen gevangen genomen zijn; ik zal u vertellen wat mij sedert overkomen is. Toen de baljuw van Astorga mij naar Burgos had doen geleiden, na een getrouw verslag van mijne geschiedenis te hebben vernomen, begaf ik mij naar het kasteel van don Ambrosio. Mijn terugkeer veroorzaakte buitengewone verrassing, doch men zeide mij dat ik te laat kwam. De markies, als door den bliksem getroffen door mijn vlucht, was ziek geworden en de doktoren wanhoopten aan zijn behoud. Ik trad zijn kamer binnen en wierp mij bij zijn bed neder, badende in tranen en het hart vol smart. "Wat brengt u hier," zeide hij, "komt gij uw werk aanschouwen? Is het u niet voldoende mij het leven ontnomen te hebben? Zijt gij niet tevreden voor gij mij hebt zien sterven?" "Heer," antwoordde ik, "Inès heeft u zeker gezegd dat ik met mijn eersten man ben gevlucht en zonder het treurige ongeval, dat mij hem heeft doen verliezen, zoudt gij mij nimmer hebben weergezien." Ik vertelde hem toen, dat don Alvares door de dieven gedood was en dat men mij had opgesloten. Ik vertelde hem al het overige en toen ik had uitgesproken, nam don Ambrosio mijn hand en zeide teeder: "Nu is het genoeg, ik beklaag mij niet langer over u. Mag ik u eigenlijk wel iets verwijten? Gij vindt een geliefden echtgenoot terug, gij verlaat mij om hem te volgen, mag ik dat gedrag laken? Neen mevrouw, ik had ongelijk daarover te tobben. Ook heb ik niet gewild dat men u vervolgde, hoewel mijn dood het gevolg zal zijn van uw verlies voor mij. Ik eerbiedigde in uw ontvoerder zijn heilige rechten en zelfs de neiging die gij voor hem hadt, en door uw terugkeer herwint gij al mijn genegenheid. Ja, mijn waarde Mencia, uwe tegenwoordigheid overstelpt mij van vreugd, maar helaas zal ik er niet lang van genieten. Ik voel mijn einde naderen. Nauwelijks heb ik u weer, of ik moet u vaarwel zeggen." Bij deze woorden voelde ik eene matelooze droefenis in mij opwellen. Don Alvares, dien ik aanbad, heeft mij nimmer tranen doen storten. Don Ambrosio stierf den volgenden morgen en ik bleef eigenares van de aanzienlijke goederen, die hij mij geschonken had bij ons huwelijk. Ik zal daar geen onwaardig gebruik van maken, hoe jong ik ook ben, zal men mij niet zien in de armen van een derden echtgenoot. Ik wil mijn dagen in een klooster eindigen en een weldoenster worden."

Na dit gesprek haalde dona Mencia van onder haar japon een beurs te voorschijn, die ze mij ter hand stelde, zeggend: "Ziehier honderd dukaten, die ik u alvast geef om u te kunnen kleeden. Als die op zijn, kom me dan weer opzoeken, want ik ben niet van plan mijn dankbaarheid bij zoo weinig te laten." Ik bedankte de dame duizendmaal en zwoer haar dat ik niet uit Burgos zou vertrekken zonder afscheid van haar te hebben genomen. Na dien eed, dien ik niet van plan was te breken, ging ik een logement zoeken. Het eerste het beste dat ik tegenkwam, ging ik binnen. Ik vroeg een kamer en om de slechte opinie, die mijn havelooze plunje kon opwekken, te voorkomen, vertelde ik den waard, dat ik, zooals hij me zag, toch best in staat was mijn onderkomen te betalen. Op die woorden antwoordde de waard, Majuelo geheeten en van nature een groot spotter, op kouden toon en terwijl hij me met een sluwe uitdrukking op zijn gezicht van boven tot beneden opnam, dat hij die verzekering mijnerzijds niet noodig had om overtuigd te zijn, dat ik een goede klant voor hem zou wezen; dat men door mijn kleeding heen iets edels in mij ontdekte en ten slotte dat hij er niet aan twijfelde of ik was een zeer welgesteld edelman. Ik zag heel goed, dat de plaaggeest me in het ootje nam; en om opeens een eind aan zijn aardigheden te maken, toonde ik hem mijn beurs. Ik telde mijn dukaten zelfs voor zijn oogen op een tafel en ik merkte, dat mijn specie hem er toe bracht wat gunstiger over mij te denken. Ik verzocht hem een kleermaker te laten komen.