De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 27
Die woorden deden mij wel eenig genoegen, maar zeer rooskleurig zag ik mijn toekomst toch niet in. Toen wij de haven van Algiers naderden, zagen wij een groot aantal menschen en wij waren nog niet ontscheept, of ze begonnen luide vreugdekreten te uiten. Daarbij voegden zich trompetten, Moorsche fluiten en andere in dat land gebruikelijke instrumenten. Het geheel was een symphonie, die meer luidruchtig dan welluidend was. De oorzaak van die vreugde was een valsch gerucht, dat men in de stad verspreid had. Men had namelijk verteld, dat Méhémet (zoo heette onze zeeroover) omgekomen was bij den aanval van een schip uit Genua en nu bereidden hem zijn bloedverwanten en vrienden zulk een feestelijke ontvangst.
Nauwelijks hadden wij voet aan wal gezet, of men geleidde mijn kameraden en mij naar het paleis van den pacha Soliman, waar een Christen-schrijver ons elk afzonderlijk ondervroeg naar onzen naam, ons vaderland, onzen godsdienst en onze bekwaamheden. Toen Méhémet mij aan den pacha toonde, prees hij mijn stem en zei hij, dat ik daarbij verrukkelijk op de guitaar speelde. Soliman besloot mij voor zijn dienst in den harem te bestemmen; de anderen werden naar de markt gebracht, om daar volgens gewoonte, aan den meestbiedende te worden verkocht. Wat Méhémet mij op het schip voorspeld had, werd bewaarheid, ik had een gelukkig lot. Soliman bracht mij samen met vijf of zes slaven van goede afkomst, die weder ingekocht zouden worden en aan wien men geen zwaar werk gaf, het verzorgen van de oranjeboomen en het begieten van de bloemen.
De Pacha was een flink gebouwd man van veertig jaar en voor een Turk zeer beleefd. Voor favorite had hij een vrouw uit Cachemir, die, door haar geest en schoonheid een bijna onbeperkte macht over hem had. Hij beminde haar tot verafgoding toe. Iederen dag bijna gaf hij voor haar een feest, nu eens een concert, dan weer een comedie, op Turksche wijs, d.w.z, drama's in verzen, waarin de kuischheid en de zedigheid niet meer geëerbiedigd worden dan de regels van Aristoteles.
De favorite heette Farrukhnar [6]. Ze was een hartstochtelijk liefhebster van het tooneel en voerde dikwijls met hare vrouwen Arabische stukken voor den pacha op. Zij bekoorde dan steeds de toeschouwers door haar gratie en de levendigheid van haar voordracht. Op een dag, dat ik, tijdens een voorstelling, onder de muzikanten zat, beval Soliman mij op mijn guitaar te spelen en in een entr'acte alleen te zingen. Ik had het geluk Soliman te behagen; hij applaudiseerde, niet alleen door in de handen te klappen, maar ook met luide stem en het scheen mij, dat de favorite mij met een welwillend oog aanzag.
Den volgenden morgen, toen ik in de tuinen de bloemen begoot, ging er een eunuch voorbij, die, zonder iets te zeggen, een brief voor mijn voeten liet vallen. Ik raapte hem op, met een mengeling van genoegen en vrees. Om niet gezien te kunnen worden door de vensters van het serail, verschuilde ik mij achter een broeikast en opende daar den brief. Ik vond er een diamant in van groote waarde en de volgende woorden in goed Spaansch:
"Jonge Christen! Dank den hemel voor uw gevangenschap. De liefde en de fortuin zullen die gelukkig voor u maken: de liefde, wanneer gij gevoelig zijt voor de bekoorlijkheden van een schoone vrouw en de fortuin, indien gij den moed hebt alle gevaren te trotseeren."
Ik twijfelde er geen oogenblik aan, of de brief kwam van de favorite; de stijl en de diamant zeiden mij dat. Behalve, dat ik van natuur niet beschroomd ben, deden de ijdelheid, om op een goeden voet te zijn met de maitresse van een grooten heer en meer nog de hoop, om van haar meer dan vier keer het bedrag van mijn losprijs te krijgen, mij besluiten dit avontuur te wagen, welke gevaren er ook aan verbonden zouden zijn. Ik ging voort met mijn werk, de middelen bepeinzend, waardoor ik in de vertrekken van Farrukhnar zou kunnen doordringen, of liever gezegd in afwachting, dat ze mij daartoe den weg zou openen, want ik begreep wel, dat ze het niet bij dien brief zou laten en dat zij meer dan de helft van de moeite zou doen. Ik werd niet bedrogen. Dezelfde eunuch kwam, na een uur, terug en zei: "Christen, ge hebt tijd gehad om na te denken; hebt gij den moed mij te volgen?" Ik antwoordde van ja. "Welnu!" hernam hij, "de Hemel behoede u! Morgenochtend zult ge mij zien. Houd u dan gereed om u te laten leiden." Met die woorden vertrok hij. Den volgenden dag zag ik hem 's morgens om acht uur. Hij gaf mij een wenk om bij hem te komen en leidde mij in een zaal, waar hij met een anderen eunuch een rol linnen van groote afmeting bracht, bestemd als decoratie voor een Arabisch stuk, dat de sultane voor den pacha instudeerde.
De twee eunuchen, die zagen, dat ik bereid was om alles te doen, wat men wilde, verloren geen tijd; ze rolden mij in het linnen, op gevaar af van mij te laten stikken, vatten het ieder aan een eind en namen mij op. Toen zij het weer afrolden, was ik in de slaapkamer van de favorite, die in lachen uitbarstte, toen ze mij te voorschijn zag komen. Hoe stoutmoedig ik ook van natuur was, toch was ik niet geheel zonder vrees, toen ik mij daar zoo opeens gebracht zag in het geheime vertrek van de vrouwen. De schoone dame scheen dat te merken en zei: "Jongeman, ge hebt niets te vreezen. Soliman is naar zijn landgoed, hij zal daar den geheelen dag blijven en dus kunnen wij ons vrij met elkaar onderhouden."
Die woorden stelden mij gerust en ik was dadelijk weer geheel op mijn gemak. "Ik voelde mij dadelijk tot u aangetrokken," vervolgde zij, "en ik zal de hardheid van uw slavernij verzachten. Ik geloof, dat gij de gevoelens, welke ik voor u opgevat heb, waardig zijt. Hoewel ge de kleederen van een slaaf draagt, hebt ge een edel en galant uiterlijk, dat mij zegt, dat ge geen persoon uit het gewone volk zijt. Spreek openhartig met mij en zeg me wie ge zijt. Er zijn wel gevangenen, die hun hooge afkomst verbergen, omdat ze denken dan goedkooper weder vrijgekocht te kunnen worden, maar bij mij behoeft ge niets voor te wenden; die voorzorg zou ik zelfs als een beleediging beschouwen, want ik beloof u de vrijheid." Ik zei, dat ze goed gezien had en dat ik de zoon was van een grande van Spanje. Misschien sprak ik de waarheid wel; zij althans geloofde het, drukte er hare vreugde over uit, dat haar oogen haar niet hadden bedrogen en gaf mij de verzekering, dat wij dikwijls zouden samen zijn. Zelden heb ik een aardiger vrouw ontmoet. Ze sprak verschillende talen en het Spaansch zeer goed. Toen ze meende, dat het tijd was om te scheiden, kroop ik op haar bevel in een groote teenen mand, ze bedekte mij met stukken zijde, die ze zelf bewerkt had en riep de twee slaven weer, die mij wegbrachten, als een cadeau, dat de favorite aan den pacha zendt en dat heilig is voor ieder.
Wij vonden nog andere gelegenheden om elkaar te spreken en spoedig boezemde deze bekoorlijke vrouw mij een even groote liefde in, als zij voor mij had. Onze verstandhouding bleef zes maanden geheim, hoewel het zeer moeilijk is, om, in een harem, zooiets lang verborgen te houden. Op een goeden dag keerde de fortuin ons den rug toe. Ik was binnengesmokkeld in een draak, die in een comediestuk moest worden gebruikt, toen Soliman, die, naar ik meende uit de stad was, zoo plotseling naar haar kamer kwam, dat de oude vertrouwde slavin, die altijd op wacht stond, nauwelijks tijd vond om ons te waarschuwen. Ik had nog minder den tijd om mij te verbergen.
Het eerste wat de pacha zag, was ik; hij scheen zeer verwonderd en zijn oogen flikkerden van toorn. Ik beschouwde mijzelf als iemand wiens laatste oogenblik is aangebroken. Wat Farrukhnar betreft, ook zij was zeer verschrikt, maar inplaats van haar schuld te bekennen en vergiffenis te vragen, zei ze: "Heer, verwaardig u mij aan te hooren, voor ge uw vonnis uitspreekt. De schijn is tegen mij: ik beken, dat ik dien jongen gevangene bij mij heb laten brengen, op de wijze alsof ik een geliefde ontving en toch ben ik u in geen enkel opzicht ontrouw geworden, de groote profeet is mijn getuige. Ik heb getracht dezen christen-slaaf afvallig te maken en hem over te halen de geloovigen te volgen. Zooals ik wel verwachtte, heb ik tegenstand bij hem gevonden, maar ik heb dien overwonnen en hij heeft zich bereid verklaard onzen godsdienst te omhelzen en Mahomedaan te willen worden."
Ik voelde wel, dat ik eigenlijk verplicht was om dit tegen te spreken, maar, bevende voor het lot van de vrouw, die mij beminde en voor dat van mijzelf, zweeg ik en de pacha leidde daaruit af, dat zij de waarheid had gesproken. "Ik wil gelooven," zei hij, "dat ge mij niet bedrogen hebt en dat de lust om een werk te doen, dat welgevallig is in de oogen van den profeet, u tot deze onvoorzichtigheid heeft geleid. Ik vergeef u die, mits deze jonge gevangene dadelijk den tulband aanneemt." Er werd een Mohammedaansch priester geroepen en men kleedde mij als een Turk. Ik liet alles toe, zonder mij te verzetten.
Na deze ceremonie verliet ik het serail, om onder den naam Sidy Hally een betrekking te gaan vervullen, die Soliman mij had gegeven. Ik zag de favorite niet weer, maar een van haar eunuchen kwam mij op zekeren dag bezoeken. Hij gaf mij edelsteenen ter waarde van een paar duizend gouden dukaten en een brief, waarin de sultane mij bedankte voor mijn edelmoedigheid. Door Mohammedaan te worden, had ik haar het leven gered. Door haar invloed kreeg ik ook spoedig een betere betrekking en in minder dan zes jaar was ik een der rijkste mannen van de stad Algiers.
Ge kunt u wel voorstellen welke grimassen ik trok, als ik deelnam aan de gebeden van de Muzelmannen in hunne moskeeën en aan de andere ceremoniën, welke hun godsdienst voorschrijft. Gaarne wilde ik weer tot onze oude kerk terugkeeren en daarom stelde ik mij voor, met de rijkdommen, welke ik verzameld had, naar Spanje of Italië te gaan. In afwachting daarvan, maakte ik mij het leven zoo aangenaam mogelijk. Ik woonde in een mooi huis, had prachtige tuinen, een groot aantal slaven en in mijn harem had ik zeer mooie vrouwen. Wat het gebruik van wijn betreft, dit is aan Mohammedanen verboden, maar de meesten drinken dien in het geheim. Ik dronk zooveel als ik lustte, zooals alle afvalligen doen. Met twee bekenden zat ik dikwijls 's avonds en 's nachts aan tafel. De een was een jood en de andere een Arabier. Ik was zeer familiaar met hen, daar ik meende, dat het eerlijke menschen waren. Op een avond noodigde ik hen uit, om bij mij te soupeeren. Er was dien dag een hond van mij gestorven, waaraan ik zeer gehecht was. Wij wieschten het lichaam en bestelden het ter aarde met alle ceremoniën, die bij de begrafenis van een geloovig Mohammedaan worden in acht genomen. Het gebeurde niet zoozeer om met den godsdienst te spotten, dan wel om ons, in een roes, te vermaken.
Maar die grap kwam mij duur te staan, zooals gij zult hooren. Den volgenden dag kwam er een man bij mij, die me zei: "Mijnheer Sidy Hally, een gewichtige zaak voert mij tot u. Mijnheer de kadi wenscht u te spreken, wees zoo goed dadelijk bij hem te komen." "Zeg mij als 't u belieft wat hij van mij wil?" vroeg ik. "Dat zal hij u zelf wel zeggen," kreeg ik ten antwoord. "Het eenige dat ik u zeggen kan is, dat een Arabische koopman, die gisterenavond bij u gesoupeerd heeft, hem eenige mededeelingen heeft gedaan omtrent de begrafenis van een hond. Gij moet daarom vandaag bij hem verschijnen anders zult ge gerechtelijk vervolgd worden," Toen hij weg was, dacht ik over die sommatie na. Waarom zou die Arabier mij dat geleverd hebben? Hij had in het geheel geen redenen, om zich over mij te beklagen. Den kadi kende ik als een man, streng voor het oog, maar in werkelijkheid niet zeer nauwgezet en voor alles een vrek. Ik deed tweehonderd goudstukken in een beurs en ging den rechter opzoeken. Hij liet mij in zijn kabinet komen en zei met een barsch gezicht: "Gij zijt een goddelooze, een heiligschenner, een verschrikkelijke man! Gij hebt een hond begraven als een Muzelman! Welk een profane handelwijze! Respecteert gij dan onze heiligste ceremoniën niet? En zijt ge alleen Mahomedaan geworden om onze godsdienstige gebruiken te bespotten?" "Mijnheer de kadi", antwoordde ik, "de Arabier, die u mededeeling gedaan heeft van het gebeurde, die valsche vriend, is medeplichtig aan mijn misdaad, indien het er althans een is, om eer te bewijzen aan de stoffelijke overblijfselen van een trouw dier, dat duizende goede hoedanigheden bezat, dat veel hield van verdienstelijke mannen en zelfs stervende hun nog bewijzen van zijn vriendschap heeft willen geven. Het heeft een testament gemaakt, waarvan ik exécuteur ben. Aan den een zijn twintig kronen vermaakt, den ander dertig en ook u, mijnheer de kadi heeft hij niet vergeten, hier zijn tweehonderd goudstukken, die hij mij opgedragen heeft u ter hand te stellen. Dit zeggende, haalde ik mijn beurs te voorschijn. De kadi had onder het gesprek zijn streng uiterlijk verloren; hij kon niet nalaten om te lachen en, daar wij alleen waren, stak hij de beurs in zijn zak. "U kunt gaan, mijnheer Sidy Hally," zei hij "en gij hebt goed gedaan door de laatste eer te bewijzen aan een dier, dat eerlijke menschen zoo wist te respecteeren."
Zoo liep de zaak af en als ze mij niet wijzer maakte, ik werd er althans minder goed van vertrouwen door. Ik noodigde den Arabier niet meer bij mij uit en den jood ook niet. 's Avonds dronk ik nu dikwijls met een jongeman uit Livorno, die Azarini heette en mijn slaaf was. Ik was over het algemeen zeer goed voor mijn slaven en deed niet als andere afvalligen, die hun christenslaven slechter behandelden dan de Turken zelf, zoodat velen niet eens naar de vrijheid verlangden, hoe aantrekkelijk die ook is voor menschen in slavernij.
Op zekeren dag keerden de schepen van den pacha terug met een goede vangst. Meer dan honderd slaven brachten ze mee van beide geslachten, opgelicht aan de kusten van Spanje, Soliman hield er maar een klein gedeelte van, de overigen werden verkocht. Ik ging naar de markt en kocht een Spaansch meisje van tien of twaalf jaar. Ze weende onophoudelijk en was wanhopig. Ik zei haar in het Spaansch, dat ze gerust moest zijn want dat ze een humanen meester zou krijgen, hoewel hij een tulband droeg. Het kleine meisje was zoo vervuld met haar verdriet, dat ze mij niet hoorde. Ze deed niets als zuchten, klagen over haar lot en nu en dan riep zij aandoenlijk: "O, moeder! waarom wil men ons scheiden!" en keek daarbij naar een vrouw van vijf en veertig of vijftig jaar, die in stilte wachtte tot zij verkocht zou worden. "Is dat uw moeder?" vroeg ik. Ze knikte en ik zei: "Welnu, ge kunt bij elkaar blijven," Ik naderde de vrouw, om over haar te onderhandelen. Ik had haar gezicht nog niet gezien, of ik herkende, tot mijn groote aandoening, de trekken van Lucinde, "Gerechte hemel," zei ik bij mijzelf, "dat is mijn moeder, ik kan er niet aan twijfelen!" Zij herkende mij niet. Na haar gekocht te hebben, bracht ik haar met haar dochter naar mijn huis, waar ik het genoegen hebben wilde haar te zeggen, wie ik was.
"Mevrouw," zei ik tegen Lucinde, "hoe is het mogelijk, dat mijn gezicht u niet treft. Ben ik door mijn tulband en mijn knevel zoo veranderd, dat ge uw zoon Raphaël niet herkent?" Mijn moeder beefde bij die woorden, keek mij goed aan en wij omhelsden elkaar teeder. Ik omhelsde ook het meisje, dat wel even weinig geweten zal hebben, dat ze een broer had, als ik wist, dat ik een zuster bezat. "Beken maar," zei ik tegen mijn moeder, "dat ge in al uw comedie-stukken nooit een herkennings-scène hebt meegemaakt, die zoo treffend was als deze." "Mijn zoon," antwoordde zij zuchtend, "ik ben zeer blij u weer te vinden, maar er mengt zich smart in mijn vreugde. Helaas, hoe moet ik u weerzien! Mijn slavernij doet mij duizendmaal minder verdriet dan deze verfoeilijke kleeding...." "Wel mevrouw," viel ik haar in de rede, "ik bewonder uw fijngevoeligheid; ik mag die wel zien in een actrice. Maar ge zijt wel veranderd, dat mijn gedaanteverwisseling u zoo treft; inplaats van zoo vertoornd te zijn op mijn tulband, moet ge mij maar beschouwen als een acteur, die een rol vervult in een Turksch stuk. Ik ben even weinig Muzelman als ik het in Spanje zou zijn en hecht nog altijd aan mijn godsdienst; als ge alle avonturen weet, die mij in dit land overkomen zijn, zult ge mij verontschuldigen. De liefde is oorzaak van mijn misdaad; ik heb aan dien god geofferd en lijk in dat opzicht een weinig op u. Maar het zal u misschien genoegen doen te vernemen, dat wij hier rijk en in overvloed kunnen leven, tot zich de gelegenheid zal aanbieden, om veilig naar Spanje terug te keeren. Herinner u het spreekwoord: "er is altijd een geluk bij een ongeluk". "Mijn zoon," zei Lucinde, "daar ge van plan zijt naar uw vaderland terug te keeren en het mohamedanisme af te zweren, ben ik heelemaal getroost. Dank zij den Hemel, zal ik uw zuster Beatrix veilig en wel naar Spanje kunnen terug brengen." "Ja mevrouw," riep ik uit, "dat kunt ge. Wij zullen alle drie terugkeeren naar onze overige familie, want ge zult in Spanje zeker nog wel andere bewijzen van uw vruchtbaarheid hebben?" "Neen," zei mijn moeder, "ik heb maar twee kinderen en Beatrix is uit een wettig huwelijk geboren." "En waarom," vroeg ik, "hebt ge mijn kleine zuster dat voordeel geschonken boven mij? Hoe hebt ge er toe kunnen besluiten om te trouwen? Ik heb u in mijn jeugd wel honderd maal hooren zeggen, dat ge het van een mooie vrouw onvergeeflijk vond om te huwen." "Andere tijden, andere zorgen, mijn zoon, de sterkste man verandert wel eens en zou dan een vrouw het niet doen? Ik zal u," vervolgde zij, "mijn geschiedenis vertellen van uw vertrek uit Madrid af." Daarna deed ze mij het volgende verhaal, dat ik nooit zal vergeten en dat ik u niet wil onthouden.
"Het is nu," zoo begon zij, "ongeveer dertien jaar geleden, dat ge den jongen Léganez verliet. Omstreeks dien tijd zei de hertog de Medina Céli mij, dat hij een avond alleen met mij wilde soupeeren. Hij bepaalde den dag, hij kwam en ik beviel hem. Hij verzocht mij, om mij niet meer in te laten met andere heeren, indien ik dat soms deed. Ik beloofde het hem, in de hoop, dat hij het goed met mij zou maken. Daar ontbrak het niet aan, den volgenden dag reeds ontving ik prachtige cadeaux, die door vele andere werden gevolgd. Hoewel ik vreesde, dat ik hem niet lang zou kunnen boeien, daar hij met andere schoone vrouwen altijd spoedig had gebroken, scheen hij steeds nieuw genoegen in mijn gezelschap te vinden.
Het was reeds drie maanden, dat hij mij beminde en ik had alle hoop, dat zijn liefde nog wel van langeren duur zou zijn, toen ik op zekeren dag een uitnoodiging ontving van een vriendin, om mee te gaan naar een concert, waar de hertog en zijn vrouw ook waren. Toevallig kwamen wij dicht bij hen te zitten. De hertogin liet mij door een dame uit haar gevolg verzoeken, mij onmiddellijk te verwijderen. Ik gaf een brutaal antwoord terug en de hertogin beklaagde zich bij haar man, die zelf bij me kwam en zei: "Ga weg Lucinde; wanneer groote heeren zich hechten aan wezentjes zooals gij, dan moeten zij toch niet vergeten, dat, al beminnen wij haar meer dan onze vrouwen, wij de laatsten toch meer eeren en ge stelt u aan een onaangename behandeling bloot, indien ge het waagt u met haar op één lijn te stellen."
Gelukkig sprak de hertog zoo zacht, dat hij door anderen niet gehoord werd. Beschaamd verliet ik de zaal en ik weende van spijt over deze beleediging. Tot overmaat van smart wisten denzelfden avond al de acteurs en actrices bij ons reeds, wat er was gebeurd. Men zou zeggen, dat er onder die lieden altijd een demon is, die er behagen in schept het ongeluk van anderen ruchtbaar te maken. Den hertog de Médina-Céli zag ik niet weer en ik hoorde eenige dagen later, dat een zangeres hem veroverd had.
Wanneer een dame van het tooneel het geluk heeft in den smaak te vallen, ontbreekt het haar nooit aan minnaars en de liefde van een groot heer, al duurt die ook maar drie dagen, geeft haar nieuwe waarde. Dus zag ik mij omringd door aanbidders, zoodra het in Madrid bekend werd, dat de hertog mij niet meer bezocht. Onder hen was er een, die mij met volharding het hof maakte. Hij zag er niet zeer beminnelijk uit, het was een dikke Duitscher, die tot het gevolg van den hertog d'Ossune behoorde; maar hij had in den dienst van zijn meester duizend pistolen weten bijeen te brengen en besteedde die om mij attenties te bewijzen. Hij heette Brutendorf. Zoolang hij veel geld voor mij uitgaf, ontving ik hem vriendelijk, toen het op was, bleef mijn deur voor hem gesloten. Dat verbitterde hem zeer, hij kwam in den schouwburg, terwijl de voorstelling aan den gang was en kwam bij mij, achter de coulissen, waar hij mij heftige verwijten deed; ik lachte hem in zijn gezicht uit en hij gaf mij een slag in het gezicht. Ik uitte een kreet, welke stoornis veroorzaakte op het tooneel en wilde mij bij den hertog, die met zijn vrouw in den schouwburg was, beklagen over deze Germaansche manieren van dien heer uit zijn gevolg. De hertog gelastte, dat de voorstelling zou worden vervolgd en dat hij daarna de partijen zou hooren. Later kwam ik dus bij hem, om op levendige wijze mededeeling te doen van den ondervonden smaad. Wat den Duitscher betreft, hij had slechts enkele woorden te zeggen, niet van berouw, maar om te verklaren, dat hij lust had om weer te beginnen. De hertog zei daarop tegen den Duitscher: "Brutendorf, ik ontsla u, niet omdat ge een actrice een slag in het gezicht hebt gegeven, maar omdat ge weinig eerbied betoond hebt voor uw meester, door in zijn tegenwoordigheid en die van de hertogin de voorstelling te verstoren."
Die uitspraak verbitterde mij zeer. De Duitscher werd dus niet weggejaagd, omdat hij mij beleedigd had. Ik had mij verbeeld, dat een dergelijke beleediging van een actrice even streng gestraft zou worden als majesteitsschennis. Daardoor ervaarde ik, dat de groote wereld de acteurs niet verward met de rollen, welke zij op het tooneel vervullen. Ik kreeg een afkeer van het theater en besloot Madrid te verlaten. Als woonplaats koos ik Valencia en ik ging er incognito heen, met een waarde van twintig duizend ducaten, welke ik bezat aan geld en edelgesteente. Ik meende, dat die som voldoende was om de rest van mijn dagen een ingetogen leven te leiden. Te Valencia huurde ik een klein huis en nam voor mijn bediening een vrouw en een page, die mij niet kenden. Ik gaf mij uit voor de weduwe van een officier, had weinig conversatie en leidde een zoo geregeld leven, dat niemand in mij een gewezen actrice vermoedde. Maar hoe stil ik ook leefde, ik trok de aandacht van een edelman, die een kasteel had, dicht bij Paterna. Hij was een knappe man van omstreeks veertig jaar, maar had veel schulden, wat even dikwijls in Valencia als in andere plaatsen voorkomt. Daar ik hem beviel en hij vernomen had, dat ik vermogend was, verklaarde hij zich, bekoord door mijn schoonheid en deugd, bereid mij voor het altaar te geleiden. Ik vroeg drie dagen bedenktijd. Daar ik veel goeds van hem hoorde, besloot ik, hoewel de staat van zijn vermogen mij niet onbekend was, hem mijn hand te reiken.