De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 22
"Madame," antwoordde ik, een oprecht gezicht zettend, "mijn meester heeft bepaald ongelijk, maar in zeker opzicht werd hij hiertoe gedwongen. Indien u mij belooft de zaak geheim te houden, zal ik u de zaak uitleggen." "Ik beloof het u," viel zij mij in de rede. "Vrees niet, dat ik u in moeilijkheden zal brengen. Spreek maar vrij uit." "Even vóór de bezorging van uw briefje is er eene dame gekomen, welke naar Senor Pacheco vroeg en eenigen tijd later hoorde ik haar zeggen: "gij belooft mij haar niet weder te zien en om mij tevreden te stellen zult gij haar een brief schrijven, welke ik u zal dicteeren." Don Louis heeft gedaan, wat zij verlangde en zoo ziet gij, madame, dat de brief het werk is van een mededingster en dat denhalve mijn meester zoo schuldig niet is."--"O hemel," riep zij uit, "hij is 't nog meer dan ik eerst dacht. Zijn ontrouw doet mij meer pijn dan de beleedigende woorden, welke hij heeft geschreven. Maar laat hij zich gerust aan zijn nieuwe liefde wijden, zeg hem, dat hij mij niet behoefde te beleedigen om mij te verplichten het veld te ruimen voor eene mededingster en dat ik te zeer een ontrouw minnaar veracht om nog lust te hebben hem terug te roepen." Hierna verliet ik het huis van de Murcia de la Lhana, zeer tevreden over mij zelf. In mijn hotel aangekomen, vond ik de heeren Mendoza en Pacheco, samen aan het souper en pratend alsof zij elkander jaren gekend hadden. Aurora bemerkte aan mijn tevreden gezicht, dat ik mij niet slecht gekweten had van mijn opdracht. "Wel Gil Blas," zei ze, "vertel ons eens hoe gij gevaren zijt." Ik vertelde, dat Isabella na de beide brieven gelezen te hebben in lachen was uitgebarsten, zeggende: "Op mijn woord, de brieven hebben een fraaien stijl, ik moet bekennen, dat anderen minder geestig schrijven." "Zij redt zich er goed uit," riep mijn meesteres uit, "het is bepaald een coquette van het ergste slag."--"Wat mij betreft," zei don Louis, "herken ik Isabella niet en moet zij tijdens mijne afwezigheid wel zeer veranderd zijn."--"Ik had haar ook anders beoordeeld," antwoordde Aurora. "Maar er zijn vrouwen, die kunnen doen zooals zij willen. Ik heb er een bemind en ik ben er lang de dupe van geweest. Gil Blas zal het u zeggen, dat zij ieder met een trouw gezicht wist te bedotten."--"Het is waar," zei ik, mij in het gesprek mengend, "zij was een gewikste; ik zou er zelf zijn ingeloopen." Mendoza en Pacheco lachten, dat zij schaterden toen zij mij aldus hoorden spreken en inplaats van geraakt te zijn, dat ik mij in het gesprek mengde, richtten zij dikwijls het woord tot mij om zich over mijn antwoorden te vermaken. Wij spraken over veinzende vrouwen en het resultaat was, dat Isabella eene echte coquette was en bleef. Don Louis zwoer, haar niet weer te willen zien; don Felix zwoer op zijn beurt, dat hij haar steeds zou verachten. Daarna sloten zij vriendschap en spraken af nooit iets voor elkaar verborgen te houden. Eindelijk scheidden zij en ieder begaf zich naar zijn appartementen, waar ik Aurora een juist verslag gaf van het onderhoud met de dochter des dokters, ik vergat geen enkele bijzonderheid, ja ik dikte ze nog ietwat aan, zoodat mijne meesteres in de wolken was. "Waarde Gil Blas," zei ze, "ik ben verrukt over uw slimheid. Wanneer men het ongeluk heeft een hartstocht te koesteren, welke ons verplicht listen te baat te nemen, is het een voordeel iemand in dienst te hebben, die zoo gevat is als gij. Moed, mijn vriend, wij hebben nu een mededingster uit den weg geruimd, die ons kon schaden; dat is geen slecht begin. Maar waar gelieven somtijds plotseling op een besluit terugkomen, ben ik van plan het avontuur te verhaasten en morgen reeds Aurora de Guzmann ten tooneele te voeren." Ik juichte dit denkbeeld toe en seigneur don Felix met zijn page alleen latend, ging ik naar het vertrek waar mijn bed stond.
HOOFDSTUK VI
Welke listen Aurora zooal aanwendde om zich door don Louis Pacheco te doen beminnen.
De twee nieuwe vrienden kwamen den volgenden morgen bij elkaar en begonnen met omhelzingen, waaraan Aurora zich moest onderwerpen om haar rol van Don Felix goed te spelen. Daarna gingen zij samen in de stad wandelen en ik vergezelde hen niet Chilindron, den knecht van don Louis. Bij de universiteit bleven wij staan kijken naar eenige kennisgevingen omtrent boeken, die aan de deur waren aangeplakt. Verscheidene personen vermaakten zich met ze te lezen en ik bemerkte onder hen een klein mannetje, dat over deze werken zijn oordeel uitsprak. Ik bemerkte, dat men met alle aandacht naar hem luisterde, en te zelfder tijd zag ik, dat hij meende waard te zijn, dat men naar hem luisterde. Hij scheen ijdel en was beslist in zijn spreken als alle kleine mannetjes. "Deze _nieuwe vertaling van Horatius_," zei hij, "welke gij met zoo groote letters vindt aangekondigd, is een werk in proza, saamgesteld door een oud schrijver van het college. Het is een boek, dat door de scholieren zeer wordt geroemd, zij alleen hebben vier edities verslonden. Maar geen eerlijk man heeft er een exemplaar van gekocht." Zijn oordeel over de andere boeken was niet veel gunstiger: zonder genade keurde hij ze allen af. Oogenschijnlijk was hij zelf schrijver. Ik had hem gaarne tot het einde aangehoord, maar ik moest don Louis en don Felix volgen, daar deze even weinig belang stelden in zijn rede als in de boeken zelf en hem en de universiteit den rug toedraaiden. Wij kwamen tegen het uur van het diner aan ons hotel. Aan tafel bracht mijne meesteres behendig het gesprek op hare familie. "Mijn vader," zei ze, "was de jongste zoon uit het huis van Mendoza en vestigde zich te Toledo; mijne moeder is eene eigen zuster van dona Kimena de Guzmann, die eenige dagen geleden te Salamanca is gekomen voor zaken met haar nicht, Aurora, eenige dochter van don Vincent de Guzmann, dien gij misschien hebt gekend."--"Neen," antwoordde don Louis, "maar ik heb dikwijls over hem en zijne dochter Aurora hooren spreken. Moet ik gelooven hetgeen men van deze jonge dame vertelt? Men verzekert dat niets haar verstand en schoonheid evenaart."--"Wat haar verstand betreft," antwoordde don Felix, "daar ontbreekt het haar niet aan, maar zoo bijzonder mooi is zij niet, men vindt dat wij veel op elkander gelijken."--"Als dat zoo is," riep Pacheco uit, "dan draagt zij haar reputatie met eere. Uw trekken zijn regelmatig, uw gelaat is mooi, werkelijk ik zou haar wel eens willen zien."--"Ik wil uwe nieuwsgierigheid wel bevredigen," antwoordde de valsche Mendoza, "en nog wel dezen dag. Na het diner zullen wij naar mijne tante gaan." Daarna sprak mijne meesteres plotseling over iets anders. 'sMiddags nam ik mijne maatregelen en waarschuwde de duenna met het oog op de komende dingen. IJlings keerde ik terug om don Felix te vergezellen, die seigneur don Louis aan zijne tante zou voorstellen. Nauwelijks waren wij daar gekomen, of de tante kwam ons tegemoet met een: "Stil, stil, gij zult mijne nicht wakker maken, zij heeft sedert gisteren een verschrikkelijke migraine, die juist een beetje over is, en nu slaapt het arme kind gelukkig sedert een kwartier." "Dat spijt mij zeer," zei Mendoza, "ik had gehoopt mijne nicht te zien, ik had mijn vriend Pacheco gaarne met haar in kennis willen brengen."--"O, dat heeft zulk een haast niet," zei Ortiz glimlachend, "stel 't maar tot morgen uit." De heeren vertrokken daarop spoedig.
Don Louis bracht ons bij een zijner vrienden, die don Gabriel de Pedros heette. Wij bleven er den geheelen avond, soupeerden er en gingen eerst om twee uur 's nachts naar huis. Toen wij halverwege waren gekomen, vonden wij twee mannen op straat liggen. Wij dachten, dat het ongelukkigen waren, die men vermoord had, en wij bleven staan om zoo mogelijk nog hulp te verleenen. Terwijl wij een onderzoek instelden, kwam de patrouille en de aanvoerder, denkend dat wij de moordenaars waren, liet ons door zijn lieden omsingelen. Gelukkig kreeg hij van ons een beteren indruk toen hij ons had hooren spreken en, voor zoover de nachtelijke duisternis het toeliet, ons gelaat had gezien. Zijn boogschutters bemoeiden zich nu met de door ons doodgewaande mannen en het bleek, dat het een groot losbol was met zijn knecht, beiden dronken als een kanon. "Mijne heeren," riep een der mannen, "ik herken hem. Het is seigneur Guyomar, rector van onze universiteit, ondanks den toestand, waarin gij hem nu ziet, is hij een groot personage, een buitengewoon genie. Er is geen wijsgeer, dien hij niet afmaakt bij een strijdvraag, hij is welsprekend zonder weerga. Maar het is jammer, dat hij te veel van wijn, processen en meisjes houdt. Hij heeft bij zijn Isabella gesoupeerd, waar ongelukkigerwijs zijn begeleider even dronken geworden is als hij. Vóór de goede professor rector werd, gebeurde dit nogal eens vaak. Zoo ziet gij, dat eerbewijzen niet altijd de zeden veranderen." Wij lieten de dronkaards in handen van de patrouille en gingen zoo spoedig mogelijk slapen.
Don Felix en don Louis stonden tegen den middag op en het eerste waarover zij het hadden, was Aurora. "Gil Blas," zei mijn meester, "ga naar mijne tante dona Kimena en vraag haar of wij, seigneur Pacheco en ik, heden mijne nicht niet kunnen spreken." Ik ging naar de duenna om met haar te overleggen en ik keerde naar de valsche Mendoza terug. "Seigneur," zei ik, "uwe nicht is welvarend, zij verzocht mij te zeggen, dat uw bezoek haar zeer aangenaam zal zijn en dona Kimena vroeg mij seigneur Pacheco te verzekeren, dat hij steeds welkom zal zijn." Ik bemerkte, dat deze laatste woorden don Louis veel genoegen deden. Mijn meesteres zag het ook en zag er een gelukkig voorteeken in. Tegen het diner kwam de kamerdienaar van dona Kimena en zei tot don Felix: "Seigneur, bij mevrouw uwe tante is een man uit Toledo geweest en heeft voor u dit briefje achtergelaten: "Indien gij nieuws wenscht te vernemen omtrent uw vader en andere belangrijke zaken, zult ge goed doen onmiddellijk, na ontvangst van dit schrijven, naar het Zwarte Paard te gaan, bij de universiteit." "Ik ben te nieuwsgierig," zei hij, "om niet aan de uitnoodiging gevolg te geven."
"Pacheco," zei hij, "wanneer ik binnen twee uur niet terug ben, kunt gij alleen naar mijn tante gaan, dan kom ik u daar na den middag wel opzoeken. Gij weet, wat Gil Blas u uit naam van dona Kimena gezegd heeft en ge kunt gerust er alleen heengaan."
Inplaats van naar het Zwarte Paard te gaan, haastten wij ons naar juffrouw Ortiz. Aurora begon dadelijk met haar blonde pruik af te nemen, waschte en poetste aan haar wenkbrauwen, trok een japon aan en werd nu een echte brunette, zooals zij werkelijk was.
Haar vermomming was zoo goed gekozen, dat Aurora en don Felix werkelijk twee verschillende personen leken; het scheen zelfs, alsof zij veel grooter als vrouw dan als man was; het is waar, dat hare muiltjes met hunne hooge hakken daartoe niet weinig bijdroegen. Nadat zij aan haar bekoorlijkheid alle hulpmiddelen had toegevoegd, die de kunst daaraan kon verschaffen, wachtte zij don Louis met groote spanning, vermengd met vrees en hoop. Nu eens was zij vol vertrouwen in haar geestigheid en schoonheid, dan weer vreesde zij er een slecht gebruik van te zullen maken. Ortiz bereidde zich van haar kant ook zoo goed mogelijk voor om mijn meesteres te helpen. Daar Pacheco mij niet in dit huis moest zien, zou ik eerst tegen het einde van het bezoek verschijnen. Toen alles gereed was, verscheen don Louis. Hij werd zeer vriendelijk ontvangen en sprak twee of drie uur met Aurora, waarna ik binnenkwam en mij tot don Louis wendend, zei ik: "Seigneur, don Felix kan heden niet komen, hij verzoekt u hem te verontschuldigen, maar hij is in gezelschap van drie heeren uit Toledo en kon hen niet verlaten." "O, die kleine losbol," riep dona Kimena uit; "ongetwijfeld is hij aan de rol."--"Neen mevrouw," hernam ik, "hij onderhoudt zich met hen over ernstige zaken. Het speet hem zeer." "O," hernam mijn meesteres schertsend, "hij weet, dat ik ongesteld ben geweest en had een weinig meer haast kunnen betoonen om iemand te bezoeken, waarmede hij is geparenteerd; om hem te straffen wil ik hem in geen veertien dagen zien."--"Ach, mevrouw," zei don Louis, "wees niet zoo wreed, don Felix is genoeg te beklagen, dat hij u niet gezien heeft."
Zij schertsten daarover eenigen tijd en vervolgens nam Pacheco afscheid. De schoone Aurora veranderde terstond van gedaante en werd weer edelman. Zij keerde zoo spoedig mogelijk naar het hotel terug. "Ik moet mij verontschuldigen, waarde vriend," zei zij tegen don Louis, "dat ik niet bij mijne tante ben geweest, maar ik kon niet wegkomen van de personen, welke bij mij waren. Een troost is het echter voor mij, dat gij uwe nieuwsgierigheid hebt kunnen bevredigen. Welnu, wat denkt gij van mijne nicht, zeg het mij ronduit."--"Ik ben verrukt over haar," antwoordde Pacheco. "Gij hebt gelijk met te zeggen, dat gij op haar gelijkt. Ik heb nog nooit zulk eene treffende gelijkenis gezien, dezelfde gelaatsvorm, dezelfde oogen, dezelfde mond, dezelfde stem. Er is niettemin eenig onderscheid: Aurora is grooter dan gij, zij is bruin en gij zijt blond, gij zijt luchthartig, zij is ernstig, maar dat is alles waarin gij van elkander verschilt. Wat verstand betreft, geloof ik niet, dat een hemelsch wezen beter daarmee kan zijn toegerust. In één woord: zij is iemand van oneindige verdienste."
Seigneur Pacheco sprak deze laatste woorden met zooveel vuur, dat Felix lachend antwoordde: "Vriend, het spijt mij u met dona Kimena in kennis te hebben gebracht en ge zult goed doen er niet meer heen te gaan, dat raad ik u aan voor uwe rust, Aurora de Guzmann zou u wel eens liefde kunnen gaan inboezemen...."
"Ik behoef haar niet meer te zien," viel don Louis in, "om verliefd te worden, dat ben ik reeds."--"Dat spijt mij voor u," antwoordde Mendoza, "want gij zijt geen man om u aan een enkele vrouw te hechten en mijne nicht is geen Isabella, dat verzeker ik u. Zij zal geen minnaar willen hebben, die geen eerlijke trouwplannen koestert."--"Trouwplannen! kan het anders met een meisje van haar stand? Gij beleedigt me door te denken dat ik een onedelen blik op haar zou kunnen werpen, gij moogt beter van mij denken, waarde Mendoza: helaas, ik zou de gelukkigste van alle mannen zijn wanneer zij mijn aanzoek aannam en haar lot aan het mijne wilde verbinden."
"Als dat uwe bedoelingen zijn," hernam don Felix, "wil ik u gaarne van dienst zijn. Ik zal morgen reeds trachten mijne tante voor uwe zaak te winnen daar zij veel invloed bij mijne nicht heeft." Pacheco was hem buitengewoon dankbaar en wij bemerkten met vreugde, dat onze list zoo goed gelukte. Den volgenden dag wakkerden wij de liefde van don Louis nog door eene nieuwe vinding aan. Mijne meesteres kwam bij hem en vertelde, dat hij dona Kimena over hem had gesproken. "Ik had zeer veel moeite om haar gunstig voor u te stemmen. Zij was verbolgen op u. Ik weet niet wie u bij haar als een losbol heeft voorgesteld, maar vast staat, dat iemand u bij haar heeft zwart gemaakt; gelukkig heb ik u kunnen verdedigen en zoo den slechten indruk kunnen wegnemen, dien men haar van uw leven had gegeven."
"Maar dat is nog niet alles," vervolgde Aurora, "gij moet met mijne tante in mijn tegenwoordigheid een onderhoud hebben, dan zullen we ons verder van haar steun verzekeren." Pacheco verlangde vol ongeduld naar dit gesprek met dona Kimena en den volgenden ochtend werd hij tevreden gesteld. De zoogenaamde Mendoza bracht hem bij juffrouw Ortiz en zij hadden een onderhoud, waarin don Louis blijk gaf in zeer korten tijd bijzonder verliefd te zijn geworden. De behendige Kimena veinsde zeer getroffen te zijn door zijn teederheid en beloofde alles in het werk te zullen stellen om haar nicht te bewegen hem te huwen. Pacheco wierp zich aan de voeten van zulk een goede tante om haar te bedanken voor haar vriendelijkheid. Don Felix vroeg daarop of zijn nicht reeds bij de hand was. "Neen," antwoordde de duenna, "zij rust nog en gij kunt haar thans niet spreken, maar komt vanmiddag terug." Dit antwoord was koren op den molen van don Louis, die den morgen verder zeer lang vond. Hij kwam thuis met Mendoza, die niet weinig genoot van de duidelijke verschijnselen eener echte liefde, die hij in den ander opmerkte.
Hij sprak slechts over Aurora en toen zij gegeten hadden, zei don Felix: "Ik krijg een idee. Ik zal even voor u bij mijne tante aanloopen en met mijn nicht persoonlijk spreken om zoo mogelijk te ontdekken hoe zij over u denkt." Don Louis vond dit uitstekend; hij liet zijn vriend gaan en vertrok zelf een uur later. Mijne meesteres had zich dien tijd ten nutte gemaakt en was weder als vrouw gekleed, toen haar aanbidder verscheen. "Ik dacht," zei deze, "hier don Felix te vinden."--"Hij komt dadelijk," antwoordde dona Kimena, "hij zit in mijn vertrek te schrijven." Pacheco nam deze uitvlucht voor goede munt op, doch ondanks de aanwezigheid van zijne aangebedene bemerkte hij, dat de uren voorbijgingen zonder dat Mendoza verscheen en daar hij niet kon nalaten daarover eenige verwondering te laten blijken, begon Aurora plotseling te lachen en zei tegen don Louis: "Is het mogelijk dat gij niet het minste vermoeden hebt van het bedrog waarvan gij de dupe zijt? Een valsche blonde pruik en geverfde wenkbrauwen veranderen mij toch niet zoo, dat men zich daarin nog kan vergissen. Weet Pacheco, dat don Felix de Mendoza en Aurora de Guzmann slechts een en dezelfde zijn!"
Ze bepaalde zich er niet toe hem uit die dwaling te helpen; zij bekende hem het zwak, dat ze op hem had en alle stappen, welke zij gedaan had, om hem op het punt te brengen, waar ze hem hebben wilde. Don Louis was niet minder bekoord dan verrast door hetgeen hij zooeven gehoord had; hij wierp zich aan de voeten van mijn meesteres en zei haar met geestdrift: "Ah! schoone Aurora, kan ik werkelijk gelooven, dat ik de gelukkige sterveling ben, voor wien ge zooveel goedheid hebt gehad? Wat kan ik doen om u mijn erkentelijkheid te betuigen? Een liefde tot in eeuwigheid zou niet groot genoeg zijn om u dat te vergelden." Die woorden werden gevolgd door duizenden andere teedere en hartstochtelijke uitdrukkingen, waarna de geliefden spraken over de maatregelen, welke ze hadden te nemen om tot de vervulling van hunne wenschen te geraken. Er werd besloten, dat wij allen dadelijk naar Madrid zouden vertrekken, waar wij onze comedie met een huwelijk zouden besluiten. Dat plan werd bijna met even groote snelheid uitgevoerd als het werd bedacht. Don Louis huwde veertien dagen later met mijne meesteres en hun bruiloft werd met vele luisterrijke feesten gevierd.
HOOFDSTUK VII
Gil Blas verandert van betrekking en gaat in dienst van don Gonzale Pacheco.
Drie maanden na dit huwelijk wilde mijn meesteres mijn diensten beloonen. Ze schonk mij honderd pistolen en zei: "Gil Blas, mijn vriend, ik jaag je niet weg, je kunt hier blijven zoolang als je wilt, maar een oom van mijn man, don Gonzale Pacheco, wil je als kamerdienaar hebben. Ik heb zoo gunstig over je gesproken, dat hij mij gezegd heeft, dat ik hem genoegen zou doen je aan hem over te doen. Het is een edelman van den ouden stempel, een man met een zeer nobel karakter; ge zult het goed bij hem hebben."
Ik bedankte Aurora voor haar goedheid en, daar ze mij niet meer noodig had, nam ik de betrekking, welke mij werd aangeboden, te liever aan, omdat ik in de familie bleef. Op een goeden ochtend ging ik dus van de jonggehuwden naar don Gonzale. Hij was nog te bed, hoewel het bij den middag was. Toen ik zijn kamer binnenkwam, dronk hij een kop bouillon, dien een page hem bracht. De grijsaard had papillotten in zijn snor, bijna levenlooze oogen en een bleek, mager gelaat. Hij was een van die oude-jongeheeren, die in hun jeugd zwaar geleefd hebben en op een meer gevorderden leeftijd nog weinig wijzer zijn geworden. De ontvangst was aangenaam en hij zei me, dat, wanneer ik hem met evenveel ijver wilde dienen, als ik het zijn nicht gedaan had, ik het goed bij hem zou hebben. Na deze verzekering beloofde ik, dat ik hem dezelfde trouw zou bewijzen als aan zijn nicht en van dat oogenblik af aan nam hij mij in dienst.
Zoo had ik dus een nieuwen meester en God weet, wat voor man het was! Toen hij opstond, meende ik de opstanding van Lazarus te zien. Stel u een lichaam voor, zoo mager, dat men het naakt ziende, er best de theorie van het geraamte op had kunnen leeren. Hij had zulke dunne beenen, dat ze nog zeer mager schenen, nadat hij over elkaar drie of vier paar kousen had aangetrokken. Bovendien was die levende mummie asthmatisch en hoestte hij bij ieder woord, dat hem uit den mond kwam. Hij liet eerst chocolade komen, vroeg vervolgens papier en inkt, schreef een briefje, dat hij verzegelde en liet bezorgen door denzelfden page, die zijn bouillon had gebracht. Daarop zei hij tot me: "Mijn vriend, in 't vervolg zal ik jou met mijn boodschappen belasten en bepaaldelijk die, welke dona Eufrasia betreffen. Die dame is een jeugdige persoon, die ik liefheb en die mij teeder bemint."
Almachtig! zei ik bij mezelf; hoe kan men jonge menschen beletten zich te verbeelden, dat men hen liefheeft als die oude losbol denkt, dat men hem aanbidt? "Gil Blas," vervolgde hij, "ik zal je heden al bij haar brengen; ik soupeer bijna iederen avond bij haar. Ge zult een zeer beminnelijke vrouw zien en bekoord worden door haar wijsheid en ingetogenheid. Zij lijkt volstrekt niet op die jonge onbezonnen wezens, die op het uiterlijk afgaan, maar heeft een rijpen geest; ze wil een man met gevoel en geeft boven de meest schitterende verschijningen, de voorkeur aan een man, die weet te beminnen." Don Gonzale raakte niet uitgepraat over de voortreffelijkheden van zijn maîtresse, maar hij had een toehoorder, die moeilijk te overtuigen was. Na alles wat ik er al van gezien had bij tooneelspeelsters, geloofde ik niet van het geluk in de liefde van oude heeren. Ik deed echter maar, of ik alles voor goede munt aannam en prees zelfs den smaak van Eufrasia en zei, dat ze geen beminnelijker galant kon hebben. De goede man begreep niet, dat ik hem voor den gek hield, integendeel, zijn ijdelheid werd gestreeld door mijn woorden; ook nu bleek het weer, dat een vleier alles bij groote heeren kan wagen; ze slikken zelfs de meest overdreven complimentjes.
Nadat de oude heer geschreven had, trok hij met een tangetje een paar haren uit zijn baard, waschte zijn oogen, ooren en tanden en daarna verfde hij zijn snor, zijn wenkbrauwen en zijn haar. Hij had langer werk aan zijn toilet dan een oude dame, die het voortgaan van de jaren wil verbergen. Hij was juist klaar toen er een andere oude heer, een vriend van hem, binnenkwam, die graaf d'Asumar heette. Welk een verschil tusschen hen! Deze liet zijn grijze haren zien, leunde op een stok en scheen trotsch te zijn op zijn ouderdom, inplaats van jong te willen schijnen. "Mijnheer Pacheco," zei hij bij het binnenkomen, "ik kom vragen of ik bij u kan dineeren." "Wees welkom, graaf," antwoordde mijn meester. Ze drukten elkaar de hand en begonnen in afwachting van het diner een gesprek. Het liep eerst over een stierengevecht, dat voor weinige dagen had plaats gehad. Evenals aan Nestor bood het aan de oude graafheden gelegenheid om het verleden te prijzen, zuchtend zei hij: "Helaas! de menschen van tegenwoordig zijn niet meer met die van vroeger te vergelijken; de pracht van de tournooien in mijn jeugd ziet men niet meer." Ik lachte om de vooroordeelen van den ouden heer d'Asumar, die zich in dit opzicht niet tot de tournooien bepaalde; want toen hij aan tafel zat en men de mooiste perziken presenteerde, zei hij: "In mijn tijd waren de perziken grooter dan ze nu zijn; de natuur wordt van dag tot dag zwakker." Lachend zei ik in me zelf, dat, ten tijde van Adam, de perziken dan wel buitengewoon groote afmetingen moesten hebben gehad.