De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 21

Chapter 213,959 wordsPublic domain

"Gij moet niet vergeten, Seigneur," antwoordde de minister, "dat wijlen de koning uw oom de troonsopvolging afhankelijk heeft gemaakt van het huwelijk met de prinses." "En welk recht," hernam Enrique, "had hij zelf anderen voorwaarden te stellen? Had hij deze onwaardige voorwaarden ontvangen van zijn broeder koning Karel, toen hij dezen opvolgde? Moest gij de zwakheid hebben u aan zulk eene onrechtvaardige voorwaarde te onderwerpen? Voor een grootkanselier zijt gij slecht op de hoogte van onze gebruiken. In één woord toen ik mijn hand aan Constance beloofde, was dit niet vrijwillig. Ik wil mijn belofte niet houden en indien don Pedro de hoop mocht koesteren om den troon te bestijgen, kan, opdat niet het volk wordt gewikkeld in een twist, die te veel bloed zou kosten, de degen beslissen wie van ons het waardigst is om te regeeren." Leontio durfde niet verder aandringen en stelde zich tevreden hem op de knieën de vrijheid van zijn schoonzoon te vragen; deze verkreeg hij. "Ga," zei de koning, "keer naar Belmonte terug, de connetabel zal u weldra volgen." De minister vertrok en kwam te Belmonte aan, overtuigd dat zijn schoonzoon hem op de hielen volgde. Hij vergiste zich, Enrique wilde Blanche dien nacht spreken en met dit doel stelde hij de bevrijding van haar echtgenoot tot den volgenden morgen uit.

Intusschen gaf de connetabel zich aan bittere overpeinzingen over. Zijn arrestatie had hem de oogen geopend over de ware oorzaak van zijn ongeluk. Hij gaf zich geheel over aan zijn jaloezie; en zijn trouw verwenschend, die hem tot nu toe tot eer had gestrekt, dorstte hij slechts naar wraak. Daar hij zeer goed begreep, dat de koning dezen nacht niet zou laten voorbijgaan om Blanche op te zoeken, vroeg hij aan den gouverneur van Palermo hem vrij te laten, met het doel hen samen te verrassen, en gaf de verzekering, den volgenden morgen terug te komen. De gouverneur, die met hem bevriend was, ging er des te eerder toe over, daar hij wist dat Siffredi zijne invrijheidsstelling had bewerkt; zelfs liet hij hem een paard geven om naar Belmonte te rijden. Daar aangekomen, bond de connetabel zijn paard aan een boom, ging het park binnen door een deur, waarvan hij den sleutel bezat, en was zoo gelukkig het kasteel binnen te gaan zonder dat iemand hem zag. Hij bereikte de kamer van zijn vrouw en verborg zich in de antichambre, achter een tochtscherm. Hij was van plan vandaar alles te bespieden wat er gebeurde en dan plotseling de kamer van Blanche binnen te treden bij het minste gerucht, dat hij vernam. Hij zag Nisa weggaan, die hare meesteres verliet om naar het vertrekje te gaan waar zij sliep.

De dochter van Siffredi, die zonder moeite de reden had geraden waarom haar echtgenoot was gevangen genomen, oordeelde terecht, dat hij dien nacht niet te Belmonte zou terugkeeren, ofschoon, zooals haar vader zei, de koning hem verzekerd had, dat hij weldra terug zou zijn; zij twijfelde niet of Enrique zou van de gelegenheid gebruik maken om haar te zien en vrij met haar te praten. Zij verwachtte dus den prins om hem een daad te verwijten, welke verschrikkelijke gevolgen voor haar kon hebben.

Werkelijk opende zich, eenigen tijd nadat Nisa vertrokken was, de wand en wierp de koning zich aan de voeten van Blanche. "Mevrouw," zei hij haar, "veroordeel niet zonder mij te hooren. Indien ik den connetabel heb laten gevangen nemen, bedenk dan, dat dit het eenige middel was, dat mij overbleef om mij te rechtvaardigen. Deze list hebt gij trouwens u zelf te wijten. Waarom weigerde gij mij aan te hooren? Helaas, morgen zal uw echtgenoot vrij zijn en ik zal niet langer met u kunnen spreken. Luister dus voor de laatste maal naar mij. Indien uw verlies mijn lot beklagenswaard maakt, sta mij dan ten minste den schralen troost toe, u te zeggen, dat ik dit ongeluk niet door mijn ontrouw over u heb gebracht. Het kon niet anders, in de omstandigheden, waarin uw vader mij had geplaatst. Ik moest de prinses bedriegen in uw en mijn belang om u de kroon en de hand van uw minnaar te verzekeren. Ik wilde slagen, ik had reeds maatregelen genomen om deze verloving af te breken; maar gij hebt mijn werk vernietigd en van uwe lichtvaardigheid hebt gij twee harten, die door een volmaakte liefde verbonden hadden kunnen zijn, voor eeuwig in het ongeluk gestort." Hij was zoo wanhopig aan het einde van dit gesprek, dat Blanche er door geroerd werd. Zij twijfelde niet langer aan zijn onschuld; eerst was zij er blij om en later werd haar smart des te heviger. "Ach seigneur," zei zij tegen den vorst, "na de beschikking van het lot veroorzaakt gij mij nieuwe smart door mij te zeggen, dat gij niet schuldig zijt. Wat heb ik gedaan ongelukkige, mijn boosheid heeft mij overweldigd, ik dacht wreed verlaten te zijn en in mijn spijt heb ik de hand van den connetable aanvaard. Helaas terwijl ik u beschuldigde van bedrog, was ik het zelf die, te lichtgeloovige minnares, de banden doorsneed, welke ik gezworen had nimmer te zullen verbreken. Wreek u seigneur, op uw beurt. Haat de ondankbare Blanche. Vergeet...." "Is dat noodig mevrouw?" viel Enrique haar in de rede. "Gij moet het toch trachten te doen," zei zuchtend de dochter van Siffredi. "Zoudt gij het zelf kunnen?" "Ik beloof het niet maar zal toch alles doen, om dat doel te bereiken," antwoordde zij. "Ach, wreede vrouw," zei de prins, "gij zult gemakkelijk Enrique vergeten, wanneer gij dit wilt." "Maar wat wilt gij dan?" vroeg Blanche op vasten toon. "Denkt gij, dat ik kan toestaan, dat gij nog langer uwe zorgen aan mij wijdt? Neen seigneur, wanneer ik niet geboren ben om koningin te zijn, heeft de hemel mij toch ook niet bestemd om eene ongeoorloofde liefde te volgen. Mijn echtgenoot is, als gij seigneur, gesproten uit het edele huis van Anjou; en wanneer mijn gegeven woord mij niet reeds aan hem bond en uwe toenadering onverbiddelijk afwees, dan zou toch mijn eer zich daartegen verzetten. Ik verzoek u heen te gaan; wij moeten elkander niet meer zien." "Welk een barbaarschheid," riep de koning. "Ach Blanche, is het mogelijk, dat gij mij zoo hardvochtig behandelt? Is het dus niet genoeg, dat ik u moet denken in de armen van den connetabel maar gij wilt mij nog verbieden u te zien, de eenige troost welke mij overblijft?" "Ga heen," antwoordde de dochter van Siffredi met tranen in de oogen, "hem te zien, die mij teeder heeft lief gehad, is mij een kwelling nu ik de hoop heb verloren hem ooit te bezitten. Adieu seigneur, vlucht, gij moet dat doen ter wille van uw roem en mijn goeden naam. Ik vraag het u ook ter wille van mijn rust; want ofschoon mijn deugd niet bezwijken zal voor de neigingen van mijn hart, veroorzaakt de herinnering aan uwe teederheid zulk een wreeden strijd, dat het mij te veel kost om er steeds weerstand aan te bieden."

Zij uitte deze woorden met zooveel heftigheid, dat zij zonder er aan te denken een flambouw omstootte, die op een tafel achter haar stond. Deze ging uit onder het vallen. Blanche zocht ze op, ging naar het kamertje van Nisa door de antichambre en kwam weldra met licht terug. De koning zag haar niet of hij begon haar zijn liefde op te dringen. Bij het hooren van de stem van den vorst trad de connetabel met den degen in de hand het vertrek binnen, liep vol woede op Enrique toe, en riep uit: "Het is genoeg tyran, denk niet, dat ik laf genoeg ben om de beleediging te verduren, welke gij mijn eer hebt aangedaan." "Ha verrader," antwoordde de koning zich verdedigend opstellend, "verbeeld je niet ongestraft je plan te kunnen volvoeren." Na deze woorden begonnen zij een gevecht dat te hevig was om lang te kunnen duren. De connetabel bedenkende, dat Siffredi en zijn dienaren te spoedig zouden komen aanloopen op de kreten van Blanche en zich tegen zijn wraak zouden verzetten, ontzag zich niet. Zijn woede maakte hem blind, hij berekende zoo slecht zijn uitvallen, dat hij zich zelf in den degen van zijn vijand wierp; deze ging hem in het lichaam tot aan het gevest en de koning hield op.

De dochter van Leontio, getroffen door den toestand waarin zij haar echtgenoot zag en den natuurlijken afkeer overwinnend dien zij voor hem koesterde, knielde en wilde hem helpen. Maar deze ongelukkige echtgenoot was te zeer op haar verbitterd, om zich te laten verteederen door de betuigingen van haar smart en medelijden. De dood, die hij voelde naderen, kon zijn jalouzie niet verminderen. Hij zag in de laatste oogenblikken slechts het geluk van zijn tegenstander en deze gedachte scheen hem zoo vreeselijk toe dat hij alles wat hem nog aan kracht overbleef verzamelend, zijn degen ophief en haar in den boezem van Blanche stootte, en uitriep: "Sterf trouwelooze echtgenoote, die zoo schromelijk de trouw hebt geschonden, die gij mij op het altaar hadt gezworen. En gij," vervolgde hij, "Enrique, verheug u niet in uw lot. Gij zult u niet verheugen over mijn ongeluk, ik sterf tevreden." Na deze woorden gaf hij den geest en zijn gelaat, bedekt door den schaduw des doods had nog iets fiers en verschrikkelijks. Dat van Blanche leverde een geheel anderen aanblik. Doodelijk getroffen was zij op het stervende lichaam van haar echtgenoot gevallen en het bloed van het ongelukkige slachtoffer vermengde zich met dat van den moordenaar, die zoo snel zijn wreed besluit had ten uitvoer gebracht, dat de koning hem niet had kunnen tegenhouden. De ongelukkige prins uitte een kreet toen hij Blanche zag vallen en wilde aan haar dezelfde zorgen wijden waarvoor zij zoo slecht beloond werd. Maar stervende zei zij: "Seigneur, uwe moeite is te vergeefs, ik ben het slachtoffer, dat het onverbiddelijk noodlot eischte. Moge nu zijn toorn gestild zijn en mijn lot bijdragen tot het geluk van uwe regeering." Terwijl zij deze woorden sprak, kwam Leontio op het rumoer de kamer binnen en getroffen door wat hij zag, bleef hij onbeweeglijk staan. Blanche zag hem niet en vervolgde: "Vaarwel, prins, blijf aan mij denken, mijn liefde en mijn ongeluk verplichten u daartoe. Wees niet boos op mijn vader. Ontzie zijne ouderdom, zijn smart en doe recht wedervaren aan zijn ijver. Zeg hem vooral, dat ik onschuldig ben; dat verzoek ik u in de allereerste plaats. Adieu, mijn waarde Enrique.... ik sterf.... ontvang mijn laatste zucht...."

Bij deze woorden stierf zij. De koning bleef eenigen tijd zwijgen. Vervolgens zei hij tegen Siffredi die roerloos bleef staan: "Zie, Leontio, beschouw uw werk; zie het resultaat van uw heimelijke zorgen voor mijn welzijn." De grijsaard antwoordde niet, zoozeer werd hij beheerscht door smart. Maar waarom zal ik datgene trachten te beschrijven, waarvoor geen woorden te vinden zijn?

De koning behield zijn geheele leven een teedere herinnering aan zijn geliefde. Hij kon niet besluiten met Constance te huwen. De infant don Pedro huwde met deze prinses en beiden lieten niets achterwege om de bepaling in het testament in vervulling te laten gaan, doch ten slotte moesten zij voor Enrique wijken, die zijn vijanden overwon. Wat Siffredi betreft, het verdriet zooveel ongeluk te hebben veroorzaakt deed hem het verblijf in zijn vaderland ondragelijk worden. Hij verliet Sicilië en ging met Porcia, zijn overgebleven dochter, naar Spanje, waar hij dit kasteel kocht. Hij leefde nog 15 jaar na den dood van Blanche en had voor zijn dood nog de troost dat Porcia huwde. Zij werd de echtgenoote van Jerome de Silin en ik ben de eenige vrucht uit dit huwelijk. Ziedaar, vervolgde de weduwe van don Pedro de Pinares, mijne familiegeschiedenis en een trouw verhaal van de ongelukken, die op deze schilderij worden voorgesteld, welke Leontio, mijn grootvader, liet vervaardigen om bij zijn nakomelingschap het aandenken aan dit noodlottig avontuur levendig te houden."

HOOFDSTUK V

Wat Aurora de Guzmann deed toen zij te Salamanca was.

Ortiz, hare metgezellen en ik verlieten de zaal na dit verhaal te hebben aangehoord en lieten Aurora met Elvira alleen. Zij bleven het overige gedeelte van den dag bij elkaar, verveelden zich niet en toen wij den volgenden dag vertrokken, kostte het scheiden haar evenveel, of zij oude vriendinnen waren. Eindelijk kwamen wij zonder ongeval te Salamanca aan. Wij huurden er een geheel gemeubeld huis en juffrouw Ortiz nam zooals was overeengekomen den naam aan van Kimena de Guzmann. Zij was te lang dienstbaar geweest om geen goede actrice te zijn. Op zekeren morgen ging zij met Aurora, eene kamenier en een knecht naar het pension, waar Pocheco gewoonlijk logeerde. Zij vroeg kamers te huur, betaalde vooruit en zei, dat deze bestemd waren voor een harer neven, die van Tolledo kwam om te studeeren.

Toen zij terug waren, liet de schoone Aurora geen tijd verloren gaan om zich als heer te verkleeden. Zij bedekte haar zwarte haar met een blonde pruik, verfde zich de wenkbrauwen in dezelfde kleur en werkte zoo handig, dat zij zeer wel voor een jongen man kon doorgaan. Zij bewoog zich gemakkelijk en vrij en met uitzondering van haar gelaat, dat iets te mooi was voor een man, verraadde niets haar vermomming. De kamenier, die als page dienst moest doen, verkleedde zich ook en wij waren ook over haar tevreden; want behalve dat zij niet een van de mooisten was had zij iets brutaals in haar uiterlijk, wat zeer goed in haar rol paste. 's Middags waren de beide actrices gereed om ten tooneele te verschijnen en wij reden naar het pension met alle benoodigde kleedingstukken.

De waardin Bernarda Ramirez geheeten, ontving ons voorkomend en wij werden het spoedig met haar eens over den prijs en vroegen haar of zij reeds meer pensiongasten had. "Op 't oogenblik niet," antwoordde zij, "ik zou er genoeg hebben, als ik iedereen in mijn huis wilde nemen, ik wil echter alleen jongelieden. Ik verwacht er van avond een, die uit Madrid komt om zijn studiën te voltooien. Het is don Louis de Pacheco, hoogstens twintig jaar oud. Indien gij hem niet persoonlijk kent, hebt gij misschien van hem hooren spreken." "Neen," zei Aurora, "ik weet, dat hij van goede familie is maar verder niets en waar ik hier met hem moet wonen, zou ik gaarne iets meer over hem vernemen." "Seigneur," antwoordde de waardin, "het is een schitterend figuur. Hij is bijna zoo jong als u. Samen zult gij een goed paar vormen. Bij den heiligen Jacobus, ik zal mij kunnen beroemen ten mijnen huize de twee knapste jonge edellieden uit Spanje te hebben." "Heeft deze don Louis," vroeg mijne meesteres, "hier dan geen veroveringen gemaakt?" "O, zeker, zooveel als hij maar wil. Hij heeft o.a. tusschen ons gezegd, een dame bekoord, die jong en schoon is; zij heet Isabella. Het is de dochter van een ouden doctor in de rechten. Zij is zoo verliefd, dat zij er het verstand nog eens door zal verliezen." "En zeg mij," vroeg Aurora haastig, "is hij ook op haar verliefd?" "Hij hield van haar," antwoordde Bernarda Ramirez, "voor zijn vertrek naar Madrid, maar ik weet niet of hij haar nog bemint want hij loopt van vrouw tot vrouw, zooals alle jonge edellieden dat gewoon zijn." De goede weduwe had ternauwernood uitgesproken of wij hoorden geraas voor de deur. Wij keken door het raam en zagen twee mannen van hunne paarden afstijgen. Het was don Louis Pacheco, die met een kamerdienaar van Madrid kwam. De oude vrouw verliet ons om hem te ontvangen en mijne meesteres maakte zich gereed de rol van don Felix te gaan spelen. Don Louis kwam gelaarsd en gespoord in ons vertrek. "Ik verneem," zeide hij, terwijl hij Aurora groette, "dat een jonge edelman uit Toledo ook in dit hotel is afgestapt, mag ik hem daarover mijn vreugde betuigen?" Terwijl mijne meesteres hem op haar beurt een compliment maakte kon Pacheco niet nalaten te zeggen, dat hij nog nooit een edelman had gezien, die zoo mooi en goedgevormd was. Na allerlei beleefdheden, ging don Louis naar zijn eigen appartementen.

Terwijl hij zijn sporen liet afdoen en van kleeding verwisselde, ontmoette een soort van page, welke hem zocht om hem een briefje te geven, bij toeval Aurora op de trap. Hij hield haar voor don Louis en gaf haar het briefje. "Hier, seigneur," zei hij, "ofschoon ik seigneur Pacheco niet ken, behoef ik niet te twijfelen, dat gij het zijt." "Neen, vriend," antwoordde mijne meesteres met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, "gij doet uw boodschappen goed. Gij hebt goed geraden dat ik don Louis Pacheco ben." De page verdween en Aurora zich met ons verwijderend, las: "Ik verneem dat gij te Salamanca zijt. Met welk een vreugde heb ik deze tijding ontvangen, ik dacht er gek van te worden. Maar bemint gij Isabella nog? Haast u haar te verzekeren dat gij niet veranderd zijt. Ik denk dat zij van pleizier zal sterven als zij u trouw terugvindt."

"Dat briefje is hartstochtelijk; daar speekt een innige liefde uit. Deze dame is een mededingster, waarvoor ik op mijn hoede moet zijn. Ik moet don Louis van haar losmaken en zorgen, dat hij haar niet terug ziet. Het is niet gemakkelijk, maar ik wanhoop niet dit resultaat te bereiken." Mijn meesteres ging zitten peinzen en zei een oogenblik daarna: "Ik beloof je, dat ze in minder dan vier en twintig uur gebrouilleerd zijn." Nadat Pacheco een weinig uitgerust was, kwam hij ons opzoeken en begon met Aurora te praten. "Seigneur" zei hij schertsend, "ik geloof, dat de echtgenooten en minnaars zich over uw komst te Salamanca niet behoeven te verheugen: gij zult ze in onrust brengen. Ik voor mij beef nu reeds voor mijne veroveringen." "Luister," zei mijne meesteres, "uwe vrees is niet misplaatst. Don Felix de Mendoza is niet weinig te duchten, dat verzeker ik u en ik weet nu al, dat de vrouwen hier niet ongevoelig zijn." "Hebt gij daarvoor reeds een bewijs?" "Een duidelijk bewijs," antwoordde de dochter van don Vincent, "ik ben hier voor een maand ook geweest n.l. acht dagen en, in vertrouwen gezegd, heb ik de dochter van een ouden dokter in de rechten het hoofd op hol gemaakt."

Ik bemerkte dat don Louis bij deze woorden schrok. "Mag ik zonder onbescheiden te zijn, vragen hoe deze dame heet?" "Hoe, onbescheiden, waarom zou ik er een geheim van maken?" riep de valsche don Felix uit. "Denkt ge, dat ik kiescher ben dan andere edellieden van mijn leeftijd? Beoordeel mij niet zoo onrechtvaardig. Tusschen ons gezegd verdient zij zooveel kieschheid niet. Het is een burgerdame. Gij weet wel, dat een man van stand zich niet ernstig met zulk een vlinder ophoudt en dat hij gelooft, dat hij haar een eer bewijst door haar te onteeren. De naam van de dame in quaestie is Isabella." "En heet misschien de dokter," vroeg Pacheco ongeduldig, "Murcia de la Lhana?" "Juist," antwoordde mijne meesteres. "Ziehier een brief welke ik juist heb ontvangen en waaruit gij zult zien, dat zij het goed met mij meent." Don Louis keek naar het schrift en dat herkennend, keek hij strak voor zich. "Wat zie ik," vervolgde Aurora verwonderd, "gij verandert van kleur. Ik geloof heusch, dat gij belang in dit persoontje stelt. Ach waarom heb ik zoo openhartig tot u gesproken?"

"Ik ben er u dankbaar voor," antwoordde don Louis met een gevoel van spijt vermengd met toorn. "De ontrouwe, wispelturige! Don Felix, wat ben ik u niet verschuldigd? Gij bevrijdt mij van een dwaling waarin ik anders misschien nog lang had verkeerd. Ik dacht bemind te worden, wat zeg ik, bemind? ik dacht aangebeden te worden door Isabella. Ik droeg het schepsel eenige achting toe en nu zie ik, dat het slechts eene coquette is, alleen mijn verachting waardig." "Ik begrijp uw woede," zei Aurora, eveneens verontwaardigd. "De dochter van een dokter in de rechten moest tevreden zijn wanneer zij een zoo beminnelijk heer als gij tot minnaar had. Ik kan haar onstandvastigheid niet verontschuldigen en wel verre van prijs te stellen op de voorkeur die zij mij schenkt, wil ik voortaan niets meer van haar goedheid weten." "Ik voor mij," zei Pacheco, "wil haar nooit meer zien; dat is de eenige wraak die ik kan nemen." "Gij hebt gelijk," riep de valsche Mendoza uit; "om haar te doen weten, hoezeer wij haar verachten moeten wij haar beiden een beleedigenden brief schrijven, in antwoord op haar schrijven. Maar alvorens tot dit uiterste over te gaan, moet gij uw hart raadplegen, opdat gij nooit berouw krijgt met haar gebroken te hebben." "Neen maar," antwoordde don Louis, "deze zwakheid zal ik niet hebben en om de ondankbare te straffen, zullen wij doen wat gij voorstelt."

Dadelijk ging ik papier en inkt halen, en zij begonnen beiden zeer vriendelijke briefjes voor de dochter Murcia de la Lhana samen te stellen. Pacheco vooral kon geen woorden naar zijn zin vinden om zijn gevoelens uit te drukken en hij verscheurde vijf of zes brieven omdat zij hem niet kras genoeg voorkwamen. Eindelijk had hij er een waarover hij met recht tevreden was. Deze luidde aldus: "Leer uzelf kennen, mijne koningin, en wees niet zoo ijdel te gelooven, dat ik u bemin. Er is een andere verdienste noodig dan de uwe om mij te binden. Gij zijt alleen geschikt om tot amusement te dienen voor de jongste studenten van de universiteit". Het briefje van Aurora was niet minder beleedigend en toen zij gereed was, deed zij beide in enveloppen en zei: "Hier Gil Blas, zorg dat Isabella dat nog heden ontvangt. Heb je me begrepen?" vroeg ze knipoogend. Ik begreep haar en zei: "Ja, seigneur, ik zal doen zooals u verlangt".

Ik ging dadelijk weg en dacht bij mijzelf: "Komaan mijnheer Gil Blas, gij wordt op de proef gesteld. Laat nu eens zien, mijn vriend, dat gij genoeg geest hebt, om een rol te spelen, die dat eischt. Seigneur Felix heeft u een teeken gegeven. Hij wil dat ik alleen het briefje van don Louis weg breng, dat beteekent dit knipoogje, niets is duidelijker." Overtuigd, dat ik mij niet vergiste, maakte ik het pakket los en haalde den brief van Pacheco er uit, die ik vervolgens naar Murcia bracht. Aan de deur vond ik den kleinen knaap, die naar het hotel was gekomen met het schrijven van Isabella en ik vroeg hem: "Broeder, zijt gij niet de bediende van de dochter van mijnheer den dokter Murcia?" Hij antwoordde, dat het zoo was met een gezicht, waarop te lezen stond, dat hij gewend was galante briefjes te bezorgen en ze te ontvangen. "Gij ziet er zoo betrouwbaar uit, dat ik u durf vragen dit briefje aan uw meesteres te brengen."

De knaap vroeg mij van wien ik kwam en ik had den naam van don Louis Pacheco niet genoemd, of hij zei: "Wil mij volgen, ik moet u bij Isabella brengen, die u wil spreken." Ik werd in een vertrek gelaten en kort daarop verscheen de senora. Ik werd getroffen door de schoonheid van haar gelaat; nooit zag ik fijnere trekken. Zij had een kinderlijk uiterlijk, maar dat belette niet, dat zij reeds bijna dertig jaar zonder leiband had geloopen. "Vriend," zei ze lachend, "zijt gij bij don Louis in dienst?" Ik antwoordde dat ik sedert drie weken zijn kamerdienaar was. Vervolgens gaf ik haar het briefje. Zij las het twee of drie maal alsof zij haar oogen niet vertrouwde. Zij had dan ook alles behalve zulk een antwoord verwacht. Zij richtte haar blik omhoog beet op haar lippen en eenige oogenblikken was haar hartepijn op haar gelaat te lezen. Plotseling vroeg zij mij: "Zeg eens vriend, is don Louis gek geworden na onze scheiding? Ik begrijp er anders niets van. Vertel mij waarom hij zoo beleefd schrijft. Is hij door den duivel bezeten? Als hij met mij wilde breken, behoefde hij't toch niet aldus te doen?"