De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 17

Chapter 174,066 wordsPublic domain

Tegen half twaalf stond hij op en kleedde zich aan; vervolgens ging hij uit en zeide dat ik hem niet behoefde te volgen. Ik was echter te nieuwsgierig om te weten hoe het zou afloopen, zoodat ik het toch deed. Ik volgde hem tot op het St. Jeromeplein, waar ik don Lopez de Valesco reeds zag wachten. Ik verborg mij om beiden te kunnen bespieden. Zij ontmoetten elkaar en weldra waren zij aan het vechten. Het gevecht duurde zeer lang, zij vielen beurtelings met veel kracht en behendigheid op elkaar aan. De overwinning bleef echter aan de zijde van don Lopez, die op een gegeven oogenblik mijn meester doorstak en zeer tevreden wegging nu hij zich zoo schitterend had gewroken. Ik liep naar den ongelukkigen don Mathias en vond hem buiten kennis en bijna levenloos ter aarde liggen. Dit schouwspel ontroerde mij en ik kon niet nalaten te weenen over zoo'n tragischen dood, waartoe ik zelf had medegewerkt. Niettegenstaande mijn smart, dacht ik toch aan wat er gedaan moest worden en wel allereerst aan mijzelf. Ik keerde terstond naar huis terug, maakte er een pakje van mijn kleeren en nam bij vergissing wat kleeren mede van mijn meester. Toen ik dat alles bij den barbier had gebracht, bij wien ook mijn bedelaarsplunje nog was, verspreidde ik het bericht van het treurig schouwspel, waarvan ik zoo juist getuige was geweest, in de stad. Ik vertelde het aan allen die het maar wilden hooren en allereerst aan don Gregorius Rodriguez. Hij was minder bedroefd dan wel ontstemd, omdat hij in verband met dit treurig einde allerlei maatregelen moest nemen, wat mij deed veronderstellen dat mijn meester zeker reeds bijna geruineerd was. Hij verzamelde de bedienden en beval hen hem te volgen naar het St. Jeromeplein. Wij namen don Mathias op, die nog leefde, maar drie uur later den laatsten adem uitblies.

Dit was het einde van don Mathias de Silva, die het gewaagd had valsche minnebriefjes te lezen op een ongeschikt oogenblik.

HOOFDSTUK IX

Bij wie Gil Blas in dienst trad na den dood van don Mathias de Silva.

Eenige dagen na de begrafenis van don Mathias werden al zijn bedienden uitbetaald en weggestuurd. Ik nam mijn intrek bij den kleinen barbier, met wien ik langzamerhand een duurzame vriendschap was gaan sluiten. Ik stelde mij bij hem meer genoegen voor dan bij Melendez. Daar ik geen gebrek had aan geld, maakte ik geen groote haast met het zoeken naar een andere betrekking. Ik wilde slechts dienen bij deftige menschen en ik was besloten eerst goed uit te kijken, welke betrekking men mij aanbood. Ik vond de beste betrekking niet goed genoeg voor mij, zoozeer scheen het baantje van lakei bij een adellijk heer verkieselijk boven dat van andere bedienden.

In afwachting dat de fortuin mij zulk een postje zou bezorgen, dacht ik niet beter te kunnen doen dan mijn ledigen tijd te wijden aan mijn schoone Laura, die ik al dien tijd niet meer gezien had na onze wederzijdsche ontmaskering. Ik durfde mij niet te kleeden als don Cesar de Ribera, daar ik het slechts kon doen om mij te vermommen en dus voor een zonderling zou doorgaan. Mijne kleeren waren echter nog niet te vuil, ik had bovendien goede schoenen en was netjes gekapt. Ik tooide mij dus met behulp van den barbier als een tusschenpersoon tusschen don Cesar en Gil Blas. Zoo uitgedost ging ik naar de woning van Arsenia. Ik vond Laura alleen in dezelfde kamer, waar ik reeds met haar had gesproken. "O, zijt gij daar," riep zij uit zoodra zij mij zag, "ik begon te denken dat je dood was. Voor acht dagen heb ik je gezegd dat je mij mocht komen bezoeken, maar gij maakt werkelijk geen misbruik van de vrijheden, die de dames u toestaan."

Ik verontschuldigde mij met den dood van mijn meester, de verschillende bezigheden, die ik gehad had en ik voegde er zeer hoffelijk bij, dat zelfs in mijn grootste beslommeringen het beeld van mijn lieve Laura mij steeds voor den geest had gestaan. "Als dat zoo is," zei zij, "dan zal ik je geen verdere verwijten doen en wil ik je ook ronduit bekennen, dat ook ik veel aan je heb gedacht. Zoodra ik den dood van je meester vernomen had, vormde ik een plan, dat je misschien wel zal aanstaan. Sinds eenigen tijd spreekt mijne meesteres er voortdurend van, dat zij een man bij zich in huis wil hebben, een soort zaakwaarnemer, iemand die zeer zuinig is en die nauwkeurige rekening houden moet van de gelden, die men hem zal geven voor de uitgaven van de huishouding. Ik heb toen aan jou gedacht en ik geloof ook dat jij dat baantje niet slecht zoudt waarnemen."--"Ik gevoel dat ik mij er uitstekend van zal kwijten," antwoordde ik haar. "Ik heb de "Spaarzaamheid" van Aristoteles gelezen en het is juist mijn grootste fort boek te houden.... Maar er is één bezwaar dat mij belet bij Arsenia in dienst te treden."--"En welk bezwaar is dat?" vroeg Laura.--"Ik heb gezworen nooit meer in dienst te gaan bij bourgeois en dien eed heb ik gezworen bij den Styx! Als nu zelfs Jupiter dezen eed niet mocht breken, dan zult ge het er wel over eens zijn, dat een lakei hem zeker moet houden!"--"Wie noemt gij alzoo bourgeois," vroeg de soubrette op fieren toon; "voor wat voor menschen houdt gij de tooneelspeelsters? Scheert gij ze over één kam met advokaten en procureurs? Weet dan bij dezen dat de tooneelspeelsters zeer edele vrouwen zijn door de verbintenissen die zij aangaan met de adellijke heeren."

"Als het er zoo mee staat, mijn lief kind," antwoordde ik haar, "dan kan ik de betrekking aanvaarden, die gij mij aanbiedt en zal ik haar niet afslaan."--"Neen," antwoordde zij, "dat zou ik ook denken en uit den dienst van een adellijk heer overgaan in dien van een tooneelspeelster, is zeker in hetzelfde milieu blijven. Wij zijn net zoo deftig als adellijke lieden. Wij houden equipage net als zij, wij leven er lekkertjes van en in het dagelijksche leven scheert men ons over één kam met den adel. En werkelijk," voegde zij er verder bij, "het is bijna hetzelfde of men een markies of een tooneelspeler gedurende een dag beschouwt. Al is een markies drie vierde van den dag door zijn rang verheven boven een tooneelspeler, dan is het vierde gedeelte van den dag de tooneelspeler oneindig ver verheven boven den markies door zijn rol van keizer of koning. En als dat zoo is, weegt dit wel op tegen adel en grootheid en maakt het ons gelijk aan de personen van het hof."--"O, zeker," antwoordde ik, "gij staat op een lijn met elkaar. Ik zie nu ook zeer goed in, dat tooneelspelers niet zulke schooiers zijn als ik dacht en ik gevoel veel lust om bij hen in dienst te treden."--"Welnu," zei zij, "kom dan binnen een paar dagen terug, want ik heb een paar dagen noodig om mijne meesteres te doen besluiten, u aan te nemen en ik zal bij haar te uwen gunste spreken. Ik heb wel eenigen invloed op haar geest en ik ben ervan overtuigd dat gij hier zult mogen komen."

Ik bedankte Laura voor haar goede bedoeling. Ik betuigde haar mijn groote dankbaarheid jegens haar en ik deed dat zoo hartstochtelijk, dat zij er niet aan kon twijfelen. Wij zouden ongetwijfeld nog langen tijd met elkaar hebben gepraat, als er geen kleine lakei was gekomen om haar te zeggen, dat Arsenia haar noodig had. Wij gingen dus van elkaar en ik verliet het huis van de tooneelspeelster in de zoete hoop, dat ik weldra voor goed in haar gunst zou zijn en ik kwam dan ook na twee dagen terug. "Ik wachtte je al," zei de kamerjuffrouw van Arsenia, mijn schoone Laura, "om je te zeggen dat je als huisgenoot hier zijt opgenomen. Kom met mij mede, dan zal ik je aan mijne meesteres voorstellen." Dit zeggende, bracht zij mij naar een zaal, samengesteld uit vijf of zes kleine kamertjes, alle om het deftigst en rijkst gemeubileerd.

Wat een weelde, wat een pracht! Ik dacht dat ik bij een koningin was of nog beter gezegd, ik dacht dat ik hier alle rijkdommen der wereld op één plaats verzameld zag. Men vond er schatten uit alle streken der wereld en men kon dit vertrek beschouwen als den tempel eener godin, waar iedere reiziger als gave een of andere curiositeit van zijn land bracht. Ik bemerkte de godin, gezeten op een geborduurd satijnen kussen. Ik vond haar zeer mooi en als het ware vervuld van den rook der offergaven. Zij was in een bevallig négligé gekleed en bezig met hare sierlijke handen een nieuw kapsel in orde te brengen om dien dag haar rol te spelen. "Mevrouw," zei de soubrette, "hier is de econoom in kwestie, ik kan u verzekeren, dat u nooit een geschikter man zoudt kunnen vinden." Arsenia nam mij zeer nauwkeurig op en sprak toen: "Wel, wel, Laura, dat is een heel aardige jonge man en ik geloof wel dat ik met hem tevreden zal zijn." Vervolgens richtte zij het woord tot mij: "Mijn goede vriend, gij bevalt mij en ik heb u slechts één ding te zeggen, gij zult over mij tevreden zijn als ik het over u ben." Ik antwoordde haar, dat ik al mijn best zou doen om haar naar haar wensch te bedienen. Toen ik zag dat wij het eens waren met elkaar, ging ik terstond heen om mijn kleeren te halen en vestigde mij vervolgens in haar huis.

HOOFDSTUK X

Een en ander over Arsenia en Florimonde.

Het was ongeveer tijd voor het theater en mijne meesteres vroeg mij haar te volgen met Laura. Wij traden hare loge binnen waar zij haar kleed verwisselde voor een veel schitterender kostuum, waarmede zij op het tooneel zou verschijnen. Toen de voorstelling begon, nam Laura mij mede en wij gingen samen ergens zitten vanwaar wij alles goed konden hooren en zien.

Laura noemde mij de namen der verschillende tooneelspelers en -speelsters telkens als zij op het tooneel kwamen. Zij stelde zich niet tevreden met alleen hun namen te noemen maar de kwaadspreekster beschreef hen ook nog bovendien! "Deze heeft leege hersens en die daar is een onbeschofte vlegel. Dat mooie meisje daar en die eerder vrij dan sierlijk is in haar bewegingen heet Rosarda Let. Zij is een slechte aanwinst voor den troep. Men moest haar een plaatsje geven bij den nieuwen troep, dien men formeert op bevel van den vice-koning van Nieuw Spanje en die binnenkort scheep gaat naar Amerika. Kijk eens goed naar die schitterende ster, die daar naar voren komt, die mooie ondergaande zon, dat is Casilda. Als zij van iederen minnaar dien zij reeds gehad heeft, een bouwsteen had gekregen, zou zij evenals een vroegere Egyptische prinses een pyramide kunnen bouwen die tot aan den derden hemel rijkt." De ondeugende Laura wist van allen wat te zeggen en spaarde zelfs haar meesteres niet, zoo'n boosaardige tong!

Toch moet ik mijn zwakheid erkennen; ik was verliefd op mijne schoone soubrette hoewel haar aard niet erg deugdzaam was. Zij sprak echter zoo aardig en geestig kwaad van anderen, dat ik zelfs haar kwaadsprekendheid begon lief te krijgen. In de pauzen stond zij op om te gaan zien of Arsenia hare hulp ook soms noodig had; maar in plaats van terstond naar hare plaats terug te keeren vermaakte zij zich een tijd achter de coulissen met heeren die haar lieve woordjes toevoegden en haar vleiden. Ik volgde haar eens om eens te zien wat zij deed en bemerkte toen dat zij heel wat kennissen had. Tot driemaal toe werd zij teruggehouden door een tooneelspeler, die haar iets te zeggen had en alle drie schenen erg vertrouwelijk met haar om te gaan. Dat beviel mij niet, en voor het eerst van mijn leven voelde ik wat jaloezie was. Ik keerde zoo nadenkend en peinzend naar mijn plaats terug dat Laura het terstond opmerkte toen zij weer bij mij kwam. "Wat scheelt er aan Gil Blas," vroeg zij mij zeer verbaasd. "Wat zijt gij somber gestemd sedert ik even weggeweest ben." "Mijn prinses," antwoordde ik, "het is werkelijk niet zonder reden; uw manier van doen is wel wat al te luchthartig. Ik heb je zoo juist met eenige tooneelspelers gezien." "Och, arme jongen, ben je daar zoo bedroefd om. O, maar dan zult ge nog wel meer ondervinden want er gebeuren nog heel andere dingen tusschen ons tooneelspelers. Gij moet je een beetje gewennen aan onze ongedwongen verhoudingen tegenover elkaar en niet zoo gauw jaloersch zijn, mijn jongen. Als men aan het tooneel jaloersch is, stelt men zich belachelijk aan. Maar er zijn niet veel van die menschen."

Na mij aldus aangespoord te hebben niemand te verdenken en rustig toe te kijken, verklaarde zij mij, dat ik de gelukkige sterveling was, die tot haar hart had weten door te dringen en dat zij mij alleen zou liefhebben voor altijd. Op deze verzekering, waaraan ik zonder groote achterdocht wel een beetje kon twijfelen, verklaarde ik, dat ik mij niet meer ongerust zou maken en hield ook woord. Ik zag haar sedert dien bewusten avond zich in het bijzonder onderhouden met heeren en met hen schertsen. Toen de voorstelling was afgeloopen, gingen wij met onze meesteres naar huis, waar Florimonde weldra aankwam met drie oude heeren en een tooneelspeler, die bij haar kwamen soupeeren. Behalve Laura en ik, waren er nog als bedienden in huis een keukenmeid, een koetsier en een kleine lakei. Wij kwamen met ons vijven bijeen om het avondeten klaar te maken.

De keukenmeid, die niet minder bekwaam was dan Juffrouw Jacinta, maakte het vleesch klaar met den kok. De kamerjuffrouw en de kleine lakei dekten de tafel en ik maakte het buffet klaar, waarop het prachtigste goud en zilver prijkte, alles geschenken, die de godin van den tempel had ontvangen. Ik zette er flesschen met verschillende wijnsoorten op en fungeerde voor schenker om mijn meesteres te toonen, dat ik van alles verstand had. Ik bewonderde de ingetogenheid van de tooneelspeelsters gedurende het maal. Zij deden zeer gewichtig en verbeeldden zich dames uit den hoogsten stand te zijn. Verre van de heeren met excellentie aan te spreken, spraken zij hen zelfs niet toe met seigneur, maar noemden hen gewoon bij hunne namen. Het is waar, dat juist de heeren haar verwenden en haar zoo trotsch maakten door zich een weinig te familiaar met haar bezig te houden. De tooneelspeler, als een echt acteur die de heldenrol speelt, ging heel gemoedelijk met haar om, dronk op hare gezondheid en voerde den boventoon. "Verduiveld," zei ik bij mij zelf, "toen Laura mij vertelde, dat een tooneelspeler en een markies overdag elkaars gelijken zijn, had zij er ook aan toe kunnen voegen, dat zij het 's nachts nog meer zijn, daar zij met elkaar den nacht doorbrengen en samen drinken."

Arsenia en Florimonde waren natuurlijk zeer opgewekt. Zij voerden allerlei gewaagde gesprekken, afgewisseld door kleine liefkoozinigen en aanhaligheden, die natuurlijk in hun volle waarde genoten werden door die oude zondaars. Terwijl mijne meesteres er een vermaakte met een onschuldig praatje, speelde haar vriendin in dien tijd niet de kuische Suzanna met de twee anderen. Terwijl ik stond te kijken naar dit tooneel, wat slechts al te veel bekoring had voor een ouden jonggezel, bracht men het dessert. Toen zette ik flesschen likeur op tafel en glaasjes en verwijderde mij om te gaan soupeeren met Laura, die mij al wachtte. "Wel, Gil Blas," vroeg zij mij, "wat denkt gij van de heeren, die gij zooeven gezien hebt?" "Het zijn zeker aanbidders van Arsenia en Florimonde," antwoordde ik. "Neen," hernam zij, "het zijn oude lichtmissen, die deze meisjes opzoeken zonder zich bepaald aan haar te hechten. Zij verlangen slechts dat zij een beetje lief voor hen zijn en zij zijn dwaas genoeg om dat weinigje wat zij hun toestaan, goed te betalen. Gelukkig zijn Florimonde en mijne meesteres op het oogenblik zonder amant, ik bedoel van die amants, die zich doen gelden als echtgenooten en die alle genoegens willen genieten van een huis, omdat zij alle kosten betalen. Ik voor mij ben er blij om en ik houd vol, dat een verstandige cocotte zulke verbintenissen moet vermijden. Waarom zich een meester aan te schaffen? Het is veel beter stukje voor stukje een equipage te krijgen dan hem tot dien prijs in eens te hebben."

Als Laura eenmaal aan het praten was, en zij praatte bijna altijd, dan behoefde zij niet naar hare woorden te zoeken. Wat had zij dan een vreeselijk radde tong! Zij vertelde mij duizend en meer avonturen, die de actrices van den tooneeltroep hadden gehad, en ik maakte uit al deze gesprekken op, dat ik geen betere betrekking kon getroffen hebben om alle mogelijke ondeugden te leeren kennen. Ongelukkigerwijze was ik op een leeftijd, waarop deze juist geen afschuw verwekken en ik moet er nog bijvoegen, dat de soubrette deze uitbundigheden zoo smakelijk voorstelde, dat ik er slechts het pleizier van zag. Zij kon mij nog niet het tiende gedeelte van alle avonturen der tooneelspelers vertellen, want zij praatte slechts drie uren met mij. De oude heeren en de tooneelspelers vertrokken toen met Florimonde, die zij naar huis brachten.

Toen zij weg waren, gaf mijne meesteres mij geld en zei: "Ziehier tien pistolen, Gil Blas, om morgen inkoopen te doen. Vijf of zes van onze heeren en dames komen morgen hier; zorg dus dat ge ons goed onthaalt."--"Mevrouw" antwoordde ik, "met die som zou ik den geheelen troep kunnen onthalen."--"Mijn vriend," hernam Arsenia, "je moet je een beetje beschaafder uitdrukken en niet spreken van den "troep", maar van een gezelschap. Men spreekt wel van een troep bandieten, een troep bedelaars of een troep schrijvers, maar men spreekt steeds van een gezelschap tooneelspelers. De acteurs van Madrid vooral verdienen, dat men hun gezamenlijk aantal gezelschap noemt." Ik vroeg vergiffenis aan mijne meesteres voor mijne weinig eerbiedige uitdrukking, verzocht haar mijne onwetendheid te verontschuldigen en beloofde haar voortaan altijd van "het gezelschap" te zullen spreken.

HOOFDSTUK XI

Hoe de tooneelspelers onder elkaar leefden en hoe zij de schrijvers behandelden.

Het was den volgenden dag een vastendag; ik kocht goede vette kippen, konijnen, patrijzen en ander wild; daar de tooneelspelers niet bijster tevreden zijn over de houding van de kerk te hunnen opzichte, komen zij ook weinig hare geboden na. Ik bracht meer vleesch thuis dan een dozijn menschen de drie dagen van het carnaval noodig hebben. De keukenmeid had er een werkje aan! Terwijl deze het diner gereed maakte, stond Arsenia op en bleef tot den middag met haar toilet bezig. Daarop kwamen de heeren Rosimiro en Ricardo, beiden tooneelspelers. Vervolgens kwamen twee actrices, Constance en Célinaura, en een oogenblik later verscheen Florimonde vergezeld van een man, die er als een ridder uitzag. Hoewel hij goed gekleed was, vond ik toch dadelijk wat vreemds aan hem. "Dat moet een origineel zijn," dacht ik bij mijzelf. Ik vergiste mij niet, het was een zonderling. Zoodra hij binnenkwam, liep hij met open armen op de acteurs en actrices toe en omhelsde hen beurtelings, nog overdrevener dan een saletjonker. Ik vroeg Laura wie dat was. "Ik vergeef je nieuwsgierigheid," zeide zij. "Hij is eerstens tooneelspeler geweest. Hebt gij zijn zwarte haren gezien? Zij zijn geverfd evenals zijn wenkbrauwen en zijn snor. Hij is ouder dan Latwinus; daar zijn ouders bij zijn geboorte echter vergeten hebben hem te doen inschrijven, kan hij zich voor minstens twintig jaar jonger uitgeven. Bovendien is hij het verwaandste personage van Spanje. In den grond is hij een stommeling; maar om een geleerde te worden, heeft hij een meester genomen die hem grieksch en latijn heeft leeren spellen. Bovendien kent hij een onnoemelijk getal goede verhalen uit zijn hoofd, die hij zoo dikwijls heeft laten doorgaan voor zijn eigen schepping, dat hij zich is gaan verbeelden, dat zij werkelijk van hem zijn. Hij vlecht ze in het gesprek en men kan zeggen dat zijn geest schittert op kosten van zijn geheugen. Overigens zegt men, dat hij een groot acteur is. Ik wil het gaarne gelooven en moet je overigens bekennen dat hij mij niet bevalt."

Hij was een goed prater en daar de acteurs en actrices niet gekomen waren om te zwijgen, bleven zij ook niet stom. "Hebt ge al gehoord, waarde dames, van den nieuwen streek van Cesario, onzen waarden ambtgenoot?" vroeg Rosimiro. "Hij heeft vanmorgen zijden kousen, linten en kant gekocht, die hij zich bij de repetitie heeft laten brengen door een kleine page, als komende van een gravin." "Welk een schelm," zeide de heer de La Ventoleria, fattig lachende. "In mijn tijd was men beter te vertrouwen; wij dachten er niet aan zulke fabeltjes te verzinnen. Het is waar, dat de vrouwen uit den hoogen stand ons de moeite bespaarden ze uit te moeten denken. Zij van haar kant zorgden daar wel voor." "Parbleu!" zeide Ricardo op den zelfden toon, "zij zijn nog zoo, en als ik daar meer van mocht vertellen.... Maar men moet over zulke avonturen zwijgen, vooral als er personen van zekeren rang in gemengd zijn."

"Mijne heeren," zei Florimonde, "laat in hemelsnaam uw fortuintjes rusten; de geheele wereld weet daarvan. Laat ons liever over Isménie spreken. Men zegt, dat dat heerschap, die zooveel kosten voor haar gemaakt heeft, haar ontsnapt is."--"Ja waarlijk," riep Constance uit, "en ik kan u ook nog zeggen, dat zij bovendien een koopman verloren heeft, dien zij ongetwijfeld had kunnen ruineeren. Ik weet hoe het in elkaar zit. Haar factotum heeft aan den heer een briefje gebracht, dat voor den koopman was bestemd en aan den koopman het briefje van een edelman."--"Dat zijn groote verliezen, lieve," zei Florimonde. "Och, wat die edelman betreft, beteekent het niet veel," hernam Constance, "hij had bijna al zijn goed al verbrast; maar de koopman begon pas. Hij is nog in handen van geen enkele cocotte geweest en dat is een betreurenswaard verlies."

Zoo praatten zij voort tot het diner en aan tafel ging het gesprek over dezelfde onderwerpen. Maar laat ik u nog vertellen hoe een arme duivel van een schrijver, die tegen het einde van den maaltijd kwam, door Arsenia werd ontvangen.

De kleine lakei kwam luide aan zijn meesteres zeggen: "Mevrouw, een man met een vuilen boord" tot zijn hals met modder bespat en die er als een dichter uitziet, wil u spreken." "Laat hem binnenkomen," antwoordde Arsenia. "Mijne heeren, laat ons kalm zijn; het is een schrijver." Werkelijk was het er een, van wien een stuk was aangenomen en die Arsenia haar rol kwam brengen. Hij heette Pédro de Marga. Bij het binnenkomen maakte hij vijf of zes diepe buigingen voor het gezelschap, dat hem niet eens terug groette. Verlegen bevend kwam hij nader. Hij liet zijn handschoenen en zijn hoed vallen, raapte ze op en ging naar mijn meesteres, en terwijl hij haar met den meesten eerbied een papier aanbood, zeide hij: "Mevrouw, ik smeek u, u te verwaardigen de rol te aanvaarden, die ik de vrijheid neem u aan te bieden." Koud en verachtend nam zij hem aan en gaf hem zelfs niet eens een antwoord op zijn compliment.

Dat ontmoedigde onzen schrijver echter niet, die gebruik maakte van de gelegenheid om ook Rosimiro en Florimonde te complimenteeren, die er wat meer acht op sloegen. Hij ging daarop heen zonder iets te zeggen, maar naar het mij scheen diep getroffen door deze ontvangst. Ik geloof, dat hij in zijn verbittering niet naliet de tooneelspelers te vervloeken, zooals zij verdienden en de tooneelspelers van hun kant, begonnen met weinig eerbied over de schrijvers te spreken.

HOOFDSTUK XII

Gil Blas krijgt zin in het tooneel, hij geeft zich over aan het tooneelleven en heeft er na korten tijd genoeg van.

De gasten bleven aan tafel tot het tijd was naar het theater te gaan. Ik volgde hen en zag dien dag nogmaals hun spel. Ik had zoo'n schik gekregen in de tooneelvoorstellingen, dat ik besloot er elken dag heen te gaan. Ik was niet alleen tevreden de mooiste trekjes van dramatische kunst in mijn geheugen te prenten, maar ik trachtte ook mijn smaak te verfijnen. Om dat doel te zekerder te bereiken, gaf ik nauwkeurig acht op alles wat de tooneelspelers zeiden. Men vertelde mij echter, dat het regel onder hen was, de stukken zeer slecht te beoordeelen en bovendien haalde men het reusachtig succes aan van stukken, die hun uitspraken hadden gelogenstraft.