De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 4
Rolando rende eerst naar het portier van de koets, waarin eene dame was van vier- à vijfentwintig jaar, die hem heel mooi toescheen, niettegenstaande den treurigen toestand, waarin hij haar zag. Ze was tijdens het gevecht flauw gevallen en verkeerde nog in dien toestand. Terwijl hij er slechts aan dacht haar aan te kijken, dachten wij aan den buit. Wij begonnen met ons van de paarden der gestorven ruiters te verzekeren, want die dieren, door het geluid der schoten geschrokken, waren van den weg afgegaan na hun geleiders te hebben verloren. Wat de muilezels betreft, deze waren pal blijven staan, al had de koetsier gedurende het gevecht zijn zetel verlaten om zich te redden. Wij stegen af om ze uit te spannen en wij belastten ze met verschillende koffers, die we voor en achter de koets vonden vastgesjord. Daarna nam men op order van den kapitein, de dame, die nog niet tot zich zelve was gekomen en zette haar te paard, ondersteund door een roover, die een der sterksten was en het best bereden; toen namen wij de dame, de muilezels en de paarden mee en lieten de koets en de beroofde dooden op den weg liggen.
HOOFDSTUK X
Wat de roovers met de dame deden. Van het groote plan dat Gil Blas vormde en wat er de uitslag van was.
Het was reeds langer dan een uur donker toen we aan het gewelf kwamen. Allereerst brachten wij de dieren op stal, waar we genoodzaakt waren ze zelf aan de ruif vast te binden en ze te verzorgen, daar de oude neger reeds drie dagen het bed moest houden. Niet alleen dat het pootje hem hevig had aangegrepen, maar ook de rheumatiek had zich aan al zijn ledematen meegedeeld. Niets bleef hem over dan zijn tong, die hij dan ook gebruikte om zijn ongeduld door allerlei vloeken te kennen te geven. Wij lieten den ellendeling vloeken en schelden en gingen naar de keuken, waar we al onze aandacht wijdden aan de dame, die reeds omgeven scheen door de schaduwen des doods. Wij deden alles om haar uit haar bewusteloosheid te doen ontwaken en we hadden het geluk hierin te slagen. Maar toen ze weer bij kennis was en zich in de armen van verscheidene onbekende mannen bevond, voelde zij haar ongeluk en huiverde. Haar oogen drukten de hevigste smart en wanhoop uit en zij sloeg ze ten hemel als om zich daar te beklagen over de schandelijke daden, waarmee zij werd bedreigd; toen, plotseling overweldigd voor de verschrikkelijke beelden, viel zij opnieuw flauw en haar oogleden sloten zich, waarop de roovers dachten, dat de dood hun prooi ging ontrukken. De kapitein achtte het beter haar aan haar zelf over te laten inplaats van haar met nieuwe hulpbetuigingen te plagen en liet haar toen naar het bed van Leonarda dragen, waar hij haar op goed geluk alleen liet.
Wij gingen toen naar het salon, waar een der roovers, die chirurg was geweest, de wonden van den luitenant en den ruiter onderzocht en ze met zalf insmeerde. Hierna wilde men zien wat er alzoo in de koffers was. Eenige waren met kant en linnengoed gevuld, andere met kleeren; maar de laatste die men opende, bevatte eenige zakken geld, wat den heeren belanghebbenden bijster beviel. Na dit onderzoek dekte de meid de tafel, schepte op en bediende. Wij praatten eerst over de groote overwinning, die we hadden behaald, waarop Rolando tot mij het woord richtte: "Beken, Gil Blas, dat je erg bang bent geweest." Ik antwoordde dat ik dat graag wilde toestemmen, maar dat ik als een dolend ridder zou strijden als ik slechts twee of drie tochten had meegemaakt. Daarop nam het geheele gezelschap het voor mij op, zeggende, dat men het mij moest vergeven, dat de handeling zoo plotseling was geweest, en ik me nog niet zoo slecht van mijn taak had gekweten.
Vervolgens ging het gesprek over op de muilezels en paarden, welke we juist in het gewelf hadden meegevoerd. Er werd besloten, dat we den volgenden morgen nog vóór het aanbreken van den dag, allen naar Mansilla zouden gaan, waar men waarschijnlijk nog niet van onzen aanslag had hooren spreken, om daar de dieren te verkoopen. Na dit besluit genomen te hebben, zetten we ons avondeten voort; daarna gingen we weer naar de keuken om de dame te zien, die we nog in denzelfden toestand vonden, zoodat we dachten, dat zij den nacht niet zou halen. Niettegenstaande zij ternauwernood scheen te leven, waren er toch nog enkele roovers, die niet nalieten een wellustigen blik op haar te werpen en blijk gaven van een brutale begeerte, die zij stellig zouden voldaan hebben, indien niet Rolando er hen van had terug gehouden, door hen er op te wijzen, dat ze tenminste moesten wachten tot de dame bijkwam uit haar neerslachtige bewusteloosheid, die haar elk gevoel benam. Het respect, dat ze voor hun kapitein hadden, hield hun wulpschheid in bedwang; zonder dat zou niets de dame kunnen redden; zelfs haar dood zou misschien nog niet haar eer verzekerd hebben.
Wij lieten die ongelukkige vrouw in den toestand waarin ze was, terwijl Rolando zich tevreden stelde met Leonarda haar verzorging op te dragen, waarna ieder zich in zijne kamer terugtrok. Wat mij betreft, inplaats van in te slapen zoodra ik in bed lag, hield ik me voortdurend met het ongeluk der dame bezig. Ik twijfelde niet of zij was eene voorname persoonlijkheid, en dat deed mij haar lot nog treuriger schijnen. Ik stelde mij sidderend de verschrikkelijke dingen voor, die haar wachtten, en ik voelde er mij even hevig door getroffen alsof bloedverwantschap of vriendschap mij aan haar hadden verbonden.
Eindelijk, na haar lot beklaagd te hebben, droomde ik over de middelen om haar eer te beschermen tegen het gevaar waarmee deze werd bedreigd, en mij uit het hol te redden. Ik bedacht, dat de neger zich niet kon verroeren en dat sinds zijn ziekte, de keukenmeid den sleutel van het hek had. Deze gedachte prikkelde mijn verbeelding, en deed bij mij een plan rijzen, dat ik goed overdacht; daarna ondernam ik dadelijk de uitvoering ervan op de volgende wijze:
Ik veinsde kolieken te hebben, door eerst te klagen en te kermen; daarna begon ik te schreeuwen. De roovers ontwaakten en waren weldra bij me; ze vroegen wat me scheelde om zoo te schreeuwen, waarop ik hun antwoordde, dat ik een verschrikkelijke koliek had, en om hen beter te overtuigen, begon ik te tandenknarsen, grimassen te maken, ineen te krimpen en op een vreemde wijze me om en om te wentelen. Daarna hield ik me plotseling bedaard alsof mijn pijnen mij een oogenblik met rust lieten; een oogenblik later begon ik opnieuw in mijn armoedig bed te springen en mijn armen heen en weer te zwaaien. In één woord, ik speelde zóó goed komedie, dat de roovers, hoe slim ook, zich lieten foppen en werkelijk dachten, dat ik hevige krampen gevoelde. Maar daar ik mijn rol zoo goed speelde, werd ik op vreemde wijze gekweld; want van het oogenblik dat mijn liefdadige makkers zich verbeeldden dat ik leed, kwamen ze allen erbij en haastten zich mij eenige verlichting te brengen: de een brengt me een flesch brandewijn en laat er mij de helft van uitdrinken, een ander geeft me tegen mijn zin een lavement van zoete amandelolie en weer een ander gaat een doek warmen en komt hem dan heet op mijn buik leggen. Al riep ik ook om genade, zij schreven mijn kreten aan mijn koliek toe en gingen door me te doen lijden door werkelijke pijnen, om mij te ontdoen van een, die ik niet had. Eindelijk kon ik het niet meer uithouden, was genoodzaakt hun te zeggen, dat ik geen krampen meer voelde en dat ik hun smeekte mij alleen te laten. Zij hielden op mij met hun middeltjes te vermoeien en ik wachtte me wel mij nog meer te beklagen, uit angst nogmaals hun hulp te moeten ondergaan.
Dit tooneel duurde bijna drie uur.
Daarna maakten de roovers, ziende, dat de morgenstond niet meer ver was, zich gereed om naar Mansilla te gaan. Ik nam een nieuwe list te baat: ik wilde opstaan om hun te doen gelooven, dat ik grooten lust gevoelde mee te gaan: maar zij beletten mij dat, terwijl Rolando mij toevoegde: "Neen, neen, Gil Blas, blijf hier, mijn jongen, de koliek zou kunnen terugkomen. Je zult een volgenden keer met ons meegaan; voor vandaag moet je den heelen dag rust houden; je hebt het noodig."
Ik durfde niet langer aandringen uit vrees, dat men dan aan mijn verzoek zou voldoen; ik scheen dus alleen teleurgesteld niet van de partij te kunnen zijn, wat ik zoo natuurlijk deed, dat ze allen het hol verlieten zonder het minste vermoeden van mijn plan. Na hun vertrek, hield ik het volgende gesprek met mijzelf: "Zoo, Gil Blas, nu komt het er op aan door te zetten. Schep moed om te voltooien, wat ge zoo gelukkig zijt begonnen. Deze zaak schijnt me niet lastig toe: Domingo is niet in staat zich tegen je onderneming te verzetten en Leonarda kan je niet beletten haar uit te voeren. Vat deze gelegenheid aan om te ontsnappen, gij zult misschien nooit meer een gunstiger vinden."
Deze overwegingen gaven me vertrouwen: ik stond op, nam mijn degen en mijne pistolen en ging eerst naar de keuken; maar alvorens er binnen te gaan, bleef ik staan om te luisteren, want ik hoorde Leonarda praten. Zij sprak tot de onbekende dame, die weer was bijgekomen, en die haar ongeluk ziende, wanhopig was geworden en schreide. "Ween maar, mijn kind, stort maar tranen en spaar je zuchten niet," zei de oude tot haar. "Je ontsteltenis was gevaarlijk; maar nu is er niets meer te vreezen, nu je gehuild hebt. Je smart zal wel langzamerhand verdwijnen en ge zult u gewennen hier met die heeren te leven, die nette lieden zijn. Gij zult beter behandeld worden dan een prinses; zij zullen vol attenties voor je zijn en je elken dag hun genegenheid doen blijken. Veel vrouwen zouden in je plaats willen zijn."
Ik gaf Leonarda geen tijd meer iets te zeggen, maar ik trad binnen, hield haar het pistool voor en dwong haar door bedreigingen den sleutel van het hek te geven. Zij was door mijn handelwijze ontsteld en daar zij, hoewel reeds op leeftijd, nog voldoende aan het leven was gehecht, durfde zij mij het gevraagde niet weigeren. Toen ik den sleutel in handen had, richtte ik het woord tot de bedroefde dame, en zei: "Mevrouw, de hemel heeft u een bevrijder gezonden, sta op en volg mij, ik zal u geleiden tot waar gij naar toe wilt gaan." De dame had daar wel ooren naar en mijn woorden maakten zoo 'n indruk op haar, dat zij al haar moed bij elkaar raapte, opstond, zich aan mijn voeten wierp en me smeekte haar eer te beschermen. Ik hief haar op en verzekerde haar, dat ze op mij rekenen kon. Daarna nam ik een touw, dat ik in de keuken vond en met behulp van de dame bond ik Leonarda aan den voet van een zware tafel en dreigde met den dood, indien zij den minsten gil slaakten. De goede Leonarda, overtuigd dat ik woord zou houden als ze me durfde weerstreven, koos de partij van me te laten doen wat ik wilde. Ik stak een kaars aan en ging met de onbekende naar de kamer waar het goud en zilver lag. Ik stak zooveel geldstukken in mijn zakken, als deze slechts konden bevatten; en om de dame te noodzaken er ook van te nemen, overtuigde ik haar, dat ze slechts haar eigendom terugnam, wat ze dan ook zonder gewetenswroeging deed. Toen we een goeden voorraad hadden, gingen we naar den stal, waar ik alleen met geladen pistool binnentrad. Ik rekende er op, dat de oude neger, niettegenstaande pootje en rheumatiek, mij niet rustig mijn paard zou laten zadelen en optuigen en ik had het besluit genomen hem voor goed van zijn kwalen te genezen indien hij kwaad wilde, maar gelukkig was hij zoo afgemat van de pijnen, die hij had doorstaan en nog doorstond, dat ik mijn paard uit den stal haalde, zonder dat hij 't zelfs scheen te bemerken. De dame wachtte mij aan de deur. Wij gingen snel de gang door, die uit het hol leidde, kwamen aan het hek, openden het en kwamen eindelijk aan het valluik. Wij hadden veel moeite het op te lichten, of liever, het verlangen ons te redden gaf ons kracht, en wij slaagden.
De dag brak reeds aan toen we uit dien afgrond waren. Wij wilden er zoo spoedig mogelijk vandaan en daartoe steeg ik te paard, de dame ging achter mij zitten en we sloegen in galop het eerste weggetje, dat we zagen, in; zoo waren wij weldra buiten het bosch. Wij kwamen op een open vlakte, die verschillende wegen doorsneed; wij namen er een op goed geluk. Ik stierf van angst, dat hij naar Mansilla zou leiden en we dan Rolando en zijn makkers zouden ontmoeten, wat best kon gebeuren. Gelukkig werd mijn vrees niet bewaarheid, want we kwamen aan de stad Astorga te twee uur 's middags. Ik zag menschen, die ons met bijzondere aandacht gadesloegen, als ware 't voor hen nieuw een vrouw te paard achter een man te zien zitten. Wij stapten af aan het eerste het beste hotel, waar ik allereerst een patrijs en een konijn aan het spit liet braden. Terwijl men mijn bestelling uitvoerde en ons middagmaal gereed maakte, geleidde ik de dame naar een kamer om wat met elkaar te praten, wat we onderweg niet hadden kunnen doen, daar we ons te veel hadden moeten haasten. Zij heette dona Mencia de Mosquera, betuigde mij haar dankbaarheid voor den dienst, dien ik haar had bewezen en zei mij, dat ze mij niet voor een metgezel der roovers kon houden, na de edelmoedige daad, waardoor ik haar van hen verlost had. Om haar die goede opinie over mij te doen behouden, vertelde ik haar mijne geschiedenis. Daardoor won ik haar vertrouwen en zij vertelde mij welke ongelukken haar getroffen hadden, zooals ik dit in het volgend hoofdstuk zal mededeelen.
HOOFDSTUK XI
Geschiedenis van dona Mencia de Mosquera.
Ik ben geboren in Valladolid en heet dona Mencia de Mosquera. Don Martin, mijn vader, werd in Portugal aan het hoofd van een regiment gedood. Hij liet mij zoo weinig na, dat ik, hoewel eenige dochter, een tamelijk arme partij was. Nochtans ontbrak het mij niet aan minnaars. Verscheidene van de aanzienlijkste edelen van Spanje vroegen mij ten huwelijk. Hij, die mijn aandacht trok, was don Alvares de Mello. Hij was werkelijk beter dan zijne mededingers. Bovendien had hij geest, was bescheiden, moedig en eerlijk. Ook kon hij doorgaan voor den meest galanten man ter wereld.
Eenige dagen na ons huwelijk ontmoette hij op een afgelegen plaats don André de Baëza, die een van zijn mededingers was geweest. Zij kregen twist met elkander en vochten het uit met den degen. Dit kostte don André het leven; en daar deze de neef was van den vrederechter van Valladolid, een bruusk man en doodsvijand van het huis Mello, meende don Alvares niet spoedig genoeg de stad te kunnen verlaten. Hij kwam direct naar huis, waar hij mij vertelde wat er gebeurd was, terwijl er een paard werd gereed gemaakt. "Waarde Mencia," zeide hij vervolgens, "wij moeten scheiden, dit is helaas noodzakelijk. Gij kent den vrederechter; laten wij ons nergens mede vleien, hij zal mij krachtig vervolgen." Hij was zoo bedroefd, dat hij niets meer kon zeggen. Ik deed hem geld en edelsteenen medenemen, vervolgens omhelsde hij mij en een kwartier lang schreiden wij samen. Eindelijk kwam men zeggen dat het paard gereed was. Hij rukte zich van mij los, vertrok en liet mij achter in een onbeschrijfelijken toestand; ik zou gelukkig zijn geweest als ik van droefenis was gestorven, wat een leed en moeiten zou de dood mij bespaard hebben. Eenige uren later vernam de rechter zijn vlucht. Hij liet hem door de gerechtsdienaren van Valladolid vervolgen en spaarde niets om hem in handen te krijgen. Mijn echtgenoot wist echter veilig te ontkomen, zoodat de rechter zich genoodzaakt zag zijn wraak te beperken en zich tevreden te stellen met de goederen van den man, wiens bloed hij had gewild. Hij deed dit zoo goed, dat alles wat don Alvares bezat, verbeurd verklaard werd.
Ik bleef in een zeer treurigen toestand achter; en had nauwelijks genoeg om van te leven. Ik verminderde mijn leefwijze en hield slechts één dienstbode. Den geheelen dag weende ik om de afwezigheid van mijn dierbaren echtgenoot van wien ik geen enkele tijding ontving. Hij had mij toch beloofd bij ons droevig afscheid omtrent zijn lot te onderrichten, waar ter wereld zijn slecht gesternte hem ook leiden mocht. Zoo gingen zeven jaren voorbij zonder dat ik over hem hoorde spreken. De onzekerheid omtrent zijn lot maakte mij zeer droevig. Eindelijk hoorde ik, dat hij gevallen was bij een veldslag in het rijk van Fez. Een man die kort geleden uit Afrika teruggekeerd was, deelde mij dit mede, en verzekerde mij, dat hij don Alvares de Mello uitstekend gekend had. Hij had met hem in het Portugeesche leger gediend en hem zien vallen in den strijd. Dit verergerde slechts mijne droefheid en deed mij besluiten nimmer weder te huwen. In dien tijd kwam don Ambrosio Mesio Carillo, markies Guardia, in Valladolid. Hij was een van die oude heeren, die door hunne galante en beleefde manieren hun leeftijd doen vergeten en de vrouwen weten te behagen. Eens vertelde men hem bij toeval de geschiedenis van don Alvares en de beschrijving, die men hem van mij gaf maakte hem verlangend mij te zien. Om zijne nieuwsgierigheid te bevredigen, haalde hij een van mijne bloedverwanten over mij bij haar te noodigen. Hij was daar, zag mij en ik behaagde hem ondanks de droeve uitdrukking van mijn gelaat; doch wat zeg ik, ondanks? misschien was hij wel getroffen door mijn treurig en verlangend uitzien, die hem een bewijs van mijn trouw waren; mijne melancholie wekte misschien zijne liefde op. Ook zeide hij mij dikwijls dat hij mij als een wonder van standvastigheid beschouwde en zelfs dat hij het lot van mijn echtgenoot benijdde, hoe betreurenswaardig dit ook was. In een woord, hij was getroffen toen hij mij zag en behoefde mij geen twee maal te zien om te besluiten mij te trouwen.
Hij riep de bemiddeling in van mijn bloedverwante om mij zijn plan te doen aannemen. Zij trachtte mij te overreden, dat ik nu niet langer mijne bekoorlijkheden moest begraven, dat ik lang genoeg getreurd had over een man met wien ik slechts enkele oogenblikken vereenigd was geweest en dat ik partij moest trekken van de gelegenheid die zich aanbood, dan zou ik de gelukkigste vrouw ter wereld zijn. Hoe zij ook sprak over zijn edel karakter en zijn groote goederen, zij kon mij niet overtuigen, de weinige neiging of liever de tegenzin dien ik in een tweede huwelijk voelde, na al de ongelukken van het eerste, was het eenige dat mij terughield. Mijn bloedverwante betrok mijne geheele familie er in en mijne armoede, die dag aan dag nijpender werd, droeg er niet weinig toe bij om mijn tegenstand te doen overwinnen.
Eindelijk bezweek ik voor den aanhoudenden drang en huwde den markies van Guardia, die mij medenam naar een zeer mooi kasteel bij Burgos. Hij vatte voor mij een zeer hevige liefde op; in alles bespeurde ik den lust om mij te behagen, hij voorkwam mijne geringste wenschen. Nooit heeft een echtgenoot zooveel oplettendheid voor zijn vrouw gehad, nooit was een minnaar zooveel inschikkelijk voor zijn maitresse. Ware ik in staat geweest iemand lief te hebben na don Alvares dan zou ik hem hartstochtelijk hebben bemind. Ik kon zijn teederheid slechts vergelden met de reine gevoelens van erkentelijkheid.
Ik verkeerde in dien gemoedstoestand, toen ik eens vanuit het raam mijner kamer in den tuin een soort van boer bemerkte, die mij oplettend aankeek. Ik dacht dat het een tuinjongen was en lette weinig op hem. Maar toen ik den volgenden morgen weer aan het venster ging zitten, zag ik hem op dezelfde plaats en hij scheen mij weder scherp aan te kijken. Dit trof mij. Op mijn beurt keek ik hem nauwlettend aan en na eenigen tijd meende ik de trekken van den ongelukkigen don Alvares te herkennen. Deze gelijkenis bracht in mijn zinnen een onbegrijpelijke verwarring en ik slaakte een luiden kreet. Gelukkig was ik toen alleen met Inès, de vrouw die het meeste mijn vertrouwde was. Ik zeide haar welk vermoeden mijn verstand verbijsterde. Zij lachte er slechts om en meende dat een lichte gelijkenis mij bedrogen had. "Stel u gerust, mevrouw, wat kan doen vermoeden dat hij hier is als boer, is het zelfs wel waarschijnlijk dat hij nog leeft? Om u gerust te stellen, zal ik in den tuin gaan en met dien man spreken en u dadelijk komen vertellen wie hij is." Kort daarna kwam zij zeer ontroerd binnen en zeide: "Mevrouw, uw vermoeden is maar al te gegrond. Gij hebt don Alvares in eigen persoon gezien; hij heeft zich bekend gemaakt en vraagt u om een geheim onderhoud."
Daar ik don Alvares dadelijk kon ontvangen aangezien de markies naar Burgos was, gelastte ik de dienstbode hem in mijn kamer te brengen langs een geheime trap. Bedenk hoe groot mijn ontroering was. Ik kon het gezicht van een mensch, die recht had mij te overstelpen met verwijten niet verdragen en viel flauw zoodra hij binnenkwam. Hij en Inès hielpen mij dadelijk en toen zij mij weder bijgebracht hadden, zei Alvares mij: "Mevrouw, stel u toch gerust, laat mijne tegenwoordigheid geene marteling zijn, ik ben niet voornemens u het minste leed te doen. Ik kom niet als vertoornd echtgenoot u rekenschap vragen van de eens gezworen trouw en uw tweede huwelijk als een misdaad aan te schrijven. Ik weet dat dit het werk is van uwe familie. Ook heeft men in Valladolid het gerucht van mijn dood verspreid en dit hebt ge met te meer grond kunnen gelooven daar geen enkele brief van mij u van het tegendeel overtuigd heeft. Ten slotte weet ik hoe gij sedert onze wreede scheiding geleefd hebt en dat de noodzakelijkheid, eerder dan de liefde u in de armen van den markies heeft geworpen." "Mijnheer", viel ik hem weenend in de rede, "waarom wilt gij uwe echtgenoote verontschuldigen, daar gij leeft is zij schuldig. Waarom ben ik niet meer in den ellendigen toestand van vroeger, ik zou dan tenminste in mijne ellende de troost hebben u weder te zien zonder te blozen."
"Mijn waarde Mencia", hernam don Alvares, "ik beklaag mij niet over u; en verre van u den schitterenden staat te verwijten, waarin ik u wedervind, zweer ik, dat ik er den hemel voor dank. Sedert den dag van mijn vertrek uit Valladolid, heb ik steeds de fortuin tegen mij gehad, mijn leven is een aaneenschakeling geweest van ongelukken en tot overmaat van ramp heb ik u nooit tijding kunnen zenden. Al te zeker van uwe liefde, stelde ik mij onophoudelijk den toestand voor, waarin mijne noodlottige teederheid u gebracht had; ik stelde mij donna Mencia voor in tranen; gij waart mijne grootste bekommering. Nochtans heb ik u na zeven jaren van lijden, u meer dan ooit beminnend, willen terugzien. Ik heb dezen lust niet kunnen bedwingen en ben vermomd naar Valladolid gegaan, op gevaar af herkend te worden. Daar heb ik alles vernomen. Maar geloof niet dat ik van plan ben uw geluk door mijne tegenwoordigheid hier te verstoren; ik eerbiedig uwe rust en nu ga ik verre van u de treurige dagen van mijn leven doorbrengen."
"Neen, don Alvares, neen," riep ik bij deze woorden uit, "de hemel heeft u niet voor niets hierheen gevoerd en ik zou eene tweede scheiding niet te boven komen; ik vertrek met u, alleen de dood kan ons scheiden." "Geloof mij," hernam hij, "blijf met don Ambrosis leven; maak u geen deelgenoot van mijne ongelukken; laat mij ze alleen dragen."