De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 16
Alle inwoners van een stad waren vergaderd op een groot plein om pantomimes te zien spelen; onder de spelers was er een, dien men telkens applaudiseerde. Deze komiek wilde aan het eind van het stuk met een geheel nieuw tooneel sluiten. Hij verscheen geheel alleen op het tooneel boog, bedekte zijn hoofd met zijn mantel en begon zoo het geschreeuw van een speenvarken na te bootsen. Hij deed dit zoo meesterlijk dat men meende, dat hij er in werkelijkheid een onder zijn kleeren verborgen hield. Men zei hem zijn mantel uit te schudden, wat hij dan ook deed en toen er niets te voorschijn kwam, verdubbelden de toejuichingen van de menigte. Een boer, die onder de toeschouwers stond, ergerde zich aan deze uitingen van bewondering. "Mijne heeren," riep hij uit, "gij hebt ongelijk met zoo in je schik te zijn over dezen grappenmaker; hij is in 't geheel niet zoo'n goed acteur als gij wel gelooft. Ik kan veel beter een speenvarken nabootsen dan hij en als ge het niet gelooven wilt, kom dan morgen op hetzelfde uur hier terug." Het volk kwam den volgenden dag in nog grooter getale en maakte zich natuurlijk gereed den boer uit te fluiten. De beide tegenstanders verschenen op het tooneel. De clown van den vorigen dag begon het eerst en werd nog uitbundiger toegejuicht dan de eerste maal. Toen was het de beurt van den boer, die zich daarop in zijn mantel wikkelde en een werkelijk speenvarken dat hij onder den arm hield aan de ooren begon te trekken, waarom het dier natuurlijk vreeselijk schreeuwde. Toch kenden de toeschouwers den prijs toe aan den acteur en overlaadden den boer met hun gefluit. Plotseling echter vertoonde deze aan de toeschouwers het levende speenvarken en zei: "Mijne heeren, gij fluit niet mij uit, maar het speenvarken zelf. Wat zijt gij kranige rechters!"
--"Mijn waarde vriend," zei don Alexo, "je fabel is wel een beetje al te kras. Niettegenstaande uw speenvarken geven wij ons echter nog niet gewonnen. Laten wij maar over wat anders praten, want dit begint mij te vervelen. Gij vertrekt dus morgen, hoe graag ik u ook nog langer bij mij zou houden?"--"Ik zou graag nog langer blijven, maar dat kan niet; ik ben naar het Spaansche hof gekomen voor een staatszaak. Ik heb gisteren bij mijn aankomst den eersten minister gesproken; morgenochtend moet ik hem nogmaals bezoeken en even daarna moet ik naar Warschau terugkeeren."
"Gij zijt dus Pool geworden," hernam Segiar, "en volgens alle waarschijnlijkheid zult gij niet meer in Madrid komen wonen?" "Dat geloof ik ook niet," hernam don Pompeio; "ik heb het geluk, dat de koning van Polen aan mij gehecht is en ik heb veel genoegen aan zijn hof; kunt gij echter gelooven dat hoe goed hij ook voor mij is, ik op het punt heb gestaan voor altijd zijn land te verlaten?" "Zoo en hoe kwam dat?" vroeg de markies. "Vertel ons dat eens." "Zeer gaarne," antwoordde don Pompeio, "het is tevens mijn eigen geschiedenis, die ik u ga vertellen."
HOOFDSTUK VII
Geschiedenis van don Pompeyo de Castro.
"Don Alexio," vervolgde hij, "weet dat ik bij het eind mijner jeugd de wapens wilde opnemen, en daar ons land rustig was, ging ik naar Polen, waaraan de Turken toen juist den oorlog hadden verklaard. Ik deed mij voorstellen aan den koning, die mij een plaats in zijn leger gaf. Ik was een jongste zoon van een der minst rijke edellieden van Spanje, wat mij noodzaakte uit te blinken door daden, die de aandacht van den generaal op mij zouden vestigen. Ik deed zoo goed mijn plicht, dat toen na een vrij langen oorlog de vrede gesloten werd, de koning mij op aanbeveling van den commandeerenden generaal een aanzienlijke rente uitkeerde. Gevoelig voor de edelmoedigheid van den monarch, verloor ik geene gelegenheid hem mijn erkentelijkheid te betuigen door mijne toewijding. Ik was altijd in zijne nabijheid en daardoor ging hij ongemerkt van mij houden en ontving ik nieuwe weldaden.
Toen ik mij eens onderscheidde in een stierengevecht, prees het geheele hof mij; en toen ik overladen met toejuichingen naar huis keerde, vond ik daar een briefje, waarin mij werd medegedeeld dat eene dame, wier verovering mij meer zou vleien, dan alle eer die mij dien dag bewezen was, mij wenschte te spreken, en dat ik slechts bij het aanbreken van den nacht naar een aangewezen plek hoefde te gaan. Deze brief deed mij veel genoegen en ik verbeeldde mij dat het een dame uit den eersten stand moest zijn, die mij dien brief schreef. Gij kunt dus begrijpen dat ik naar het rendez-vous ging. Een oude vrouw, die mij wachtte, bracht mij door een tuindeurtje in een groot huis, sloot mij op in een rijk gemeubeld kabinet en zeide: "Wacht hier dan ga ik mijn meesteres waarschuwen." Ik bemerkte tal van kostbare zaken en dit versterkte mij ook in de meening, die ik van de dame had. En toen zij verscheen bevestigde zij dit ook door haar edele majestueuze houding. Nochtans was het niet, wat ik dacht.
"Mijnheer de ridder," zeide zij, "na hetgeen ik gedaan heb zou het nutteloos zijn u te willen verbergen, dat ik teedere gevoelens voor u koester. Meer dan eens heb ik u gezien, ik heb naar u geinformeerd en het goeds, dat men mij van u gezegd heeft, heeft mij doen besluiten mijn neiging te volgen. Geloof echter niet de verovering te hebben gemaakt van een hoogheid; ik ben slechts de weduwe van een eenvoudig officier der koninklijke lijfwacht, maar wat uwe overwinning te roemrijker maakt, is dat ik u de voorkeur geef boven een der grootste edelen van het rijk. Prins Radziwil bemint mij en spaart niets om mij te behagen."
Hoewel ik uit dit gesprek duidelijk zag, dat ik met een coquette vrouw te doen had, was mij dit avontuur toch zeer welkom. Dona Hortensia was nog in haar eerste jeugd en haar schoonheid verblindde mij. Bovendien bood men mij een hart aan, dat een prins geweigerd was: welk een triomf voor een Spaanschen ridder! Ik zeide haar alles wat een galant man zeggen kan en zij had reden voldaan te zijn over mijne vervoering. Zoo scheidden wij dus als de beste vrienden en kwamen overeen elkander dikwijls te zien. Ik liet dit dan ook niet na en ik werd ten slotte de Adonis van deze nieuwe Venus.
Maar de genoegens des levens zijn niet van eeuwigen duur. Welke maatregelen de dame ook nam om mijn mededinger onkundig te laten van onze samenkomsten, hij vernam het toch. Deze heer, die van nature zeer edelmoedig was doch trots, jaloersch en driftig, was erg verontwaardigd over mijne vermetelheid. De toorn en jaloezie verwarden zijn verstand en slechts zijn woede gehoorzamend, besloot hij zich op eene infame manier te wreken. Op een nacht, dat ik bij Hortensia was, wachtte hij mij op aan de tuindeur met al zijne lakeien, met stokken gewapend. Zoodra ik buiten kwam, liet hij mij grijpen en zeide: "Sla toe, laat die vermetele bezwijken onder uw slagen, zoo zal ik zijn onbeschoftheid straffen". Hij had deze woorden niet uitgesproken of zij vielen mij allen tegelijk aan en sloegen mij zoo dat ik bewusteloos bleef liggen.
Bij het aanbreken van den dag gingen eenige menschen voorbij, die ziende dat ik nog ademhaalde, zoo menschlievend waren mij naar een chirurgijn te dragen. Bij geluk waren mijn wonden niet doodelijk en viel ik in handen van een bekwaam man, die mij in twee maanden volkomen genas. Daarna keerde ik aan het hof terug en nam mijn vorige bezigheden weder op, met dit verschil, dat ik niet meer naar Hortensia ging en zij van haar kant deed ook geen poging mij weer te zien, daar de prins haar tegen dezen prijs haar ontrouw had vergeven.
Daar iedereen mijn avontuur kende en ik niet voor een lafaard doorging, verwonderde men zich mij zoo kalm te zien als ware ik niet beleedigd geworden, want ik zeide niet wat ik dacht en scheen geen wrok te gevoelen. Men wist niet wat te denken van deze ongevoeligheid. De koning wantrouwde mijn kalmte en dacht dat het slechts de stilte was die aan den storm voorafging en dat ik niet zou nalaten mij te wreken zoodra ik een gunstige gelegenheid zou vinden. Om te zien of dit zoo was, liet hij mij eens bij zich komen en zeide: "Don Pompeyo, ik weet welk ongeluk u is overkomen en ik moet bekennen dat uw kalmte mij verrast, gij verbergt zeker wat." "Sire," antwoordde ik, "ik weet niet wie me beleedigd heeft; ik ben des nachts aangevallen door onbekende personen; dat is een ongeluk waarover ik mij wel dien te troosten." "Neen, neen," hernam de koning, "ik wil geen dupe zijn van uwe voorwendsels, men heeft mij alles gezegd, Prins Radziwil heeft u doodelijk beleedigd. Gij zijt edelman en Spanjaard, ik weet waartoe die twee eigenschappen u verplichten; gij hebt besloten u te wreken. Deel mij in vertrouwen mede waartoe gij besloten hebt, ik wil het. Vrees niet uw vertrouwen te moeten berouwen."
"Daar uwe majesteit het beveelt," antwoordde ik, "moet ik hem mijne gevoelens bloot leggen. Ja heer, ik denk er aan mij te wreken. Gij weet welk een onwaardige behandeling hij mij heeft doen ondergaan. Ik zal den prins een dolk in de borst steken of hem neerschieten en vervolgens de wijk naar Spanje nemen. Ziedaar mijn plan."
"Het is kras," zei de koning, "doch ik kan het niet veroordeelen na de wreede behandeling die Radziwil u heeft aangedaan. Hij is de straf waard, die gij voor hem gereed houdt. Maar voer uw plan voorloopig nog niet uit; laat mij iets zoeken, dat u tevreden stelt en hem straft."--"Heer," riep ik treurig uit, "waarom hebt gij mij genoodzaakt mijn geheim te openbaren. Wat kan....--"Als ik niets vind dat u tevreden stelt," viel hij mij in de rede, "dan kunt gij doen wat gij besloten hebt. Ik ben niet voornemens misbruik van uw vertrouwen te maken en zal uw eer niet verraden; wees daaromtrent gerust."
Ik was tamelijk nieuwsgierig te weten hoe de koning deze zaak in der minne dacht te schikken; ziehier hoe hij dat ten uitvoer bracht. Hij onderhield mijn mededinger in het geheim. "Prins," zeide hij, "gij hebt don Pompeyo de Castro beleedigd. Gij weet dat hij een man van aanzienlijke geboorte is, een ridder van wien ik houd en die mij goed gediend heeft. Gij zijt hem een voldoening schuldig."--"Ik ben niet voornemens hem die te weigeren," antwoordde de prins. "Als hij zich over mijn drift beklaagt, dan ben ik bereid hem met de wapens voldoening te geven."--"Er is een ander eerherstel noodig," hernam de koning, "een Spaansch edelman verstaat de eer te goed, om te willen vechten met een laffen sluipmoordenaar. Ik kan u niet anders noemen en gij zoudt de onwaardigheid van uw handelwijze niet anders kunnen uitwisschen dan door zelf uw vijand een stok aan te bieden en u bloot te stellen aan zijn slagen."--"Mijn hemel!" riep mijn mededinger uit, "gij wilt, sire, dat een man van mijn rang zich verlage en vernedere, voor een eenvoudig ridder en dat hij zelfs stokslagen van dien man moet ontvangen!"--"Neen," hernam de monarch, "ik zal don Pompeyo mij doen beloven dat hij u niet slaan zal. Vraag hem alleen vergiffenis voor uw heftigheid en bied hem den stok aan; dat is alles wat ik van u verlang."--"Dan verwacht gij te veel van mij, sire," viel Radziwil bruusk in de rede, "liever stel ik mij bloot aan de verborgen lagen die zijn wraakzucht voorbereidt."--"Uwe dagen zijn mij kostbaar," zeide de koning, "en ik wilde, dat deze zaak geen slechte gevolgen had. Om haar minder onaannemelijk voor u te maken, zal ik de eenige getuige zijn van die voldoening die ik u beveel den Spanjaard te geven."
De koning moest al zijn overwicht aanwenden om van den prins te verkrijgen dat hij zulk een vernederenden stap deed. Hij slaagde er echter in en zond vervolgens om mij. Hij vertelde mij het onderhoud dat hij met mijn vijand had gehad en vroeg mij of ik tevreden zou zijn met de voldoening die zij beiden waren overeengekomen. Ik antwoordde van ja, en ik gaf mijn woord dat ik verre van mijn beleediger te zullen slaan, niet eens den stok zou aannemen. Toen dit aldus geregeld was, bevonden de prins en ik ons op zekeren dag bij den koning in zijn kabinet, dat hij achter ons sloot. "Radziwil," zeide hij, "erken uw misslag en maak dat men u vergeven kan!" Mijn vijand bood toen zijn verontschuldigingen aan en bood mij een stok aan. "Don Pompeyo," zeide nu de monarch tot mij, "neem den stok en laat mijn tegenwoordigheid u niet verhinderen uw vijand te slaan."--"Neen heer," antwoordde ik, "het is voldoende dat hij wil toelaten stokslagen te ontvangen: een beleedigde Spanjaard vraagt niet meer."--"Welnu!" hernam de koning, "daar deze satisfactie u voldoende is, kunt gij thans beiden tot den regel overgaan. Meet uwe degens om dezen twist edel te beëindigen." "Dat wensch ik uit alle macht," riep de prins bruusk uit, "en dat alleen is in staat mij te troosten over den schandelijken stap, dien ik zooeven gedaan heb!"
Bij deze woorden vertrok hij vol woede en twee uren later liet hij mij weten dat hij mij op een afgelegen plek wachtte. Ik ging er heen en vond hem bereid goed van zich af te slaan. "Laten wij hier ons verschil uitmaken," zei don Pompeyo. Hij viel eerst zeer levendig naar mij uit, maar ik had het geluk al zijn slagen te weren. Ik viel op mijn beurt uit; ik voelde dat ik te doen had met iemand die zich even goed wist te verdedigen als uit te vallen en ik weet niet hoe het zou zijn afgeloopen als hij niet een verkeerden stap had gedaan bij het terugwijken en op zijn rug was gevallen. Ik hield dadelijk op en zeide hem op te staan. "Waarom spaart gij mij?" antwoordde hij, "uw medelijden beleedigt mij."--"Ik wil geen gebruik maken van uw ongeluk, dat zou mijn roem benadeelen. Nogmaals: sta op en laat ons onzen strijd voortzetten."
"Don Pompeyo," zeide hij opstaand, "na deze edelmoedigheid staat de eer mij niet toe nog tegen u te vechten. Wat zou men van mij zeggen als ik u het hart doorboorde? Ik zou doorgaan voor een lafaard, als ik het leven ontnam van een man, die het mijne had kunnen nemen. Ik voel dat ik u erkentelijk moet wezen. Don Pompeyo," vervolgde hij, "laat ons ophouden elkander te haten. Laat ons verder gaan en vrienden wezen." "Goed," riep ik uit, "ik neem met vreugde zulk een aangenaam voorstel aan. Ik bied u mijn oprechte vriendschap en om te beginnen u daar bewijzen van te geven, beloof ik u geen voet meer bij dona Hortensia in huis te zetten, als zij mij mocht willen weerzien."--"Integendeel, ik sta u deze dame af; het is rechtvaardiger dat ik haar aan u overlaat, daar zij eene natuurlijke neiging voor u gevoelt."--"Neen, neen," wierp ik hem tegen, "gij bemint haar, de goedheid die zij mij zou bewijzen, zou u pijn doen; ik offer deze op aan uw rust." "Al te edelmoedige Castiliaan," hernam Radziwil, mij in zijne armen drukkend, "uwe gevoelens veroveren mij, welk een wroeging doen zij in mijn ziel ontstaan! Met welk een schande herinner ik mij de behandeling, die ik u heb aangedaan! In dit oogenblik schijnt de voldoening die ik u gegeven heb, mij al zeer gering toe. Ik wil die beleediging beter herstellen en om de laagheid ervan geheel uit te wisschen, bied ik u een van mijn nichten ten huwelijk over wier hand ik beschikken kan. Het is een rijke erfgename van 15 jaar en uitermate schoon."
Ik maakte den prins toen alle complimenten passend bij de eer, in zijne familie te treden, en weinige dagen later trouwde ik zijn nicht. Sedert dien tijd, mijne heeren, leef ik aangenaam in Warschau; mijn echtgenoote bemint mij en ik ben nog op haar verliefd. Prins Radziwil geeft mij alle dagen nieuwe betuigingen van vriendschap en ik durf mij er op beroemen bij den koning van Polen een wit voetje te hebben. Het belang van de reis, die ik op zijn bevel naar Madrid doe, is een blijk van zijn achting."
HOOFDSTUK VIII
Waarom Gil Blas een nieuwe betrekking moest zoeken.
Het was de geschiedenis van don Pompeyo, die de lakei van don Alexio en ik mede aanhoorden, hoewel men de voorzorg had genomen ons weg te zenden voor hij begon. Inplaats van heen te gaan, waren wij aan de deur blijven staan, die wij op een kier hadden gelaten en wij hadden geen woord verloren. Markies de Zenette en mijn meester omhelsden don Pompeyo, die vroeg ter ruste wilde gaan en lieten hem alleen met zijn bloedverwant.
Bij het ontwaken belastte don Mathias mij met een nieuwe opdracht. "Gil Blas," zei hij, "neem papier en inkt om drie brieven te schrijven, die ik je zal dicteeren; ik maak je hierbij tot mijn secretaris."--"Mooi zoo," zei ik tot mij zelf, "dat geeft al meer werk. Als lakei volg ik mijn meester overal; als kamerdienaar moet ik hem kleeden en nu word ik nog zijn secretaris. Ik zal voortaan als een drievoudige Hecata drie personen tegelijk vertegenwoordigen."--"Gij weet nog niets," ging hij voort, "van mijn plan. Ziehier wat het is, maar wees bescheiden, want je leven hangt er van af. Daar ik soms menschen ontmoet, die hoog opgeven van hun gelukkig gesternte, wil ik, om hen den loef af te steken, valsche brieven van trouw in mijn zak hebben, die ik hun dan voorlezen zal. Dit zal mij een weinig verstrooiing geven en ik zal gelukkiger zijn dan zij, want zij zullen hun veroveringen overal rondbazuinen, maar er ook veel moeite voor hebben moeten doen, terwijl ik er niets voor gedaan zal hebben. Maar gij moet je handschrift verdraaien, opdat al die brieven niet van één hand zullen lijken."
Ik nam dus papier, pen en inkt en zette mij neer om don Mathias te gehoorzamen, die mij allereerst het volgende minnebriefje dicteerde: "Gij zijt dezen nacht niet op de aangegeven plaats geweest. O, don Mathias, wat zult gij ter uwer verontschuldiging kunnen zeggen? Wat heb ik mij vergist en wat straft gij mij hevig voor mijn ijdelheid een oogenblik geloofd te hebben dat alle bezigheden en vermaken van de wereld moesten plaats maken voor het genot van dona Clara de Mendoce te zien!" Na dit briefje liet hij mij een ander schrijven van een vrouw, die een prins voor hem opofferde en ten slotte nog een derde, waarin een dame hem hare liefdesblijken beloofde als zij er op vertrouwen kon, dat hij bescheiden zou zijn. Hij was niet alleen tevreden met mij de brieven te laten schrijven, maar hij liet ze zelfs met namen onderteekenen van adellijke dames. Ik kon niet nalaten op te merken, dat ik dit zeer gewaagd vond, maar hij verzocht mij mijne raadgevingen te bewaren totdat hij er om zou vragen. Ik moest dus wel zwijgen en zijn bevelen uitvoeren. Toen dit afgeloopen was, stond hij op en ik hielp hem met het kleeden. Hij stak de brieven in zijn zak en ging uit. Ik volgde hem en wij gingen dineeren bij don Juan de Moncado, die dien dag vijf of zes van zijn vrienden onthaalde.
Men deed zich er flink te goed en de vreugde, die de beste gast is voor den maaltijd, regeerde er. Alle gasten droegen er toe bij de conversatie op te vroolijken, eenigen vertelde anecdoten, anderen geschiedenissen, waarvan zij zelven natuurlijk de helden waren. Mijn meester liet zoo'n mooie gelegenheid natuurlijk niet ongebruikt om met de brieven te geuren, die ik geschreven had. Hij las ze hardop voor en dat met zoo'n ernst, dat misschien alle gasten er de dupe van waren, behalve de secretaris en hij zelf. Onder de gasten, wie hij ze voorlas, was een zekere don Lopez de Valesco. Deze, een zeer ernstig man, lachte niet om de beweerde gelukkige liefdesavonturen, doch vroeg hem kalm, of de verovering van dona Clara hem veel moeite had gekost. "Bijna niets," antwoordde don Mathias, "integendeel zij heeft alle mogelijke toenadering zelf gedaan". Zij zag mij op de wandeling en ik behaagde haar terstond. Zij liet mij nagaan en onderzoeken wie ik was. Zij schreef mij toen en gaf mij rendez-vous bij zich aan huis op een uur in den nacht toen allen in huis sliepen.... Ik ben al te discreet om u de rest mede te deelen."
Op het hooren van deze lakonieke toelichting verschoot signor de Valesco van kleur. Het was niet moeilijk te zien hoezeer hij belang stelde in de dame waarvan sprake was. "Al die brieven," zei hij tot mijn meester, hem woedend aanziende, "zijn valsch en zeker niet het minst, die van dona Clara de Mendoce. In geheel Spanje is er geen zediger meisje dan zij. Sinds twee jaar doet een edelman, zeker niet uw mindere in geboorte en persoonlijke verdienste, alle moeite om zich door haar te doen beminnen. Hij heeft nog nauwelijks de kleinste gunst ontvangen, maar hij mag zich vleien dat als zij die gaf, ze slechts voor hem zouden zijn."--"Welnu! wie zegt u het tegenovergestelde?" viel don Mathias hem schertsenderwijze in de rede. "Ik ben het geheel met u eens, dat zij een zeer deugdzaam meisje is. Ik van mijn kant ben een zeer oppassend mensch. Gij kunt er dus van overtuigd zijn, dat er niets oneerbaars tusschen ons beiden is gebeurd."--"Dat is te erg," riep don Lopez uit, "spot er niet langer mee. Je bent een gemeene lasteraar. Nooit heeft dona Clara je 's nachts een rendez-vous gegeven. Ik mag niet dulden, dat gij haar goeden naam bekladt. Ik ben van mijn kant te bescheiden u de rest te zeggen." Toen hij deze woorden zeide, brak hij de vriendschap af ten aanzien van het geheele gezelschap en trok zich terug op een wijze, die mij deed oordeelen, dat dit muisje nog wel eens een staartje kon hebben. Mijn meester, die dapper genoeg was voor een edelman van zijn karakter, minachtte de bedreigingen van don Lopez. "Wat een fat," barstte hij in lachen uit. "De dolende ridders verdedigen de schoonheid van hun maitresse, maar hij wil de braafheid van zijn maitresse staande houden, wat mij nog zonderlinger voorkomt."
De aftocht van Valesco, waartegen Moncado zich tevergeefs had trachten te verzetten, verstoorde geenszins de feestvreugde. De edellieden sloegen er niet veel acht op en gingen voort zich te vermaken en scheidden eerst bij het aanbreken van den dag. Ik was doodop van den slaap en ik dacht eens lekker te gaan slapen, maar ik rekende buiten den waard, of beter gezegd buiten den portier, die mij een uur later kwam wekken om te zeggen, dat er een jongen aan de deur op mij wachtte om mij te spreken. "Vervloekte portier," riep ik geeuwende, "denk je er dan niet aan, dat ik pas te bed lig? Zeg aan dien jongen, dat ik slaap en dat hij maar later terug moet komen,"--"Hij wil u nu op dit oogenblik spreken en zegt, dat de zaak dringend is."--Bij deze woorden stond ik op, trok alleen mijn broek en wambuis aan en ging al vloekende naar den jongen, die mij wachtte.--"Mijn vriend," zei ik, "zeg mij nu maar drommels gauw welke dringende zaak mij het genoegen verschaft van je bezoek zoo vroeg in den morgen."--"Ik heb een brief, dien ik aan don Mathias persoonlijk moet overhandigen en dien hij terstond moet lezen, daar hij voor hem van het hoogste gewicht is. Ik verzoek u dus mij in zijn kamer toe te laten." Daar ik meende, dat het een belangrijke zaak was, ging ik mijn meester roepen.--"Pardon," zei ik, "ik zou uw rust niet gestoord hebben, maar het betreft een zaak van gewicht."--"Wat moet je van mij?" viel hij mij norsch in de rede.--"Mijnheer," zei toen de jongen, die met mij was gekomen, "ik heb u een brief, te overhandigen van don Lopez de Valesco." Don Mathias nam het briefje, opende het en na het gelezen te hebben, zei hij tot den bediende van don Lopez: "Mijn beste jongen, ik heb de gewoonte nooit voor twaalf uur op te staan, al bood men mij ook het grootste genoegen aan. Gij kunt dus begrijpen, dat ik niet veel lust gevoel om om zes uur des morgens op te staan om te duelleeren! Neen mijn waarde, ik heb mijn gezondheid te lief en houd te veel van mijn slaap om zulk een dwaasheid te begaan. Zeg aan je meester, dat als hij om half een nog op de aangewezen plaats kan komen, wij elkaar daar zullen ontmoeten." Toen hij dit gezegd had, trok hij zijn dekens over zich heen en ging weer kalm slapen.