De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 28

Chapter 284,047 wordsPublic domain

Don Manuel de Xerica, zoo heette mijn echtgenoot, bracht mij op zijn kasteel, dat zeer antiek was en waarop hij niet weinig trotsch was. Hij beweerde, dat een van zijn voorvaderen het had laten bouwen en leidde daaruit af, dat er geen ouder huis in Spanje was. Hoeveel reden hij ook had om trotsch te zijn op zijn bezitting, deze geleek op sommige plaatsen wel op een ruïne. De helft van mijn geld werd gebruikt om het gebouw te herstellen en de andere helft diende ons om een schitterenden staat te voeren. Zoo werd ik dus een dame van een kasteel. Welk een verandering! Maar ik was een te goede actrice om niet schitterend mijn rang en stand op te houden. Ik deed zeer voornaam en in het dorp geloofde men, dat ik het was. Wat zouden ze een pleizier gehad hebben als ze geweten hadden, wie ik werkelijk was! De edellieden uit de omgeving zouden mij beleedigd en vernederd hebben en de boerenbevolking zou veel aan eerbied voor mij hebben verloren.

Er verliepen zes jaar, waarin ik zeer gelukkig met don Manuel leefde. Toen stierf hij, mij mijn zaken in een zeer ontredderden toestand en uw zuster Beatrix nalatende, die toen vier jaar was. Onze eenige bezitting was het kasteel en wij hadden verscheidene schuldeischers, waarvan de groote Bernard Astuto [7] heette. Hij deed zijn naam alle eer aan en daar hij procureur was, begon hij ons dadelijk te vervolgen met al de kennis van iemand, die gewoon is om processen te voeren. In een onderhoud, dat ik met hem over deze zaken had, scheen ik hem te bekoren. Ik deed mijn uiterste best om zijn neiging aan te wakkeren en al spoedig zei me deze papierkrabber: "Mevrouw, ik ben altijd zoo door mijn vak in beslag genomen geweest, dat ik van liefde en galanterie niets afweet, maar indien u met mij wilt huwen, zal ik alle stukken voor het proces verbranden, en uw andere schuldeischers tevreden stellen. Gij zult dan de inkomsten van uw goed hebben en uw dochter den eigendom." Het belang van Beatrix en van mij veroorloofde mij niet te twijfelen, ik nam zijn voorstel aan. De procureur hield zijn belofte, het kasteel was ons verzekerd en dit was misschien de eerste maal in zijn leven, dat deze man de belangen van een weduwe en een wees had gediend.

Ik werd dus procureursvrouw, zonder echter op te houden de Vrouwe van het dorp te zijn, maar mijn huwelijk vernederde mij in de oogen van den adel van Valencia. De aanzienlijke dames meenden, dat ik beneden mijn stand was getrouwd en wilden geen conversatie meer met mij hebben. In den aanvang hinderde mij dat zeer, maar spoedig troostte ik mij en werd opgenomen in de kringen, waarin de vrouwen van de collega's van mijn man gewoon waren zich te bewegen. Ik maakte kennis met een griffiers- en twee procureursvrouwen, die een goed karakter hadden. Er was in haar manieren iets belachelijks, waarmee ik mij zeer vermaakte. Deze vrouwtjes vonden zichzelf heel bijzonder. Helaas, dacht ik dikwijls, als ik hen zag, zoo is de wereld. Iedereen denkt, dat hij meer is dan zijn buurman. Ik dacht vroeger, dat alleen de actrices zoo waren. Ik wilde, dat men deze burgerdames dwong de portretten van hun voorouders te bewaren. Op mijn woord, ze zouden ze niet in het volle licht ophangen.

Na vier jaren werd Bernard Astuto ziek en stierf hij, zonder kinderen na te laten. Met het landgoed en het vermogen, dat hij mij naliet, was ik nu een rijke weduwe. Op dat gerucht kwam een Siciliaansche edelman, genaamd Colifichini, af. Hij was nog geen vijfentwintig jaar, welgemaakt, hoewel klein en ik moet bekennen, dat ik na het eerste onderhoud, dat ik met hem had, al smoorlijk verliefd op hem werd. Het liefst zouden wij maar dadelijk getrouwd zijn; dat kon echter niet, omdat de procureur pas dood was. Hoewel ik bijna tweemaal zoo oud was en de arme jongen zeer slecht bij kas, trouwden we toch spoedig en wij leefden bijna twee jaar op mijn kasteel, meer als een paar beminden, dan als getrouwde menschen. Ons geluk duurde helaas niet lang, een longontsteking nam mijn besten Colifichini weg."

Hier viel ik mijn moeder in de rede. "Maar stierf uw derde man dan ook al? Het moet een gevaarlijk werk geweest zijn om met u te trouwen!" "Wat zal ik u zeggen, mijn zoon," antwoordde ze mij. "Kan ik de dagen verlengen, die de Hemel heeft geteld? Twee van mijn echtgenooten heb ik oprecht betreurd, den procureur niet, daar ik hem slechts uit eigenbelang had gehuwd. Maar, om op Colifichini terug te komen, hij had nog een kleine bezitting bij Palermo, die ik erfde. Ik wilde die zelf gaan bezichtigen en scheepte mij met mijn dochter in naar Sicilië. Wij werden overvallen door de schepen van den pacha van Algiers en zeer gelukkig voor ons, heeft men ons naar de plaats gebracht, waar we door u werden gevonden."

Zoo luidde de geschiedenis van mijn moeder. Ik gaf haar de mooiste kamers van mijn huis en de vrijheid om te leven, zooals ze wilde, wat haar zeer naar den zin was. Ze had het zich echter zoo tot een gewoonte gemaakt om te beminnen, dat ze niet buiten een minnaar of een man kon leven. Weldra trok een Griek, die Mohamedaan was geworden, Hally Pégelin, een bezoeker van ons huis, haar aandacht. Zij vatte voor hem nog meer liefde op, dan ze ooit voor Colifichini had gehad en daar ze er geroutineerd in was, om de mannen te behagen, vond ze ook het geheim om dezen Griek te bekoren. Ik deed alsof ik van die verstandhouding niets merkte en dacht aan niets anders, dan om naar Spanje terug te gaan. De pacha had mij al toegestaan om een schip te bemannen, om daarmee op zeeroof te gaan. Die zaak hield mij druk bezig en acht dagen voor ik klaar was, zei ik tegen mijn moeder, dat wij spoedig op reis zouden gaan en de plaats verlaten, welke zij verfoeide.

Mijn moeder verbleekte bij die woorden en zweeg. Ik was daardoor zeer onaangenaam getroffen. "Wat zie ik?" riep ik uit. "Hoe komt het, dat ge zulk een verschrikt gezicht zet? Het schijnt wel, dat ge bedroefd zijt inplaats van verheugd. Verlangt ge er dan niet naar, om weer naar Spanje terug te keeren?" "Neen, mijn zoon," antwoorde ze mij, "ik heb daar te veel verdriet gehad." "Wat een verandering!" riep ik uit. "Toen u hier in de stad kwam, was alles verfoeielijk, maar Hally Pégelin heeft uw stemming veranderd." "Ik ontken niet," zei ze, "dat ik hem bemin en tot mijn vierden man wil maken." "Wat een plan!" riep ik met schrik, "u, een Muzelman trouwen! Vergeet ge dan, dat ge een christin zijt, of liever, zijt ge dat tot nu toe alleen maar in naam geweest?"

Wat ik ook deed, om haar van haar voornemen af te brengen, het was nutteloos; haar besluit stond vast. Ze bepaalde zich daartoe niet, ze wilde ook Béatrix meenemen. Ik verzette mij daartegen. "Maar ongelukkige, als niets u zelf van een onzinnige daad kan terughouden, sleep dan toch in geen geval een jong onschuldig wezen mee!" Lucinde ging weg en ik meende, dat een laatste straal van gezond verstand haar brein had verlicht. Wat kende ik mijn moeder slecht! Een paar dagen later zei een van mijn slaven mij, dat ik voorzichtig zijn moest en dat een gevangene van Pégelin hem in vertrouwen mededeelingen had gedaan, waarvan ik profijt kon trekken.

"Uw moeder is veranderd van godsdienst en, om zich op u te wreken, dat ge Béatrix niet hebt willen afstaan, heeft zij het plan gevormd, om den pacha van uw voorgenomen vlucht in kennis te stellen." Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of Lucinde was er de vrouw naar, om te doen, wat de slaaf zei. Ik had tijd genoeg gehad om haar te leeren kennen en ik had gezien, dat zij, door het spelen in bloedige drama's, vertrouwd geraakt was met de misdaad. Zij had mij heel goed levend kunnen laten verbranden en ik geloof niet, dat mijn dood haar meer getroffen zou hebben dan een van de gebeurtenissen op het tooneel.

Ik wilde den raad, dien men mij gegeven had, niet in den wind slaan, dus verhaastte ik mijn inscheping, mijn zuster Béatrix nam ik mee en behalve van mijn eigen slaven, slechts zooveel Turken als noodig was, om geen argwaan te wekken. Aan geld en edelsteenen had ik een waarde bij mij van zesduizend ducaten. Toen wij in volle zee waren, begonnen wij met ons van de Turken te verzekeren. Wij ketenden hen gemakkelijk, omdat mijn slaven sterker in aantal waren. Wij hadden een zeer gunstigen wind, bereikten spoedig de Italiaansche kust en ontscheepten ons in de haven van Livorno, waar een groot deel van de inwoners van de stad uitliep, om ons te zien landen. De vader van mijn slaaf Azarini bevond zich daaronder. Hij keek aandachtig naar al mijn gevangenen, die één voor één den voet aan wal zetten, maar hoewel hij de trekken van zijn zoon zocht, was hij er niet op voorbereid, dat hij hem terug zou zien. Welk een vreugde en omhelzingen volgden op de herkenning! Zoodra Azarini hem had verteld wie ik was en waarom ik in Livorno kwam, drong hij er zeer op aan, dat ik met mijn zuster bij hem zou komen logeeren. Ik verkocht mijn schip, gaf al mijn slaven de vrijheid en de Turken werden in de gevangenis bewaard, om tegen Christenslaven te worden uitgewisseld.

Bij de familie van Azarini ondervonden wij veel vriendschap en de zoon huwde later zelf met mijn zuster Béatrix, die geen slechte partij voor hem was, daar zij de dochter van een edelman was en het kasteel van Xerica bezat.

Nadat ik eenigen tijd in Livorno had vertoefd, wilde ik Florence zien. De oude Azarini had mij vele aanbevelingsbrieven verschaft, ook voor vrienden, die hij aan het hof van den groothertog had. Ik voegde ook don voor mijn naam, zooals vele Spanjaarden zonder complimenten in het buitenland doen. Ik liet mij dus don Raphaël noemen en zocht slechts omgang met voorname heeren. Al spoedig werd ik aan den groothertog voorgesteld; uit gesprekken met andere hovelingen had ik afgeleid welk een man hij was en ik regelde mij daarnaar, zoodat ik hem beviel. Ik had o. a. opgemerkt, dat hij er veel van hield, om naar interessante verhalen en aardige invallen te luisteren. Door mijn ondervinding, kon ik nog al veel vertellen en 's morgens zon ik altijd op verhalen, een mengeling van waarheid en verdichting, waarmee ik hem dan des middags vermaakte. Ter afwisseling maakte ik soms ook verzen, waarin ik hem bezong en ze hadden niet beter door hem kunnen worden ontvangen, al waren ze ook nog zoo goed geweest. Hoe het zij, de groothertog schepte zooveel behagen in mij, dat de andere hovelingen jaloersch werden en wenschten te weten, wie ik was. Ze slaagden daarin niet.

Op zekeren dag, toen ik weer een reisverhaal had gedaan, dat hem zeer had geboeid, zei hij mij: "Don Raphaël, ik gevoel voor u veel vriendschap en ik zal u daarvan een bewijs geven door u deelgenoot te maken van mijn geheimen. Ik moet u dan bekennen, dat ik verliefd ben op de vrouw van een mijner ministers. Dat is de beminnelijkste dame van mijn hof, maar tegelijkertijd de deugdzaamste. Ze gaat weinig uit en is zeer gehecht aan haar echtgenoot, die haar aanbidt. Die verovering is dus zeer moeilijk. Ik heb gelegenheid gevonden, om met haar zonder getuigen te spreken en zij kent mijne gevoelens. Ik vlei mij niet, dat ik haar liefde heb ingeboezemd, ze heeft mij geen enkele reden gegeven om die gelukkige gedachte te koesteren. Maar toch heb ik hoop, dat ik haar op den duur voor mij zal winnen door mijn standvastigheid en stilzwijgen.

De liefde, welke ik voor haar koester, is alleen aan haar bekend. Ik wil in deze zaak niet als souverein handelen, dat laat ik na ter wille van Mascarini, haar man, die mij met ijver en toewijding dient. Alles moet dus geheim blijven en ik heb u bestemd om de tolk van mijn gevoelens bij Lucretia te zijn. Ik twijfel er niet aan of ge zult u op uitstekende wijze van die taak kwijten. Knoop omgang aan met Mascarini, tracht zijn vriendschap te winnen en beproef het zoover te brengen, dat ge in zijn huis, vrij met zijn vrouw kunt spreken. Ziedaar wat ik van u verlang en ik ben er zeker van, dat ge het met kieschheid en discretie zult volbrengen."

Ik beloofde den groothertog, dat ik al het mogelijke zou doen, om te beantwoorden aan het vertrouwen, dat hij in mij gesteld had en om zijn geluk te bevorderen. Het kostte mij niet veel moeite, om mij aangenaam te maken bij Mascarini. Het deed hem genoegen, dat zijn vriendschap gezocht werd door iemand, die door den vorst steeds met zekere onderscheiding werd behandeld en dus kwam hij mij tegemoet. Zijn huis stond voor mij open en ik kon met zijn vrouw zooveel spreken als ik wilde. Ik moet zeggen, dat hij weinig jaloersch was voor een Italiaan; hij vertrouwde op de deugd van Lucretia. Al spoedig begon ik met die dame over de liefde van den groothertog te spreken. Ze scheen niet verliefd op hem, maar haar ijdelheid werd gestreeld. Ze luisterde met genoegen toe, zonder te antwoorden. Ze was wel verstandig, maar bleef vrouw en kon niet ongevoelig blijven bij het denkbeeld, een souverein aan haar voeten te zien. De vorst kon dus hopen, dat Lucretia hem eenmaal zou toebehooren, maar een gebeurtenis, die hij het minst had verwacht, kwam zijn hoop vernietigen, zooals ge zult vernemen.

Ik was natuurlijk stoutmoedig in den omgang met vrouwen. Die gewoonte, het moge een goede of een slechte zijn, had ik mij eigen gemaakt bij de Turken. Lucretia was schoon. Ik vergat, dat ik een afgezant was en begon voor mijzelf te spreken. Inplaats van mij een vertoornd antwoord te geven, zei ze glimlachend: "Beken, don Raphaël, dat de groothertog een pleitbezorger van zijn zaak heeft, die zeer trouw en ijverig is. Ge dient hem met een kracht, welke niet genoeg geprezen kan worden." "Mevrouw," zei ik, "laten wij daar niet dieper op ingaan, ik laat mij leiden door mijn gevoel en ik zou niet de eerste vertrouweling van een vorst zijn, die in een liefdesaangelegenheid zijn meester bedroog." "Dat kan wel," zei Lucretia, "maar ik ben trotsch en geen ander dan een vorst zal mij naderen. Gedraag u dus daarnaar," zei ze op ernstigen toon, "laten wij van dit onderwerp afstappen. Ik wil vergeten, wat ge hebt gezegd, op voorwaarde, dat zulke woorden u niet weer ontvallen, want dan zou het u berouwen."

Maar die waarschuwing doofde mijn hartstocht niet voor de vrouw van Mascarini en ik was zelfs vermetel genoeg, om mij zekere vrijheden te willen veroorloven. Zij dreigde mij daarop, dat ze den groothertog mededeeling zou doen van mijn onbeschaamdheid en hem zou verzoeken, mij daarvoor te straffen, zooals ik verdiende.

Ik werd op mijn beurt kwaad. Mijn liefde veranderde in haat en ik besloot mij te wreken. Ik zocht haar man op en na hem een eed te hebben doen afleggen, dat hij mij niet zou verraden, deelde ik hem mee, welke verstandhouding er tusschen den groothertog en zijn vrouw bestond. Daarbij verzuimde ik niet, om de scène interessanter te maken, te doen voorkomen, of zij zeer verliefd was op haar aanbidder. De minister nam afdoende maatregelen, hij sloot zijn vrouw dadelijk op in een geheim vertrek en liet haar door een paar zeer vertrouwde personen bewaken. Terwijl het haar dus onmogelijk was, om berichten aan mijn meester te doen toekomen, zei ik met een bedroefd gezicht tot den vorst, dat hij maar niet meer aan Lucretia moest denken. Ik opperde de veronderstelling, dat de minister alles ontdekt had, hoewel ik mij steeds zeer behendig had gedragen, dat zijn vrouw misschien zelve alles aan hem had medegedeeld en dat ze zich nu, in overeenstemming met hem, had laten opsluiten, om haar deugd beter te beveiligen. De prins was zeer terneergeslagen door mijn mededeelingen en ik gevoelde berouw over wat er gebeurd was, maar een volgend oogenblik had ik weer een zekere kwaadaardige vreugde, bij de gedachte aan den toestand, waarin zich de trotsche vrouw bevond.

Een tijd ging alles goed, toen de groothertog op zekeren dag, dat ik met vijf of zes andere hovelingen bij hem was, tot ons zei: "Op welke wijze, mijne heeren, oordeelt ge, dat men een man straft, die misbruik gemaakt heeft van het vertrouwen van zijn vorst en getracht heeft hem zijn maitresse te ontrooven?" De eene hoveling zei, dat men hem door vier paarden van elkaar moest laten scheuren, een ander wilde hem door stokslagen dood slaan en de derde, Italiaan, die het minst wreed was, dacht, dat men hem van een toren moest laten springen. De groothertog zei: "En don Raphaël, wat denkt hij ervan? Ik ben overtuigd, dat de Spanjaarden in zulke zaken niet minder streng oordeelen dan de Italianen." Ik begreep wel, zooals ge kunt denken, dat Mascarini zijn eed niet had gehouden, of dat zijn vrouw een middel gevonden had, om den vorst mee te deelen, wat er was gebeurd. Hoe angstig ik ook was, ik antwoordde op vasten toon: "Heer, de Spanjaarden zijn edelmoediger in zulke zaken. Zij vergeven hunnen vertrouweling en doen door die goedheid in zijn ziel een eeuwige spijt ontstaan over het gebeurde." "Welnu," zei de vorst, "ik gevoel mij tot die edelmoedigheid in staat; ik vergeef den verrader; mijzelf maak ik er een verwijt van, dat ik mijn vertrouwen heb geschonken aan een man, dien ik niet kende en dien ik had moeten wantrouwen na alles, wat ik over hem had gehoord. Don Raphaël," voegde hij eraan toe, "dit is de wijze, waarop ik mij op u wil wreken. Verlaat oogenblikkelijk mijn staten en kom mij niet weer onder de oogen." Ik ging dadelijk heen, minder bedroefd door de ongenade, waarin ik gevallen was, dan verheugd, dat ik er zoo goedkoop afkwam.

Den volgenden dag ging ik scheep naar Barcelona, maar ik bleef daar niet lang, daar de lust mij bekroop, om Madrid, mijn geboorteplaats, weer te zien. Het grootste gedeelte van mijn geld had ik toen al uitgegeven. In Madrid ging ik toevallig logeeren in een hotel, waar ook een dame, die Camilla heette, haar intrek had. Hoewel zij meerderjarig was, was zij een zeer pikante verschijning, zooals ook de heer Gil Blas, die haar te Valladolid heeft gezien, zal kunnen getuigen. Zij had nog meer geest dan schoonheid en nooit had een avonturierster meer talent, om slachtoffers aan te trekken. Maar zij was niet een van die coquette vrouwen, die alleen maar aan haar voordeel denken; als zij een rijke mijnheer had afgezet, deelde zij den buit met den eersten armen drommel, dien zij aardig vond.

Wij beminden elkaar zoodra we kennis maakten en de overeenkomst van onze neigingen verbond ons zoo nauw, dat wij weldra in gemeenschap van goederen leefden. Om de waarheid te zeggen, bezaten wij niet veel en in korten tijd was dat weinige verbruikt. Wij hadden ongelukkigerwijs alleen aan ons genoegen gedacht, zonder het minste gebruik te maken van de gaven, welke wij hadden gekregen, om ten koste van anderen te leven. De armoede wekte ten slotte ons genie op, dat door het vermaak was verdoofd. "Mijn waarde Raphaël," zei Camilla, "laat ons scheiden, onze trouw ruïneert ons. Gij kunt een rijke weduwe het hoofd op hol brengen en ik zal trachten een rijken ouden heer te bekoren. Indien wij voortgaan met elkaar trouw te blijven, loopen wij twee fortuinen mis." "Schoone Camilla," antwoordde ik, "gij voorkomt mij, ik wilde u hetzelfde voorstel doen. Laat ons trachten nuttige veroveringen te maken. Telkens, wanneer wij elkaar ontrouw zullen zijn, zal het een triomf voor ons wezen."

Wij gingen aan het werk. Maar het schoot niet hard op. Camilla vond in het begin slechts fatterige heertjes, die geen cent bezaten en ik vrouwen, die liever ontvingen dan betaalden. Daar de liefde aan onze behoefte niet voldeed, namen wij onze toevlucht tot oplichterijen. Toen wij gevaar liepen met het gerecht in aanraking te komen, verwijderden wij ons in stilte en trokken naar Valladolid. Ik huurde een huis, dat ik met Camilla bewoonde, die ik voor mijn zuster liet doorgaan. Wij bestudeerden eerst het terrein, voor wij ons aan een onderneming waagden.

Op zekeren dag ontmoette ik op straat iemand, die mij beleefd groette. "Don Raphaël," zeide hij, "herkent ge mij niet?" Ik antwoordde van neen; daarop zei hij: "ik heb u aan het hof van Toscane gezien, waar ik toen lijfwacht was van den groothertog. Sinds eenige maanden heb ik den dienst verlaten. Ik ben in Spanje gekomen met een Italiaan; wij wonen nu sinds drie weken te Valladolid, samen met een Spanjaard en een Franschman, die, ik moet het zeggen, zeer knappe jongelieden zijn. Wij leven van het werk van onze handen en verdienen veel. Indien ge u bij ons wilt aansluiten, zal het ons aangenaam zijn, u als confrater te begroeten, want gij hebt op mij altijd den indruk gemaakt van een galant man, die niet bang is en op de hoogte van ons vak."

De openhartigheid van dien schelm wekte de mijne op. "Omdat ge zoo vrij met mij gesproken hebt," zei ik, "zal ik dat met u ook doen. In uw vak ben ik werkelijk geen nieuweling en indien mijn bescheidenheid mij niet verbood u eenige van mijn verrichtingen te vertellen, zoudt ge zien, dat ge mij goed beoordeeld hebt; maar ik bepaal mij er toe, u mee te deelen, dat ik de plaats, welke ge mij wilt geven, zeer gaarne aanneem en dat ik u toonen zal, die niet onwaardig te zijn."

Ik ging met hem mee, om kennis te maken met zijn kameraden en daar was het, dat ik voor de eerste maal den beroemden Ambrosius de Lamela ontmoette. De heeren ondervroegen mij over de wijze om zich vlug het goed van zijn naasten toe te eigenen. Ik toonde hun eenige handigheden, welke ze nog niet kenden en bewonderden. Daarop zei ik, dat het werk van de handen eigenlijk maar van minderen aard was en dat ik aan dat met den geest de voorkeur gaf. Als een staaltje, verhaalde ik het avontuur met Jéróme de Moyadas. Zij vonden mij een genie en benoemden mij tot hun aanvoerder. Indien wij vrouwelijke hulp noodig hadden, zouden wij ons bedienen van Camilla, die verrukkelijk alle rollen speelde.

In dien tijd ging onze confrater Ambrosius een reisje maken naar Frankrijk en daarvan terugkomende bezocht hij Burgos, waar een hotelhouder, die hem kende, hem een betrekking bezorgde bij den heer Gil Blas de Santillano. "Mijnheer," vervolgde don Raphaël, zich tot mij wendende, "gij weet op welke wijze wij u te Valladolid van uw valies ontlastten. Ik twijfel er niet aan, of ge hebt vermoed, dat Ambrosius de hoofdaanlegger van dien diefstal was en daarin hebt ge u niet vergist. Maar ge weet het vervolg niet van dit avontuur. Ambrosius en ik stalen uw valies en, op onze muilezels gezeten, sloegen wij den weg in naar Madrid, zonder ons te bekommeren om Camilla en onze kameraden, die wel even verwonderd geweest zullen zijn als gij, ons den volgenden dag niet weer te zien.

Wij veranderden den tweeden dag van plan. Inplaats van naar Madrid te gaan, dat ik niet zonder reden had verlaten, gingen wij naar Toledo. Onze eerste zorg in die stad was, ons netjes te kleeden. Wij gaven ons uit voor Franschen, twee broeders, die voor hun genoegen op reis waren. Spoedig maakten wij met vele nette menschen kennis. Ik was zoo gewend voor een grooten mijnheer door te gaan, dat men het dadelijk geloofde en daar men gewoonlijk de menschen zand in de oogen strooit door veel geld uit te geven, begonnen wij feesten te geven, ter eere van de dames, die wij ontmoetten. Daaronder was er een, die ik nader wilde leeren kennen. Ik vond haar schooner dan Camilla en ook was zij jonger. Ik vernam, dat zij Violante heette en dat zij door haar man verwaarloosd werd. Ze nam weldra een groot gedeelte van mijn gedachten in beslag.