De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 23

Chapter 234,159 wordsPublic domain

De graaf d'Asumar bleef bijna tot den avond en zoodra hij weg was, zei mijn meester me hem te volgen. Wij gingen naar Eufrasia, die op honderd pas afstand van ons huis woonde. We vonden haar in een nette kamer, goed gekleed en hoewel ze minstens dertig jaar oud was, zag ze er als een minderjarige uit. Ze kon voor mooi doorgaan en ik bewonderde haar verstand. Ze was niet een van die kokette vrouwen, die door haar geest willen schitteren en vrij zijn in haar manieren, ze scheen zeer bescheiden. Ik was daar verbaasd over, omdat ik er niet bij bedacht, dat zulke schepsels zich weten te vormen naar het karakter van de rijke lieden en van de heeren, die in haar handen vallen. Willen die heeren opgewektheid, dan zijn ze levendig, houden ze van het ingetogene, dan zijn ze verstandig en deugdzaam. Ze zijn ware kameleons, die van kleur veranderen naar het humeur en den zin van de mannen, die haar naderen.

Don Gonzale had niet den smaak van de heeren, die een brutale schoonheid vragen; hij kon die niet uitstaan. Om hem aan te trekken moest een vrouw het uiterlijk van een Vestaalsche maagd hebben en Eufrasia regelde zich daarnaar; ze liet zien, dat men de beste comedianten niet altijd in de comedie vindt. Ik liet mijn meester bij zijn nimf en ging naar beneden, waar ik een oude huishoudster vond, in wie ik een soubrette, die kamenier was geweest van een tooneelspeelster, herkende; ook zij herkende mij. "Wel, mijnheer Gil Blas! U is dus bij Arsenia weg, zooals ik bij Constance?" "O zeker," antwoordde ik, "al lang. Ik ben daarna in dienst geweest bij een jonkvrouw. Het leven van die menschen van den schouwburg is niet naar mijn smaak. Ik heb mijn ontslag genomen zonder de minste opheldering aan Arsenia te geven." "Daar hebt ge goed aan gedaan," zei de soubrette, die Béatrix heette. "Ik heb bijna op dezelfde wijze met Constance gedaan. Op een goeden ochtend zei ik, dat ik weg wilde, ze zei niets en we zijn gescheiden."

"Het doet mij veel genoegen," zei ik tegen haar, "dat wij elkaar in zulk een hoogst fatsoenlijk huis terugzien. Dona Eufrasia schijnt mij een uitstekende vrouw en ik geloof, dat zij een zeer goed karakter heeft." "Daar bedriegt ge u niet in," antwoordde zij mij, "ze is van goeden huize, wat men voldoende aan haar manieren kan zien en wat haar humeur betreft, kan ik u verzekeren, dat er niemand zachter en meer gelijkmoedig is. Ze is niet een van die lastige dames, die op alles aanmerkingen maken, die zonder ophouden schreeuwen, die haar personeel plagen en bij wie het dienen een hel is. Ik heb haar nog nooit hooren brommen; wanneer ik eens iets niet naar haar zin doe, zegt zij het me zonder kwaad te worden en nooit ontvalt haar een van die scherpe uitdrukkingen, waarmee sommige dames zoo vrijgevig zijn."

"Mijn meester," zei ik, "is ook zeer vriendelijk, hij behandelt mij familiaar, meer als zijnsgelijke dan als een lakei; in één woord, hij is de beste van alle menschen en wij zijn, in dit opzicht, u, zoowel als ik, heel wat beter geplaatst dan bij die comedianten." "Duizend maal beter," hernam Béatrix; "ik had een leven vol tumult en nu heb ik het stil. Er komt hier niemand anders dan don Gonzale. In mijn eenzaamheid zal ik niemand zien dan u en dat doet me genoegen. Ik heb al sinds lang zekere neiging voor u en ik heb dikwijls Laura benijd; maar eindelijk hoop ik niet minder gelukkig te zijn dan zij. Al bezit ik haar jeugd en schoonheid niet, ik ben daarentegen ook niet koket en wat niet genoeg te waardeeren is, ik ben trouw als een tortelduif."

Daar de goede Béatrix een van die personen was, die verplicht zijn hare gunsten aan te bieden, omdat men haar die niet vraagt, was ik volstrekt niet van plan daarvan te profiteeren. Ik wilde dat echter niet laten blijken en was zelfs zoo beleefd met haar te spreken op een wijze, dat zij niet alle hoop verloor, dat ik haar eens zou liefhebben. Ik verbeeldde mij dus, dat ik een verovering had gemaakt, maar werd daarin bedrogen. De soubrette wilde mij niet alleen hebben om mijn mooie oogen, ze wilde mij gebruiken in het belang van haar meesteres, voor wie ze zulk een groote toewijding had, dat ze voor haar wel ik weet niet wien zou hebben omhelsd. Ik zag dat den volgenden morgen in, toen ik een briefje van mijn meester aan Eufrasia bracht. Deze dame ontving mij zoo vriendelijk mogelijk; ze zei me allerlei lievigheden en de oude huishoudster deed daaraan mee. De eene bewonderde mijn gezicht; de andere vond mij wijs en voorzichtig. Volgens haar bezat don Gonzale in mij een schat. In één woord, ze prezen me zóó, dat ik wantrouwend werd. Ik aanvaardde al die loftuitingen met de onnoozelheid van een dwaas, maar trachtte de beweegredenen te leeren kennen en door list tegenover list te stellen, slaagde ik erin het masker te doen oplichten.

"Hoor eens, Gil Blas," zei Eufrasia, "het zal alleen van je zelf afhangen om je fortuin te maken. Sluit u bij ons aan, mijn vriend, Don Gonzale is oud en zijn gezondheid is zoo delicaat, dat de minste koorts met de hulp van een goeden dokter hem kan wegnemen. Laten wij de oogenblikken, die hem nog overblijven, goed gebruiken en trachten te bewerken, dat hij mij het beste van wat hij bezit, nalaat. Ik zal je er een goed aandeel van geven, dat beloof ik je en ge kunt op deze belofte evengoed vertrouwen alsof ik haar had gedaan voor alle notarissen in Madrid." "Mevrouw," antwoordde ik haar, "beschik over uw dienaar. U hebt mij maar te zeggen wat ik te doen heb en u zult tevreden zijn." "Welnu!" antwoordde zij, "ge moet uw meester goed opnemen en mij op de hoogte houden van alles. Wanneer ge met u beiden zijt, verzuim dan niet om het gesprek op de vrouwen te brengen en maak dan van die gelegenheid een verstandig gebruik door hem veel goeds van mij te zeggen; houd hem zooveel met Eufrasia bezig als maar eenigszins mogelijk is. Dit is niet alles wat ik van u verlang. Ik draag u ook op, goed te letten op wat er in de familie Pacheco gebeurt. Als een van zijn verwanten veel werk maakt van don Gonzale en het op de erfenis gemunt heeft, waarschuw me dan; ik ken hen allen en heb al genoeg gedaan om hem een minder gunstig denkbeeld te geven van zijn neven en nichten."

Ik vernam verder nog, dat zij hem kort geleden had bewogen om een landgoed te verkoopen, waarvan zij het geld had gekregen. Behalve dat zij iederen dag veel moois van hem kreeg, hoopte zij nu ook nog, dat hij haar in zijn testament niet zou vergeten. Ik deed alsof ik mij gaarne beschikbaar stelde voor hetgeen zij van mij verwachtte. Onderweg naar huis overwoog ik of ik er aan zou meedoen om mijn meester te bedriegen, of dat ik zou trachten hem los te maken van zijn maitresse. Dat laatste scheen mij beter dan het eerste en ik gevoelde meer lust om mijn plicht te doen, dan om hem te verraden. Bovendien had Eufrasia mij niets positiefs beloofd en dat was misschien de reden waarom ik trouw bleef. Ik besloot dus don Gonzale met ijver te dienen en was ervan overtuigd, dat het beter voor mij zou zijn, wanneer ik hem zijn ideaal kon ontnemen.

Om tot mijn doel te geraken, hield ik mij of ik Eufrasia diende. Ik maakte haar wijs, dat ik onophoudelijk tegen mijn meester over haar sprak en verzon daarover allerlei fabeltjes, die zij voor goede munt opnam. Zij geloofde mij onvoorwaardelijk. Om nog zekerder te zijn van mijn zaak, deed ik of ik verliefd was op Béatrix, die op haar leeftijd verrukt scheen, dat een jonge man haar het hof maakte en er blijkbaar niet om gaf of ik haar bedroog, mits ik het goed deed.

Wanneer wij bij onze prinsessen waren, mijn meester en ik, waren het twee schilderijen, verschillend, maar het onderwerp was gelijk.

Don Gonzale, droog en bleek, zooals ik hem heb geschilderd, had het uiterlijk van een zieltogende als hij zacht en teeder wilde kijken; en mijn dame nam, al naarmate ik verliefder werd, meer kinderlijke manieren aan. In alles was ze een kokette, die al minstens veertig jaren dienst had. Ze had haar opleiding gehad, in den dienst van die heldinnen der liefde, die, wanneer ze sterven, getracht hebben twee of drie opeenvolgende geslachten te bekoren.

Ik stelde mij er niet mee tevreden, om alle avonden met mijn meester naar Eufrasia te gaan, soms ging ik er op den dag alleen heen. Altijd verwachtte ik, dat ik, op een goeden dag, ergens in dat huis een jongen galant zou verborgen vinden; maar op welk uur ik ook kwam, ontmoeten deed ik niemand, noch man, noch vrouw van verdacht uiterlijk. Geen enkel spoor van ontrouw kon ik ontdekken, wat mij niet weinig verwonderde, want, hoewel Béatrix mij had verzekerd, dat hare meesteres geen enkel mannelijk bezoek ontving, kon ik mij toch niet voorstellen, dat een zoo knappe dame geheel trouw was aan don Gonzale. Het bleek me spoedig, dat ik niet verkeerd had geoordeeld; de schoone Eufrasia had zich, zoals gij weldra hooren zult, voorzien van een minnaar, die beter bij haar paste dan mijn meester, op wiens erfenis zij dusdoende geduldig kon wachten.

Op een ochtend bracht ik, als naar gewoonte, een briefje aan de prinses. Terwijl ik in haar kamer was, zag ik de voeten van een man, die achter een gordijn was verborgen. Ik wachtte mij er wel voor om te laten merken wat ik had gezien. Ik was verontwaardigd op Eufrasia, hoewel deze ontdekking mij niet verraste en mij persoonlijk niet aanging. Dat was de kroon op het werk van haar verraad! Liever had ik moeten lachen om dit avontuur en dat moeten beschouwen als een schadeloosstelling voor al de verveling in gezelschap van mijn meester. Maar ik meende met warmte te moeten opkomen in het belang van don Gonzale en ik deed hem getrouw verslag van hetgeen ik had gezien; en voegde er zelfs bij, dat Eufrasia getracht had mij om te koopen. Van alles, wat ze mij gezegd had, hield ik niets verborgen. Hij deed mij nog eenige vragen en de antwoorden moesten zijn twijfel geheel wegnemen. Niettegenstaande de kalmte, welke hij altijd bewaarde, was hij getroffen en een toornige trek op zijn gelaat scheen aan te kondigen, dat die vrouw hem niet ongestraft ontrouw was geworden.

"'t Is genoeg, Gil Blas," zei hij, "ik ben zeer gevoelig voor de genegenheid, die ik zie, dat ge voor mij hebt en uw trouw bevalt mij zeer. Dadelijk ga ik naar Eufrasia. Ik zal haar verwijten, wat gebeurd is en met de ondankbare breken." Bij die woorden ging hij werkelijk weg om haar op te zoeken en het bleef mij bespaard om met hem mee te gaan.

Zeer ongeduldig wachtte ik op de terugkomst van mijn meester. Ik twijfelde er niet aan, of hij zou bij zijn terugkomst voorgoed van haar gescheiden zijn. Bij die gedachte juichte ik over hetgeen ik gedaan had. Ik stelde mij het genoegen voor, dat de erfgenamen van don Gonzale zouden hebben, wanneer ze vernamen dat hun bloedverwant niet langer de speelbal was van een hartstocht, zoo strijdig met hun belangen. Ik vleide mij er mee, dat men mij zou houden voor den beste van alle kamerdienaars, die er anders meer op uit zijn om hun meesters in slecht gezelschap te brengen, dan ze er uit te halen. Maar deze prettige gedachten maakten voor anderen plaats. Mijn patroon kwam terug, "Mijn vriend," zei hij mij, "ik heb zooeven een levendig onderhoud gehad met Eufrasia. Ik heb haar beschuldigd van ondankbaarheid en trouweloosheid, ik heb haar met verwijten overladen. Maar weet ge, wat ze mij geantwoord heeft? Dat ik verkeerd deed door naar knechts te luisteren. Zij houdt vol, dat ge een onwaarheid hebt meegedeeld; als men haar gelooven moet, zijt ge een bedrieger, een werktuig van mijn neven, terwille van wie gij niets onbeproefd laat om mij van haar te scheiden. Ik heb tranen in haar oogen gezien, echte tranen. Bij alles wat heilig is, heeft ze mij bezworen, dat ze je geen enkel voorstel heeft gedaan, dat ze niemand ontvangt. Béatrix, die mij een goede vrouw schijnt, niet in staat om te liegen, heeft mij dezelfde verzekering gegeven, zoodat, ondanks mijzelf, mijn toorn bedaard is."

"Wat mijnheer!" viel ik hem in de rede, "twijfelt u aan mijn oprechtheid? Hebt u wantrouwen jegens mij?' "Neen, mijn jongen," antwoordde hij, "ik geloof niet, dat ge een werktuig zijt van mijn neven. Ik ben ervan overtuigd, dat ge alleen in mijn belang hebt meenen te handelen, maar schijn bedriegt. Misschien heb je niet werkelijk gezien wat ge gemeend hebt op te merken en in dat geval is je beschuldiging zeer onaangenaam voor Eufrasia! Hoe het zij, het is een vrouw, die ik niet laten kan te beminnen; dat is mijn lot. Zelfs moet ik haar het offer brengen, dat ze van mijn liefde eischt en dat offer is je ontslag te geven. Het spijt mij wel, mijn arme Gil Blas, dat verzeker ik je, maar ik kan niet anders. Wat je troosten zal, is, dat ik je niet zonder belooning zal wegsturen. Overigens zal ik je een plaats bezorgen bij een dame, met wie ik bevriend ben en waar ge het zeer goed zult hebben."

Zoo zag ik dus mijn ijver zich tegen mijzelf keeren. Ik verwenschte Eufrasia en betreurde de zwakheid van don Gonzale. Om de pil voor mij te vergulden, gaf de goede oude man mij vijftig dukaten en den volgenden dag bracht hij mij bij de markiezin de Chaves, tegen wie hij, in mijn tegenwoordigheid, zeide, dat ik een jonge man was met niet anders dan goede hoedanigheden, dat hij van me hield en dat familieomstandigheden hem noopten mij weg te zenden; daarna verzocht hij haar mij in dienst te nemen. Zij nam mij onder haar bedienden op en zoo bevond ik mij plotseling in een nieuw huis.

HOOFDSTUK VIII

Hoe het karakter van markiezin de Chaves was en welke menschen, gewoonlijk bij haar kwamen.

De markiezin de Chaves was een weduwe van vijfendertig jaar, schoon, groot en welgemaakt. Ze had een inkomen van tienduizend dukaten en geen kinderen. Nooit heb ik een ernstiger vrouw gezien en nooit een, die minder sprak. Dat nam echter niet weg, dat ze voor de geestigste dame van Madrid doorging. Misschien had het groote aantal gewichtige personen en vooral letterkundigen, dat haar bezocht er toe bij gedragen, om haar die reputatie te verschaffen, meer dan haar eigen verdienste, maar dat kan ik niet uitmaken. Ik zal er mij toe bepalen te zeggen, dat zij den naam had van bijzonder begaafd te zijn en dat haar huis in de stad bij voorkeur genoemd werd: Bureau voor Geestelijk Werk.

Dagelijks werden er dramatische gedichten gelezen; het komische genre was uitgesloten. Een comedie en een roman waren er niet in tel, maar een ode en een sonnet gingen er door voor de hoogste uiting van den menschelijken geest. Het kwam echter wel eens voor, dat het groote publiek de stukken uitfloot, die men hier had toegejuicht.

Ik was zaalchef in dit huis, d. w. z. dat mijn betrekking hierin bestond, om alles voor de ontvangst van gezelschappen in gereedheid te brengen. Als ik de zetels had gerangschikt, ging ik in de deur van de zaal staan, om de bezoekers aan te kondigen. Den eersten dag beschreef de chef van de pages, die toevallig met mij in de zijkamer was, mij de gasten op aangename wijze. Het ontbrak dien man, die André Molina heette, niet aan geest. Het eerst kwam er een bisschop. Toen hij binnen was, zei Molina: "Die prelaat is een vermakelijk man, hij heeft wel eenigen invloed aan het hof, maar wil iedereen overtuigen dat die zeer groot is. Hij biedt iedereen zijn diensten aan, maar helpt niemand." Een oogenblik later verscheen de zoon van een grande. "Die mijnheer," zei Molina, "is ook een origineel; dikwijls komt hij in een huis, om over een zaak van gewicht te spreken en hij verlaat het weer, zonder eraan te hebben gedacht. Maar," ging hij voort, toen hij twee dames zag naderen, "hier zijn dona Angela Penafiel en dona Margarita de Montalvan. Die twee dames lijken niets op elkaar. Dona Margarita wil voor een wijsgeer doorgaan, dona Angela speelt de geleerde niet, hoewel zij zeer ontwikkeld is. Haar uitdrukkingen zijn altijd nobel en natuurlijk." "Dat is zeer beminnelijk," zei ik, "maar het andere past eigenlijk niet bij het schoone geslacht." "Niet geheel," antwoordde hij glimlachend, "maar mevrouw de markiezin, onze meesteres, heeft ook soms wijsgeerige grillen. Wat zal er vandaag weer een discussie zijn! 't Is maar te hopen, dat de godsdienst er niet wordt bijgehaald!"

Toen hij dit gezegd had, zagen wij een man binnenkomen met een zeer ernstig uiterlijk. Molina spaarde hem niet, bij de beschrijving, die hij van hem gaf. "Dit," zei hij, "is een van die ernstige geesten, die voor een groot genie willen doorgaan, door steeds te zwijgen of door een paar zinnetjes van Seneca op te zeggen en die eigenlijk groote stommelingen zijn als men ze goed beschouwt." Vervolgens kwam er een heer, goed gebouwd en met een Grieksch profiel. Ik vroeg wie het was. "Dat is een dramatisch dichter," zei Molina, "hij heeft honderd duizend verzen in zijn leven gemaakt, die hem nog geen vijf stuivers hebben opgebracht; maar daarentegen heeft hij met zes regels proza gemaakt, dat hij behoorlijk kan wonen."

Ik wilde mij juist eens laten meedeelen hoe het mogelijk is om met zoo weinig inspanning een fortuin te krijgen, toen ik een groot lawaai op de trap hoorde. "Daar heb je professor Campanoria" [2] riep Molina. "Hij kondigt altijd zichzelf aan, doordat hij aan de deur al hard begint te praten en dat doet hij nog, als hij het huis weer uitgaat." Inderdaad weerklonk alles van de harde stem van den professor, die eindelijk de antichambre binnenkwam met een zijner vrienden, die gedurende het heele bezoek geen mond opendeed. "Mijnheer Campanoria," zei ik tegen Molina, "is blijkbaar een groote geest." "Ja," antwoordde mijn chef, "het is een man, die gevat kan antwoorden en zijn zinnen mooi vormen. Hij is vermakelijk, maar behalve, dat hij een onbarmhartige kletskous is, zegt hij voortdurend hetzelfde en ik geloof, dat meer zijn komieke manieren dan de innerlijke waarde van zijn gezegden de verdienste ervan zijn."

Er kwamen nog andere personen, die mij werden beschreven. Ook onze meesteres vergat hij niet. De beschrijving van haar beviel mij nogal. "Ze heeft geen lastig humeur, ondanks de philosophie, en men heeft, als men bij haar in betrekking is, niet veel grillen te verdragen. Zij is een verstandige, redelijke vrouw en heeft geen hartstochten. Ze heeft geen lust in spelen, ook niet in galante avonturen; ze houdt alleen van conversatie. Voor de meeste dames zou een leven als het hare te vervelend zijn." Eenige dagen later echter begon ik te vermoeden, dat de markiezin de liefde niet zoo vijandig gezind was als Molina had gezegd en ik zal meedeelen welken grond ik had voor mijn vermoeden. Op een ochtend, terwijl zij bezig was met haar toilet, meldde zich een klein gebocheld mannetje aan van ongeveer veertig jaar met een onaangenaam uiterlijk. Hij zei me, dat hij mevrouw de markiezin wilde spreken. Ik vroeg hem namens wien hij kwam. "Namens mij zelf," antwoordde hij trotsch. "Zeg, dat ik de heer ben, over wien ze gisteren met dona Anna de Velasco heeft gesproken." Ik liet hem binnen en ging mijn meesteres zeggen, dat hij er was. De markiezin deed een uitroep van vreugde en zei, dat ze hem zou ontvangen. Zij bepaalde zich er niet toe, om hem vriendelijk te ontvangen, de meisjes moesten de kamer verlaten en ze bleef alleen met den kleinen bochel. Wij lachten om dat mooie tête-à-tête, dat ongeveer een uur duurde, waarna mijn meesteres afscheid van hem nam en daarbij in alles toonde, dat zij zeer tevreden over hem was.

Werkelijk scheen ze genoegen te hebben gevonden in het onderhoud met hem, want ze zei me 's avonds: "Gil Blas, als hij terugkomt, laat hem dan in mijn kamer, zoo mogelijk zonder dat iemand het merkt." Ik moet bekennen, dat dit bevel vreemde vermoedens bij mij opwekte, maar ik volgde het op en toen de kleine man terugkwam (het was twee dagen later), bracht ik hem langs een geheime trap in de kamer van de dame. Dat deed ik twee of drie malen en ik besloot daaruit, dat de markiezin grillige neigingen had, of dat de bochel misschien een tusschenpersoon was.

"Neen," zei ik bij mijzelf, "als mijn meesteres een welgebouwd man liefheeft, dan had ik het haar vergeven, maar als ze het met dien aap eens is, dan heeft ze in het geheel geen smaak!" Wat oordeelde ik verkeerd over de patrones! De kleine bochel hield zich met magische kunsten bezig, men had hem bij de markiezin geprezen en daar ze belang stelde in dergelijke kwakzalverij, had ze eenige malen een particuliere séance met hem. 't Was een schelm, die leefde ten koste van de lichtgeloovige personen en men zei, dat hij verschillende adellijke dames onder zijn clientèle had.

HOOFDSTUK IX

Door welke gebeurtenis Gil Blas bij de markiezin de Chaves wegging en wat er van hem werd.

Ik was zes maanden bij de markiezin de Chaves en mijn betrekking beviel mij zeer goed. Maar het lot wilde niet, dat ik een langer verblijf zou hebben ten huize van die dame en zelfs niet te Madrid. Ziehier het avontuur, dat mij noodzaakte weg te gaan.

Onder de vrouwelijke bedienden van de markiezin was er een, die Porcia heette. Behalve, dat ze schoon was, had ze zulk een goed karakter, dat ik mij aan haar hechtte zonder te weten, dat ik een medeminnaar had. De secretaris van de markiezin, een trotsche en jaloersche man, had eveneens een goed oog op haar geslagen. Hij besloot mij uit te dagen en gaf mij op een ochtend rendez-vous. Daar hij een kleine man was, die mij nauwelijks tot aan de schouders reikte, zag ik in hem geen zeer gevaarlijken tegenstander. Met vertrouwen begaf ik mij naar de plaats, waar hij mij geroepen had. Ik rekende op een gemakkelijke overwinning en meende, dat Porcia mij dat als een verdienste zou aanrekenen, maar de uitkomst beantwoordde niet aan mijne verwachtingen. De kleine secretaris, die twee of drie jaar schermles had gehad, ontwapende mij als een kind en terwijl hij mij de punt van zijn degen voorhield, zei hij: "Bereid u er op voor, om een doodelijken steek te ontvangen, of geef mij uw woord van eer, dat ge heden van de markiezin de Chaves zult vertrekken en dat ge niet meer aan Porcia zult denken."

Gaarne gaf ik hem die belofte en ik hield haar zonder tegenzin, want ik zag er tegenop, om, na overwonnen te zijn, weer onder het personeel te verschijnen en voor al om de schoone Helena te ontmoeten, die het voorwerp was van dezen strijd. Ik keerde alleen naar huis terug, om mijn geld en goed mede te nemen en ging denzelfden dag met een welvoorziene beurs op weg naar Toledo. Hoewel ik mij niet had verbonden om Madrid te verlaten, oordeelde ik het beter om tenminste voor eenige jaren te verdwijnen. Ik vormde het besluit, om Spanje door te trekken van de eene stad naar de andere. "Het geld, dat ik heb," zei ik bij mijzelf, "zal mij ver brengen; ik zal het niet noodeloos uitgeven en wanneer het op zal zijn, ga ik weer een betrekking zoeken. Een jonge man als ik, zal wel een plaats vinden, wanneer hij er lust in heeft die te zoeken."

Vooral verlangde ik om Toledo te zien. Na drie dagen kwam ik er aan. Ik ging in een goed hotel, waar ik doorging voor een voornaam heer door mijn nette kleeren en manieren. Het hing slechts van mij af, om kennis te maken met mooie vrouwen, die in de buurt woonden; maar dat gaat gewoonlijk met groote uitgaven gepaard en dit temperde mijn verlangen. Na al het bezienswaardige van Toledo bezocht te hebben, vertrok ik 's morgens vroeg. Ik nam den weg naar Cuença om vandaar naar Aragon te gaan. Den tweeden dag van mijn reis ging ik een hotel binnen, dat zich aan den weg bevond. Ik was er nauwelijks, of er kwam een troep dienaren van den heiligen Hermandad. Die heeren vroegen wijn, begonnen te drinken en beschreven het signalement van een jongen man, tegen wien ze een bevelschrift tot gevangenneming hadden. Een van hen zei, dat hij niet ouder was dan drie en twintig jaar met een adelaarsneus, lang, zwart haar, een flink figuur en op een bruin paard reed.