De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 18

Chapter 183,984 wordsPublic domain

Voortaan beschouwde ik dus de tooneelspelers niet meer als zulke voortreffelijke rechters en begon hun verdiensten op de juiste waarde te schatten. Zij waren geheel de belachelijke personen waarvoor de wereld ze hield. Ik zag acteurs en actrices, die door de toejuichingen verwend, zich beschouwden als voorwerpen van bewondering en meenden dat zij het publiek een zeer grooten dienst deden door te spelen. Ik stond verbaasd over hun gebreken, maar ongelukkigerwijze gevoelde ik mij erg tot hun levenswijze aangetrokken en nam deel aan hun zwelgpartijen. Trouwens hoe zou ik er aan ontsnapt zijn? Alle gesprekken, die ik in hun gezelschap hoorde, waren verderfelijk voor de jeugd en alles wat ik zag diende om mij slecht te maken. Al had ik niet geweten wat er gebeurde bij Casilda, Constance en de andere tooneelspeelsters, dan zou het huis van Arsenia mij al geheel bedorven hebben. Behalve de oude heeren, waarvan ik heb gesproken, kwamen er ook saletjonkers en zonen van goede families, die door het geld van woekeraars in de gelegenheid gesteld werden groote uitgaven te doen. Soms ook ontving men er pachters der belastingen, die inplaats er geld te ontvangen, zelf betaalden om er te mogen komen.

Florimonde, die in een naburig huis woonde, at en soupeerde elken dag met Arsenia. Zij schenen door zulk een groote vriendschap verbonden te zijn, dat het ieder verbaasde. Men verwonderde zich, dat twee tooneelspeelsters zoo goed met elkaar waren en men dacht, dat zij vroeg of laat wel eens twist zouden krijgen over een bewonderaar, maar dan beoordeelde men deze vriendinnen al heel slecht, want inplaats van jaloersch te zijn, zooals fatsoenlijke vrouwen, leefden zij in liefdezaken in gemeenschap van goederen. Zij vonden het veel beter den buit samen te deelen dan er om te gaan vechten.

Laura genoot ook haar jeugd en schoonheid, aangespoord door het voorbeeld van hare meesteres. Zij had mij gezegd, dat ik nog mooie dingen zou zien gebeuren. Ik was echter niet jaloersch en besloot in dit opzicht mij te houden zooals de overige leden van het gezelschap. Ik deed eenige dagen, of ik niets bemerkte en stelde mij tevreden de namen te vragen van de heeren, waarmee ik haar in vertrouwelijk gezelschap zag en dan antwoordde zij mij altijd, dat het een oom of een neef van haar was. Wat had zij een uitgebreide familie! Ik geloof waarlijk dat hare familie talrijker was, dan die van koning Priamus. De soubrette was echter niet tevreden met haar familie alleen, maar zij lokte ook dikwijls vreemdelingen of speelde de adellijke weduwe, zooals zij bij de oude vrouw had gedaan. Maar om den lezer een getrouw beeld van Laura te geven, moet ik zeggen, dat zij even lief koket was als hare meesteres, die niets anders op haar voor had dan dat zij het publiek ook in het openbaar vermaakte.

Gedurende drie weken liet ik mij door den stroom medesleepen en gaf mij over aan allerlei buitensporigheden. Maar ik moet erbij zeggen, dat ik al dien tijd zoo nu en dan gewetenswroeging voelde als gevolg van mijn vroegere opvoeding en deze was het, die het pleizier wel een weinig verminderde. De gewetenswroeging bleef de baas over mijn uitspattingen en werd steeds grooter naarmate ik mij meer aan braspartijen overgaf en het eind ervan was, dat ik afschuw kreeg van het losbandige tooneelleven. "Bah, ellendeling," zei ik tot mij zelf, "beantwoordt gij zoo de verwachtingen van uwe familie? Is het niet genoeg hen reeds teleurgesteld te hebben door niet het ambt van onderwijzer te aanvaarden? Moet uwe ondergeschikte betrekking een beletsel voor u zijn als oppassend man te leven? Hebt gij er genoegen in met zulke slechte menschen te verkeeren? De afgunst, de haat en de hebzucht spelen bij sommigen van hen een hoofdrol, terwijl bij anderen alle schaamte en kuischheid verdwenen zijn. Eenige geven zich over aan bandeloosheid en luiheid, terwijl bij anderen de opgeblazenheid gestegen is tot onbeschaamdheid. Neen hoor, het moet nu maar uit zijn, ik wil niet langer leven met de zeven hoofdzonden van den mensch."

VIERDE BOEK

HOOFDSTUK I

Daar Gil Blas zich niet kan gewennen aan de zeden der tooneelspelers, verlaat hij den dienst van Arsenia en vindt een fatsoenlijker huis.

Een restje eer en godsdienst, dat ik nog overgehouden had te midden van de zoo verdorven zeden, deed mij besluiten niet alleen Arsenia te verlaten, maar zelfs alle gemeenschap met Laura af te breken, hoewel ik niet ophield haar te beminnen, ofschoon ik wel wist, dat zij mij duizend maal bedrogen had. Gelukkig hij, die aldus kan profiteeren van de verstandige oogenblikken, welke het genot, waaraan hij zich al te zeer overgeeft, komen verontrusten. Op zekeren morgen pakte ik mijn biezen zonder af te rekenen met Arsenia, die mij trouwens bijna niets schuldig was en zonder afscheid te nemen van Laura. De hemel beloonde mij al dadelijk voor deze goede daad. Ik ontmoette den intendant van wijlen mijn meester, don Mathias, en deze vroeg mij, toen hij mij herkende, waar ik thans was. Ik vertelde hem, dat ik Arsenia verlaten had om mijn onschuld te redden. De intendant prees mijn onbedorvenheid, alsof hij zelf ook zoo dacht, en zeide, dat hij mij een voordeelige betrekking wilde bezorgen, daar ik een jongmensch was met veel eergevoel. Hij kwam zijn belofte na en van dien dag af kwam ik bij don Vincent de Guzmann.

Ik had geen beter huis kunnen vinden. Don Vincent was een zeer rijk man, die sedert verscheidene jaren gelukkig leefde zonder proces en zonder vrouw. Deze laatste hadden de geneesheeren weggenomen, door haar te willen bevrijden van een hoest, die zij nog lang had kunnen houden, als zij hunne geneesmiddelen niet had genomen. Inplaats van aan hertrouwen te denken, wijdde hij zich geheel aan de opvoeding van Aurora, zijn eenige dochter, die destijds twintig jaar oud was en kon doorgaan voor een volmaakt persoontje: aan een buitengewone schoonheid paarde zij uitstekende vermogens. Haar vader had weinig verstand, maar bezat het talent zijn zaken goed te beheeren. Hij had een gebrek, dat men aan oude heeren moet vergeven; hij hield van praten en wel voornamelijk over veldslagen en oorlogen. Wanneer men in zijn bijzijn dit thema aanroerde, kwam hij op zijn stokpaardje en de toehoorders konden zich gelukkig achten wanneer zij er met het relaas van twee belegeringen en drie veldslagen afkwamen. En daar hij twee derden van zijn leven in dienst had doorgebracht, was hij onuitputtelijk in herinneringen van verschillende feiten, welke ik met even groote gretigheid aanhoorde als waarmede zij verteld werden. Overigens heb ik nog nooit een heer gezien met zulk een goed karakter, altijd het zelfde humeur, nooit koppig of grillig, ik bewonderde zulks in een man van stand. Er waren verscheidene bedienden en drie vrouwen van Aurora. Ik zag weldra dat de intendant van don Mathias mij een goeden post had bezorgd, en ik wilde er blijven. Ik begon het terrein te verkennen, bestudeerde de gewoonten van den een zoowel als van den ander. Ik regelde mijn gedrag daarnaar en kwam zoodoende in de gunst van mijn meester zoowel als van de dienaren.

Ik was reeds een maand bij don Vincent, toen ik meende te bespeuren, dat zijne dochter meer opmerkzaamheid schonk aan mij dan aan de overige bedienden. Telkens als zij mij aanzag, meende ik in haar oogen een soort welgevallen op te merken, dat er niet in was wanneer zij de overigen aankeek. Indien ik niet had omgegaan met tooneelspeelsters, zou ik nooit op het denkbeeld zijn gekomen mij te verbeelden dat Aurora aan mij dacht, maar ik was bij deze dames, waarvan zelfs de voornaamste niet kieskeurig zijn, een weinig verwend. Wie weet, redeneerde ik, of mijne meesteres niet is als een van die dames van stand, die er somtijds een bijzondere neiging op na houden. Maar, voegde ik er een oogenblik later aan toe, ik kan het niet aannemen. Zij is niet een van die Messalina's, die de trots van hun geboorte afschuddend, onwaardig haar blikken neerslaan tot in het stof, en zonder blozen zich onteeren: zij is eerder eene dier deugdzame maar teedere meisjes, die tevreden met de grenzen, welke haar deugd aan haar teederheid voorschrijft, er niets in zien een zedigen hartstocht zelve te voeden en bij anderen te veroorzaken, die even aangenaam als ongevaarlijk is.

Aldus oordeelde ik over mijne meesteres, zonder precies te weten waaraan ik mij moest houden. Evenwel als zij mij zag, liet zij niet na mij toe te lachen en hare blijdschap te betuigen. Zoo kwam het, dat ik dacht dat Aurora zeer tevreden was over mijne deugden en ik beschouwde mij slechts als een dier gelukkigen voor wie de liefde de onderhoorigheid zoo veraangenaamt. Om eenigermate het goede, dat mijn gesternte mij wilde verschaffen, waardig te zijn, begon ik meer zorg aan mijn persoon te besteden dan tot dusverre het geval was. Het eerste wat ik 's morgens deed, was mij kappen en parfumeeren om niet en négligé te zijn als ik voor mijne meesteres moest verschijnen en zoo besteedde ik aan linnen, pommade en essences al het geld dat ik bezat. Door deze oplettendheden en door wat ik nog meer deed om mij te behagen, vleide ik mij, dat mijn geluk niet verre meer was. Onder de vrouwen van Aurora was er eene, die Ortis heette. Het was eene oude heks, die reeds langer dan 20 jaar bij don Vincent diende. Zij had zijne dochter opgevoed en vervulde nog de betrekking, maar zonder de lasten daarvan te dragen. Integendeel: waar zij vroeger het doen en laten van Aurora aan den dag had gebracht, deed zij thans alle mogelijke moeite om het te verbergen. Zij bezat het volkomen vertrouwen van Aurora. Op zekeren avond zei juffrouw Ortis tegen mij, toen wij alleen waren, dat indien ik verstandig en bescheiden was, ik mij om twaalf uur in den tuin moest bevinden, waar men mij dingen zou mededeelen, welke ik gaarne zou willen hooren. Ik antwoordde de duenna, terwijl ik haar de hand drukte, dat ik niet zou mankeeren. Ik twijfelde niet of ik had bij de dochter van don Vincent teedere gevoelens opgewekt en ik voelde een vreugde, welke ik ternauwernood kon verbergen. Wat viel mij de tijd lang tot aan het avondeten en daarna tot het naar bed gaan van mijn meester.

Het scheen mij toe alsof alles dien avond buitengewoon lang duurde. Tot overmaat van ramp begon don Vincent, eenmaal in zijn vertrekken, over zijn veldslagen in Portugal, waarmede hij mij reeds dikwijls had gekweld. Maar wat hij nog nooit gedaan en voor dezen avond bewaard had, hij noemde mij alle officieren, die zich hadden onderscheiden; hij vertelde mij zelfs hun heldendaden.

Het kostte mij heel wat om tot het einde te luisteren. Eindelijk hield hij echter op en ging slapen waarna ik naar mijn kamertje ging waar mijn bed stond en van waar men langs een wenteltrap in den tuin kon komen. Ik wreef mijn geheele lichaam met pommade in, nam een schoon hemd na het te hebben geparfumeerd en toen ik niets had vergeten, waardoor ik meende mijne meesteres aangenaam te kunnen zijn, ging ik naar het rendez-vous.

Ik vond Ortis niet. Ik dacht dat zij het wachten moede, weer naar hare kamer was gegaan. Ik was woedend op don Vincent en terwijl ik zijn campagnes vervloekte hoorde ik het tien uur slaan. Ik dacht, dat de klok in de war was, en dat het zeker reeds tegen één uur liep. Ik vergiste mij evenwel want een goed kwartier later hoorde ik een andere klok ook tien uur slaan. Goed, zei ik in mijzelf, ik heb nog twee uur tijd. Men zal zich tenminste niet over mijn gebrek aan nauwgezetheid beklagen. Ik zal hier maar op en neer blijven loopen en de rol overdenken welke ik moet spelen; deze is nieuw voor mij. Ik weet hoe men het aanlegt met grisetten en tooneelspeelsters. Gij behandelt haar familiair en gij stort u ongegeneerd in het avontuur; bij iemand van stand is een ander optreden vereischt. Het is naar mijne meening noodig, dat de minnaar beleefd, welwillend, teeder en eerbiedig is, zonder evenwel bedeesd te zijn. In plaats van zijn geluk te willen verhaasten door bruusk optreden, moet hij het hebben in een oogenblik van zwakheid. Aldus redeneerde ik en ik besloot deze gedragslijn ten opzichte van Aurora te volgen. Ik stelde mij voor binnen weinig tijd het genoegen te smaken mij aan de voeten van deze dame te werpen en haar duizend hartstochtelijke woorden toe te voegen. Ik herinnerde mij alle plaatsen uit onze tooneelstukken, waarvan ik mij in ons onderhoud zou kunnen bedienen. Ik dacht ze goed te pas te kunnen brengen en hoopte dat ik evenals sommige tooneelspeelsters van mijne kennis zou doorgaan voor geestig, ofschoon ik slechts een goed geheugen had. Aldus kortte ik mij den tijd en eindelijk sloeg het middernacht. Eenige oogenblikken daarna verscheen even stipt, maar minder ongeduldig juffrouw Ortis. "Sinjeur Gil Blas," zei ze, "hoe lang is u hier reeds?" "Twee uur". "Zoo werkelijk," zei zij lachend, "u is wel op tijd, het is een genoegen u 's nachts een rendez-vous te geven. Inderdaad," voegde zij er ernstig bij, "kunt gij het geluk, dat ik u ga meedeelen niet te duur betalen. Mijne meesteres wil een particulier onderhoud met u hebben en gelastte mij u bij haar te brengen. Meer zeg ik niet, het overige is een geheim, dat gij uit haar eigen mond zult vernemen. Volg mij, ik zal u voorgaan." Bij deze woorden nam de duenna mij bij de hand en leidde mij door eene kleine deur in de kamer harer meesteres.

HOOFDSTUK II

Hoe Aurora Gil Blas ontving en welk onderhoud zij samen hadden.

Ik vond Aurora in nachtgewaad; dat deed mij genoegen. Ik groette haar zeer eerbiedig met alle bevalligheid waarover ik kon beschikken. Zij ontving mij met een lachend gelaat, liet mij naast haar plaats nemen en tot mijn onuitsprekelijk genoegen zond zij haar afgezant naar eene andere kamer om ons alleen te laten. Hierna sprak zij aldus:

"Gil Blas, gij hebt zeker wel bemerkt, dat ik u mag lijden en u bevoorrecht boven alle andere bedienden van mijn vader; en wanneer mijn blikken u nog niet genoeg hebben gezegd, zal de stap welken ik thans doe daaromtrent geen twijfel meer laten."

Ik gaf haar geen tijd meer te zeggen. Als man meende ik aan haar kuischheid de moeite van eene nadere uitlegging te moeten besparen. Ik stond op en mij aan de voeten van Aurora werpende als een theaterheld voor zijne prinses, riep ik op declamatischen toon uit: O, mevrouw, heb ik goed gehoord, zou het mogelijk zijn dat Gil Blas, tot dusver de speelbal der fortuin, het geluk had u gevoelens van liefde in te boezemen?"--"Spreek niet zoo luid," viel mijne meesteres mij lachend in de rede: "gij zult mijne vrouwen wekken, welke hiernaast slapen. Sta op, ga weer zitten en hoor mij aan zonder mij in de rede te vallen. Ja, Gil Blas," zei ze weer ernstig wordend, "ik heb het goed met je voor en om te toewijzen dat ik je hoogacht zal ik je een geheim openbaren waarvan mijn levensrust afhangt.

Ik bemin een jongen schoonen ridder van goede geboorte. Hij heet don Louis Pacheco. Soms zie ik hem op de wandeling, maar heb hem nog nooit gesproken. Ik weet zelfs niet of hij goede of slechte eigenschappen bezit. En daarom heb ik iemand noodig, die zorgvuldig een en ander onderzoekt en mij een trouw rapport uitbrengt. En voor dat doel heb ik u uitgekozen en hoop, dat gij behendig en kiesch u van deze taak zult kwijten."

Mijne meesteres hield op om te hooren wat ik daarop antwoordde. Ik was eerst een weinig onthutst over de verandering, maar herstelde mij en de teleurstelling overwinnend, welke steeds het gevolg is van misplaatste stoutmoedigheid, betuigde ik haar zooveel ijver dat, al kon ik niet meer verbergen, dat ik mij met een dwaze hoop gevleid had, zij ten minste wist, dat ik eene onbezonnenheid wist te herstellen. Ik vroeg haar twee dagen om over don Louis rapport uit te brengen. Hierna verscheen juffrouw Ortis weer, geroepen door hare meesteres, die mij in den tuin bracht en mij spottend toevoegde: "Bonsoir, Gil Blas; ik behoef u niet aan te sporen op tijd op de afgesproken plaats te zijn, ik ken al te goed uwe nauwgezetheid op dat punt."

Ik keerde terug naar mijn kamer, niet zonder eenige spijt in mijne verwachting bedrogen te zijn. Ik wist mij echter te troosten met de gedachte, dat het beter is de vertrouwde te zijn van mijne meesteres dan haar minnaar. Ik overdacht dat dit mij iets zou kunnen aanbrengen, dat de "courtiers d'amour" gewoonlijk goed voor hunne moeite worden betaald en ik ging slapen, besloten om te doen wat Aurora van mij verlangde. Ik vertrok den volgenden dag en de woning van een heer als don Louis bleek niet moeilijk te vinden. Den tweeden dag van mijn onderzoek was ik zoo gelukkig iemand te ontmoeten dien ik kende en wij maakten een praatje. Op dat oogenblik ging een zijner vrienden voorbij, die vertelde door don Joseph Pacheco, vader van don Louis, te zijn weggejaagd omdat hij een vaatje wijn zou hebben opgedronken. Ik liet deze goede gelegenheid niet voorbijgaan en vernam alles wat ik wenschte te weten en ging opgeruimd naar huis, tevreden omdat ik mijn belofte aan mijne meesteres kon houden. Ik moest haar dien nacht rapport uitbrengen op dezelfde manier als den eersten keer. Ik was echter lang niet zoo ongeduldig en verre van mij te vervelen met het gebabbel van mijn ouden meester, bracht ik zelf het gesprek op zijn veldtochten. Eerst toen ik verscheidene klokken twaalf uur had hooren slaan, ging ik naar den tuin zonder mij te parfumeeren, of met pommade in te wrijven.

Ik vond de dienares aanwezig, die mij schertsend verweet, dat ik reeds van mijn ijver had ingeboet. Ik antwoordde niet en ik liet mij naar het vertrek van Aurora brengen, die mij terstond vroeg, of ik wat van don Louis wist te vertellen. "Ja, mevrouw," antwoordde ik "allereerst diene, dat hij op 't punt staat naar Salamanca terug te keeren om zijn studiën te voltooien. Naar men mij gezegd heeft, is het een jong edelman, een en al eergevoel en rechtschapenheid. Ook aan moed ontbreekt het hem, als Castiliaansch edelman, geenszins. Daarbij is hij geestig en heeft aangename manieren, maar wat u misschien minder zal bevallen, maar wat ik u toch moet zeggen is, dat hij te veel aardt naar de overige jonge edellieden; hij is tamelijk losbandig. Weet gij dat hij op zijn leeftijd reeds tot twee tooneelspeelsters in betrekking heeft gestaan?" "Wat vertelt gij mij daar?" vroeg Aurora. "Welke zeden! Maar ben je er wel zeker van?"--"O, ik twijfel er niet aan, mevrouw. Een bediende, die vanmorgen uit zijn dienst is ontslagen, heeft 't mij verteld en bedienden zijn zeer oprecht, wanneer zij het hebben over de gebreken van hun meesters. Bovendien gaat hij om met don Alexio Segiar, don Antonio Centellès en don Fernando de Gamboa." "Dat is genoeg, Gil Blas," zei mijne meesteres zuchtend, "na uw verslag zal ik mijn onwaardige liefde bekampen. Ga," vervolgde zij, mij een kleine beurs in de handen stoppend, "hier is iets voor uw moeite. Pas op, dat gij mijn geheim niet verraadt; denk er om, dat ik vertrouw op uwe stilzwijgendheid."

Ik verzekerde mijne meesteres, dat ik de Harpocrates [1] was van de vertrouwde bedienden en dat zij daaromtrent gerust kon zijn. Vervolgens vertrok ik, zeer nieuwsgierig naar den inhoud van de beurs. Ik vond er twintig pistolen in. Dadelijk dacht ik, dat Aurora ongetwijfeld meer zou hebben gegeven, indien ik haar eene aangename tijding had gebracht, waar zij reeds zoo goed voor een slecht bericht betaalde. Het speet mij, dat ik de achtenswaardige ambtenaren niet had nagedaan, die soms de waarheid in hun processen-verbaal een weinig aandikken. Nu had ik een liefdesverhouding in de geboorte gesmoord, welke mij zeer nuttig had kunnen zijn, wanneer ik niet zoo dwaas oprecht ware geweest. Ik had echter de troost, dat ik schadeloos gesteld was voor de onnoodige uitgaven aan pommade en parfumerie.

HOOFDSTUK III

Een groote verandering bij don Vincent, en het vreemde besluit, dat de liefde de schoone Aurora deed nemen.

Korten tijd na dit avontuur werd don Vincent ziek. Zelfs wanneer hij niet reeds op vergevorderden leeftijd was geweest, waren de ziekteverschijnselen toch al zoo hevig, dat een noodlottigen afloop was te vreezen. Men liet de beroemdste doktoren uit Madrid komen. De een heette dokter Andros, en de andere dokter Oguetos. Zij onderzochten den zieke en waren beide het er over eens, dat de gal ontstoken was; maar dat was ook het eenige waarover zij het eens waren. De een wilde, dat men den zieke van dit oogenblik af liet purgeeren en de ander was van meening, dat met purgeeren moest worden gewacht."Het is noodig," zei Andros, "te purgeeren voordat de gal eenig deel aantast." Oguetos hield daarentegen staande, dat we moesten wachten tot de gal rijp was alvorens een purgeermiddel aan te wenden. "Maar uwe methode," zei de ander, "is regelrecht in strijd met die van den prins der geneeskunde. Hippocrates beveelt aan bij de hevigste koortsen steeds te purgeeren en zegt dat purgeeren noodig is wanneer de gal "en orgasme" is, dat wil zeggen ontstoken."--"O daarin bedriegt gij u," antwoordde Oguetos. "Hippocrates verstaat niet onder het woord "orgasme" eene ontsteking, meer veeleer een vloeiing."

Daarover begonnen onze dokters zich op te winden. De een haalde den griekschen tekst aan en noemde verscheidene schrijvers, die zijne meening waren toegedaan; de ander, op een latijnsche vertaling bouwend, sprak met nog grooter overtuiging. Wie te gelooven? Don Vincent wist het niet en daar hij een keus moest doen, gaf hij het vertrouwen aan hem, die de meeste zieken had behandeld, dat wil zeggen aan den oudste. Woedend trok Andros zich terug niet zonder tegenover zijn ouderen collega eenige spottende opmerkingen te maken over het _orgasme_. Oguetos had dus gezegevierd en de methode van dokter Sangrado toegedaan, begon hij met den zieke overvloedig ader te laten, liet daarna wachten met purgeeren tot de gal rijp was, doch de dood, welke ongetwijfeld vreesde, dat eene purgatie met zooveel zorg voorbereid, hem zijn prooi zou ontnemen, rukte mijn meester weg. Aldus was het einde van Seigneur don Vincent, die het leven verloor, omdat zijn geneesheer geen grieksch kende.

Na haar vader waardig te hebben begraven, nam Aurora het bestuur van zijne goederen over, ontsloeg eenige bedienden en trok zich terug op een kasteel aan de oevers van de Taag, tusschen Sacedon en Bicendia. Mij hield ze en ik volgde haar naar buiten. Ondanks het juiste verslag, dat ik haar gegeven had over don Louis, beminde zij nog steeds dezen jongen edelman of liever kon haar liefde niet overwinnen, en gaf zich er geheel aan over. "Gil Blas," zei ze eens zuchtend, "ik kan don Louis niet vergeten; welke moeite ik ook doe om hem uit mijne gedachten te verbannen, komt hij er steeds in terug, niet zooals gij hem mij hebt geschilderd, maar zooals ik zou willen dat hij was, teeder, verliefd en soliede. Uwe hulp, waarde Gil Blas, heb ik dan ook meer noodig dan ooit. Ik moet je een plan ontvouwen, dat ge zeer zonderling zult vinden. Weet, dat ik zoo spoedig mogelijk naar Salamanca wil vertrekken. Daar ga ik mij als edelman verkleeden en onder den naam van don Felix kennis maken met Pacheco; ik zal trachten zijn vertrouwen en vriendschap te winnen en hem dikwijls spreken over mijn nicht Aurora de Guzmann. Misschien wenscht hij haar dan wel te zien. Wij zullen twee woningen hebben te Salamanca. In de eene ben ik don Felix, in de andere Aurora en nu eens als man verkleed, dan weer in mijne gewone kleeding, vlei ik mij hem te brengen, waar ik hem hebben wil. Ik erken gaarne, dat mijn plan zonderling is; maar mijn liefde brengt mij er toe."