De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 29
Zij bemerkte de verovering, die zij gemaakt had. Ik wilde haar troosten over de trouweloosheid van haar echtgenoot en zond haar ook verschillende brieven, die ze beantwoordde met de mededeeling, dat haar man gewoon was elken avond bij zijn maitresse te soupeeren. Het was duidelijk, wat dat bericht te beteekenen had en ik was 's avonds aan haar venster, waar wij een lang en teeder onderhoud hadden. Bij het scheiden spraken wij af, dat ik de volgende avonden zou terugkomen. Deze ontmoetingen waren mij echter niet voldoende en ik wilde trachten op een andere plaats samen te komen. Van plan haar dit mee te deelen, zag ik 's avonds in de straat een man, die mij nauwkeurig opnam. Het was, zooals later bleek, de echtgenoot van Violante, die vroeger dan gewoonlijk van zijn maitresse teruggekomen en iemand voor zijn huis ziende, argwaan kreeg. Ik kende dien heer niet en hij kende mij niet. Na eenig nadenken ging ik naar hem toe en zei: "Mijnheer, zoudt u zoo goed willen zijn, de straat eenigen tijd voor mij vrij te laten, ik ben gaarne tot wederdienst bereid." Hij antwoordde mij, dat hij mij een zelfde verzoek wilde doen, hij moest twintig huizen verder zijn, waar een meisje woonde, dat hij liefhad, maar dat streng door haar broeder bewaakt werd. "Dan behoeven wij elkaar niet te storen," merkte hij op, groette en ging weg.
Na eenigen tijd verscheen Violante op het balcon; ik drong er op aan, dat zij mij ergens een rendez-vous zou toestaan. Zij scheen daarop voorbereid geweest te zijn, want zij haalde een briefje uit haar zak en wierp mij dit toe. Nadat wij nog eenigen tijd gesproken hadden, ging zij weer naar binnen, want de tijd naderde, waarop haar man gewoon was thuis te komen.
Op korten afstand van het huis ontmoette ik den vreemdeling weer, die mij vroeg of ik tevreden was, waarop ik antwoordde, dat ik alle reden daartoe had. Hij vertelde mij daarop, dat ik dan gelukkiger was geweest dan hij; al dien tijd had hij tevergeefs voor het huis van zijn schoone heen en weer geloopen.
We bleven nog eenige oogenblikken in gesprek en spraken af, dat wij elkaar den volgenden morgen op de groote markt zouden ontmoeten.
Hij was daar op tijd en begon mij een lang verhaal te doen van zijn liefde, waardoor hij mijn vertrouwen uitlokte en ik hem alles omtrent Violante meedeelde; ook las ik hem het briefje voor, dat ik van haar had gekregen. Dit luidde:
"Morgen ga ik dineeren bij dona Inès. Ge weet, waar ze woont en in het huis van deze trouwe vriendin wil ik een samenkomst met u hebben. Ik kan u deze gunst, die gij waardig schijnt te zijn, niet langer weigeren."
Hij wenschte mij geluk met mijn succes. Wat er verder gebeurde weet ik niet; maar nauwelijks was ik met Violante samen in het huis van dona Inès, of er werd hard aan de deur geklopt. Men vermoedde, dat het don Balthazar was en noodzaakte mij door een achterdeur te vluchten. Zeer ontevreden over den afloop van dit avontuur, liep ik 's middags in de stad rond, toen ik den vreemdeling weer ontmoette, die mij vroeg of ik bij dona Inès gelukkige oogenblikken had doorgebracht; waarop ik hem mededeelde, wat er gebeurd was. Ik verzekerde hem echter, dat ik mij niet uit het veld zou laten slaan en dat ik 's avonds weer voor het huis van mijn geliefde zou zijn, waarin ze mij zou binnen laten, indien het terrein vrij was. Echter gaf ik mijn voornemen te kennen, om twee of drie vertrouwde vrienden mee te nemen, die ons zouden behoeden voor een overrompeling. Mijn nieuwe vriend gaf mij daarin gelijk en bood zich zelf aan, ook zou hij nog een vertrouwden kennis meenemen, een ware Caesar, die veel van zulke avonturen hield. Zeer dankbaar voor die bereidwilligheid, nam ik het aanbod aan.
Daarop ging ik Lamela opzoeken, wien ik mijn wedervaren meedeelde. Hoewel ook hij wel een weinig verwonderd was over de groote bereidwilligheid van mijn nieuwen vriend, had hij evenmin achterdocht dan ik. Wij liepen met open oogen in den val. Voor een paar slimme vogels zooals wij, moet ik wel zeggen, dat dit eigenlijk onvergeeflijk was.
Ambrosius en ik verschenen 's avonds, gewapend met goede rapieren en troffen de twee andere heeren op eenigen afstand van Violante's huis aan. Don Balthazar stelde mij zijn zwager voor en zei: "Dit is de edelman, wiens dapperheid ik tegenover u geroemd heb. Ga nu naar uwe minnares en geniet zonder zorg van uw geluk." Ik klopte en werd binnen gelaten. Op hetgeen achter mij gebeurde lette ik niet, ik liep door naar een zaal, waar de schoone dame mij wachtte. De twee verraders echter waren mij gevolgd en hadden de buitendeur zoo snel weer gesloten, dat Lamela alleen op straat bleef staan. Eenmaal in huis zijnde, riepen ze mij toe, dat ik verloren was, want dat zij don Balthazar en zijn zwager waren. Maar ge begrijpt wel, dat men met mij niet zoo gemakkelijk gewonnen spel had. Ik verweerde mij zoo heftig, dat zij misschien berouw kregen over deze wijze van wraak nemen. Ik had het geluk den echtgenoot te doorsteken, waarop de zwager de vlucht nam, door de buitendeur, welke was opengemaakt door Violante en de oude dienstbode, die mij had binnengelaten en met haar was weggesneld, zoodra zij zag, dat wij begonnen te vechten.
Met Lamela ging ik naar ons logement; wij namen mee, wat wij aan waarde bij ons hadden, bestegen onze muilezels en gingen 's nachts nog de stad uit. We begrepen wel, dat deze zaak gevolgen kon hebben en dat men in Toledo nasporingen zou doen, die wij maar liever moesten ontvluchten.
Den volgenden dag waren wij in Villarubia. We bleven er om uit te rusten en tegen den avond kwam er een koopman uit Toledo aan, die met ons mee soupeerde en ons den tragischen dood van den echtgenoot van Violante vertelde. Hij deelde ons mee, dat men de schoone vrouw overal zocht en dat de rechter, die een bloedverwant van don Balthazar was, niets onbeproefd zou laten, om de moordenaars op te sporen.
Daar wij in dit gedeelte van het land dus niet veilig waren, besloten wij ons, langs een omweg, naar Aragon te begeven. In de bergen bij Cuença kende Ambrosius goed den weg. Hij was er zes jaren geleden ook geweest en had er toen een ouden kluizenaar ontmoet, die hem met veel liefde in zijn grot had opgenomen. Nu wij toch in de nabijheid waren, wilde hij dien ouden man gaan opzoeken. Ik bleef in de nabijheid op het mos uitrusten. Na een korten tijd kwam Lamela mij halen; ik volgde hem naar een grot, waar een grijsaard lag uitgestrekt, bleek en stervende. Met zachte stem zei hij:
"Wie ge ook moogt zijn, mijn broeders, leert van hetgeen zich nu aan uw blikken toont. Veertig jaar heb ik in de wereld geleefd en zestig jaar in de eenzaamheid. En op dit oogenbik schijnt mij den tijd, welken ik aan mijn genoegens heb gegeven lang en dien, welken ik aan boetedoening besteedde, kort. Helaas! ik vrees, dat het leven van den kluizenaar broeder Juan de zonden niet heeft schoon gewasschen van don Juan de Solis."
Nauwelijks had hij die woorden uitgesproken, of hij gaf den geest. Wij waren zeer getroffen door zijn dood. Zelfs op de grootste vrijgeesten maken zulke oogenblikken indruk. Spoedig echter waren wij dit weer vergeten en wij begonnen den inventaris op te maken, waaraan wij, zooals ge wel zult hebben gezien, niet veel werk hadden, aan eetwaren vonden wij alleen een paar stukken hard brood en eenige noten.
Op tafel lag een stuk papier, gevouwen als een brief, waarin de oude man hem, die deze regels zou lezen, verzocht, na zijn overlijden, zijn rozenkrans en sandalen naar den bisschop van Cuença te brengen. Wat dezen ouden vader kon hebben bewogen die voorwerpen aan den geestelijke te willen schenken, konden wij niet raden.
Nadat wij een groot gat hadden gemaakt, om den kluizenaar te begraven, kwam Lamela op een aardigen inval. Hij stelde mij voor, dat ik mij zou verkleeden en voor broeder Juan spelen en dat hij broeder Ambrosius zou wezen. We waren dan zeker, dat men ons spoor niet zou vinden en hij had kennissen in Cuença, die ons wel verder zouden helpen. Ik juichte dat denkbeeld toe en den volgenden morgen vroeg ging Lamela op weg, hij verkocht onze muilezels te Toralva, kwam 's avonds terug met levensmiddelen en valsche baarden en pijen om ons te vermommen.
Na drie dagen, waarin wij niemand zagen, kwamen er twee boeren, die brood, kaas en uien brachten. Het was halfdonker in ons verblijf en ik bootste de stem van vader Juan na, zoodat zij mij niet herkenden. Wel waren zij eenigszins verwonderd, nu twee personen te vinden, maar Lamela, die dat merkte, voorkwam hen. Hij zei, dat hij een kluizenaar was uit Aragon, maar zijn woning had verlaten, om den eerbiedwaardigen broeder Juan, die oud werd, gezelschap te blijven houden. De boeren prezen broeder Ambrosius om zijn hulpvaardigheid en waren er trotsch op, dat ze nu twee heilige mannen in hun streek hadden.
Lamela, die van de natuur een vroom gezicht had gekregen en de begaafdheid bezit om op het gemoed van christelijke zielen te werken, ging met een grooten bedelzak naar de stad Cuença, die iets minder dan een mijl ver lag, en deze kwam gevuld terug. "Maar ik heb nog andere dingen gedaan," zei hij. "Ik heb een nimf ontmoet, Barbe, die ik vroeger bemind heb. Zij is zeer veranderd, evenals wij is zij devoot geworden en woont samen met drie andere schijnheilige zusters, die onder elkaar een prettig leven leiden. Zij herkende mij eerst niet en toen ik haar mijn naam noemde, drukte zij groote verwondering er over uit, mij in zulk een kleed te zien. "Door welk avontuur zijt gij kluizenaar geworden?" vroeg zij. Ik antwoordde, dat het verhaal een beetje te lang was om het dadelijk te doen, maar dat ik den volgenden dag haar nieuwsgierigheid zou bevredigen en dan broeder Juan zou meebrengen. Ze viel mij in de rede: "Wat? Broeder Juan, die goede kluizenaar, die dichtbij de stad woont? Hoe komt ge daarbij? Men zegt, dat hij wel honderd jaar oud is." "'t is waar," antwoordde ik, "maar sedert eenige dagen is hij veel jonger geworden, zooals ge zult zien." Barbe, die wel begreep, dat er een geheim onder schuilde, zei, dat hij maar moest meekomen.
Den volgenden dag bezochten wij de vrome zusters, die ons met een goede tafel ontvingen. Wij ontdeden ons van onze vermomming, bleven bijna den geheelen nacht aan tafel, amuseerden ons uitstekend en keerden eerst tegen den morgen naar onze grot terug. Wij herhaalden dat bezoek dikwijls, maar er schijnt iets uitgelekt te zijn, althans de politie komt heden ons kluizenaarsverblijf met een bezoek vereeren, om zich van onze personen te verzekeren. Toen Lamela gisteren in Cuença was, ontmoette hij een van de zusters en deze zei hem: "Een vriendin van mij heeft me dezen brief geschreven, dien ik u door een bode wilde laten brengen. Toon hem aan broeder Juan en neem uwe maatregelen daarnaar." Het is deze brief, heeren, door Lamela mij in uw bijzijn overhandigd, welke ons heeft doen besluiten, onze eenzame woning te verlaten."
HOOFDSTUK II
De beraadslaging, die don Raphaël en zijn hoorders samen hielden en het avontuur, dat hen overkwam, toen zij het bosch wilden verlaten.
Toen don Raphaël had opgehouden met het vertellen van zijn geschiedenis, welk verhaal mij een weinig lang had geschenen, bedankte uit beleefdheid don Alphonse hem ervoor met de betuiging, dat hij ons zeer veel genoegen had gedaan.
Daarna nam Ambrosius het woord en zei tot zijn kameraad: "Don Raphaël, denk eraan, dat de zon ondergaat. Het is tijd om te beraadslagen, wat wij te doen hebben. Wat mij betreft, meen ik, dat wij dadelijk moeten opbreken, vannacht Reguena moeten probeeren te bereiken en dan morgen naar Valencia gaan, waar wij ons handwerk kunnen aanvangen. Ik heb een voorgevoel, dat wij daar een goeden slag zullen slaan." Zijn vriend, die dit voorgevoelen onfeilbaar achtte, stemde toe. Wat don Alphonse en mij betreft, wij lieten ons door de anderen leiden.
Er werd dus besloten, dat wij den weg naar Requena zouden inslaan en wij maakten ons daartoe gereed.
Daar het donker was, moesten wij voorzichtig loopen, om het bosch uit te komen. Wij hadden nauwelijks een paar honderd pas gedaan, of wij ontdekten tusschen de boomen een licht. "Wat zou dat beteekenen?" vroeg don Raphaël. "De justitie van Cuença zal ons toch niet op het spoor zijn?" "Ik geloof het niet," zei Ambrosius; "het zijn, denk ik, reizigers. De nacht zal hen hebben overvallen en nu wachten ze zeker in het bosch den morgen af. Maar ik kan mij vergissen, dus zal ik gaan verkennen, wat het is. Blijft alle drie hier, ik ben in een oogenblik terug." Bij die woorden ging hij onhoorbaar in de richting van het licht, dat niet ver meer verwijderd was. Rondom een vuur zag hij vier mannen zitten, die juist klaar schenen met eten en een wijnflesch lieten rondgaan. Op eenigen afstand waren een heer en een dame aan boomen vastgebonden en stond een draagkoets met twee muilezels. Die vier roovers schenen allen evenveel lust te hebben, om de dame te bezitten, die in hunne handen was gevallen, en spraken er over om het lot te laten beslissen. Lamela kwam ons dat alles vertellen.
"Heeren," zei don Alphonse, "die heer en dame, welke de roovers aan boomen hebben vastgemaakt, zijn misschien personen van hoogen stand. Zullen wij toestaan, dat zij de slachtoffers worden van de brutaliteit en de barbaarschheid van deze struikroovers? Wij moeten die bandieten verslaan."--"Ik ben het met u eens," zei don Raphaël. "Tot een goede daad ben ik even bereid als tot een slechte." Ambrosius betuigde daarmee in te stemmen, en ik durf zeggen, dat het gevaar mij bij deze gelegenheid niet afschrikte.
Om de waarheid te zeggen, was het gevaar niet groot, daar Lamela ons gerapporteerd had, dat de wapens van de dieven allen op een hoop lagen, op tien of twaalf passen afstands van hen. Dus was het ons niet moeilijk ons plan te volvoeren. Ons paard bonden wij aan een boom en zonder geraas naderden wij de plaats, waar de roovers zaten. Zij spraken luid en dus was het ons gemakkelijk ons ongestoord van hun wapenen meester te maken, hen daarna te overvallen en neer te schieten.
Gedurende dat werk was echter het vuur uitgegaan en wij bevonden ons in de duisternis, wat ons echter niet belette, om den heer en de dame los te maken, die zoo verschrikt waren, dat ze niet eens de kracht hadden, om ons te bedanken voor hetgeen wij voor hen hadden gedaan. 't Is waar, dat zij nog niet wisten, of zij ons als hunne bevrijders moesten beschouwen, of dat ze in handen van andere roovers waren gevallen. Wij stelden hen echter gerust en beloofden hen naar een hotel te brengen, dat, naar Ambrosius verzekerde, niet ver weg lag. Daar konden zij dan alle noodige voorzorgen nemen om veilig verder te gaan. Na die verzekering schenen zij gerust, ze stapten weer in, wij maakten ook de paarden van de roovers los, die wij meenamen en nadat de twee ex-kluizenaars nog de zakken van de gevallen bandieten hadden doorzocht, begaf de stoet zich op weg.
Het duurde nog wel twee uur, voor wij bij het hotel aankwamen, waar alles in diepe rust was. Wij klopten hard aan de deur en nadat de waard gezien had, dat wij met een rijtuig aankwamen, was dadelijk het geheele huis verlicht. Don Alphonse hielp de dame uitstijgen. Wij waren niet weinig verwonderd, toen wij een oogenblik later vernamen, dat het de graaf de Polan en zijne dochter Séraphine waren, die wij bevrijd hadden. Men kan zich denken hoe die dame en niet minder hoe don Alphonse verrast was, toen zij elkaar herkenden. De graaf lette er niet op, zoo was hij bezig met andere zaken. Hij vertelde ons hoe de roovers zijn dochter en hem hadden aangegrepen, nadat ze zijn postiljon, een page en een knecht hadden gedood. Hij betuigde ons zijn groote dankbaarheid en hij noodigde ons uit hem in Toledo, waar hij over een maand zou zijn, te komen bezoeken, opdat hij die zou kunnen toonen.
De dochter bedankte ons eveneens voor haar gelukkige bevrijding en daar Raphaël en ik meenden, dat wij don Alphonse een genoegen zouden doen door hem in de gelegenheid te stellen een oogenblik met de jonge weduwe te spreken, wisten wij den graaf zoolang bezig te houden.
"Schoone Séraphine," zei de jongeman zacht, "ik beklaag mij niet meer over het lot, dat mij veroordeeld heeft als een banneling uit de beschaafde wereld te leven, omdat het mij in de gelegenheid heeft gesteld mee te werken tot den gewichtigen dienst, welke u bewezen is." Zuchtend antwoordde zij: "Gij zijt het dus, die mij het leven en de eer heeft gered; aan u zijn mijn vader en ik zooveel verschuldigd. O, don Alphonse, waarom hebt gij mijn broeder gedood?" Ze zeide niet meer, maar hij begreep voldoende door die woorden en door den toon, waarop ze werden uitgesproken, dat hij bemind werd.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL
VERKLARINGEN
blz. 1. _stulte_.... dwazelijk zal hij zijn eigen geweten ontblooten.
blz. 14. _Antaeus_, een reus, zoon van Gaia, de aarde, die hem telkens wanneer hij met haar in aanraking kwam, nieuwe krachten schonk. Herakles overwon hem door hem op te heffen en hem, terwijl hij in de lucht zweefde, dood te drukken.
blz. 19. _Aeneas_. De held van Virgilius' dichtwerk van dien naam. Bij zijn vlucht uit Karthago liet hij zijn geliefde, de koningin Dido, achter.
blz. 27. _Ganymedes_, de schenker der goden, een schoone knaap, die door Zeus in de gedaante van een adelaar geroofd en naar den Olympus gebracht werd.
blz. 39. _Orpheus_, vermaard Grieksch zanger, die zelfs Cerberus, den hond die den ingang der onderwereld bewaakte, door zijn gezang verteederde.
blz. 62. _Seneca_, Romeinsch wijsgeer.
blz. 92. _Menelaus_, echtgenoot van de schoone _Helena_, die door den Trojaanschen koningszoon _Paris_ werd geschaakt.
blz. 106. _Hippocrates_, beroemd Grieksch arts.
blz. 156. _Argos_, een honderd-oogig wezen dat Io, een geliefde van Zeus moest bewaken.
blz. 168. _Pluto_, god van den rijkdom.
blz. 214. _Phedrus_, Romeinsch fabeldichter.
blz. 216. _Adonis_, geliefde van de godin der schoonheid Venus.
blz. 222. _Hecate_, godin van den nacht, het duistere en geheimzinnige, zij werd afgebeeld in drievoudige gedaante.
blz. 242. _Priamos_, de koning van Troje. Hij bezat 50 zonen en 50 dochters.
blz. 345. _Chevalliers d'Industrie_, fortuinzoekers, oplichters.
AANTEEKENINGEN
[1] Dit was bij de Ouden de God van het stilzwijgen.
[2] Campanoria = klokkenspel.
[3] De Buena Garra = van den goeden greep. De Cordel = van het koord.
[4] De Moyadas = van de bevochtiging.
[5] De la Membrilla = van de zachte kweepeer.
[6] Dit woord is samengesteld uit twee Perzische woorden, welke door de Turken zijn overgenomen en die men vertalen kan door beminnelijke coquetterie.
[7] Astuto = geslepen.