De Zonderlinge Lotgevallen Van Gil Blas Van Santillano Deel 1 V
Chapter 15
Na eenige uren geslapen te hebben, stond ik in de beste stemming op, en in afwachting dat mijn meester zou ontwaken, ging ik mijn opwachting maken bij onzen intendant, wiens ijdelheid niet weinig gestreeld was door mijn betooningen van eerbied. Hij ontving mij zeer vriendelijk en voorkomend en vroeg mij of ik mij goed thuis gevoelde in dit soort leven van de jonge heeren. Ik antwoordde hem dat ik wel dacht er spoedig aan te zullen gewennen.
Ik gewende er mij dan ook werkelijk aan en zelfs eerder dan ik dacht. Ik werd geheel anders van doen en laten. Zoo levendig en luchthartig werd ik nu, dat de bediende van don Antonio mij een compliment maakte voor mijn gedaanteverwisseling en zeide dat, om een beroemd persoon te worden, het mij slechts aan het noodige geld ontbrak. Hij hield mij voor oogen, dat dit een besliste noodzakelijkheid was om een net jongmensch te vormen; dat al onze makkers bemind werden door een of andere schoone en dat hij voor zijn persoon de gunst bezat van twee adellijke dames. Ik was van meening dat de vent loog. "Mijnheer Mogicon," zei ik, "gij zijt zonder twijfel een goed gebouwd en zeer geestig man, gij bezit werkelijk groote gaven; maar ik begrijp toch niet hoe twee aanzienlijke dames, bij wie ge niet eens inwoont, verliefd kunnen worden op iemand van onzen stand."--"O, maar zij weten niet wie ik ben. Ik heb die veroveringen gemaakt in de kleeren van mijn meester en onder zijn naam. Ziehier hoe dat gaat. Ik kleed mij als saletjonker en neem zijn manieren aan, ga vervolgens naar de pantoffelparade, knipoog tegen alle dames die ik zie, totdat ik er eene ontmoet die op mijn wenken antwoordt. Deze volg ik dan en ik zie haar te spreken te krijgen. Ik stel mij voor als don Antonio Centellès en vraag een rendez-vous met haar. Natuurlijk begint zij met bezwaren te opperen, maar ik weet haar dan toch te bepraten, enz. enz. Zoo leg ik het aan, mijn waarde, om aan geld te komen en ik raad je hetzelfde te doen."
Ik wilde te gaarne beroemd worden om niet naar dezen raad te luisteren; bovendien was ik in 't geheel niet afkeerig van een liefdesavontuurtje. Ik vatte dus het plan op, mij als saletjonker te verkleeden om op galante avonturen uit te gaan. Ik durfde mij niet in ons huis te verkleeden uit vrees opgemerkt te worden. Ik nam daarom een mooi pak uit de garderobe van mijn meester, maakte er een pakje van en ging er mee naar een barbiertje, dien ik kende en waar ik mij op mijn gemak zou kunnen verkleeden. Daar tuigde ik mij zoo mooi mogelijk op, terwijl de barbier mij ook met zijn kunde behulpzaam was. Toen wij meenden, dat mijn toilet geheel voltooid was, ging ik naar het Saint-Jerôme plein, waar ik overtuigd was wel een buitenkansje te zullen vinden. Doch ik behoefde niet eens zoo ver te loopen om mijn geluk te ontmoeten.
Toen ik een afgelegen straat overstak, zag ik uit een klein huis eene rijk gekleede dame komen, zeer schoon van gestalte, die in een huurkoets stapte. Ik bleef plotseling staan om haar te bekijken en ik groette haar zwierig, om haar te toonen, dat zij mij wel beviel. Zij van haren kant lichtte een oogenblik hare voile op om mij te laten zien, dat zij mijne aandacht nog meer waard was dan ik meende, want ik zag een zeer lief gelaat. Het rijtuig reed echter weg en ik bleef in de straat staan, een weinig verblind door de schoone gelaatstrekken, die ik gezien had. "Wat een prachtig gezicht," zei ik bij mijzelf, "dat is het eenige wat mij nog ontbreekt om mij te voltooien. Als de beide dames die Mogicon liefhebben, zoo mooi zijn als deze, dan is hij een heel gelukkige snuiter. Ik zou al tevreden zijn als ik één zoo'n maitresse had." Terwijl ik hier zoo over nadacht, keek ik toevallig naar het huis, waaruit ik de schoone jonge dame had zien verschijnen, en ik zag aan een der vensters een oude vrouw, die mij wenkte naar binnen te komen.
Ik rende het huis in en vond deze eerbiedwaardige bescheiden oude vrouw in een tamelijk zindelijke kamer. Zij hield mij zeer zeker minstens voor een markies en groette mij dan ook zeer onderdanig, terwijl zij mij als volgt aansprak: "Ik ben er haast zeker van, edele heer, dat gij slecht zult denken van een vrouw, die, zonder u te kennen, u bij zich binnen roept, maar gij zult zeer zeker gunstiger over mij oordeelen, zoodra ge weet, dat ik zoo niet tegenover alle heeren doe. Ge schijnt mij toe tot het hof te behooren." "Gij vergist u niet," viel ik haar in de rede, terwijl ik mijn rechterbeen vooruitstrekte en mijn lichaam op mijn linkerheup liet steunen; "zonder ijdelheid kan ik zeggen tot een van de eerste huizen van Spanje te behooren." "U ziet er ook geheel naar uit," antwoordde zij, "en ik wil u gaarne bekennen, dat ik een zwak heb om adellijke heeren een genoegen te doen. Ik zag u door het venster en gij besteedde alle aandacht aan eene dame die mij daar juist verliet. Gevoelt gij eenige neiging tot haar, zeg het mij dan maar in vertrouwen,"--"Wel ja, op mijn woord, zij heeft mij getroffen," antwoordde ik, "nooit zag ik zoo'n piquante verschijning. Als ge ons bij elkaar weet te brengen, kunt ge op mijn erkentelijkheid rekenen. Als men ons deze diensten goed bewijst, dan weten wij ze ook zeer goed en mild te beloonen."
"Ik heb het u al gezegd," antwoordde de oude vrouw, "ik voel mij zeer genegen tot adellijke personen en vind er een genoegen in hun van dienst te zijn. Ik ontvang hier bijvoorbeeld dames, die om fatsoensbegrippen hun minnaars niet bij zich kunnen ontvangen en ik leen hun mijn huis om hun vurigen liefdesdrang te vereenigen met het fatsoen." "Heel goed," antwoordde ik, "en gij hebt dat genoegen zeker verschaft aan de bewuste dame?"--"Neen" zei zij, "dit is een adellijke weduwe, die een minnaar zoekt, maar zij is in dit opzicht zoo lastig uitgevallen, dat ik niet weet of gij haar zult voldoen, hoe verdienstelijk gij ook zijt. Ik heb reeds drie goed gebouwde adellijke heeren aan haar voorgesteld, maar ze heeft ze geweigerd."--"O, mijn waarde," riep ik geestdriftig uit, "gij behoeft mij slechts achter haar aan te sturen en voor 't overige kunt ge op mij vertrouwen. Ik verlang er zeer naar een tête a tête te hebben met zoo'n kieskeurige schoone, ik heb nog nooit met die karakters kennis gemaakt." "Welnu," zei de oude vrouw, "ge behoeft slechts morgen op ditzelfde uur terug te komen en gij zult dan uwe nieuwsgierigheid kunnen bevredigen."--"Ik zal op mijn tijd hier zijn," antwoordde ik haar, "en dan zullen wij eens zien of een adellijk heer als ik een blauwtje kan loopen."
Ik ging daarna terug naar den kleinen barbier zonder op verdere avonturen uit te gaan en niet weinig verlangend naar den afloop van dit laatste. Den volgenden dag ging ik een uur vóór den bepaalden tijd naar de oude vrouw, na mij eerst deftig gekleed te hebben. "Mijnheer," zei ze mij, "gij zijt een man van de klok en ik ben er u dankbaar voor. Trouwens, de zaak is wel de moeite waard. Ik heb de jonge weduwe opgezocht en wij hebben veel over u gepraat. Men heeft mij gelast te zwijgen, maar ik voel mij zoozeer tot u aangetrokken, dat ik dat niet kan. Gij zijt in den smaak gevallen en gij zult een zeer gelukkig mensch worden. Onder ons gezegd en gezwegen, deze dame is zeer bekoorlijk en beminnenswaardig; haar man heeft niet lang met haar geleefd; hij is als een schim in haar leven geweest, zij heeft werkelijk al het bekoorlijke van een meisje." Het goede oudje wilde natuurlijk zeggen van die meisjes met geest, die zonder zich te vervelen in het celibaat leven.
De heldin van het rendez-vous kwam spoedig met een huurkoets, evenals den vorigen dag, en was gekleed in kostbare gewaden. Zoodra zij de kamer binnen trad, begon ik met vijf of zes buigingen van een saletjonker, begeleid door de bevalligste bewegingen. Daarop ging ik vertrouwelijk naar haar toe en zei: "Mijn prinses, gij ziet hier een man voor u, die Amor's pijl getroffen heeft. Uwe beeltenis staat mij sinds gisteren voortdurend voor den geest en gij hebt een hertogin uit mijn hart weten te verdrijven, die er al vasten voet begon te krijgen."--"Die overwinning is werkelijk te groot voor mij," antwoordde zij, haar voile afleggend, "maar zij maakt mij volkomen gelukkig. Een jonge man houdt van verandering en zijn hart, zegt men, is even moeilijk te bewaren als een stuk geld!"--"O, mijn koningin," hernam ik, "laten wij de toekomst er buiten en denken wij slechts aan het heden. Gij zijt schoon en ik ben verliefd. Als mijn liefde u aangenaam is, laten wij dan van elkander genieten zonder verdere bedenkingen. Laat ons scheep gaan zooals de matrozen, niet lettende op de gevaren van den tocht, maar slechts met het genoegen voor oogen."
Toen ik deze laatste woorden had gesproken, wierp ik mij op mijn knieën voor de schoone fee en om nog beter de saletjonker na te doen, drong ik er met kracht op aan, dat zij mij gelukkig zou maken. Zij scheen een weinig van haar stuk door mijn heftig aandringen, maar meende zich toch nog niet gewonnen te moeten geven. Zij stiet mij zacht van zich af en zei: "Kalm een beetje, gij zijt al te vurig en lijkt wel wat op een lichtmis. Ik ben een beetje bang, dat ge een boemelaar zijt.--"Welaan, mevrouw," zei ik, "kunt gij iets haten waar de vrouwen bovenmate veel van houden? Er zijn nog slechts enkele burgervrouwen, die het uitgaan van een jongen man afkeuren."--"Dat is mij te machtig," antwoordde zij, "en door zoo'n argument moet ik mij gewonnen geven. Ik zie wel, dat men tegenover een man als gij niet veinzen kan, en een vrouw moet wel toegeven. Welnu ik ben door u overwonnen," zei zij, met een schijn van verlegenheid alsof haar zedigheid door deze bekentenis was gekwetst, "Gij hebt mij gevoelens ingeboezemd, die ik nog nooit voor iemand heb gekoesterd en ik wilde alleen nog maar weten wie gij zijt om u tot mijn minnaar te kiezen. Ik geloof, dat gij een jong edelman zijt en zelfs een fatsoenlijk man, doch ik ben er nog niet van overtuigd. Hoeveel inlichtingen ik dus ook over u heb, wil ik toch mijn liefde niet aan een onbekende geven."
Ik herinnerde mij toen hoe in een dergelijk geval de lakei van don Antonio er zich uit redde en wilde dus ook nu op zijn voorbeeld voor mijn meester spelen. "Mevrouw," zei ik tot de weduwe, "ik zal u geenszins mij naam verbergen, hij is trouwens mooi genoeg om gehoord te mogen worden. Heeft u nooit hooren spreken van don Mathias de Silva? "Zeer zeker," antwoordde zij, "en ik kan u er nog bijvoegen dat ik hem wel eens ontmoet heb bij een van mijn kennissen." Hoewel ik al tamelijk brutaal was geworden, was ik toch een beetje van mijn stuk gebracht door dit antwoord. Ik herstelde mij in een oogenblik en al mijn scherpzinnigheid bijeen verzamelend om mij uit mijn netelige positie te redden, zei ik: "Welnu, mijn schoone engel, dan kent gij een heer, dien ik ook ken. Ik behoor namelijk tot zijn familie, daar ge er zoo op staat alles te weten. Zijn overgrootvader huwde met de schoonzuster van een oom van mijn vader. Zooals gij dus ziet, zijn wij nauw verwant. Ik heet don Cesar. Ik ben de eenige zoon van den beroemden don Fernando de Ribera die voor vijftien jaar gedood werd in een slag op de grenzen van Portugal. Ik zou u wel een uitvoerig verslag van het gevecht kunnen geven, maar dit zou tijdverlies zijn, terwijl de liefde eischt, dat wij de uren aangenamer doorbrengen."
Na dit gesprek drong ik nog heviger en hartstochtelijker aan, wat mij echter niet verder bracht. De gunstbetooningen die mijne godin mij gaf, maakten mij slechts verlangender naar die welke zij mij weigerde. Het hartelooze wezen ging naar haar rijtuig, dat haar bij de deur wachtte. Toch was ik tevreden over dit avontuur hoewel ik niet volkomen gelukkig was. "Dat ik tot nu toe slechts weinig tegemoetkomingen ondervonden heb," zei ik tot mijzelf, "komt omdat mijn aangebedene een adellijke dame is, die meent niet terstond te moeten zwichten voor mijn liefdesbetuigingen. De fierheid van hare geboorte heeft mijn geluk een weinig vertraagd, maar dit is slechts een uitstel van eenige dagen." Ik hield mijzelf ook wel voor, dat het een zeer sluwe geslepen vrouw kon zijn, maar toch wilde ik de zaak liever van een gunstige dan van een ongunstige zijde bezien en ik bleef dus een goede gedachte van mijn weduwe houden. Bij het afscheidnemen waren wij overeen gekomen elkaar na twee dagen weer te ontmoeten en de hoop dan tot het toppunt van mijn wenschen te zullen geraken, gaf mij reeds een voorsmaak van de genoegens waarmede ik mij zelf vleide.
Den geest vol van de lachendste beelden, ging ik dan ook naar den barbier. Ik verwisselde mijn kleeren en zocht mijn meester op in een speelhuis waar ik zeker was hem te zullen vinden. Ik vond hem bezig met spelen en ik bemerkte dat hij won; want hij was niet een van die flegmatieke spelers die zich rijk spelen of zich ruineeren, zonder een spier op hun gezicht te vertrekken. Hij was opgewekt en pocherig bij zijn geluk en korzelig bij zijn ongeluk. Hij verliet het speelhuis zeer opgewekt en ging in de richting van het Prinsentheater. Ik volgde hem tot aan de deur van den schouwburg en hij gaf mij daar een dukaat zeggende: "Hier Gil Blas, daar ik vandaag gewonnen heb, moet jij daarvan ook genieten; ga je maar wat verstrooien met je makkers en kom mij tegen middernacht bij Arsenia halen, waar ik soupeer met Don Alexo Segiar". Dit zeggende ging hij naar binnen en ik bleef erover nadenken met wien ik wel dien dukaat zou kunnen verteren overeenkomstig den wensch van den gever. Ik behoefde echter niet lang na te denken want plotseling stond Clarino, de lakei van don Alexo, voor mij. Ik nam hem mede naar de eerste de beste herberg en wij vermaakten er ons tot middernacht. Tegen dien tijd gingen wij naar het huis van Arsenia waarheen ook Clarino zich volgens bevel van zijn meester moest begeven. Een kleine portier opende ons de deur en liet ons in een lage kamer waar de kamermeisjes van Arsenia en van Florimonde zich onder uitbundig gelach met elkaar onderhielden, terwijl hare meesteressen boven waren met onze heeren.
De komst van twee heeren, die juist goed gesoupeerd hadden, kon niet anders dan aangenaam zijn voor de beide soubrettes, maar stel u mijn verbazing voor toen ik in een van die beide dienstmeisjes mijne weduwe ontdekte, mijne aanbiddelijke weduwe, die ik voor een gravin of een markiezin hield. Zij was niet minder verbaasd haar don Cesar de Ribera veranderd te zien in den lakei van een saletjonker. Wij keken elkaar echter aan zonder een van beiden verlegen te worden, integendeel barstten wij beiden in lachen uit. Toen wij eindelijk uitgelachen waren, nam Laura--zoo heette zij--mij ter zijde terwijl Clarino met zijn schoone sprak en zei op gedempten toon, terwijl zij mij de hand gaf: "Ziehier mijn hand, Signor don Cesar; laten wij inplaats van elkaar wederzijds verwijten te doen elkaar ons compliment maken, mijn vriend! Gij hebt je rol meesterlijk gespeeld en ik heb mij van de mijne ook niet slecht gekweten. Gij zult tenminste moeten bekennen dat gij mij gehouden hebt voor een van die lieve adellijke dames, die er een genoegen in hebben een gewaagd stukje uit te halen."--"Dat is zeer zeker waar," antwoordde ik, "maar wie ge ook zijn moogt, mijn koningin, ik ben niet van gevoelens veranderd al ziet gij mij onder andere gedaante voor je. Ik smeek je mijn diensten te aanvaarden en laat de kamerbediende van don Mathias voltooien wat don Cesar zoo gelukkig is begonnen."--"Wel," antwoordde zij, "ik mag je nog liever in je ware gedaante als anders. Gij zijt een man wat ik als vrouw ben, dat is de grootste lof dien ik je kan geven. Ik neem je dan ook op onder het getal mijner aanbidders en wij hebben dan de tusschenkomst van die oude vrouw niet meer noodig; gij kunt mij hier vrij komen bezoeken. Wij dames van het theater leven zonder dwang en midden tusschen de heeren." Daarbij bleef het, daar wij niet alleen waren. Het gesprek werd algemeen, levendig en opgewekt en vol duidelijke dubbelzinnigheden. Vooral het kamermeisje van Arsenia, mijn beminnelijke Laura, blonk uit en deed veel meer geest dan deugd blijken. Van hun kant hoorden wij onze heeren zeer dikwijls luid lachen met de tooneelspeelsters, wat deed veronderstellen dat ook zij zich nogal vermaakten. Als men al het moois had opgeschreven, dat dien nacht bij Arsenia werd gesproken, zou men, geloof ik, een zeer leerzaam boek voor de jeugd hebben.
HOOFDSTUK VI
Het onderhoud van eenige heeren over de komedianten van het tooneelgezelschap van den prins.
Dien dag kreeg mijn meester bij zijn ontwaken een briefje van don Alexo Segiar waarin deze hem vroeg bij hem te komen. Wij begaven ons naar hem toe en troffen hem in gezelschap van den markies de Zenette en nog een anderen jongen edelman, die er netjes uitzag en dien ik nog nooit had gezien. Hij werd aan mijn meester voorgesteld door don Segiar als don Pompeio de Castro, een bloedverwant van don Segar. "Hij is bijna van zijn prilste jeugd af aan het hof van Polen. Gisterenavond kwam hij te Madrid en hij gaat morgen weer naar Warschau terug. Hij blijft slechts één dag bij mij en ik wil van dien kostbaren tijd van zijn verblijf profiteeren. Om hem dat verblijf ten mijnent zoo aangenaam mogelijk te maken, heb ik gemeend u en de markies de Zenette hier te moeten laten komen." Vervolgens omhelsden mijn meester en de bloedverwant van don Alexo elkaar en maakten elkaar een menigte complimenten. Ik was zeer tevreden over hetgeen don Pompeio zeide; hij scheen mij zeer verstandig en schrander.
Wij bleven eten bij don Segiar en de heeren bleven na den maaltijd spelen totdat het theater zou beginnen. Daarna gingen zij gezamenlijk naar het Prinsentheater om de opvoering bij te wonen van een nieuw treurspel, getiteld: "De koningin van Carthiago". Toen het stuk afgeloopen was, kwamen zij soupeeren ter zelfder plaatse waar zij gedineerd hadden en natuurlijk liep het gesprek in het eerst over het stuk dat zij gezien hadden en daarna over de spelers. "Wat het stuk betreft," zei don Mathias, "vind ik dat het niet veel bijzonders is: ik vind er de figuur van Alexo nog treuriger dan in de Alcade. Maar wat de uitvoering betreft, deze was meesterlijk. Wat denkt gij er van don Pompeio? Gij schijnt het niet met mij eens te zijn." "Mijne heeren," antwoordde de edelman, "ik heb u daareven zoo geestdriftig gezien over de acteurs en vooral over de actrices, dat ik u bijna niet durf bekennen dat ik eene geheele andere meening ben toegedaan dan gij." "Dat is dan maar goed ook," zei don Alexo schertsenderwijs, "want uw beoordeeling zou hier al zeer slecht worden ontvangen. Gij moet onze actrices wel respecteeren in aanmerking genomen haar grooten roep van bekwaamheid. Dagelijks drinken wij met hen en wij staan er voor in, dat zij volmaakt zijn; als men het van ons zou verlangen zouden wij volgaarne certificaten van haar geven." "Ik twijfel hieraan geen oogenblik", antwoordde zijn bloedverwant, "gij zoudt zelfs certificaten geven van haren levenswandel en hare zeden, zoozeer schijnt gij goede vrienden van haar te zijn."
--Uwe Poolsche actrices zijn zeker veel beter," zeide lachende de markies de Zenette.
"Ja zeker," antwoordde don Pompeio, "zij zijn veel beter. Er zijn er ten minst bij die geen enkel gebrek hebben." "En kunnen die dan op uwe getuigschriften rekenen?" "Ik heb in 't geheel geen verbintenissen met haar," antwoordde don Pompeio. "Ik neem geen deel aan haar zwelgpartijen en ik kan dus een onpartijdig oordeel vellen. Maar gelooft gij werkelijk een uitmuntenden tooneelspelerstroep te bezitten?" ging hij voort.
"Neen," zei de markies, "dat geloof ik niet en ik wil dan ook slechts een klein getal van hen in bescherming nemen, de overigen zijn mij onverschillig. Zijt ge het er bijvoorbeeld niet mede eens, dat de actrice die voor Dido speelde bewonderenswaardig is? Heeft zij deze koningin niet voorgesteld met allen adeldom en bevalligheid die wij in haar veronderstellen? En hebt gij het niet bewonderd hoe zij den toeschouwer door haar kunst weet te boeien en hem alle hartstochten doet medegevoelen die zij vertolkt? Men kan gerust zeggen dat zij volmaakt is in alle moeilijkheden van de voordracht."--"Ik ben het met u eens, dat zij iemand weet te treffen en te ontroeren: nooit had eenig tooneelspeelster meer gevoel en het is tevens een mooie verschijning maar toch heeft zij hare gebreken. Twee of drie dingen hebben mij in haar spel gehinderd. Als zij verbazing wil doen blijken dan rolt zij met hare oogen op een overdreven wijze wat zeker niet past voor een prinses. Voeg hierbij nog dat als zij hare van nature zachte stem uitzet, deze hare zachtheid verliest en snijdend wordt. Bovendien leek het mij dat zij in verschillende passages niet goed begreep wat zij zeide. Ik wil liever aannemen dat zij verstrooid was, dan te willen beweren dat zij niet genoeg talent heeft."
"Zooals ik wel zie," zei toen don Mathias, "zoudt gij geen al te grooten lof van onze tooneelspeelsters verspreiden." "Ik bied u wel mijn verontschuldiging," antwoordde don Pompeio. "Ik ontdek zeer veel talent bij hun vele fouten. Ik voeg hierbij zelfs dat ik genoten heb van de actrice, die voor volgelinge speelde in de tusschenbedrijven. Welk een natuurlijk spel! Met welk een gratie beweegt zij zich. Als zij een aardig gezegde debiteert, doet zij het met een schalkschen glimlach en zoo aanvallig dat men haar daarom ook zou prijzen. Men zou in haar kunnen afkeuren, dat zij soms te veel in vuur geraakt en dat zij de perken der vrijmoedigheid soms te buiten gaat, maar men mag niet alles verlangen. Wat ik echter graag zou zien is dat zij een slechte gewoonte aflegde. Dikwijls midden in een tragische of ernstige scène breekt zij de handeling af door een uitbundig gelach. Gij zult mij zeggen, dat de parterre haar ook in zulke oogenblikken applaudiseert en dat is gelukkig voor haar."
"En wat denkt gij wel van de acteurs," viel de markies hem in de rede, "die zullen het zeker wel heel hard te ontgelden hebben, daar gij de vrouwen niet eens spaart".
"Neen," antwoordde Pompeio, "ik heb eenige jonge acteurs gezien, die wel wat belooven en ik ben vooral zeer tevreden over dien dikken tooneelspeler, die de rol van Dido's eersten minister heeft gespeeld. Hij draagt heel natuurlijk voor en zoo doet men het nu juist in Polen." "Als ge tevreden zijt over hem," zei Segiar, "dan moet ge toch zeker enthousiast geweest zijn over de personen van Aneas. Schijnt hij u geen groot tooneelspeler, is het geen origineel acteur?" "Zeer origineel," antwoordde de ander, "hij geeft geluiden die zeer origineel zijn en zeer scherp tevens. Bijna altijd tegen de regels der kunst in brabbelt hij de zinnen waar het op aankomt en legt den klemtoon op de andere. Hij heeft mij werkelijk vermaakt en vooral in de passage waar hij aan zijn vertrouweling de woede mededeelt waarmede hij de prinses verliet; men zou smart niet komischer kunnen voorstellen." "Neen maar nu nog mooier, mijn waarde heer," antwoordde don Alexo, "gij zoudt ons haast doen gelooven dat men in Polen niet veel smaak heeft. Weet gij wel dat die acteur waarvan gij spreekt een zeldzaam genie is? Hebt gij dan het applaus niet gehoord? Dat bewijst toch, dunkt mij zoo, dat hij nog zoo heel slecht niet is."
"Dat bewijst niets," antwoordde don Pompeio. "Mijne heeren, laten wij nu eens geen rekening houden met het applaus van de parterre; daar worden dikwijls zeer ten onrechte acteurs geapplaudiseerd. De parterre applaudiseert veel zeldzamer een waar kunstenaar dan een schijnkunstenaar, zooals Phedra het ons in een geestige fabel leert. Veroorloof mij dat ik u dit even vertel.