De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier
Part 14
Toen wij ten huize van den intendant gekomen waren, vroegen wij signor Gregoris Rodriguez te spreken en men verwees ons naar zijn vertrekken, waar wij hem zouden kunnen vinden. Hij was er ook werkelijk in gezelschap van een soort boer, die een blauw linnen zak vol geld in de hand hield. De intendant, die er uitzag bleeker en geler dan een meisje dat het oude vrijstersleven moe is, kwam met uitgespreide armen op Melendez toe; de koopman spreidde ook zijn armen uit en zij omhelsden elkaar met meer aanstellerij dan natuurlijke vriendschap. Daarna kwam het gesprek op mij. Rodriguez nam mij van het hoofd tot de voeten nauwkeurig op en zei daarna, dat ik juist de persoon was dien don Mathias noodig had en dat hij zich gaarne ermede belastte mij aan dezen heer voor te stellen. Daarna deed Melendez uitkomen hoeveel belang hij in mij stelde en hij vroeg den intendant mij zijne protectie te geven. Vervolgens liet hij mij bij hem achter en nam na zeer veel complimenten afscheid. Toen hij vertrokken was zei Rodriguez tot mij: "Ik zal je naar mijn meester brengen als ik eerst dezen braven boer geholpen heb." Hij wendde zich vervolgens tot den boer, nam hem zijn zak af en zei "Welnu Talego, we zullen eens zien of de vijfhonderd pistolen er zijn". Hij telde zelve de geldstukken, vond ze accoord, gaf een kwitantie van het geld aan den boer en liet hem gaan. Daarna deed hij het geld weer in de zak en wendde zich tot mij met de woorden: "Nu kunnen wij naar mijn meester gaan; hij staat gewoonlijk tegen twaalf uur op en het is nu ongeveer één uur, zoodat hij wel bij de hand zal zijn."
En werkelijk was don Mathias juist op. Hij was nog in zijn kamerjas en lag achterover in een langen stoel met een van zijn beenen over de leuning terwijl hij zich heen en weer wiegde bezig tabak fijn te maken. Hij sprak met een lakei die de rol van kamerbediende vervulde, gereed hem op zijn wenken te bedienen.
"Mijnheer," zei de intendant, "hier stel ik u een jongmensch voor die de betrekking zou kunnen vervullen van hem, die u gisteren hebt weggejaagd. Melendez, een zaakwaarnemer, staat voor hem in; hij verzekert mij, dat het een verdienstelijke jongen is en ik geloof ook dat u wel tevreden over hem zult zijn."--"Het is goed," antwoordde de jonge edelman, "en daar gij hem bij mij brengt, neem ik hem zonder bedenken in mijn dienst. Ik benoem hem tot mijn kamerdienaar en daarmee heeft deze zaak afgedaan. En laat ons nu eens over andere dingen spreken, Rodriguez. Gij komt juist op tijd, want ik wilde je al laten roepen. Ik heb je een slechte tijding mede te deelen, mijn waarde Rodriguez. Ik heb vannacht zeer ongelukkig gespeeld; behalve de honderd pistolen, die ik bij mij had heb ik er nog tweehonderd bovendien verspeeld. Gij weet dat menschen zooals wij zulke schulden zonder uitstel moeten voldoen; wij zijn dat aan onze eer verplicht, terwijl wij het met de andere schulden niet zoo nauw nemen. Gij moet dus ergens tweehonderd pistolen zien te krijgen en ze aan de gravin de Pedrosa zenden". "Mijnheer," antwoordde de intendant, "dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Met uw welnemen, waar moet ik die som zoo ineens vandaan halen? Ik kan geen cent loskrijgen van uw pachters, hoe ik ze ook dreig. Toch moet ik uw knechts goed onderhouden en moet ik alles uitzuinigen om uwe uitgaven te bestrijden. Gelukkig ben ik er tot nog toe in geslaagd mij er door te slaan, maar ik weet niet meer tot welken heilige ik mij nog kan wenden, daar ik tot het uiterste gekomen ben".--"Al dat gepraat helpt niet," viel don Mathias hem in de rede, "en die verhalen vervelen mij maar. Zoudt gij misschien willen Rodriguez, dat ik mijn gedrag ging veranderen en dat ik zou gaan zorgen voor mijn bezittingen? Een mooie bezigheid voor een man als ik, die slechts voor zijn pleizier leeft!" "Geduld," antwoordde de intendant, "en gij zult zien, dat zooals de zaken nu gaan gij spoedig hiervoor niet meer zult behoeven te zorgen."--"Gij vermoeit mij," hernam de jonge edelman knorrig, "gij martelt mij. Laat mij mijzelf ruineeren zonder dat ik het bemerk. Ik moet twee honderd pistolen hebben, hoor je, ik moet ze hebben".--"Dan zal ik mijn toevlucht moeten nemen tot dien kleinen grijsaard die u al meer geld geleend heeft tegen hooge woekerrente".--"Neem voor mijn part je toevlucht tot den duivel," antwoordde Don Mathias; "als ik maar tweehonderd pistolen krijg kan mij de rest niet schelen."
Toen hij dit op norschen, ontevreden toon gezegd had, ging de intendant heen en een voornaam jongeling, Antonio de Centellès, trad binnen. "Wat scheelt eraan mijn waarde," zei hij tot mijn meester. "Gij ziet er zoo bedrukt uit, er ligt een waas van toorn over uw gelaat, Wie heeft je in zoo'n slechten luim gebracht? Ik zou haast durven wedden dat het die vlegel is, die daar juist weggaat." "Ja," antwoordde don Mathias, "het is mijn intendant. Elken keer als hij bij mij komt zegt hij mij dat ik van mijn kapitaal inteer ..." "Mijn waarde," antwoordde don Antonio, "ik verkeer in hetzelfde geval. Ik heb een zaakwaarnemer die al even slecht te spreken is als jou intendant. Als de schurk mij eindelijk na herhaaldelijk bevel geld brengt, zou men haast zeggen dat hij het van zichzelf geeft." Zij bleven zoo een tijdje in levendig gesprek toen zij gestoord werden door Gregorio Rodriguez, vergezeld van een kleinen grijsaard die bijna geen haar op zijn hoofd had. Don Antonio wilde vertrekken en zei: "Bonjour don Mathias, wij zien elkaar spoedig terug. Ik zal je maar alleen laten met deze heeren daar ge zeker een ernstige zaak met hen te behandelen hebt."--"Welneen," zei mijn meester, "blijf maar, jij bent niet te veel. Deze bescheiden grijsaard dien ge hier ziet, is een eerlijk man die mij geld leent tegen twintig procent."--"Wat?" riep Centellès uit, "tegen twintig procent. Nu maar dan wensch ik je geluk dat ge in zoo goede handen zijt geraakt. Ik word niet zoo liefelijk behandeld. Ik koop geld tegen goud, want ik moet in den regel vijf en dertig procent betalen."--"Wat een woekerrente," riep toen de oude woekeraar vertoornd uit; "bedenken de schurken dan niet dat er nog een leven hiernamaals is? Nu verbaast het mij niet meer dat men zoo waarschuwt tegen geldschieters. Die woekerrente, die enkelen onder hen van hun geld nemen, kost ons onzen goeden naam. Als mijn collega's zoo deden als ik, dan zou men ons niet uitjouwen want ik leen slechts om mijn evenmensch te helpen. O, als de tijden maar zoo waren als ik ze vroeger heb gekend, dan zou ik je mijn beurs leenen zonder rente te vragen en nu nog, hoe ellendig het er ook uitziet, ik heb haast nog gewetensbezwaar twintig procent te vragen. Maar men zou haast zeggen, dat het geld in de aarde verzwolgen is; men vindt haast geen geld meer en deze schaarschte noodzaakt mij wel mijn moraal wat te wijzigen."
"Hoeveel hebt ge noodig?" ging hij voort zich tot mijn meester wendende.--"Ik moet tweehonderd pistolen hebben," antwoordde don Mathias.--"Ik heb er hier vierhonderd in een zak," hernam de woekeraar; "ik zal er u dus de helft van geven." Dit zeggende haalde hij een blauw linnen zak van onder zijn mantel die mij dezelfde scheen als welke de boer Talego met vijfhonderd pistolen bij Rodriguez had gelaten. De grijsaard ledigde den zak, legde de geldstukken bij hoopjes op tafel en begon ze te tellen. Dit gezicht prikkelde het verlangen van mijn meester. "Mijn waarde Descomulgado," zei hij tot den woekeraar, "ik bedenk daar iets, namelijk dat ik een groote dwaas ben. Ik leen slechts zooveel als noodig is om mijn schuld af te doen, zonder eraan te denken dat ik dan geen cent overhoud en ik zal je dus morgen weer een bezoek moeten brengen. Ik ben nu van plan alle vierhonderd pistolen van je te nemen om je de moeite te besparen morgen terug te komen."--"Mijnheer", antwoordde de grijsaard, "ik had een gedeelte van dit geld bestemd voor een goedhartigen bon-vivant die groote erfenissen heeft te wachten, welke hij zeer menschlievend gebruikt om kleine meisjes uit de wereld af te zonderen en hun woningen te meubileeren, maar daar u de geheele som noodig hebt, is zij ter uwer beschikking, als u mij slechts waarborgen kunt geven."--"O, wat dat betreft," viel Rodriguez in de rede, terwijl hij een papier uit zijn zak haalde, "gij zult de beste hebben. Dit papier heeft don Mathias slechts te teekenen en gij hebt het recht vijfhonderd pistolen te nemen van een van zijn pachters, zekeren Talego, een rijken landbouwer te Mondejar." "Dat is voldoende," antwoordde de woekeraar, "ge ziet wel dat ik niet lastig ben; als men mij slechts billijke voorstellen doet, neem ik ze zonder verdere tegenwerpingen aan." Toen gaf de intendant een pen aan mijn meester, die zonder het biljet eerst te lezen onder het fluiten van een deuntje zijn naam er onder zette.
Toen dit afgeloopen was, zeide de grijsaard mijn meester vaarwel die hem hartelijk de hand drukte zeggende: "Tot weerziens mijn waarde, ik ben geheel tot uw dienst. Ik begrijp toch maar niet waarom men u voor een schurk aanziet, integendeel, lieden van uw soort zijn noodzakelijk voor den staat, gij zijt de troosters van duizenden kinderen van nette familie en de toevlucht van alle groote heeren wier uitgaven grooter zijn dan hun inkomsten."--"Gij hebt gelijk," riep Centellès uit; "de woekeraars zijn brave lieden die men niet voldoende kan achten en ik wil daarom ook dezen hartelijk vaarwel zeggen, vooral omdat hij tegen slechts twintig procent leent." Dit zeggende ging hij naar den grijsaard toe om hem te omarmen en deze twee deftige heertjes duwden den woekeraar naar elkaar toe en vermaakte zich met hem, evenals twee kaatsers, die een bal slaan. En toen ze hem zoo een paar malen heen en weer hadden laten gaan, lieten zij hem uit met den intendant, die eerder die hartelijke omhelzingen had verdiend en nog wel wat bovendien.
Toen Rodriguez en zijn booze geest vertrokken waren, zond don Mathias door den lakei, die met mij in de kamer was, de helft van de pistolen aan gravin de Pedrosa en deed de overige in een lange beurs geborduurd met zijde en gouddraad en stak deze toen in zijn zak. Ten zeerste voldaan, dat hij nu weer geld had, zei hij op vroolijken toon tot don Antonio: "Wat zullen wij vandaag doen, laten we daar nu eens over spreken."--"Ziezoo, nu spreek je nog eens als een verstandig mensch," antwoordde Centellès, "welja laten we het daar eens over hebben." Terwijl zij hierover aan het praten en overleggen waren kwamen twee andere heeren binnen. Het waren don Alexo Segior en don Ferdinand de Gamboa, beiden ongeveer van denzelfden leeftijd als mijn meester, namelijk zoowat acht en twintig jaar. Zij begonnen nu met hun vieren zeer levendig te spreken met veel gebaren alsof zij elkaar in geen tien jaar hadden gezien. Daarna zei Ferdinand die een echte lolmaker was tot don Mathias en don Antonio: "Mijne heeren, waar eet gij vandaag? Als ge nog geen plannen hebt zal ik jelui naar een herberg brengen waar men echten godenwijn drinkt. Ik heb er gedineerd en ik ben er dezen morgen tegen zes uur van thuis gekomen".--"Had ik den nacht maar zoo verstandig doorgebracht, dan had ik mijn geld niet verloren", zei don Mathias.
"Wat mij betreft," zei Centellès, "ik heb mijzelf gisterenavond een nieuw genoegen verschaft, want ik houd veel van afwisseling. En men moet zijn genoegens wel eens varieeren wil men het leven aangenaam maken. Een van mijn vrienden nam mij mede naar een inner der belastingen, die voor den staat de zaken behartigt. Ik zag er veel weelde, goeden smaak en het maal leek mij bijzonder goed toebereid. Maar ik vond den heer des huizes van een belachelijkheid, die mij waarlijk vermaakte. De ontvanger, hoewel een echt burgermannetje, deed erg groot en zijn vrouw, hoewel vreeselijk leelijk, deed erg koket en vertelde allerlei gekruide moppen, terwijl er vier of vijf kinderen aan tafel zaten met hun gouverneur en ge kunt je een voorstelling maken hoe ik mij aan dat maal heb vermaakt!"
--"En ik, mijne heeren," zei don Alexo Segiar, "ik heb gesoupeerd bij een komediespeelster en wel bij Arsenia. Wij waren met ons zessen: Arsenia, Florimonde, met een van haar kokette vriendinnen, de markies de Zenette, don Juan van Moncade en mijn persoontje. Wij hebben den nacht doorgebracht met drinken en lol maken. Wat een heerlijke nacht was dat! Weliswaar zijn Arsenia en Florimonde geen groote genieën, maar zij hebben slag van brassen en fuiven wat veel goed maakt. Het zijn vroolijke, levenslustige schepseltjes en dat is per saldo meer waard dan zulke deftige eerbare vrouwen!"
HOOFDSTUK IV
Hoe Gil Blas kennis maakte met de lakeien der saletjonkers; welk geheim zij hem leerden om ten koste van weinig moeite den naam te hebben van een geestig man en welken zonderlingen eed zij hem lieten doen.
De heertjes gingen zoo voort met praten, terwijl ik don Mathias hielp bij het kleeden. Toen hij gekleed was, gebood hij mij hem te volgen en al de saletjonkers gingen gezamenlijk naar de herberg, waarheen Ferdinand de Gamboa hen zou brengen. Ik liep achter hen aan met nog drie bedienden, want ieder van die heertjes hield er een lijfbediende op na. Tot mijn verbazing bemerkte ik, dat deze drie bedienden hun meesters nadeden en zich hetzelfde air gaven. Ik groette hen als hun nieuwe makker en zij groetten mij terug. Een van hen keek mij een poosje aan en zei toen: "Mijn vriend, ik zie aan uwen gang, dat gij nog nooit bij een jongen saletjonker hebt gediend."--"Helaas neen," antwoordde ik, "en ik ben pas heel kort hier in Madrid."--"Dat merk ik," antwoordde hij, "want gij ziet er nog echt als een boertje uit, schuchter en verlegen; er is iets houterigs in je bewegingen, maar dat is niet zoo heel erg, we zullen je gauw genoeg wat ontbolsterd hebben, daar ben ik niet bang voor."--"Gij vleit mij zeker," antwoordde ik.--"Neen," hernam hij, "er is geen stommeling zoo groot, of wij kunnen er nog wat van maken, reken daar maar gerust op."
Hij behoefde mij verder niets te zeggen om mij te doen begrijpen, dat ik een stel aardige snuiters tot makkers had en dat ik aan geen betere handen kon zijn toevertrouwd om een nette jongen te worden. Toen wij in de herberg aankwamen, vonden wij een gereedstaanden maaltijd, dank zij de voorzorg van don Ferdinand, die hem reeds 's morgens besteld had. Onze meesters zetten zich aan tafel en wij maakten ons gereed hen te gaan bedienen. Wat onderhielden zij zich vroolijk met elkaar! Ik had er een waar genoegen in ze zoo te hooren. Hun karakter, hun gedachtenwisseling en hun uitdrukkingen vermaakten mij zeer. Wat een geestdrift! Wat een spitsvondigheden! Die heeren maakten op mij den indruk van een heel nieuw soort menschen. Toen zij aan het dessert gekomen waren, brachten wij hun een groote menigte flesschen van den besten Spaanschen wijn en lieten hen vervolgens alleen om ons naar een kleine eetzaal te begeven, waar men voor ons een maaltijd gereed had gezet.
Al heel spoedig ontdekte ik, dat mijn metgezellen nog veel verdienstelijker waren dan ik eerst had gedacht. Zij waren niet alleen niet tevreden hun meesters in manieren na te doen, maar bootsten zelfs hun spraak na en die oolijke snaken deden het zoo meesterlijk, dat het bijna hetzelfde was. Ik bewonderde hun vrije en ongedwongen manieren en ik werd nog meer getroffen door hun geestigheid, zoodat ik begon te wanhopen of ik ooit zoo'n beminnelijk persoon zou kunnen worden. De bediende van Don Fernando nam de honneurs aan den maaltijd waar, aangezien het ook zijn heer was, die de onze trakteerde en daar hij wilde, dat er niets aan ontbrak, riep hij den waard en zei: "Mijnheer de waard breng ons tien flesschen van je besten wijn en tel ze maar op bij die van onze heeren, zooals ge dat altijd doet." "Met zeer veel genoegen," antwoordde de waard, "maar denk er aan, mijnheer Gaspard, dat don Fernando mij al heel wat maaltjes schuldig is. Als ge eens een goed woordje voor mij kon doen om wat geld van hem los te krijgen...." "O!" viel hem de bediende in de rede, "maak je maar niet ongerust over wat hij u nog schuldig is, ik sta er je borg voor; de schulden van mijn meester zijn even goed als staven gouds. Het is maar jammer, dat eenige onbeschofte schuldeischers beslag hebben gelegd op onze inkomsten, maar morgen wordt dat beslag opgeheven en wij zullen je dan betalen zonder zelfs de rekening te zien, die gij ons overlegt." De waard bracht ons, niettegenstaande het beslag, toch den wijn en wij dronken dien op in afwachting van de opheffing van het beslag. Gij hadt moeten zien hoe wij telkens weer op, elkaars gezondheid dronken, terwijl wij elkaar bij den naam van onze meesters noemden. De bediende van don Antonio noemde dien van Ferdinand Gamboa en de bediende van don Fernando noemde dien van don Antonio Centellès. Zij noemden mij Silva en wij werden zoo zoetjes aan bij het geven van die bijnamen dronken, juist als de heeren, die deze namen in werkelijkheid droegen.
Hoewel ik mij natuurlijk niet zoo verdienstelijk maakte als mijn medegasten, zeiden zij mij herhaaldelijk, dat zij zeer tevreden over mij waren.
"Silva," zei een van de geslepenste onder hen, "wij zullen wat van je maken, mijn waarde, want ik zie, dat ge een genie in je verbergt, maar ge weet er geen partij van te trekken. De vrees je slecht uit te drukken is oorzaak dat ge niets op goed geluk durft zeggen en toch is het durven spreken de reden, dat op 't oogenblik zeer velen zich tot groote geesten weten te verheffen. Wilt gij uitblinken, dan hebt ge je slechts te laten gaan en slechts alles te zeggen wat je maar in den mond komt; je onbesuisdheid zal doorgaan voor edele stoutmoedigheid. Al zou je ook honderd domheden debiteeren, als je maar een enkele geestigheid zegt, zal men je domheden vergeten. Men zal je gevatheid onthouden en men zal hoog opgeven van je verdienstelijkheid. Dat is het nu juist wat onze meesters ook doen en zoo moet ieder handelen, die de reputatie wil hebben van een buitengewoon schrandere kop te zijn."
Natuurlijk verlangde ik ten zeerste voor een genie door te gaan en het geheim, dat men mij openbaarde, leek mij zoo gemakkelijk, dat ik meende het in toepassing te moeten brengen. Ik nam er terstond de proef van en de wijn, dien ik gedronken had, deed die proef gelukkig slagen, d. w. z. dat ik er maar op los begon te praten en dat ik onder zeer veel dwaze dingen een paar geestigheden debiteerde, die zij zeer toejuichten. Dit eerste welslagen van mijn pogingen gaf mij vertrouwen, ik werd nog luidruchtiger om nog maar meer geestigheden te zeggen en het toeval hielp mij ook ditmaal.
"Welnu," zei mij daarop een van mijn makkers, die mij op straat had toegesproken, "begint ge nu al niet te ontbolsteren? Je bent nog geen twee uur in ons gezelschap en je bent al een heel ander mensch en ge zult zoo elken dag zienderoogen veranderen. Zoo ziet ge nu wat het zeggen wil bij deftige meesters in dienst te zijn, dat ontwikkelt den geest; als men bij burgerlui in dienst is, bereikt men dit niet."--"Neen, dat is vast en zeker," antwoordde ik, "en ik zal mij in het vervolg dan ook alleen in dienst stellen van den adel." "Dat is flink gesproken," riep de bediende van don Fernando tusschen twee slokken wijn uit: "het komt de bourgeois niet toe genieën in dienst te hebben zooals wij zijn. Welaan mijne heeren, laten wij hier zweren dat wij nooit die schooiers zullen dienen; laten wij dit zweren bij den Styx!" Wij juichten hem luidkeels toe en met het glas in de hand, zwoeren wij dezen koddigen eed. Wij bleven zoolang aan tafel totdat het onze meesters behaagde heen te gaan. Het was middernacht, wat mijn kameraden als een buitengewone matigheid voorkwam. De heeren verlieten echter slechts de herberg om zich te begeven naar eene bekende cocotte, die in de wijk van het hofpersoneel woonde en wier woning dag en nacht open was voor de lieden die van vroolijkheid hielden. Het was een vrouw van vijf en dertig tot veertig jaar, nog schoon en onderhoudend en zoo geheel thuis in de kunst om te behagen, dat men zeide dat zij de laatste overblijfselen van haar schoonheid duurder verkocht dan hare eerste schoonheid. Er waren bij haar in huis altijd twee of drie andere eerste klas cocottes, die niet weinig bijdroegen tot den grooten toeloop van heeren, die men er zag. Na het eten speelden zij, daarna soupeerden zij en brachten den nacht door met drinken en zich vermaken. Onze meesters bleven er tot den volgenden morgen en wij eveneens zonder ons te vervelen; want terwijl zij met de maitressen waren, vermaakten wij ons met de dienstmeisjes. Eindelijk namen wij afscheid van elkaar bij het aanbreken van den dag en wij gingen rust nemen.
Toen mijn meester als gewoonlijk om twaalf uur opstond, kleedde hij zich aan en ging uit. Ik volgde hem natuurlijk en wij begaven ons naar don Antonio Centellès, bij wien wij een zekeren don Alvaro d'Ancuna aantroffen. Nadat de drie jonkers elkaar hadden begroet, zei Centellès tot mijn meester: "Verduiveld, don Mathias, je komt of je geroepen bent! Don Alvaro komt mij halen om naar een bourgeois te gaan, die een diner geeft aan markies de Zenette en aan don Juan de Moncado; gij moet van de partij zijn."--"En hoe heet die bourgeois?" vroeg don Mathias.--"Hij heet Gregorio de Noriega," antwoordde don Alvaro. "'t Is een eerste dwaas, die er pleizier in heeft al zijn bezittingen op te eten, die doet als een saletjonker en die voor een man van geest wil doorgaan tegen zijn stomme natuur in. Hij heeft mij gevraagd hem te leiden. Ik regeer hem, mijne heeren, en ik kan u verzekeren, dat ik hem een goed eindje op weg help. Zijn goederen zijn al danig aan het slinken."--"Dat geloof ik best," riep Centellès uit, "ik zie onzen bourgeois nog in het armenhuis belanden. Kom, don Mathias," ging hij voort, "laten wij eens nader kennis met dien man maken en er het onze toe bijdragen om hem van zijn geld af te helpen."
Centellès en mijn meester begaven zich met don Alvaro naar Gregorio de Noriega, Wij gingen er ook heen, zijn bediende Magicon en ik, blij, dat wij een vrijen maaltijd hadden en dat wij het onze konden bijdragen om den bourgeois te doen verarmen. De heer des huizes leek mij een groote ezel. Hij trachtte tevergeefs de manieren van de saletjonkers na te doen, maar 't was een zeer slechte copie van een bijzonder goed origineel of, om mij beter uit te drukken: een domkop, die zich als een verstandig mensch wilde voordoen. Stel je zoo iemand voor te midden van vijf spotvogels, die zich ten doel hadden gesteld een loopje met hem te nemen en hem aan te zetten tot groote uitgaven.
"Mijne heeren," zei don Alvaro na de eerste begroetingen, "ik stel u hier don Gregorio de Noriega als een der volmaaktste ridders voor. Hij bezit duizenden voortreffelijke eigenschappen. Gij moet weten dat hij een zeer schrander hoofd heeft. Gij kunt over alles met hem praten van de fijnste scherpzinnigste logica af tot op de spelling toe; hij is letterlijk van alles op de hoogte."--"O, dat is al te vleiend gesproken," viel de bourgeois hem in de rede, terwijl hij zeer ongracieus lachte. "Ik zou u deze beweringen kunnen retourneeren, Signor Alvaro. Gij zijt in waarheid wat men noemt een bron van alle mogelijke ontwikkeling en kennis."--"Ik had niet de bedoeling mij zulk een geestigen lof te laten toezwaaien," antwoordde don Alvaro; "maar geloof mij, heeren, Signor Gregorio zal vast en zeker naam maken in deze wereld."
Deze ironische gesprekken volgden elkaar voortdurend op en de arme Gregorio werd van alle kanten aangevallen, want de saletjonkers maakten telkens grappen op hem, waarin de domkop de aanval op zich niet eens merkte; integendeel nam hij in vollen ernst op alles wat men van hem zeide en hij scheen zeer tevreden over zijn gasten; het leek zelfs, dat zij hem nog genoegen deden hem voor den gek te houden. Ook gedurende den maaltijd vermaakten zij zich met hem en vervolgens bleven zij er den geheelen nacht. Wij matigden ons in het drinken juist zooals onze meesters en wij waren zoo frisch als een hoentje toen wij den bourgeois verlieten.
HOOFDSTUK V
Gil Blas gaat op avontuur uit. Hij maakt kennis met een lieve dame.