De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 25
"Uw vermetele wensch," antwoordde zij, "zou mij op een anderen tijd zeker beleedigd hebben, maar nu vergeef ik u, terwille van uw verdriet. Bovendien kan ik in den toestand, waarin ik verkeer, weinig aandacht aan uw woorden schenken. Nog eens, don Alphonse, verwijder u uit dit huis, dat gij met smart hebt overladen, ieder oogenblik, dat gij blijft, doet mijn verdriet toenemen." Ik stond op en zei: "Ik zal gaan, maar denk niet, dat ik trachten zal een veilige schuilplaats te zoeken en een leven te redden, dat gij haat. Ik ga naar Toledo en zal mij aan mijn vervolgers overleveren."
Met die woorden ging ik heen, steeg te paard en reed naar Toledo, waar ik acht dagen bleef en waar ik zoo weinig zorg nam om mij te verbergen, dat ik nog niet begrijpen kan, dat men mij niet gevangen genomen heeft. Want ik kan niet gelooven, dat de graaf de Polan, indien hij zijn maatregelen goed heeft genomen, zou kunnen vergeten, dat ik Toledo passeeren kon. Gisteren ging ik de stad uit, alsof de vrijheid mij verveelde en zonder een weg te kiezen, die meer veiligheid aanbood, ben ik hier gekomen in dit kluizenaarsverblijf, als een man, die niets heeft te vreezen. Nu weet ge mijn geschiedenis, vader, help mij met uw raad."
HOOFDSTUK XI
Wie de oude kluizenaar was en hoe Gil Blas bemerkte, dat hij onder kennissen was.
Toen don Alphonse het treurig verhaal van zijn ongelukken verhaald had, zei de oude kluizenaar tot hem: "Mijn zoon, ge zijt wel onvoorzichtig geweest door zoo lang in Toledo te blijven. Ik beschouw met een ander oog dan gij al wat ge mij verteld hebt en uw liefde voor Séraphine schijnt mij een groote dwaasheid. Geloof mij, ge moet de jonge dame vergeten, die u nooit zal toebehooren. Wijk voor de hinderpalen, die u in den weg staan en laat u leiden door uw gesternte, dat u nog wel andere avonturen belooft. Zonder twijfel zult ge nog wel eens weer een jonge vrouw vinden, die een zelfden indruk op u maakt en wier broeder ge niet gedood hebt."
Hij wilde verder spreken, toen wij een anderen kluizenaar zagen binnen komen, belast met een vollen zak. Hij had inkoopen gedaan in de stad Cuença, scheen jonger dan de eerste en had een dikken, rooden baard. "Wees welkom, broeder Antoni," zei de oude, "welk nieuws brengt ge uit de stad?" "Nogal slecht nieuws," zei de roode, en hij gaf hem een stuk papier; "deze brief zal u voldoende inlichten." De grijsaard las met aandacht. "Goddank!" riep hij, "nu het geheim ontdekt is, moeten wij aan het werk. Laten wij nu maar van stijl veranderen, don Alphonse, ge ziet een man voor u, die eveneens heeft te strijden met de grillen van de fortuin. Men bericht mij uit Cuença, dat in een stad op een mijl afstand van hier, men mij zwart heeft gemaakt bij de justitie en dat men morgen alles in het werk zal stellen, om zich van mijn persoon te verzekeren. Maar ze zullen niets vinden! 't Is niet de eerste maal, dat ik mij in dergelijke moeilijkheden bevind. Bijna altijd ben ik er goed afgekomen. Maar ik zal me nu in een andere gedaante vertoonen, waarin ik even weinig van een kluizenaar, als van een grijsaard zal hebben."
Zoo sprekende trok hij zijn pij uit, zette een pruik af maakte zijn langen baard los en zoo kreeg hij het uiterlijk van een man van 28 of 30 jaar. Broeder Antonio volgde zijn voorbeeld en wierp eveneens zijn vermomming weg. Stel u echter mijn verbazing voor, toen ik beter toeziende, in den ouden kluizenaar don Raphaël herkende en in broeder Antonio niemand anders dan zijn trouwe knecht, Ambrosius de Lamela. "Mijn hemel!" riep ik uit, "ben ik hier onder kennissen!" "Zooals ge ziet, mijnheer Gil Blas, ge vindt hier twee vrienden, die ge wel allerminst verwacht hadt te ontmoeten. Ik geef toe, dat ge wel eenige reden hebt om u over ons te beklagen, maar laten wij het verleden vergeten en dankbaar zijn, dat we weer bijeengekomen zijn, Ambrosio en ik bieden u onze diensten aan, die ge niet moet versmaden. Wij zijn niet kwaad, wij vallen niemand aan, wij vermoorden niemand; we beproeven alleen maar te leven ten koste van anderen en wanneer stelen een onrechtvaardige daad is, dan neemt de noodzakelijkheid ervan de onrechtvaardigheid weg. Voeg u bij ons en we zullen een zwervend leven leiden. Dat is een zeer aangenaam leven, wanneer men het voorzichtig doet. Men beleeft wel eens kwade avonturen, maar vindt dan later weer betere."
Zich tot Alphonse wendende, zei hij: "We doen u hetzelfde voorstel en ik geloof niet, dat ge het verwerpen zult in den toestand, waarin ge u nu bevindt; want zonder nog te spreken van de zaak, welke u verplicht u te verbergen, hebt ge zonder twijfel niet veel geld?" "Neen, waarlijk niet," bekende don Alphonse, "en dat maakt mijn zorg nog grooter." "Welnu," hernam don Raphaël, "verlaat ons niet. Ge kunt niets beters doen dan u bij ons aan te sluiten, het zal u aan niets ontbreken en wij zullen alle navorschingen van uw vijanden nutteloos maken. Wij kennen geheel Spanje, alle bosschen, alle bergen en weten, waar wij ons voor de brutaliteit van de justitie kunnen verbergen." Don Alphonse dankte hen en daar hij werkelijk zonder geld en zonder eenige hulpbronnen was, besloot hij hen te vergezellen; ik deed dat ook, omdat ik dien jongen man, tot wien ik mij zeer voelde aangetrokken, niet wilde verlaten.
Toen wij overeengekomen waren niet van elkaar te scheiden, maakte het een punt van overweging uit, of wij dadelijk zouden vertrekken, of dat wij eerst eenige aandacht zouden schenken aan een uitmuntend wijntje, dat broeder Antonio den vorigen dag uit Cuença had meegebracht. Raphaël echter, die de meeste ervaring had, oordeelde het gewenscht om in de eerste plaats aan onze veiligheid te denken. Hij raadde aan, den geheelen nacht door te marcheeren, om een dicht bosch te bereiken, dat tusschen Villardesa en Almodavar lag, daar zouden wij halt houden en konden we gedurende den dag rusten. De twee ex-kluizenaars pakten hun kleeren en proviand samen en belastten daarmee het paard van Alphonse. Dat gebeurde met groote snelheid en wij verlieten het verblijf, de twee oude pijen, de witte en de roode baard, 2 krukjes, 1 tafel, een kapotte koffer, 2 oude rieten stoelen en het plaatje van den H. Pacome als een prooi voor de justitie achterlatende.
Wij liepen den geheelen nacht door en begonnen zeer moe te worden toen wij nog vóór zonsopgang ons doel bereikten. Op een grasveld, onder hooge en dichte boomen gingen wij zitten, het paard werd afgeladen om te kunnen grazen en uit broeder Antonio's zak kwamen brood en eenige stukken gebraden vleesch en de wijnkruik ging rond.
Aan het einde van den maaltijd, zei don Raphaël tot don Alphonse: "Mijnheer, na het vertrouwen, dat ge mij hebt geschonken, is het niet meer dan billijk, dat ik u ook de geschiedenis van mijn leven vertel en met dezelfde oprechtheid als gij het gedaan hebt." "Ge zult mij daarmee een genoegen doen." "En mij niet minder!" riep ik uit. "Ik ben zeer nieuwsgierig om uw avonturen te vernemen en twijfel er niet aan, of ze zijn waard, dat men er naar luistert." "Daar sta ik u voor in," antwoordde Raphaël; "ik denk er aan ze op een goeden dag nog eens neer te schrijven. Dat zal een amusement voor me zijn als ik oud ben, want ik wil er een groot boekdeel van maken. Maar we zijn vermoeid, laten we dus eerst eenige uren rust nemen; terwijl wij slapen, kan Ambrosius waken, die kan dan na ons gaan slapen. Wel geloof ik, dat we hier veilig zijn, maar 't is toch beter, dat er iemand wacht houdt." Hij strekte zich op het gras uit. Don Alphonse deed hetzelfde en ik volgde hun voorbeeld, terwijl Lamela op schildwacht ging staan.
Don Alphonse hield zich, inplaats van te slapen, met zijn ongeluk bezig en ik kon geen oog sluiten. Don Raphaël sliep spoedig in, maar na een uur was hij weer wakker. Daar hij ons gereed vond om te luisteren, zei hij: "Vriend Ambrosius, ga nu van de zoete rust genieten." "Neen, neen," antwoordde Lamela, "ik heb geen lust om te gaan slapen. Hoewel ik al de voorvallen uit uw leven ken, zijn ze leerzaam genoeg voor personen van ons vak, om ze nog eens te hooren vertellen." Don Raphaël begon daarop de geschiedenis van zijn leven.
VIJFDE BOEK
HOOFDSTUK I
Geschiedenis van don Raphaël.
Ik ben de zoon van een actrice uit Madrid, bekend door haar voordrachten, maar meer nog door haar galante avonturen; ze heette Lucinde. Wat een vader betreft, zonder vermetelheid kan ik mij er geen geven. Een voornaam heer was wel verliefd op mijn moeder toen ik op de wereld kwam, maar dat is nog geen overtuigend bewijs, dat ik aan hem mijn geboorte heb te danken.
Lucinde stoorde zich niet aan praatjes, ze liet mij in het geheim opvoeden, maar vertoonde zich met mij aan de hand in den schouwburg en overal elders zonder acht te slaan op de praatjes en hatelijke glimlachjes, die mijn verschijning opwekte. In één woord, ik was haar dierbaar en alle mannen, die bij haar kwamen, haalden mij aan. Men zou zeggen, dat bij hen de stem des bloeds sprak. In de eerste twaalf jaar van mijn leven had ik zeer veel amusementen. Lezen en schrijven leerde men mij ternauwernood, godsdienst in het geheel niet. Wel leerde ik goed dansen, zingen en guitaar spelen; dat was alles, wat ik kende, toen de markies de Léganez mij vroeg om bij zijn eenigen zoon te komen, die ongeveer van mijn leeftijd was. Lucinde stemde er gaarne in toe en toen begon ik mij ernstiger bezig te houden. De jonge Léganez was niet verder dan ik; dat heertje scheen niet voor de wetenschap geboren te zijn; hij kende nog bijna geen letter van het alphabet, hoewel hij sinds vijftien maanden een gouverneur had, zijn andere onderwijzers hadden het niet verder gebracht, hij stelde hun geduld op een zware proef. Weliswaar hadden zij de opdracht om geen strengheid tegenover hem te gebruiken. Met, dat bevel en den slechten aanleg van den jongen, waren alle lessen tamelijk nutteloos. Maar de gouverneur vond, zooals ge zien zult, een goed middel om den jongenheer te treffen, zonder het bevel van zijn vader te overschrijden; hij besloot mij af te ranselen, als de kleine Léganez gestraft moest worden. Dat was niet erg naar mijn zin. Ik liep weg en ging mij bij mijn moeder beklagen over zulk een onrechtvaardige behandeling. Hoe goed ze overigens ook voor mij was, had ze kracht om weerstand te bieden aan mijn tranen en daar ze het als een zeer groot voorrecht beschouwde, dat haar zoon bij den markies de Léganez kon zijn, liet ze mij er dadelijk weer heen brengen. Zoo was ik dus overgeleverd aan de willekeur van den gouverneur en daar hij merkte, dat hij eenig effect had met zijn methode, ging hij voort met mij te slaan. Om nog meer indruk te maken, deed hij het zoo hard mogelijk. Voor iedere letter van het alphabet, die de kleine Léganez leerde, kan ik wel zeggen, dat ik honderd slagen heb gekregen.
Dat was echter nog niet het eenige onaangename wat ik in dat huis had te verdragen. De dienstboden verweten mij steeds mijn geboorte. Dat begon mij zoo tegen te staan, dat ik op een goeden dag de vlucht nam, nadat ik het middel had gevonden om mij van alles meester te maken wat de gouverneur aan contant geld had, ongeveer honderdvijftig ducaten. Die wraak was, meen ik, gerechtvaardigd en ik geloof, dat ik den man moeilijk zwaarder had kunnen treffen. Ik verliet Madrid en kwam te Toledo, zonder dat men mij had kunnen aanhouden.
Ik ging toen mijn vijftiende jaar in. Wat een genot om op dien leeftijd onafhankelijk te zijn. Weldra maakte ik kennis met jongelieden, die mij ontgroenden en mij hielpen, om mijn ducaten op te maken. Vervolgens associeerde ik mij met eenige chevalliers d'industrie, die mij zooveel leerden, dat ik, dank zij mijn goeden aanleg, na eenigen tijd, tot de sterksten van het gilde behoorde. Na verloop van vijf jaren kwam de lust tot reizen in mij op. Ik ging naar Alcantera, maar voor ik er aankwam, vond ik nog een gelegenheid om mijn talenten op de proef te stellen, die ik niet ongebruikt liet voorbijgaan. Daar ik te voet was en bovendien mijn bagage bij mij droeg, ging ik nu en dan onder de schaduw van een boom aan den weg zitten rusten. Bij een van die gelegenheden trof ik twee kinderen aan, die er uitzagen of ze tot een goede familie behoorden. De oudste was nog geen vijftien jaar. Wij raakten in gesprek en ze schenen daar genoegen in te vinden. Ze waren beiden zeer onnoozel. "Mijnheer," zei de jongste, "wij zijn de zoons van rijke burgers uit Plasencia. Wij vinden veel lust om Portugal eens te zien en om onze nieuwsgierigheid te bevredigen, hebben wij ieder honderd pistolen van onze ouders genomen. Hoewel wij te voet gaan, geloof ik niet, dat wij met die som ver zullen komen. Wat denkt u er van?" "Goede hemel!" riep ik, "als ik tweehonderd pistolen had, zou ik de heele wereld kunnen doortrekken. Het is een verbazend groote som. Als ge het goedvindt, zal ik u vergezellen tot Almerin, waar ik de erfenis van een oom in ontvangst ga nemen, die daar ongeveer twintig jaar heeft gewoond."
De jongelieden zeiden mij, dat mijn gezelschap hun zeer aangenaam zou zijn. Zoo wandelden wij met ons drieën op naar Alcantara, waar wij 's avonds aankwamen. Wij gingen in een goed hotel en vroegen een kamer, men gaf ons er een met een kast, welke op slot kon. Wij bestelden eerst avondeten en ik stelde mijn reisgezellen voor, om de stad nog eens te gaan bezichtigen. Zij stemden toe en wij deden ons goed in de kast, waarvan een der jongens den sleutel bij zich stak. Wij gingen de kerken bezien en toen wij in een van de gebouwen waren, vertelde ik, dat ik een boodschap te doen had. "Heeren," zei ik, "ik herinner mij daar, dat ik even een koopman moet spreken, die hier dicht bij de kerk woont. Wacht hier op mij; ik ben in een oogenblik terug." Ik liep naar het hotel, brak de kast open en vond de pistolen. Ik liet den armen kinderen er slechts één om hun logies te betalen. Daarop ging ik op weg naar Mérida, zonder mij er om te bekommeren wat er van hen werd.
Dit avontuur stelde mij in staat om vroolijk te reizen. Hoewel ik jong was, wist ik mij voorzichtig te gedragen; ik mag wel zeggen, dat ik mijn leeftijd veel vooruit was. Ik besloot een muilezel te koopen en deed dat in het eerste dorp; ook schafte ik mij een valies aan en ik begon mijzelf een man van gewicht te vinden. Den derden dag ontmoette ik een man, die langs den weg liep te zingen. Naar zijn uiterlijk te oordeelen, was het een koorzanger. "Wel mijnheer!" riep ik, "dat gaat best. U schijnt hart van uw vak te hebben." Hij antwoordde, dat hij koorzanger was. Zoo kwamen wij in gesprek en ik merkte dat ik met een geestige en aangename persoonlijkheid te doen had. Hij was vier- of vijfentwintig jaar oud. Daar hij te voet was, liet ik mijn muilezel stappen, om met hem te kunnen praten. Het gesprek kwam op Toledo. "Ik ken die stad heel goed," zei de koorzanger mij; "ik ben er lang geweest en had er zelfs vrienden." "En in welke straat hebt gij in Toledo gewoond?" vroeg ik hem. "In de Nieuwstraat. Ik woonde er met don Vincent de Buena Garra, don Mathias de Cordel [3] en twee of drie andere nette heeren. Wij sliepen daar, aten er en brachten den tijd aangenaam door." Die woorden verbaasden mij, want hij noemde mij de namen van de slimmerts, met wie ik in Toledo had samengewerkt. "Mijnheer de koorzanger," riep ik uit, "de heeren van wie ge mij de namen noemt, zijn kennissen van mij en ik heb ook met hen in de Nieuwstraat gewoond," "Dan zijt gij daar geweest, nadat ik ben weggegaan, dat is drie jaar geleden," merkte hij op. "Eerst kort geleden heb ik hen verlaten," antwoordde ik, "omdat ik lust kreeg in reizen. Ik wil Spanje doortrekken. Wanneer ik meer ondervinding heb opgedaan, zal ik meer waard zijn," "Zeker," stemde hij toe, "om zijn geest te beschaven, moet men reizen. Daarom heb ik ook Toledo verlaten, hoewel het mij er zeer goed beviel. Ik dank den hemel," vervolgde hij, "dat ik een broeder ontmoet, nu ik er 't minst op rekende. Laten wij met elkaar reizen en profiteeren van de gelegenheden, welke zich zullen aanbieden, om onze bekwaamheid te toonen,"
Hij deed mij dat voorstel met zooveel vrijmoedigheid en zoo vriendelijk, dat ik het dadelijk aannam. Hij won dadelijk mijn vertrouwen en schonk mij het zijne. Hij vertelde mij, dat hij van Portalegre kwam, waar een mislukte schelmenstreek hem gedwongen had overhaast te vluchten in de kleeding, die hij nu droeg. Nadat wij elkaar onzen levensloop hadden verteld, besloten wij naar Mérido te gaan, om daar ons geluk te beproeven en indien wij er in slaagden een goeden slag te slaan, daarna weer naar elders te vertrekken. Van dat oogenblik af hadden wij al wat wij bezaten gemeen. 't Is waar, dat Moralès, zoo heette mijn compagnon, er niet al te best bijzat. Hij had niet meer dan vijf of zes ducaten en eenige kleeren in een zak; maar had ik meer contant geld, hij was daarentegen meer bedreven in de kunst, om de menschen te bedriegen. Wij bestegen om beurten mijn muilezel en kwamen zoo te Mérida.
Wij namen onzen intrek in een hotel en mijn vriend trok andere kleeren aan. Daarop gingen we de stad door, om het terrein te verkennen en te zien of zich ook ergens een gelegenheid aanbood om te werken. Terwijl we zoo aandachtig rondkeken en wachtten tot het toeval ons gunstig was, zagen we in een straat een heer met grijs haar, die, met den degen in de hand, zich verweerde tegen drie mannen. Getroffen door de ongelijkheid van den strijd, snelde ik den grijsaard te hulp. Moralès, om mij te toonen, dat ik mij niet met een lafaard had geassocieerd, volgde mijn voorbeeld en wij joegen de drie mannen op de vlucht.
Nadat ze verdwenen waren, putte de grijsaard zich uit in dankbetuigingen. Ik zei, dat het ons zeer veel genoegen deed, dat we hem hadden kunnen helpen en dat wij zeer gaarne zouden weten wien wij liet geluk hadden gehad ter zijde te kunnen staan en waarom de drie mannen hem hadden willen vermoorden. "Mijne heeren," antwoordde hij, "ik heb te veel verplichting aan u, om uw nieuwsgierigheid niet te bevredigen. Ik heet Jérôme de Moyadas, [4] en leef van mijn renten in deze stad. Een van de moordenaars, van wie ge mij hebt bevrijd, heeft mijn dochter lief. Hij liet mij haar dezer dagen ten huwelijk vragen en daar zijn wensch niet bevredigd werd, heeft hij zich op deze wijze willen wreken. "En mag ik vragen," zei ik, "welke redenen u hadt om uw dochter niet aan dien heer ten huwelijk te willen geven?" "Ik zal het u zeggen," antwoordde hij. "Ik had een broer hier in de stad, die koopman was, hij heette Augustijn. Voor twee maanden was hij te Calatrava, gelogeerd bij Jean Velez de la Membrilla [5], een handelsvriend. Zij waren intieme vrienden en mijn broeder wilde dien band nog versterken, hij beloofde daarom de hand van mijn eenige dochter aan den zoon van dien vriend, er niet aan twijfelend, of ik zou daaraan mijn goedkeuring hechten. Toen mijn broeder in Mérida terug was en van het huwelijk sprak, gaf ik dadelijk mijn toestemming. Hij zond het portret van Florentine naar Calatrava, maar heeft helaas niet de voldoening mogen smaken zijn werk voltooid te zien; voor drie weken is hij gestorven. Stervende heeft hij mij bezworen om de hand van mijn dochter aan niemand anders te geven dan aan den zoon van zijn handelsvriend. Ik beloofde het hem en daarom moest ik Florentine weigeren aan den man, die mij zoo juist aanviel, hoewel hij een voordeelige partij was. Ik ben door mijn woord gebonden en wacht ieder oogenblik den zoon van Juan Velez de la Membrilla, om hem tot mijn schoonzoon te maken, hoewel ik hem nooit heb gezien, evenmin als zijn vader."
Met de grootste belangstelling had ik dat verhaal aangehoord; er was een gedachte bij mij opgekomen, ik veinsde een groote verwondering, sloeg de oogen ten hemel en riep met veel pathos: "O! mijnheer de Moyadas, hoe is het mogelijk, dat ik, te Mérida komende, zoo gelukkig ben het leven van mijn schoonvader te redden!" Die woorden wekten een groote verbazing bij den ouden heer en niet minder bij Moralès. "Wat zegt gij mij daar?" riep de grijsaard, "Zijt gij de zoon van den handelsvriend van mijn broer??" "Ja, mijnheer Jérôme de Moyadas," zei ik, terwijl ik hem omhelsde, "ik ben de gelukkige sterveling voor wien de aanbiddelijke Florentine bestemd is. Maar sta mij toe, voor ik de vreugde heb uw huis te betreden, dat ik hier eenige tranen stort, ter gedachtenis aan uw broer Augustijn. Ik zou de ondankbaarste van alle menschen zijn, indien ik niet levendig getroffen was door den dood van iemand aan wien ik het geluk van mijn leven te danken heb." Nadat ik dit gezegd had, omhelsde ik den goeden Jérôme nogmaals en maakte een beweging, alsof ik mijn tranen wegveegde. Moralès, die dadelijk begreep welk voordeel wij bij dit spel konden behalen, hielp mij. Hij stelde zich voor als mijn bediende en putte zich uit in betuigingen van leedwezen over den dood van mijnheer Augustijn. "Mijnheer Jérôme!" riep hij, "welk een verlies moet de dood van uw broer voor u zijn geweest! Wat een eerlijk man was hij! Een juweel, een volkomen betrouwbaar koopman, zooals men er geen tweede vindt!"
Wij hadden met een onnoozel en lichtgeloovig man te doen. Verre van ons te verdenken, liep hij er gemakkelijk in. "Maar waarom," vroeg hij, "zijt ge niet dadelijk bij mij gekomen, ge hadt uw intrek niet in een hotel moeten nemen!" "Mijnheer," zei Moralès, het woord voor mij nemende, "mijn meester is vormelijk, hij heeft die fout en zal mij vergeven, dat ik hem die verwijt. Het is overigens wel te excuseeren, dat hij niet bij u is verschenen, zoodra hij in de stad kwam; wij zijn namelijk bestolen geworden, men heeft ons op reis onze koffers ontroofd." "Die jongeman zegt de waarheid, mijnheer de Moyadas," viel ik hem in de rede, "en dat is de reden waarom ik nog niet bij u was. Ik durfde in dit toilet niet te verschijnen voor een dame, die mij nog nooit gezien heeft en wachtte daarmee op de terugkomst van een knecht, dien ik naar Calatrava heb gezonden." "Dit ongeval mag u niet beletten om dadelijk mijn huis te betreden," zei de grijsaard, "en ik ben er op gesteld, dat ge met mij meegaat."
Zoo sprekende, nam hij ons mee; voor wij aankwamen, spraken wij nog over den beweerden diefstal en ik betuigde er mijn groot leedwezen over, dat met mijn koffers ook het portret van Florentine was verloren gegaan. De goede man zei me, dat ik mij over dit verlies maar moest troosten en dat het origineel meer waard was dan een copie. Zoodra wij in huis waren, riep hij zijn dochter, die niet ouder dan zestien jaar en een mooi meisje was. "Hier," zei hij, "is de dame, die mijn broeder u beloofd heeft." "O, mijnheer!" riep ik met geestdrift, "het is niet noodig mij te zeggen, dat het de beminnelijke Florentine is, die zich aan mijn oogen vertoont, haar bekoorlijke trekken zijn in mijn geheugen gegrifd en meer nog in mijn hart. Het portret, dat ik verloren heb, was maar een zwakke weergave van zooveel bekoorlijks." "Uw woorden zijn al te vleiend voor mij," zei Florentine, "en ik ben niet ijdel genoeg om mij in te beelden, dat die gerechtvaardigd zijn." "Ga maar door met haar het hof te maken," viel de vader in de rede. En hij liet mij alleen met zijn dochter, terwijl hij Moralès meenam. "Mijn vriend," zei hij, "de dieven hebben al uw goed meegenomen en zonder twijfel ook uw geld, want daar beginnen ze gewoonlijk mee." "Ja, mijnheer," antwoordde mijn kameraad; "een groote troep roovers heeft ons overvallen bij Castil-Blazo; men heeft ons niet anders gelaten dan de kleeren, die wij aan ons lichaam hadden; maar wij zijn spoedig een brief met geld te wachten en dan zijn we weer klaar."