De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V

Chapter 2

Chapter 24,108 wordsPublic domain

Zooals licht te begrijpen valt, was ik zeer uit mijn humeur over deze beetnemerij, meer dan ik ooit later door eenigen tegenspoed ben geweest. Ik kon het mezelf maar niet vergeven, dat ik mij zoo leelijk had laten beetnemen of beter gezegd dat mijn trots zoo vernederd was. "Wat" riep ik uit, "de schurk heeft dus met mij gespeeld en den waard eerst uitgehoord. Misschien ook verstaan zij elkaar in dit opzicht. Arme Gil Blas, je moet sterven van schaamte dat ge jezelf zoo leelijk hebt laten foppen en belachelijk maken. Zij gaan natuurlijk hiervan een heel verhaal maken dat zeker tot Oviédo zal doordringen en dat je daar ook in een mal daglicht zal plaatsen. Je ouders zullen er spijt van hebben een dwaas zulke goede lessen te hebben gegeven: inplaats van mij te vermanen niemand te bedriegen, hadden zij mij liever moeten waarschuwen mijzelf niet te laten bedriegen." Heftig bewogen door deze kwellende gedachten, verteerd van spijt, ging ik naar mijn kamer en naar bed, maar ik kon niet slapen en nauwelijks had ik den slaap gevat of de muilezeldrijver liet mij zeggen, dat hij gereed was en slechts op mij wachtte om te vertrekken. Ik stond direct op en terwijl ik mij kleedde, kwam Corcuelo met de rekening waarop de forel vooral niet was vergeten; en niet alleen moest ik alles tot den laatsten cent toe betalen wat hij mij vroeg, maar bovendien rakelde hij het geval van den vorigen avond nog eens op toen ik hem voldaan had. Na het souper betaald te hebben dat mij zoo slecht was bekomen, ging ik met mijn valies naar den muilezeldrijver en wenschte den oplichter, den waard en de herberg naar den duivel.

HOOFDSTUK III

Van de verleiding waaraan de ezeldrijver onderweg was blootgesteld, de gevolgen hiervan en hoe Gil Blas van Scylla in Charybdis viel.

Ik was niet alleen met den ezeldrijver; er waren twee kinderen van een familie te Pennaflor, een kleine straatzanger en een jonge burgerman van Astorga die met zijn vrouw, met wie hij juist te Verco getrouwd was, huiswaarts keerde. Wij maakten al spoedig kennis met elkaar en in minder dan geen tijd had ieder gezegd waar hij vandaan kwam en waar hij heenging. De jonggehuwde vrouw was zoo zwart en zoo weinig mooi dat ik er niet veel pleizier in had haar aan te kijken, maar haar jeugd en haar molligheid maakten blijkbaar wel indruk op den ezeldrijver, die besloot zijn best te doen om een wit voetje bij haar te krijgen. Den geheelen dag peinsde hij over een gunstig plan daarvoor en tegen den avond begon hij met de uitvoering ervan. Wij kwamen toen te Cacabelas, waar hij ons terstond bij de eerste herberg deed afstappen. Deze herberg lag buiten de stad en hij kende den waard als een bescheiden en inschikkelijk man. Hij bezorgde ons een afzonderlijke kamer, waar hij ons rustig het avondeten liet gebruiken. Aan het einde daarvan kwam hij echter woedend binnenstormen, roepende: "Voor den duivel, ik ben bestolen! Ik had honderd pistolen in een lederen zak en ik zal ze terugvinden. Ik ga op staanden voet naar den rechtercommissaris van deze wijk, die op dit punt geen scherts verstaat en die u allen zoolang zal ondervragen totdat de schuldige bekend heeft en het geld terug geeft!" Dit zeide hij op een zeer natuurlijk verontwaardigden toon, ging het vertrek uit en liet ons stom van verbazing achter.

Wij dachten hier niet aan een list omdat wij elkander nog niet voldoende kenden om voor elkaars eerlijkheid te kunnen instaan. Ik verdacht den kleinen straatzanger van de misdaad en deze dacht het waarschijnlijk van mij. Bovendien waren wij allemaal jeugdige dwazen. Wij kenden geen van allen de formaliteiten, die in zulk een geval in acht moeten worden genomen en wij geloofden dat wij allen gearresteerd zouden worden. Bevreesd vluchtten wij dan ook de kamer uit, sommigen de straat op, anderen den tuin in. Ieder zocht zijn heil in de vlucht en de jonge man uit Astorga, al even bevreesd door de gedachte aan het onderzoek, ging aan den haal zonder zich om zijne vrouw te bekommeren, evenals eertijds Eneas. De drijver die, zooals ik later vernam, hartstochtelijker van natuur was dan zijn beestjes, ging hierop zijn goed bedachte list aan de jonggetrouwde vrouw vertellen, zoodoende profiteerende van de hem gunstige gelegenheid. Deze Asturische Lucretia, niet erg ingenomen met de boeventronie van haar verleider, verzamelde al haar krachten, bood hardnekkig tegenstand en begon luidkeels te schreeuwen. De patrouille, die toevallig dicht bij de herberg was, waar overigens haar hulp wel meer ingeroepen werd, ging naar binnen en vroeg naar de oorzaak van dat hulpgeschreeuw. De waard, die in zijn keuken aan het zingen was en net deed of hij niets hoorde, was gedwongen den commandant en zijn mannen naar de kamer te brengen, waaruit de kreten kwamen. Juist op tijd, want de Asturische kon niet langer tegenstand bieden. De commandant, een ruw man, zag nauwelijks wat er gaande was, of hij gaf de verliefden drijver eenige slagen met zijn hellebaard, hem daarbij uitscheldend in woorden, die het schaamtegevoel zeker niet minder kwetsten dan de handeling zelve, welke hem deze woorden in den mond legde. Maar dat was nog niet alles, hij greep den schuldige en bracht hem voor den rechter tegelijk met de aanklaagster, die, niettegenstaande haar gehavende kleeding, zelve straf voor deze aanranding wilde gaan vragen. De rechter hoorde haar aan en na haar nauwlettend te hebben gadegeslagen, oordeelde hij, dat de beschuldigde geen genade kon erlangen. Hij deed hem op staanden voet ontkleeden en in hare tegenwoordigheid geeselen; verder beval hij, dat indien de man van de Asturische vrouw den volgenden morgen niet terug zou zijn, twee boogschutters haar naar Astorga zouden brengen op kosten van den beschuldigde.

Wat mij betreft, die misschien het bangst van allen was, ik liep het veld in, over bouwlanden en door heidestruiken, sprong over greppels en slooten, die op mijn weg lagen, en kwam eindelijk in een bosch aan. Ik wilde me juist tusschen dicht struikgewas verbergen, toen twee mannen te paard mij den weg versperden. "Werda", riepen zij en daar ik door mijn schrik niet terstond kon antwoorden, kwamen zij op mij toe, hielden me ieder een pistool voor en eischten, dat ik zou zeggen wie ik was, waar ik vandaan kwam en wat ik in dit bosch wilde doen, waarschuwende niets voor hen te verbergen. Op deze wijze van ondervragen, die mij dezelfde scheen als het ondervragen van den rechter, waarop de muilezeldrijver ons getracteerd had, antwoordde ik, dat ik een jonge man was uit Oviédo en naar Salamanca reisde. Ik vertelde hem verder aan welk een schrik men ons had blootgesteld en dat ik uit vrees daarvoor op de vlucht was gegaan. Zij barstten in lachen uit op het hooren van mijn verhaal, dat mijn onnoozelheid duidelijk aan den dag legde en een van hen zei mij: "Wees gerust, vriendje, kom met ons mee en vrees niets, we zullen je in veiligheid brengen." Bij deze woorden deed hij mij achter op het paard stijgen en wij drongen dieper het bosch in.

Ik wist niet, wat van deze ontmoeting te denken, doch stelde er mij geen kwaad van voor. "Als deze lieden dieven waren," dacht ik bij mijzelf, "zouden ze mij bestolen en misschien vermoord hebben, 't zullen dus een paar goede jongelieden zijn uit deze streek, die medelijden met mij hebben en mij naar hun huis brengen." Ik verkeerde niet lang in het onzekere, want na een tijdje gereden te hebben, zonder dat er een woord gesproken werd, hielden we stil aan den voet van een heuvel en stegen af. "Hier wonen wij nu," zei een van de ruiters, maar hoe ik ook keek, ik zag nergens een huis of hut of iets, dat op eene woning geleek. Intusschen opende een van de mannen een houten valluik, dat bedekt was met kreupelhout en dat den ingang van een lange onderaardsche, afdalende gang verborg. De paarden gingen hier uit eigen beweging in, alsof zij eraan gewend waren. De ruiters namen mij mee naar binnen en lieten het valluik door middel van daartoe aangebrachte touwen neer en zoo zat de waardige neef van oom Perez gevangen als een rat in een rattenval.

HOOFDSTUK IV

Beschrijving van het onderaardsche hol en welke zaken Gil Blas er zag.

Ik zag nu met wat voor lieden ik te doen had en men kan begrijpen dat mijn vroegere vrees door deze kennismaking verdween om plaats te maken voor een veel grooteren angst. Ik vreesde mijn leven en mijn dukaten te zullen verliezen en beschouwde mijzelf al als een offerdier, dat men naar het altaar voert. Meer dood dan levend liep ik tusschen mijn geleiders, die, ziende dat ik beefde, mij tevergeefs trachtten gerust te stellen. Toen wij ongeveer tweehonderd pas gedaan hadden, steeds hoeken omslaande en naar beneden loopende, traden wij een soort van stal binnen, verlicht door twee aan het gewelf hangende lampen. Er lag een goede voorraad stroo en verscheidene tonnen gierst. Twintig paarden zouden hier best gestald kunnen worden, maar er waren slechts de twee paarden die wij medebrachten. Een oude neger, die er intusschen nog tamelijk krachtig uitzag, bond ze vast aan de ruif.

Wij verlieten daarop den stal en gingen naar een keuken, bijgelicht op onzen weg door eenige lampen, die juist genoeg licht gaven om het lugubere van deze plaatsen te laten zien. Een oude vrouw was bezig stukken vleesch waarschijnlijk bestemd voor het avondeten, in pannen te bakken. De keuken was behangen met het gewone keukengerei en dichtbij zag men een bergplaats ruim voorzien van allerlei voorraad. De keukenmeid was even over de zestig en in haar jeugd zeker erg blond geweest, want hoewel zij nu wit was, hadden hare haren toch nog eenige nuancen van de vorige kleur behouden. Haar gelaat was olijfkleurig, zij had een puntige opgewipte kin en erg invallende lippen; een groote arendsneus boog zich tot op haar mond en hare oogen waren rood met purperen glans.

"Hier brengen wij je een jongeling," zei een van de ruiters tot deze schoone engel der duisternis en zich vervolgens tot mij wendende en ziende dat ik geheel bleek en ontdaan was van schrik, zeide hij: "Vriendje, je behoeft voor niets bang te zijn, er zal je geen leed hoegenaamd geschieden. Wij hadden een knechtje noodig om onze keukenmeid een beetje te helpen; wij hebben jou ontmoet en dat is een buitenkansje voor je. Gij komt hier in de plaats van een jongen, die voor veertien dagen gestorven is. Hij had een zeer zwak gestel, maar gij lijkt flinker en zult niet zoo gauw sterven. Weliswaar zult gij het daglicht niet meer zien, maar ter vergoeding daarvoor zal het je hier aan niets ontbreken. Gij zult je leven slijten met Leonarda, die een goede vrouw is en gij zult alles hebben wat je hartje begeert. Ik zal je eens laten zien, dat je hier niet bij arme lui bent." Daarop nam hij een fakkel en gebood mij hem te volgen.

Hij bracht mij naar een kelder, waarin ik een groote menigte flesschen zag en aarden potten, alle goed gesloten en vol uitmuntenden wijn. Vervolgens leidde hij mij door verschillende vertrekken. In enkele ervan waren stukken linnen opgestapeld, in andere stukken zijde.

Verder zag ik heel veel goud en zilver en allerlei vaatwerk met wapens erop. Daarna bracht hij mij in een groot vertrek, dat verlicht werd door drie vensters van gedreven koper en dat toegang gaf tot verschillende andere kamers. Hier deed mijn geleider mij opnieuw allerlei vragen, hoe ik heette, waarom ik Oviédo verlaten had en meer van dien aard en toen ik ze alle beantwoord had, zeide hij tot mij: "Je bent een zondagskind, Gil Blas, dat je juist ons getroffen hebt, nu je toch uit je vaderstad waart vertrokken om eene goede betrekking te vinden. Ik heb het je al gezegd, gij zult hier een heerenleventje leiden in weelde en overvloed. Gij zult rollen door het goud en zilver. Bovendien zijt gij hier absoluut veilig, want dit hol is zóó verborgen, dat de speurhonden van de politie het wel nooit zullen ontdekken. Ik en mijn kameraden alleen kennen den toegang. Ik ben kapitein Rolando en aanvoerder van de geheele bende; de man dien gij bij mij hebt gezien, was een van de manschappen."

HOOFDSTUK V

Waarom verscheidene andere dieven op het tooneel verschijnen en welk aangenaam gesprek zij voerden.

Toen Rolando dit alles verteld had, verschenen er zes andere mannen in de zaal. Het was de luitenant met vijf manschappen, allen beladen met buit. Zij droegen twee groote draagkorven vol suiker, kaneel, peper, vijgen, amandelen en rozijnen.

De luitenant begon te spreken tot den kapitein en zeide hem, dat hij die manden met buit weggenomen had van een kruidenier van Benavente en dat hij diens muilezel ook gestolen had. Na aldus rekening en verantwoording van zijn tocht te hebben gegeven, werd de buit naar de provisiekamers gebracht. Daarna dacht men slechts aan vreugde en vermaak, men plaatste een groote tafel in het salon en zond mij naar de keuken, waar Leonarda mij op de hoogte bracht van wat ik te doen had. Ik boog voor de noodzakelijkheid, daar mijn noodlot het van mij eischte, begroef mijn smart diep in mijn binnenste en begon deze eerlijke, brave menschen te bedienen.

Ik bracht eerst het buffet in orde, plaatste er zilveren kopjes op en verscheidene flesschen van dien heerlijken wijn, dien Rolando zoo geprezen had. Vervolgens zette ik twee schotels ragoût klaar en terstond gingen de roovers aan tafel. Zij begonnen met een flinken eetlust te eten, terwijl ik achter hen bleef staan om hen te bedienen en wijn in te schenken. Ik deed dit zoo naar hun genoegen, dat zij mij allerlei complimentjes maakten, terwijl de kapitein hun mijne geschiedenis vertelde, wat hen blijkbaar zeer vermaakte. Vervolgens vertelde hij allerlei lof van mij, doch ik was voorgoed van ijdelheid genezen en ik hoorde het dan ook onverschillig aan. Toen begonnen zij mij allen te prijzen en zeiden dat ik geknipt was voor schenker en honderdmaal beter was dan mijn voorganger. En daar Senora Leonarda dat ambt na zijn dood had waargenomen, ontnamen zij haar van nu af die waardigheid om mij er mede te bekleeden. Zoo volgde ik deze oude Hebe op als een tweede Ganymedes.

Een groote schotel met wild, die na de ragoût werd opgediend, verzadigde verder de roovers, die onderwijl een stevig glaasje dronken en spoedig in een vroolijke stemming kwamen en veel lawaai maakten. Zij begonnen allen tegelijk te praten, deze vertelde een geschiedenis, gene tapte een ui, weer een ander schreeuwde of zong, zoodat men elkaar niet kon verstaan. Eindelijk had Rolando dit tooneel lang genoeg geduurd en met een stentorstem gebood hij het gezelschap stilte.

"Mijne heeren," zeide hij op bevelenden toon, "luister naar hetgeen ik u te zeggen heb. Inplaats van elkander doof te schreeuwen, zouden wij beter doen als verstandige menschen te praten. Er valt mij iets in. Zoolang wij elkander kennen, zijn wij nog nooit zoo nieuwsgierig geweest te vragen van welke familiën wij zijn en door welke lotgevallen wij ons beroep hebben gekozen. Het komt mij voor, dat dit wel de moeite waard is bekend te maken. Laten wij elkaar dus vermaken met dit te verhalen." Met vele buigingen van vreugde begroetten de luitenant en de anderen dit voorstel, alsof zij iets moois te vertellen hadden, en de kapitein begon aldus:

"Mijne heeren, gij moet weten dat ik de eenige zoon ben van een rijk burger uit Madrid. De dag van mijn geboorte werd door de familie gevierd met onbeperkte vreugd. Mijn vader, die reeds bejaard was, was buitengewoon verheugd bij het zien van zijn erfgenaam en mijne moeder voedde mij zelf. Mijn grootvader van moederszijde leefde toen nog; het was een goedaardige grijsaard, die zich nergens meer mee bezighield als met zijn rozenkrans en het vertellen van zijn krijgsdaden, want hij had lang de wapenen gedragen en beroemde er zich dikwijls op, in het vuur te zijn geweest. Ongemerkt werd ik de afgod van deze drie menschen; onophoudelijk hadden ze mij in hun armen. Uit vrees dat de studie mij in de eerste jaren te veel zou vermoeien, liet men mij dien tijd doorbrengen met allerlei genoegens. Mijn vader zeide, dat kinderen zich eerst in den tijd dat hun verstand wat gerijpt is, ernstig aan iets moeten gaan wijden. In afwachting van die rijpheid, leerde ik lezen noch schrijven, maar daarom verkwistte ik mijn tijd toch niet. Mijn vader leerde mij honderd soorten van spelen. Ik was volleerd in kaartspel, kon de steenen werpen en mijn grootvader leerde mij liederen over de militaire expedities, die hij had medegemaakt. Elken dag zong hij mij dezelfde coupletten voor en wanneer hij drie maanden lang tien of twaalf verzen had herhaald, kon ik ze zonder fouten opzeggen en bewonderden mijne ouders mijn geheugen. Niet minder tevreden schenen zij over mijn verstand, als ik, profiteerend van de vrijheid die ik had om te zeggen wat ik wilde, een van hen in de rede viel, om tegen alles en allen in te praten. 'Och, wat is het een lieve jongen!' riep mijn vader dan uit, mij ontroerd aanziende. Mijne moeder overlaadde mij dan ook met liefkoozingen en mijn grootvader schreide van genoegen. Ook deed ik waar zij bij waren de onbeschaamdste dingen; zij vergaven mij alles, zij aanbaden mij. Intusschen was ik twaalf jaar geworden en had ik nog geen onderwijzer gehad. Men gaf mij er een; maar tegelijk ontving hij nauwkeurige bevelen mij te onderwijzen zonder hardhandigheid; men vergunde hem alleen mij af en toe te bedreigen om mij een beetje vrees in te boezemen. Deze vergunning was niet erg heilzaam, want òf ik lachte om de bedreigingen van mijn onderwijzer, òf ik ging met tranen in de oogen mijn leed klagen bij mijn moeder of mijn grootvader en maakte hen wijs dat hij mij erg mishandeld had. En al ontmaskerde de arme drommel mij ook, dan was hij er nog niet beter aan toe, maar ging door voor een woesteling, men geloofde mij toch altijd eerder dan hem. Zelfs schramde ik mijzelf eens; ik ging toen schreeuwen alsof ik vermoord werd; mijn moeder liep toe en joeg den meester onmiddellijk weg, hoewel hij den hemel tot getuige riep, dat hij mij niet had aangeraakt.

Zoo ontdeed ik mij van al mijne leeraren, totdat er een kwam, van de soort, die ik noodig had. Dat was een student van Alkala. Een uitmuntend mensch voor huisleeraar. Hij hield van vrouwen, het spel en de kroeg, in betere handen kon ik niet vallen. Hij begon eerst mijn verstand met zachtheid te bewerken, daarin slaagde hij en won daardoor het vertrouwen van mijn ouders, die mij aan hem overlieten. Zij hadden geen reden daarover berouw te hebben; vroegtijdig maakte hij mij volleerd in wereldkennis. Door mij mede te nemen naar alle plaatsen waar hij gaarne kwam, wekte hij zulk een leerlust bij mij op, dat ik op het latijn na, bijna een alwetend jongmensch werd. Zoodra hij zag dat ik zijn voorbeeld niet meer noodig had, ging hij zich ergens anders aanbieden.

Had ik in mijn kindsheid thuis erg vrij geleefd, zoo werd dit heel anders toen ik begon meester te worden over mijne daden. In den kring van het gezin nam ik de proef met mijne onbeschaamdheid. Ik bespotte elk oogenblik mijn vader en mijn moeder. Zij lachten slechts om mij; en hoe grievender ik hen beleedigde, hoe aangenamer zij het vonden, Intusschen gaf ik mij over aan allerlei uitspattingen met jongelieden van mijn slag en daar onze ouders niet genoeg geld gaven om zulk een heerlijk leven voort te zetten, stal elkeen thuis, wat hij krijgen kon en daar dit nog niet voldoende was, begonnen wij des nachts te stelen, wat niet weinig méer inbracht. Ongelukkig kreeg de politie er de lucht van. Zij wilde ons laten arresteeren, maar men waarschuwde ons voor dit booze plan, wij vluchtten en begonnen de groote wegen te exploiteeren. Van dien tijd af, mijne heeren, is God zoo genadig geweest, mij in mijn beroep oud te laten worden, ondanks de gevaren die er aan verbonden zijn."

De kapitein zweeg en de luitenant nam het woord. "Mijne Heeren," zeide hij, "eene opvoeding, die precies het tegenovergestelde was van die van signor Rolando, heeft het zelfde resultaat gehad. Mijn vader was slager in Toledo; met recht ging hij door voor den grootsten woesteling in de buurt en mijn moeder was niet zachter van aard. In mijn jeugd wedijverden zij als het ware in het afrossen van mij. De minste fout, die ik beging, werd door de ruwste straffen gevolgd. Al vroeg ik hen vergiffenis met tranen in de oogen en had ik berouw over hetgeen ik gedaan had, men vergaf mij niets en sloeg mij meestal zonder reden. Wanneer mijn vader mij sloeg, dan ging mijn moeder meedoen, inplaats van tusschenbeide te komen. Deze behandeling vervulde mij met zulk een afkeer van het ouderlijke huis, dat ik het verliet vóór ik veertien jaar was. Ik ging den weg naar Aragon op en trok al bedelende naar Saragossa; daar voegde ik mij bij een troep landloopers, die een tamelijk gelukkig leven leidden. Zij leerden mij voor blind doorgaan, mank te schijnen, op de beenen zweeren en gezwellen aan te brengen, enzoovoorts. Als tooneelspelers, die zich voorbereiden, maakten wij ons des morgens klaar verschillende karakters voor te stellen. Ieder betrok zijn post en na ons des avonds vereenigd te hebben, maakten wij 's nachts pleizier ten koste van hen, die medelijden met ons hadden gehad. Nochtans verveelde ik mij bij deze lieden en wilde met eerlijker menschen leven; ik voegde mij bij eenige fortuinzoekers. Zij leerden mij goede slagen te doen, maar wij moesten spoedig Saragossa verlaten, omdat wij ongenoegen kregen met een rechter, die ons altijd beschermd had. Elk ging zijn eigen weg. Wat mij betreft, ik voelde in mij den lust tot gewaagd spel en voegde mij bij een troep moedige mannen, die de reizigers schatting lieten betalen en ik bevond mij zoo wel bij hunne manier van leven, dat ik sedert geen andere bezigheid heb willen zoeken. Ik ben mijne ouders dus zeer dankbaar, mijne heeren, dat zij mij zoo mishandeld hebben, want wanneer zij mij wat zachter hadden opgevoed, dan zou ik thans ongetwijfeld niet meer zijn dan een ongelukkige slager, inplaats waarvan ik de eer heb uw luitenant te zijn."

"Mijne heeren," zei nu een jonge dief, die tusschen den kapitein en den luitenant zat, "zonder verwaandheid mag ik zeggen dat de verhalen, die wij zooeven gehoord hebben, niet zoo ingewikkeld noch zoo zonderling zijn als het mijne; ik ben zeker, dat dit u zal bevallen. Ik dank het levenslicht aan eene boerin uit de buurt van Sevilla. Drie weken nadat zij mij ter wereld had gebracht (zij was jong, flink en een goede voedster), stelde men haar voor min te worden bij een voornaam kind, een eenigen zoon die pas in Sevilla geboren was. Mijne moeder nam het voorstel gaarne aan; zij ging het kind halen. Men vertrouwde het haar toe en eenige gelijkenis tusschen hem en mij vindende, vatte zij het plan op mij voor het voorname kind in de plaats te schuiven, in de hoop dat ik dezen goeden dienst te eeniger tijd wel zou erkennen. Mijn vader, die niet nauwgezetter was dan een ander boer, vond het goed, zoodat na van luiers te hebben verwisseld, de zoon van don Rodriges de Herrera onder mijn naam naar een andere min werd gezonden en mijne moeder mij voedde als de zijne.

Wat men ook zeggen moge over het instinkt en de kracht van het bloed, zoo slikten de ouders van den kleinen edelman toch gemakkelijk de verwisseling. Hun voornemen was een volmaakt edelman van mij te maken, maar ik deed mijne onderwijzeres weinig eer aan: ik had weinig lust in de oefeningen en nog minder smaak in de kennis die men mij wilde bijbrengen. Ik speelde veel liever met de lakeien, die ik steeds in den stal of in de keuken opzocht. Het spel was niet lang mijn overheerschende passie; reeds toen ik zeventien jaar was, verveelde ik mij elken dag. Ik viel ook alle vrouwen in huis lastig. Ik hechtte mij vooral aan een keukenmeid, die ik mijne eerste zorgen wel waard achtte. Dat was een groote boerenmeid, wier dikke wangen en omvangrijk middel mij zeer bevielen. Ik maakte haar met zoo weinig omslag het hof, dat don Rodriges het zelfs bemerkte. Hij berispte mij daar bitter over en verweet mij de laagheid mijner neigingen, en uit vrees dat het gezicht van het beminde wezen zijne berispingen te niet zouden doen, zette hij mijne prinses buiten de deur.