De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 3
Dat mishaagde mij en ik besloot mij te wreken. Ik stal de juweelen van de vrouw van don Rodriges en na mijne schoone Helena te hebben opgezocht, die naar een waschvrouw in de buurt was gegaan, schaakte ik haar op klaarlichten dag, opdat iedereen ervan hooren zou. Ik ging verder, ik bracht haar naar haar land, waar ik haar plechtig trouwde, zoowel om Herrera nog meer te grieven als om aan deftige kinderen een mooi voorbeeld te geven. Drie maanden later hoorde ik, dat don Rodriges gestorven was. Dit liet mij niet onverschillig, want direct begaf ik mij naar Sevilla om mijn erfgoed op te eischen, maar daar vond ik alles veranderd. Mijne moeder was overleden en stervende had zij de indiscretie begaan alles te bekennen in tegenwoordigheid van den pastoor en andere getuigen. De zoon van don Rodriges had reeds mijn plaats, of liever de zijne, ingenomen en hij was met des te meer genoegen erkend, waar men ontevredener was over mij; toen ik dus niets meer van dien kant te hopen en geen pleizier meer in mijn dikke vrouw had, voegde ik mij bij eenige fortuinzoekers, met wie ik mijne strooptochten begon."
Toen de jonge dief zijn geschiedenis verteld had, zeide een ander, dat hij de zoon van een koopman uit Burgos was; dat hij in zijn jeugd gedreven door eene vrome devotie, de soutane had aangenomen en in een zeer heilige orde was getreden. Nu begon men over andere dingen te spreken. Zij bespraken allerlei plannen voor een volgenden strooptocht en na het eindelijk over een bepaald plan te zijn eens geworden, stonden allen van tafel op en gingen ter ruste. Ieder van hen stak een kaars op en ging naar zijn eigen kamer, terwijl ik kapitein Rolando volgde om hem bij het ontkleeden behulpzaam te zijn. "Wel, Gil Blas," zeide hij, "gij ziet nu hoe wij leven. Wij zijn altijd vroolijk en blij en haat en afgunst kennen wij niet; wij hebben nooit ruzie met elkaar en zijn onderling inniger verbonden dan kloosterlingen. Zooals ge dus ziet, zult ge hier een heerlijk leventje krijgen, want gij zult wel geen gewetensbezwaren hebben bij dieven te zijn. Ziet men eigenlijk wel iets anders dan dieven in de maatschappij? Neen, mijn beste jongen, alle menschen houden ervan zich het goed van anderen toe te eigenen; dit is allen ingeboren, alleen de wijzen waarop men het doet, verschillen. De veroveraars bijvoorbeeld nemen den grond van hun buren, voorname personen leenen geld en geven het niet terug. Bankiers, rentmeesters, wisselhandelaars, beambten, zoowel groote als kleine, zijn niet erg nauw van geweten. Wat de heeren van het gerecht aangaat, daarover spreek ik maar liever niet; het is maar al te goed bekend waartoe zij in staat zijn. Toch moet ik bekennen, dat zij menschelijker zijn dan wij, want wij ontnemen vaak het leven aan onschuldigen, terwijl zij vaak dat van een schuldige redden."
HOOFDSTUK VI
Gil Blas beproeft te ontvluchten en wat daar het gevolg van is.
Na op deze wijze zijn beroep verdedigd te hebben, ging de kapitein naar bed, terwijl ik naar het salon terugkeerde om de tafel af te nemen en alles op te bergen.
Vervolgens ging ik naar de keuken, waar Domingo (dit was de naam van den ouden neger) en Signora Leonarda mij met het souper wachtten, Hoewel ik niet den minsten eetlust had, ging ik toch bij hen zitten. Ik kon echter geen hapje door mijn keel krijgen en daar ik er erg bedroefd en terneergeslagen uitzag, begonnen deze twee oudjes mij te troosten, echter op een wijze, die beter geschikt was om mij wanhopig te maken, dan om mijn smart te verlichten. "Waarom ben je zoo bedroefd, mijn jongen?" zei de oude vrouw. "Je moest je eerder verheugen hier te zijn. Je bent nog jong en onervaren en zoudt spoedig in de wereld verloren zijn geweest; gij zoudt er vast en zeker losbandige jongelieden hebben aangetroffen, die je tot allerlei uitspattingen zouden verleiden, terwijl je onschuld hier in veilige haven is." "Leonarda heeft gelijk," zeide de oude neger met een zware stem, "en men zou er nog bij kunnen voegen, dat er slechts moeiten en smarten in de wereld zijn. Je moogt den hemel wel danken dat je zoo ineens verlost bent van al die gevaren en ellenden der wereld."
Ik duldde dit gesprek zonder eenige tegenspraak, daar het toch niets zou gebaat hebben mij er boos om te maken. Zelfs geloof ik, dat zij om mij gelachen zouden hebben als ik kwaad was geworden. Eindelijk ging Domingo, na goed gegeten te hebben, naar zijn stal en Leonarda nam een lamp en leidde mij naar een soort gewelfde kelder, die dienst deed als kerkhof voor de overleden roovers, die hun natuurlijken dood stierven en waar ik een soort krib zag, die meer op een doodkist geleek dan op een bed, "Dit is nu jou kamer, mijn beste jongen," zei zij mij met de hand onder de kin streelend; "de jongen die hier vóór jou diende, heeft er zijn heele leven in gehuisd en ligt er nu ook nog begraven. Hij is in den bloei van zijn jeugd gestorven, maar jij moet verstandiger zijn en zijn voorbeeld niet volgen." Toen gaf zij mij de lamp en keerde weer naar haar keuken terug. Ik zette de lamp op den grond en wierp mij op het bed, niet zoozeer om te rusten als wel om mijzelf geheel aan mijn overpeinzingen over te geven. "O, mijn God," zei ik, "is er een lot zoo droevig als het mijne? Men verlangt van mij dat ik afstand zal doen van het zonnelicht en alsof het nog niet genoeg was op achttienjarigen leeftijd levend begraven te worden, vernedert men mij nog tot het dienen van roovers en moet ik 's nachts bij de dooden verblijven!" Bij deze gedachten, die mij vreeselijk mistroostig schenen en het inderdaad ook waren, begon ik hevig te snikken. Ik vloekte den inval van mijn oom om mij naar Salamanca te sturen en verweet mijzelf bevreesd te zijn geweest voor het gerecht van Cacabelos; ik wilde dat ik op 't oogenblik erdoor ondervraagd werd. Maar bedenkende dat al dat gejammer niets baatte, begon ik over middelen te peinzen om te ontvluchten en ik begon mijzelf moed in te spreken, zeggende: "Is het dan volstrekt onmogelijk van hier te ontvluchten? De roovers slapen en de oude keukenmeid en de neger zullen ook spoedig in diepe rust zijn. Zou ik nu met behulp van deze lamp den uitgang niet kunnen vinden, waarlangs ze mij binnenbrachten? Intusschen ben ik misschien niet sterk genoeg om alleen het valluik op te lichten, maar komaan ik kan het probeeren, dan heb ik mij ten minste niets te verwijten. Mijn wanhoop zal mij kracht geven en misschien slaag ik er in."
Ik vormde dus een groot plan. Toen ik meende dat Leonarda en Domingo sliepen, stond ik stilletjes op, nam de lamp en verliet het onderaardsche hol, terwijl ik mij aan alle heiligen van het Paradijs aanbeval. Eerst na veel moeite gelukte het mij, den weg te vinden in dit doolhof van gangen, maar ik kwam eindelijk toch aan den stal en aan den weg, dien ik zocht. Langzaam ging ik vooruit naar het valluik, terwijl mijn hart van vreugde en vrees tegelijk heftig kloppen. Halverwege de gang echter, stuitte ik op een ijzeren hek, dat stevig gesloten was en waarvan de staven zóó dicht bij elkaar waren, dat men nauwelijks de hand er doorheen kon steken. Ik had dit beletsel niet gezien bij het binnenkomen omdat het hek toen open was. Intusschen beproefde ik de stangen, bekeek het slot nauwkeurig, trachtte het zelfs te forceeren, toen ik plotseling eenige krachtige slagen tusschen mijn schouders ontving. Ik gaf een luiden gil zoodat het onderaardsch gewelf ervan weergalmde, en mij omdraaiende zag ik den ouden neger, die in de eene hand een dievenlantaarn had en in de andere een bullepees, waarmee hij mij had geslagen. "Arme kleine schelm," zei hij, "wou je ontvluchten? Je behoeft er niet aan te denken mij te verschalken, want ik had je heel goed gehoord. Je dacht zeker het ijzeren hek open te vinden, is 't niet? Maar ge kunt er van opaan, dat het voortaan altijd gesloten is. Wanneer wij hier iemand tegen zijn zin houden, moet hij geslepener zijn dan gij om ons te ontsnappen."
Op mijn geschreeuw waren twee of drie van de roovers wakker geworden en opgesprongen. En denkende, dat het de dienaren van den heiligen Hermandad waren, die hen overvielen, riepen ze in allerijl hun kameraden. In minder dan geen tijd waren allen op de been, grepen hun degens en karabijnen en snelden naar de plaats waar Domingo en ik stonden. Toen zij echter de reden van het gerucht vernamen, maakte hun onrust plaats voor uitbundig gelach. "Hoe nu, Gil Blas," zei een van hen, "je bent nauwelijks een paar uur bij ons en wil je ons nu reeds verlaten? Gij schijnt wel een vreeselijken afkeer te hebben van afzondering en ge moet er maar nooit aan denken Karthuizer monnik te worden. Ga nu maar gauw slapen, voor dezen keer komt ge er af met de slagen, die Domingo je gegeven heeft, maar als je 't ooit in den zin krijgt weer zoo iets te probeeren, kun je er staat op maken dat we je levend villen." Hierop ging hij heen en ook de andere roovers trokken zich in hun kamers terug, nog hartelijk lachende over mijn poging tot ontsnappen. Ook de oude neger keerde zeer voldaan naar den stal terug en ik ging weer naar mijn kerkhof, waar ik den nacht verder met zuchten en huilen doorbracht.
HOOFDSTUK VII
Wat Gil Blas deed bij gebrek aan beter.
Ik dacht de eerste dagen van verdriet te zullen sterven. Ik leidde een treurig bestaan, maar gelukkig vermaande mijn goede genius mij voortaan te veinzen. Ik deed dus juist of ik minder bedroefd was en begon te lachen en te zingen, hoewel ik er in 't minst niet den lust toe had. Ik huichelde echter zoo goed, dat Leonarda en Domingo erdoor verschalkt werden en dachten dat de gevangen vogel aan zijn kooi wende. Ook de roovers dachten hetzelfde daar ik mij zeer opgewekt toonde als ik hen bediende en mij in hun gesprekken mengde door een of andere aardigheid te tappen als er gelegenheid toe was. Mijn vrijmoedigheid, verre van hun te vervelen, vermaakte hen zeer, "Gil Blas," zei de kapitein mij op een avond toen ik weer vroolijk was, "gij doet zeer verstandig door die zwaarmoedigheid te bannen; ik houd veel van je opgewektheid en je grappen. Men kent iemand niet terstond op het eerste gezicht en ik had je waarlijk niet zoo geestig en vroolijk gedacht als ge nu blijkt te zijn."
Ook de anderen prezen mij om het hardst en spoorden mij aan zoo voort te gaan met hen vroolijk tegemoet te komen; ten slotte schenen zij mij toe zoo tevreden over mij te zijn dat ik, gebruik makende van hun goede stemming, hen aldus toesprak: "Veroorlooft mij, mijne heeren, dat ik u den bodem van mijn ziel blootleg. Sedert ik hier ben gevoel ik mij een geheel ander mensch dan vroeger. Gij hebt mij verlost van de vooroordeelen van mijn opvoeding en ik heb onmerkbaar mij uwe zienswijze eigen gemaakt. Ik gevoel veel lust in uw beroep en ik sterf bijna van verlangen om een van de uwen te zijn en alle gevaren van uwe tochten te deelen." Het geheele gezelschap juichte deze toespraak toe. Men prees mijn goeden wil; daarna werd er met algemeene stemmen besloten, dat men mij nog eenigen tijd hen zou laten bedienen om mijne roeping op de proef te stellen en dat men mij vervolgens de plaats zou geven die ik vroeg en die men niet kon weigeren aan een jongmensch, dat toonde zulk een goeden wil te hebben.
Ik moest dus voortgaan met mijn rol van huichelaar en mijn ambt van schenker nog eenigen tijd uit te oefenen. Ik leed natuurlijk vreeselijk onder dien toestand want ik verlangde slechts roover te worden om uit te kunnen gaan zooals zij en vleide mij ook met de hoop, dat ik hen vroeg of laat zou kunnen ontsnappen. Deze hoop hield den moed er bij mij in, doch het wachten viel mij ontzettend lang en meermalen trachtte ik Domingo te verschalken. Hiertoe was echter geen kans want hij was veel te waakzaam; geen honderd Orpheussen zouden dezen Cerberus hebben bekoord. Bovendien was ik steeds bang ontdekt te worden zoodat ik niet al het mogelijke deed om hem te bedriegen. Hij hield mij voortdurend in het oog en ik moest veel te voorzichtig zijn om mijzelf niet te verraden. Ik wachtte dus den tijd af waarop de roovers mij bij hun troep zouden inlijven en ik wachtte er met zooveel ongeduld op alsof het mijne benoeming tot een hoog ambt gold.
Gelukkig brak dat gelukkige oogenblik na zes maanden aan. Kapitein Rolando sprak op zekeren avond tot de roovers: "Kameraden, wij moeten het aan Gil Blas gegeven woord gestand doen. Die knaap bevalt mij, hij schijnt mij geschikt onze voetstappen te drukken en ik geloof dat wij er een flink medelid van zullen maken. Wij moesten hem morgen met ons medenemen om lauweren te verwerven op onze tochten. Wij moeten zorgen hem tot onzen eigen roem op te voeden." De roovers waren het allen eens met hun kapitein; en om te toonen, dat ze mij reeds als een der hunnen beschouwden, behoefde ik van dit oogenblik af hen niet meer te bedienen. Zij herstelden juffrouw Leonarda in de betrekking, die men haar ontnomen had om er mij mee te belasten. Ze lieten mij van mijn kleeding ontdoen, die uit een eenvoudige, versleten priesterrok bestond, en ze tooiden me met de achtergelaten kleederen van een edelman, kort tevoren bestolen. Na dit alles hield ik mij gereed voor mijn eersten veldtocht.
HOOFDSTUK VIII
Gil Blas vergezelt de dieven. Welke heldendaad hij verricht op den openbaren weg.
't Was op het einde van een Septembernacht, dat ik met de roovers het onderaardsche gewelf verliet. Ik was evenals zij gewapend met een karabijn, twee pistolen, een zwaard en een bajonet en ik bereed een vrij goed paard, dat men aan denzelfden edelman ontnomen had, wiens kleeren ik aan had. Ik had zóó lang in de duisternis geleefd, dat de aanbrekende dag me in den beginne verblindde; maar langzamerhand begonnen mijn oogen zich aan het daglicht te gewennen. We gingen langs Pont-Ferrada, en legden ons in hinderlaag in een klein bosch, dat aan den grooten weg naar Léon grensde en in een gedeelte waar wij zonder zelf gezien te worden, alle voorbijgangers konden bespieden. Daar wachtten we tot het fortuin ons een goeden slag te slaan gaf, toen wij eensklaps een geestelijke van de orde der Dominikanen bemerkten, die, tegen de gewoonte dier goede paters in, een slechten muilezel bereed. "God zij geprezen," riep de kapitein lachende, "daar is het meesterstuk voor Gil Blas. Hij moet dien monnik berooven; nu zullen we eens zien hoe hij er dat afbrengt." Alle roovers oordeelden, dat ongetwijfeld deze zending mij toekwam en maanden mij aan er mij goed van te kwijten. "Heeren," zei ik tot hen, "gij zult tevreden zijn; ik zal dien priester zóó berooven tot hij zoo naakt is als mijn hand en ik zal u zijn muilezel hier brengen."
"Neen, neen," zei Rolando, "dat is de moeite niet waard; breng ons slechts de beurs van Zijne Eerwaarde; dat is alles wat we van je eischen."
"Ik zal dus," hernam ik, "onder de oogen mijner meesters mijn proefstuk leveren; ik hoop, dat ze mij met hun goedkeuring zullen vereeren."
Daarop verliet ik het bosch en stuurde op den geestelijke af, den hemel smeekende mij de daad te vergeven, die ik ging verrichten, want ik was nog niet lang genoeg bij de roovers om dit zonder tegenzin te bedrijven. Ik had op dat oogenblik wel graag willen ontsnappen, maar het meerendeel der roovers was nog beter bereden dan ik; als ze mij hadden zien vluchten zouden ze mij dadelijk achtervolgd hebben en spoedig ingehaald of misschien zouden ze hun karabijnen op mij gelost hebben, waarbij ik me zeer slecht zou hebben bevonden. Zoo'n roekeloosheid mocht ik dus niet wagen; ik ging naar den pater toe en vroeg hem zijn beurs, terwijl ik den loop van mijn pistool voor zijn neus hield. Dadelijk bleef hij staan en nam me van het hoofd tot de voeten op, hij was niet erg geschrokken, maar voegde mij toe: "Mijn kind, gij zijt nog erg jong; je begint reeds vroeg een slecht bedrijf uit te oefenen."
"Pater", antwoordde ik, "hoe slecht het ook moge zijn, zou ik willen het reeds vroeger te zijn begonnen."
"O mijn zoon," hernam de goede geestelijke, die zich wel wachtte de eigenlijke beteekenis mijner woorden te begrijpen, "wat zegt gij? welk een verblindheid! laat ik u eens duidelijk den ongelukkigen toestand uitleggen.... "
"O, pater," hernam ik haastig, "geen zedepreeken als het u belieft, ik kom hier niet om sermoenen aan te hooren; daar is het trouwens niet om begonnen: ik wil geld."--"Geld?" vroeg hij verwonderd; "gij schijnt een slecht oordeel te hebben van de Spaansche weldadigheid als gij meent, dat menschen van mijn stand geld noodig hebben om door Spanje te reizen. Bedrieg u niet. Men ontvangt ons overal vriendelijk; men herbergt en voedt ons, en men vraagt slechts gebeden in ruil. Daarom hebben wij nooit geld bij ons; wij geven ons over aan de Voorzienigheid." "O, neen," viel ik hem in de rede, daar geeft ge u niet aan over; ge hebt altijd van die lieve goudstukjes bij u om nog zekerder van de Voorzienigheid te zijn. Maar, mijn vader," ging ik verder, "laat ons eindigen, mijn kameraden, die daar in het bosch zijn, worden ongeduldig; gooi dadelijk uw beurs op den grond, of ik dood u."
Bij deze dreigende woorden, scheen de geestelijke toch voor zijn leven bevreesd te zijn. "Wacht", zij hij, "ik zal je tevreden stellen als het dan toch eenmaal moet. Ik zie wel, dat bij jullie de welsprekendheid nutteloos is." Dit zeggende trok hij van onder zijn kleed een groote kemelsleeren beurs te voorschijn, die hij op den grond liet vallen. Daarop zei ik hem, dat hij zijn weg kon vervolgen, wat hij mij niet tweemaal zeggen liet. Hij drukte de flanken van zijn muilezel die mijn oordeel over hem, (want ik vond hem niet beter dan die van mijn oom) logenstrafte door eensklaps een goeden draf er in te zetten. Terwijl hij zich verwijderde, steeg ik af; ik raapte de beurs op, die mij heel zwaar leek, daarna steeg ik weer op en bereikte snel het bosch, waar de roovers me met ongeduld wachtten om me te feliciteeren, alsof de overwinning die ik behaald had, mij veel had gekost. Ternauwernood lieten ze mij den tijd van het paard af te komen, zóó haastten zij zich mij te omhelzen, "Goed, Gil Blas," zei Rolando, "gij hebt daar iets buitengewoons verricht. Ik heb je gedurende je tocht voortdurend gade geslagen, ik heb op je houding gelet; ik voorspel je, dat je een uitstekende straatroover zult worden, of ik weet er niets meer van." De luitenant en de anderen juichten deze voorspelling toe en verzekerden mij, dat ik haar zeker een of anderen dag tot waarheid zou maken. Ik bedankte hen voor de goede opinie, die ze van mij hadden en beloofde hun alles te doen om deze te handhaven.
Nadat zij mij te meer hadden geprezen waar ik het minder verdiende kwam het hun opeens in den zin den buit te bezichtigen, waarmede ik was terug gekeerd. "Laten we eens zien, wat er in de beurs van den geestelijke is," zeiden zij. "Zij zal wel goed gevuld zijn," vervolgde een hunner, "want die goede paters reizen niet als pelgrims," De kapitein wikkelde de beurs los, opende haar en haalde er twee of drie handenvol kleine koperen medailles uit, waartusschem eenige scapuliers. Op het gezicht van zulk een vreemdsoortigen buit, barstten de roovers in een onbedaarlijk gelach uit.
"Lieve God", riep de luitenant uit, "wij zijn wel veel verplicht aan Gil Blas, die als proefstuk een zoo heilzamen roof voor ons heeft gedaan." Deze aardigheid wekte andere op van hetzelfde allooi. De booswichten begonnen zich over dit onderwerp vroolijk te maken. Meer dan één pijl schoten ze af, die ik hier niet kan herhalen, maar die ten volle de laagheid hunner zeden kenmerkte. Ik alleen lachte niet. 't Is waar, dat die spotters mij er den lust toe benamen, door zich ten mijnen koste te vermaken. Ieder gaf me een steek en de kapitein voegde me toe: "Mijn hemel, Gil Blas, ik raad je in gemoede je niet meer met monniken in te laten; zij zijn te slim, te sluw voor jou".
HOOFDSTUK IX
Welke ernstige gebeurtenis op dit avontuur volgde.
Wij bleven het grootste gedeelte van den dag in dat bosch zonder een enkelen reiziger te zien, die voor den geestelijke zou kunnen betalen. Eindelijk gingen wij er uit om naar het onderaardsche gewelf terug te keeren, onze heldendaden besprekende en het belachelijk geval, dat nog steeds het onderwerp van ons onderhoud uitmaakte, toen we in de verte een koets ontdekten met vier muilezels bespannen.
Het rijtuig kwam in flinken draf op ons af en werd begeleid door drie mannen te paard, die mij goed gewapend schenen en goed voorbereid ons te ontvangen indien we moedig genoeg waren hen aan te vallen. Rolando liet de troep stilhouden om daarover te beraadslagen en de uitslag was, dat tot den aanval werd besloten. Dadelijk stelde hij ons op, zooals hij dat goedvond en we gingen slagvaardig op de koets af. Niettegenstaande de toejuichingen die ik in het bosch had ontvangen, voelde ik mij geweldig beven en weldra werd mijn geheele lichaam zóó door koud zweet bedekt, dat ik me niets goeds voorspelde. Tot overmaat van geluk liep ik aan het hoofd der troep, tusschen den kapitein en den luitenant, die mij daar hadden geplaatst om mij maar dadelijk aan het vuur te gewennen. Rolando, die mijn angst bemerkte, keek me van terzijde aan, en zei op kwaden toon: "Luister, Gil Blas, denk er aan je plicht te doen, ik waarschuw je, als je terugwijkt jaag ik je een kogel door je hoofd."
Ik was te zeer ervan overtuigd, dat hij zou doen wat hij zei, om die waarschuwing in den wind te slaan; daarom beval ik slechts mijn ziel aan God, daar ik nu den eenen kant niet minder had te vreezen dan den andere. Intusschen kwamen de koets en de ruiters al dichterbij; zij zagen welk soort lui wij waren, en daar zij ons plan aan onze houding raadden, hielden zij op geweerschotsafstand stil. Zij hadden evengoed als wij, karabijnen en pistolen bij zich. Terwijl zij zich gereed maakten ons het hoofd te bieden, stapte er uit de koets een welgemaakt, rijk gekleed man. Hij steeg op een los paard door een der ruiters bij den teugel gehouden en stelde zich aan het hoofd der anderen; tot wapen had hij slechts zijn zwaard en twee pistolen. Hoewel ze slechts vier tegen negen waren, want de koetsier bleef op den bok, gingen zij met een zekerheid vooruit, die mijn angst nog verergerde. Ik liet echter niet na, hoewel over alle leden bevend, mij gereed te houden tot vuren; maar om de dingen te vertellen, zooals ze zijn, moet ik bekennen, dat ik mijn oogen sloot en mijn hoofd afwendde, toen ik mijn karabijn afvuurde, zoodat de manier waarop ik aftrok, mij die daad niet op het geweten laadde.
Ik zal niet uitweiden over die handeling: hoewel ik er bij tegenwoordig was, zag ik niets en mijn angst, die mijn verbeelding benevelde, verborg mij het vreeselijke van het schouwspel zelve, dat mij schrik aanjoeg. Alles wat ik ervan weet, is, dat na een groot gerucht van geweervuur, ik mijn metgezellen luidkeels hoorde roepen: "Victorie! Victorie!" Bij dien uitroep verdween de verstijving, die zich van mijn zinnen had meester gemaakt, en zag ik de vier ruiters levenloos op het slagveld liggen. Van onze zijde hadden we slechts één doode; een onzer ruiters had een kogel in de rechterknieschijf gekregen. Ook de luitenant was gewond, doch slechts heel licht, daar de kogel slechts de huid had geschaafd.