De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 24

Chapter 244,277 wordsPublic domain

Ik luisterde, zonder veel aandacht aan hunne woorden te schenken, want deze boezemden mij weinig belang in. Na een oogenblik verliet ik het hotel en vervolgde mijn weg. Nog geen kwart mijl had ik afgelegd, toen ik een jongen man ontmoette, zeer flink gebouwd en die op een kastanjebruin paard reed. "Dat is bepaald de man, dien de politieagenten zoeken," zei ik bij mezelf, "ik zal hem helpen." "Mijnheer," zei ik, "sta mij toe u te vragen, of ge niet betrokken zijt in een zaak van eer." Zonder mij te antwoorden keek de jonge man mij aan, hij scheen verbaasd over mijn vraag. Ik verzekerde hem, dat het niet uit nieuwsgierigheid was, dat ik die woorden tot hem had gericht. Hij werd daarvan overtuigd, toen ik hem meedeelde wat ik in het hotel had gehoord. "Edelmoedige onbekende," zei hij, "ik kan niet ontkennen, dat ik reden heb om te vermoeden, dat men mij zoekt, dus zal ik een anderen weg inslaan, om hun te ontkomen." "Mijn meening is," zei ik, "dat we een plaats moeten zoeken, waar ge veilig zijt en waar we ook het onweer kunnen afwachten, dat dreigende is." We zagen een laan, die ons naar den voet van een berg voerde, waar we het verblijf van een kluizenaar ontdekten. Het was een groote en diepe grot, die de tijd in den berg gemaakt had. Menschenhanden hadden er een af dak aan gebouwd van stukken rots en schelpen, het geheel met gras begroeid. De omgeving was bezaaid met welriekende bloemen en vlak bij de grot ontsprong een beekje. Voor de opening stond een oude man, met een witten baard, geleund op een stok; in zijn andere hand hield hij een rozenkrans van minstens 20 tientallen kralen. "Vader," zei ik tot hem, "wij vragen u een schuilplaats voor het onweer, dat ons dreigt." "Komt mijne kinderen," zei hij, na mij opmerkzaam te hebben aangezien; "deze kluizenaarswoning staat voor u open en ge kunt er blijven zoolang ge wilt. Ook voor uw paard is er plaats." Wij volgden den grijsaard.

Nauwelijks waren wij binnen, of de regen viel bij stroomen en er klonken verschrikkelijke donderslagen. De kluizenaar viel op de knieën voor een heiligenbeeld en wij volgden zijn voorbeeld. Het onweer bedaarde intusschen en wij stonden op, maar daar het nog regende en het al laat was, zei de oude man: "Kinderen, ik raad u aan, om niet meer op weg te gaan, tenzij het dringend noodig mocht zijn." Wij zeiden hem, dat dit niet het geval was en dat we gaarne bij hem zouden overnachten, indien we hem daarmee geen last aandeden. "Mij doet ge geen last aan," antwoordde hij; "ge moet alleen u zelf beklagen, omdat ik u geen betere slaapplaats en niet dan een zeer sober avondmaal kan aanbieden."

De heilige man liet ons daarna aan een tafel plaats nemen en bood ons eenige knollen aan, met een stuk brood en een kruik water. "Dit is mijn gewone maaltijd," zei hij, "terwille van u zal ik er heden iets ongewoons aan toevoegen;" hij haalde een stuk kaas en legde een paar handen noten op de tafel. De jonge man, die geen eetlust scheen te hebben, deed het eten weinig eer aan. "Ik merk," zei de kluizenaar, "dat gij gewoon zijt aan betere tafels aan te zitten dan de mijne, of liever, dat uw natuurlijke smaak bedorven is. Ik heb, als gij, in de wereld geleefd. De fijnste gerechten waren mij niet goed genoeg; maar sinds ik in de eenzaamheid leef, heeft mijn smaak alle zuiverheid teruggekregen. Ik lust nu alleen wortelen, vruchten, melk; in één woord wat het voedsel uitmaakte van onze eerste vaderen."

Terwijl hij zoo sprak, verviel de jonge man in een diep gepeins. De kluizenaar merkte het. "Mijn zoon," zei hij, "uw geest is gedrukt, open uw hart voor mij. Het is niet uit nieuwsgierigheid, dat ik dit vraag, het is alleen medelijden, dat mij beweegt. Ik ben op een leeftijd om raad te geven en gij verkeert in een toestand, dat ge daaraan behoefte hebt." "Ja vader," antwoordde hij zuchtend, "gij hebt gelijk en ik geloof, dat ik geen gevaar loop, wanneer ik u mijn vertrouwen schenk." De jonge man begon te vertellen.

HOOFDSTUK X

Geschiedenis van don Alphonse en van de schoone Seraphine.

Ik zal u niets verbergen, vader, noch mijn metgezel, die mij zoo edelmoedig heeft geholpen. Ziehier mijn afkomst. Ik kom van Madrid. Een officier van de Duitsche garde, genaamd baron von Steinbach, merkte, toen hij op een avond thuiskwam, aan den voet van de trap een pak wit linnen. Hij nam het op en bracht het in de kamer van zijn vrouw, waar hij zag, dat het een pasgeboren kind was, zeer zindelijk gekleed, met een briefje, waarin men verzekerde, dat het aan voorname lieden behoorde, die zich eens kenbaar zouden maken en men voegde er aan toe, dat het kind gedoopt was en Alphonse heette. Ik ben dat ongelukkige kind en dat is alles wat ik weet. Mijn moeder ken ik niet, ik weet niet of zij mij te vondeling heeft gelegd om een ongeoorloofde liefdesbetrekking te verbergen, of, dat ze verleid is en genoodzaakt werd mij te verloochenen.

Hoe het zij, de baron en zijn vrouw waren getroffen door mijn lot en daar ze geen kinderen hadden, besloten ze mij op te voeden onder den naam van Alphonse. Naarmate ik ouder werd, voelden zij zich meer tot mij aangetrokken. Ze besteedden al hun zorg aan mijn opvoeding en, inplaats van ongeduldig te verlangen naar den tijd, dat mijn ouders zich bekend zouden maken, scheen het wel of ze wenschten, dat het geheim van mijn geboorte nooit zou worden opgehelderd. Zoodra ik in staat was de wapenen te dragen, liet de baron mij in dienst gaan en om mij aan te sporen gelegenheden te zoeken om roem te behalen, zeide hij, dat deze loopbaan openstond voor iedereen en dat mijn naam des te roemrijker zou worden, daar ik het alleen aan mijzelf te danken zou hebben. Ik ging te Madrid voor zijn zoon door en had zelf ook geloofd dat te zijn, tot hij mij van mijn geboorte had gesproken. Deze ontdekking deed mij veel pijn en ik beken, dat ik er nog niet zonder schaamte aan kan denken.

Ik ging dienen in Nederland, maar de vrede werd korten tijd later gesloten en daar Spanje op dat oogenblik geen vijanden maar wel benijders had, ging ik terug naar Madrid, waar ik opnieuw door den baron en zijn vrouw met bewijzen van teederheid werd overladen. Ik was twee maanden terug, toen er op een morgen een kleine page in mijn kamer kwam, die mij een briefje gaf, dat ongeveer zóó luidde: "Ik ben niet leelijk en ook niet mismaakt en toch ziet ge mij vaak aan het venster, zonder dat ge tracht mij te naderen. Dat is weinig in overeenstemming met uw galant uiterlijk en ik ben er zoo door gebelgd, dat ik wel, om mij te wreken, u mijn liefde zou willen schenken".

Na dit briefje te hebben gelezen, twijfelde ik er niet aan of het was van een weduwe, die Léonore heette, over ons huis woonde en als zeer koket bekend was. Ik ondervroeg den kleinen page, die eerst zijn geheim bewaren wilde, maar voor een dukaat spoedig mijn nieuwsgierigheid bevredigde. Hij belastte zich zelfs met een antwoord, waarin ik haar bekende, dat het misdadig van mij was en dat zij al half gewroken was.

Ik was niet ongevoelig voor de verovering, die ik op zulke wijze had gemaakt. Het overige gedeelte van dien dag ging ik niet uit en ik zorgde er voor aan mijn raam te staan om naar de dame te kijken, die niet verzuimde om aan het hare te komen, Den volgenden morgen liet ze mij door haar kleinen page vragen, of ik 's nachts tusschen elf en twaalf uur in de straat wilde zijn; ik kon dan een onderhoud met haar hebben voor het venster van een benedenzaal. Hoewel ik niet zeer verliefd was op die al te toeschietelijke weduwe, liet ik haar weten, dat ik komen zou. Ik ging in het Prado wandelen tot het uur van onze samenkomst. Ik was nog niet op de plaats, toen een ruiter, die op een mooi paard reed, plotseling op den grond sprong, op mij toeliep en op korten toon zeide: "Mijnheer, zijt gij niet de zoon van baron von Steinbach?" "Ja," antwoordde ik. "Dus zijt gij het, die vannacht een onderhoud met Léonore moet hebben aan haar venster? Ik heb haar brieven gezien en uw antwoorden; haar page heeft ze mij getoond en ik heb u van uw huis af tot hier gevolgd, om u te zeggen, dat ge een medeminnaar hebt. Ik geloof niet, dat het noodig is, om u meer te zeggen. Wij zijn hier op een geschikt terrein, laat ons vechten of beloof me, dat ge van Léonore zult afzien. Zeg mij, dat ge uw wenschen zult opofferen, of ik zal u dooden!" "U hadt," zei ik, "moeten verzoeken inplaats van dreigen. Misschien had ik aan uw verzoek gevolg gegeven, maar uw dreigement vrees ik niet."

"Welnu," zei hij, na zijn paard te hebben vastgemaakt aan een boom, "laat ons dan vechten. Het voegt een persoon als ik ben niet om een man als u iets te vragen. De meesten van mijns gelijken zouden zich op een minder eervolle wijze hebben gewroken." Ik voelde mij door die laatste woorden beleedigd en ziende, dat hij het reeds had gedaan, trok ook ik mijn degen. Wij vochten zoo geducht, dat de strijd spoedig geëindigd was. Hetzij, dat hij al te verwoed was, hetzij, dat ik behendiger was dan hij, ik bracht hem weldra een stoot toe, die doodelijk was. Ik zag hem wankelen en vallen. Aan niets anders denkende dan aan vluchten, besteeg ik zijn eigen paard en sloeg den weg in naar Toledo. Ik durfde niet bij baron von Steinbach terugkeeren, daar mijn avontuur ongetwijfeld hem verdriet zou doen en denkende aan het gevaar, waarin ik verkeerde, kon ik niet gauw genoeg Madrid verlaten.

Tot den volgenden morgen reed ik door, maar tegen den middag moest ik ophouden om mijn paard te laten rusten en de ondragelijke warmte te ontgaan. In een dorpsherberg rustte ik om daarna mijn weg weder voort te zetten. Reeds was ik in Illescas, op twee mijlen afstand van Toledo, toen ik, tegen middernacht, werd overvallen door een onweer, ongeveer gelijk aan dat van heden. Ik naderde de muren van een tuin, die niet ver van mij af lag. Een deur ging open, toen ik er tegen duwde en ik zag een huis met een balcon, waar ik onder ging staan om mij te beschutten. Terwijl ik daar zoo stond, nam ik de omgeving op en werd mijn oog getroffen door een groot licht in het huis. Ik besloot binnen te gaan en om nachtverblijf te vragen. De deur was open en daar ik niemand zag, liep ik de gangen door, die een marmeren vloer hadden en een fraaie lambriseering. waaruit ik opmaakte, dat ik bij een grooten mijnheer was. Doorloopende kwam ik in een salon, waarvan de deur eveneens openstond. Hier bleef ik staan en nog altijd zag noch hoorde ik iemand. Door een zijdeur had ik het gezicht in eenige ineenloopende kamers, waarvan alleen de laatste verlicht was, "Wat moet ik doen?" zei ik toen bij me zelf. "Teruggaan, of zal ik brutaal genoeg zijn, om door te gaan tot in die kamer?" Na eenige aarzeling besloot ik tot het laatste. De kamer, waarin het licht brandde, was keurig gemeubileerd. Er stond een ledikant, waarvan de gordijnen half geopend waren. Er lag iemand in en naderkomende zag ik, dat het een jonge dame was, die, niettegenstaande het onweer, rustig sliep. Haar trekken en teint waren buitengewoon schoon. Terwijl ik mij het genoegen gunde haar in stilte te aanschouwen, werd zij wakker.

Stel u haar schrik voor, toen zij in haar kamer, midden in den nacht een man zag dien ze niet kende. Ze rilde en uitte een kreet van angst. Ik deed al mijn best om haar gerust te stellen, viel op mijn knie en zei: "Mevrouw, vrees niets; ik kom hier niet om eenig kwaad te doen." Ze was zoo verschrikt, dat ze niet wilde luisteren naar mijne verdere woorden. Ze riep haar dienstboden en haar jongere zuster, die zij onder haar hoede had, maar daar niemand haar antwoord gaf, nam ze een japon, die aan het eind van het bed lag, schoot die haastig aan en liep al roepende de kamers door. Niet anders verwachtte ik, dan dat het geheele personeel zou komen aansnellen en dat het voor mij wel eens kwaad zou kunnen afloopen, maar gelukkig voor mij, liet men haar roepen, Ten laatste kwam er een oude bediende aansnellen, maar wanneer die haar eenige hulp was, dan had ik weinig te vreezen. Door zijn tegenwoordigheid echter eenigszins gerustgesteld, vroeg ze mij op trotschen toon wie ik was en waarom ik de vrijmoedigheid had gehad in haar huis door te dringen. Ik begon mij te rechtvaardigen en ik vertelde haar, dat de deur had opengestaan. Daarop riep ze: "Hemel! Welk een verdenking komt er bij me op!"

Terwijl ze dit zei, nam ze een kandelaar van de tafel en begon weer al de kamers door te loopen, roepende, dat haar zuster en al hare dienstboden met al hun goed vertrokken waren. Daarop kwam zij bij mij terug en zei: "Waarom huichelt ge nu ook nog na het verraad? 't Is niet bij toeval, dat ge hier zijt binnengekomen, ge behoort tot het gevolg van Ferdinand de Leijva en hebt deel aan zijn misdaad. Maar hoop niet om te ontsnappen; er blijft mij nog hulp genoeg over om u gevangen te houden," "Mevrouw," zei ik, "verwar mij niet met uw vijanden. Ik ken don Fernand de Leijva niet; ik weet zelfs niet wie gij zijt. Ik ben een ongelukkige, die door een eerezaak verplicht is Madrid te verlaten en ik zweer u bij alles wat heilig is, dat ik hier niet zou zijn gekomen, wanneer het onweer mij niet had overvallen. Oordeel dus gunstiger over mij; inplaats van medeplichtig te zijn aan een misdaad jegens u, ben ik eerder bereid u te wreken." Die laatste woorden schenen haar gerust te stellen, zij keek mij niet meer zoo vijandig aan en begon te schreien. Die tranen wekten mijn medelijden voor haar op en mijn woede tegen hen, die haar kwaad hadden aangedaan. Ik riep uit: "Zeg mij wat ik doen moet! Moet ik don Fernand zoeken en hem het hart doorboren? Beveel mij slechts."

Mijn geestdrift scheen haar aangenaam te verrassen en droogde haar tranen. "Mijnheer," zei ze, "vergeef mij de verdenking, waartoe ik werd gebracht door den toestand, waarin ik mij bevind. Edele onbekende, vergeef Séraphine hare dwaling! Ik weiger uw hulp niet, al vraag ik u niet om den dood van don Fernand. De zaak is deze: don Fernand is verliefd op mijn zuster Julia, die hij bij toeval in Toledo heeft gezien, waar wij gewoonlijk wonen. Het is drie maanden geleden, dat hij haar hand heeft gevraagd aan mijn vader, graaf de Polan. Maar deze weigerde, omdat er een oude veete tusschen onze geslachten bestaat. Mijn zuster is nog geen vijftien jaar, zij zal zwak genoeg zijn geweest om den raad te volgen van mijn dienstboden, die zeker door don Fernand zijn omgekocht en deze, wetende dat wij alleen waren in dit landhuis, heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om Julia op te lichten. Ik zou zoo graag willen weten, waarheen ze gegaan zijn, dan kunnen mijn vader en mijn broeder, die de twee laatste maanden in Madrid zijn, hunne maatregelen nemen. Indien u de moeite zoudt willen doen in de omgeving van Toledo een onderzoek in te stellen, dan zoudt u mijn familie zeer verplichten." Ze scheen er niet aan te denken, dat de taak, welke zij mij opdroeg, slechts paste voor iemand, die trachten moest om Castilië zoo spoedig mogelijk te verlaten. Hoe zou zij er ook aan gedacht hebben? Ik vergat het zelf ook, gelukkig als ik was, dat ik de beminnelijkste vrouw, die ik ooit had gezien, van dienst kon zijn. Met vreugde nam ik dus haar opdracht aan en beloofde alles in het werk te stellen om mij daarvan behoorlijk te kwijten. Ik wachtte den dag niet af om met mijn onderzoekingen te beginnen, verzocht Séraphine nogmaals vergiffenis voor den schrik, welken ik haar had berokkend en verzekerde haar, dat ze zoo spoedig mogelijk bericht van mij zou ontvangen. Onderweg dacht ik na over de gevoelens, welke Séraphine bij mij had opgewekt, ik meende, dat zij mijn ontluikende liefde moest hebben bespeurd en dat ze die misschien niet zonder genoegen had gadegeslagen. Wanneer ik haar berichten omtrent haar zuster kon brengen en de zaak liep voor haar naar wensch af, dan stelde ik mij voor, dat ik daar alle eer van zou hebben." Hier brak Don Alphonse zijn verhaal af en zei tegen den ouden kluizenaar: "Ik vraag u vergiffenis, mijn vader, dat ik zoo uitwijd over omstandigheden, die u ongetwijfeld vervelen zullen." "Neen, mijn zoon," antwoordde de hermiet, "het verveelt mij niet. Ik ben verheugd te weten hoeveel gij van de jonge dame houdt, waarvan gij spreekt. Daarnaar zal ik mijn raadgevingen regelen."

"Gedurende twee dagen zocht ik, zonder mij eenige rust te gunnen, maar welke moeite ik mij ook gaf, mijn pogingen hadden geen resultaat; het was mij niet mogelijk een spoor te ontdekken. Zeer teleurgesteld keerde ik naar Séraphine terug, die, naar ik meende, in groote onrust zou verkeeren. Maar ik vond haar veel kalmer dan ik mij voorgesteld had. Zij deelde mij mee, dat ze gelukkiger geweest was dan ik, dat ze wist wat er met haar zuster was gebeurd. Ze had een brief van don Fernand ontvangen, waarin hij haar meedeelde, dat hij Julia in het geheim gehuwd en naar een klooster in Toledo gebracht had. Séraphine zei me, dat ze hoopte, dat de zaak in der minne zou worden geschikt en dat een huwelijk, in het openbaar gevierd, spoedig een eind zou maken aan de veete tusschen de twee huizen. Den brief van don Fernand had ze opgezonden naar haar vader.

Nadat ze mij op de hoogte had gebracht van het lot van haar zuster, sprak ze over de vermoeienissen, die ze mij bezorgd had en van het gevaar, waaraan ze mij onnadenkend had blootgesteld, door mij te verzoeken iemand te gaan vervolgen, terwijl ik zelf de vlucht moest nemen. Met de meest vriendelijke woorden verontschuldigde zij zich daarover. Daar ik behoefte aan rust had, bracht zij mij naar den salon, waar wij beiden gingen zitten. Zij had een japon van wit linnen met zwarte strepen en een hoedje van dezelfde stof met zwarte veeren, wat mij deed denken, dat zij misschien weduwe was. Maar zij zag er zoo jong uit, dat ik niet wist wat ik er van moest denken.

Was ik nieuwsgierig om iets naders omtrent haar te weten, ze scheen ook in mij belang te stellen. Ze verzocht mij mijn naam te noemen en zei, dat naar mijn uiterlijk en naar de ridderlijke wijze, waarop ik haar geholpen had, te oordeelen, ik iemand zijn moest van aanzienlijken huize. Haar vraag maakte mij verlegen, ik moet bekennen, dat ik mij minder schaamde om te liegen dan om de waarheid te zeggen, dus antwoordde ik haar dat ik een zoon was van baron von Steinbach. Daarop moest ik haar nog eens uitvoerig vertellen, waarom ik Madrid had verlaten. Ze beloofde mij, dat haar vader en haar broeder, don Gaspard, mij ongetwijfeld zouden helpen. "Dat is al het minste bewijs van dankbaarheid, dat ik een edelman kan geven, die voor mij zijn leven in de waagschaal heeft gesteld." Ik maakte geen bezwaar om haar alle omstandigheden van mijn duel te vertellen, zij gaf den edelman, dien ik gedood had, ongelijk en beloofde, dat haar heele familie mij bij zou staan.

Daarna bevredigde zij ook mijn nieuwsgierigheid. "Het is drie jaar geleden," zei ze, "dat mijn vader mij deed huwen met don Diego de Lara en ik ben sinds vijftien maanden weduwe." "Mevrouw," vroeg ik, "welk ongeluk heeft uw echtgenoot zoo spoedig van u weggenomen?" "Ik zal het u zeggen," zei ze, "dank zij het vertrouwen, dat ge ook mij hebt geschonken.

Don Diego de Lara was een knappe man, maar hoewel hij mij zeer liefhad, alles deed om mij het leven aangenaam te maken en vele goede hoedanigheden bezat, kon hij er niet in slagen mijn hart te winnen. Liefde is niet altijd een gevolg van groote dankbaarheid. Soms bekoort ons iemand op het eerste gezicht. Al zijn betuigingen van teederheid waren mij onverschillig, ik beschuldigde mijzelf van ondankbaarheid en vond dat ik zeer te beklagen was.

Ongelukkig voor hem en voor mij, scheen het wel, dat hij mij in de ziel kon lezen. Hij gevoelde zich ongelukkig door mijn koelheid. Hij wist wel, dat hij geen medeminnaar had, want toen hij mij huwde, was ik eerst zestien jaar en door mijn dienstboden vernam hij, dat nog nooit een man mijn bijzondere aandacht had getrokken. Het vermoeide mij om hem steeds over zijn liefde te hooren spreken en ik zei hem, dat het voor zijn rust en de mijne beter zou zijn om alles maar aan den tijd over te laten. Een jaar verliep er, zonder dat hij zag, dat ik vorderde. Toen verloor hij zijn geduld. Voorgevende dat hij een gewichtige zending voor het hof moest vervullen, ging hij naar Nederland, nam daar vrijwillig dienst en vond weldra in de gevaren van den oorlog wat hij zocht, d. w. z. het einde van zijn leven."

Nadat de dame mij dit verhaal had gedaan, spraken wij nog eenigen tijd over het vreemde karakter van haar man. Wij werden gestoord door de komst van een bediende, die een brief bracht van den graaf de Polan. Ze vroeg mij verlof dien te openen en ik merkte, dat zij onder het lezen bleek werd en begon te beven. Na hem geheel te hebben gelezen, zuchtte ze diep en begon te weenen. Het was, of ik een voorgevoel had van den slag, die mij dreigde; ik was zeer ontsteld. "Mevrouw," zei ik, "mag ik vragen, welke ongelukkige tijding die brief bevat?" Ze reikte mij hem over en zei op treurigen toon: "Lees zelf, mijnheer, wat mijn vader mij schrijft; gij zijt er helaas maar al te zeer zelf bij betrokken."

Bij die woorden, welke mij deden huiveren, nam ik den brief en las: "Don Gaspard, uw broer, heeft gisteren in het Padro gevochten. Hij ontving een degenstoot, waaraan hij heden gestorven is en stervende heeft hij meegedeeld, dat hij gedood is door den zoon van baron von Steinbach. Ongelukkigerwijze is de dader ontsnapt. Hij heeft de vlucht genomen, maar op welke plaats hij zich ook moge verbergen, ik zal niets onbeproefd laten om hem te ontdekken. Ik zal schrijven aan eenige gouverneurs, die hem zullen aanhouden, wanneer hij zich in steden van hun district vertoont en ik zal door andere brieven den weg voor hem trachten af te sluiten, indien hij soms verder wil gaan."

Stel u voor welk een ontsteltenis dat schrijven bij mij teweegbracht. Ik bleef eenige oogenblikken onbewegelijk en zonder kracht te hebben tot spreken. Wanhopig wierp ik mij aan de voeten van Séraphine, ik bood haar mijn degen aan en zei: "Mevrouw, bespaar het den graaf de Polan om mij te zoeken. Wreek zelf uw broeder en doodt mij met uw eigen hand. Steek toe."

Zij werd bewogen en zei: "Heer, ik beminde Don Gaspard. Hoewel gij hem in een eerlijk gevecht gedood hebt en hij zijn ongeluk aan zichzelf te wijten had, zult gij wel begrijpen, dat ik de gevoelens van mijn vader deel. Ja, don Alphonse, van nu af ben ik uw vijandin, maar ik wil geen misbruik maken van een ongelukkig toeval, dat u bij mij heeft gebracht. Vordert de eer van mij, dat ik mij tegen u zal wapenen, ze verbiedt mij ook, mij op laffe wijze te wreken, De rechten van de gastvrijheid moeten ongeschonden blijven en ik wil den dienst, welken ge mij bewezen hebt, niet betalen met een moord. Vlucht, ontkom, als ge kunt, aan onze vervolging en aan de gestrengheid van de wetten. Redt u uit het gevaar, dat u dreigt,"

"Hoe mevrouw," zei ik, "ge kunt u wreken en ge laat het over aan de wet, die misschien te kort zal schieten? Steek mij liever dood, ik verdien het niet, dat ge mij spaart. Wees niet zoo edelmoedig tegenover mij. Weet ge wie ik ben? Geheel Madrid houdt mij voor den zoon van baron von Steinbach en ik ben slechts een ongelukkige, dien hij, uit medelijden, heeft opgenomen. Ik weet zelfs niet, wie mijn ouders zijn."

"Dat doet niets ter zake," zei Séraphine, die bij mijn laatste woorden opnieuw smartelijk werd aangedaan; "al waart ge ook de minste van alle menschen, dan nog zou ik doen, wat de eer mij gebiedt." "Welnu, mevrouw," zei ik, "indien de dood van uw broeder niet genoeg is, om u mijn bloed te doen verlangen, dan zal ik uw haat opwekken door een nieuwe misdaad, waarvoor ge geen verontschuldiging zult hebben. Ik aanbid u, ik ben verblind door mijn liefde en niettegenstaande mijn ongelukkig lot, had ik de hoop gehad u eens toe te behooren. Ik was verliefd, of liever gezegd ijdel genoeg, om te durven hopen, dat de hemel mij nog eenmaal het geheim van mijn geboorte zou ontsluieren en dat ik u zonder te blozen mijn waren naam zou kunnen noemen. Na wat ik u nu gezegd heb, zult ge toch zeker wel niet meer aarzelen om mij te straffen."