De Zonderlinge Lotgevallen van Gil Blas van Santillano, deel 1 van 2 De Spaansche Avonturier

Part 13

Chapter 134,047 wordsPublic domain

Ik bleef eenige dagen bij den jongen barbier. Vervolgens sloot ik mij aan bij een koopman uit Ségovia, die met vier muilezels koopwaren naar Valladolid had gebracht en nu na gedane zaken huiswaarts keerde. Wij maakten onderweg kennis met elkaar en hij had zoo'n schik in mij, dat hij mij met alle geweld bij zich te logeeren wilde houden toen wij te Ségovia aankwamen. Ik bleef twee dagen zijn gast en toen ik mij gereed maakte naar Madrid te vertrekken met een muilezeldrijver, belastte hij mij met een brief, dien ik persoonlijk aan zijn adres moest bezorgen, maar hij zeide niet dat het een aanbevelingsbrief was. Ik vergat niet hem te brengen bij Signor Mathes Melendez, een lakenkoopman, die bij de Zonnepoort woonde op den hoek van de Bahutierstraat. Nauwelijks had hij kennis genomen van den inhoud of hij zeide zeer hoffelijk: "Signor Gil Blas, mijn handelsvriend Pedro Palacio, schrijft mij zooveel goeds van u en beveelt je zoo warm bij mij aan, dat ik niet kan nalaten je een verblijf bij mij aan te bieden. Bovendien vraagt hij mij om te zien naar een goede betrekking en gaarne voldoe ik aan zijn verlangen. Ik geloof trouwens, dat het mij niet moeilijk zal vallen je goed geplaatst te krijgen." Ik nam het aanbod van Melendez met blijdschap aan, maar ik was hem niet lang tot overlast. Na een week zei hij tot mij, dat hij over mij had gesproken met een van zijn kennissen, die een kamerdienaar noodig had en dat die post mij naar alle waarschijnlijkheid niet zou ontgaan. Juist kwam deze binnen en Melendez zeide, mij aanwijzend: "Mijnheer, dit is de jonge man waarvan ik u gesproken heb. Het is een eerlijke jongen van goede zeden; ik sta voor hem in als voor mij zelven." De edelman keek mij doordringend aan, zeide dat mijn gezicht hem beviel en dat hij mij in zijn dienst nam. "Hij heeft mij slechts te volgen," voegde hij er bij, "ik zal hem zeggen wat hij te doen heeft." Bij deze woorden zeide hij den koopman goeden dag en nam mij mede naar de drukke straat, vlak bij de kerk van St. Filippus. Wij traden een vrij mooi huis binnen, waarvan hij een vleugel bewoonde; wij gingen een trap van vijf of zes treden op en traden in een kamer met twee breede deuren, die hij opendeed, en waarvan de eerste in het midden een getralied venster had. Door deze kamer gingen wij in een andere, waar een bed en andere meubelen stonden, alles eerder netjes dan rijk.

Had mijn nieuwe meester mij bij Melendez goed bekeken, zoo beschouwde ik hem thans op mijn beurt met veel attentie. Hij was ruim vijftig jaar, koel en ernstig; hij scheen mij zachtaardig van karakter en mijn oordeel over hem was niet slecht. Hij deed mij verscheidene vragen en tevreden over mijne antwoorden, zeide hij: "Gil Blas, ik geloof dat ge een degelijke jongen zijt, het doet me genoegen dat je in mijn dienst bent getreden. Van jouw kant zal je over je betrekking tevreden zijn. Ik zal je zes realen daags geven, waarmee je zelf voor je voedsel en onderhoud moet borgen, behalve de kleine voordeelen, die gij bij mij zult hebben. Overigens ben ik niet lastig, ik eet in de stad. Gij behoeft alleen 's morgens mijn kleeren af te borstelen, de rest van den dag zijt ge vrij. Alleen sta ik er op dat je 's avonds vroeg naar bed gaat en mij aan de deur opwacht; dat is alles wat ik van je verlang." Daarop gaf hij mij zes realen. Wij gingen vervolgens beiden weer uit en zelf sloot hij de deur en nam de sleutels mee. "Volg mij niet, mijn vriend," zeide hij, "ga waar je wilt, maar als ik vanavond thuis kom, dan moet ik je op de stoep vinden." Bij deze woorden verliet hij mij en ik was mijn eigen meester.

"Waarachtig, Gil Blas," zei ik tot mijzelf, "je zoudt geen beteren meester kunnen vinden! Je ontmoet een man, die je om 's morgens zijn kleeren af te borstelen en zijn kamer te doen zes realen per dag geeft, met vrijheid te gaan wandelen en je te vermaken als een schooljongen in de vacantie. Prettiger betrekking is niet te bedenken." Ik verwonderde mij niet meer, dat ik lust had gehad naar Madrid te gaan; ik had zeker een voorgevoel van het geluk dat mij daar wachtte.

Ik vond dit nieuwe leven heel aangenaam. En nog vermakelijker was, dat ik den naam van mijn meester niet eens wist. Melendez wist hem niet eens. Hij kende hem als een heer, die af en toe in zijn winkel kwam en wien hij dan wel eens laken verkocht. Onze buren konden mijne nieuwsgierigheid ook al niet bevredigen. Zij zeiden mij, dat hij bij niemand in de buurt aan huis kwam en eenigen, gewoon allerlei gevolgtrekkingen te maken, besloten daaruit dat men niet gunstig over hem kon oordeelen. Men ging zelfs verder; men verdacht hem een spion te zijn van den koning van Portugal en men waarschuwde mij mijne maatregelen daarvoor te nemen. Deze raad hinderde mij; ik bedacht, dat ik dan wel kans had kennis te maken met de gevangenissen van Madrid, die me niet geriefelijker voorkwamen dan de andere. Mijn onschuld was geen reden tot gerustheid; wat mij al overkomen was, had mij een heilige vrees ingeboezemd voor alles wat justitie was. Ik had tweemaal ondervonden dat, al liet zij onschuldigen niet sterven, zij door de zonderlinge wijze waarop zij de wetten der gastvrijheid toepaste, het altijd treurig is met haar in aanraking te komen.

Ik raadpleegde Melendez, doch hij wist mij geen raad te geven. Ik besloot dus mijn meester na te gaan en hem te verlaten als hij werkelijk bleek een vijand van den staat te zijn; maar de voorzichtigheid en het aangename van mijn betrekking eischten dat ik zeer zeker van mijn zaak moest zijn. Ik begon dus zijn handelingen na te gaan en om hem op de proef te stellen, zeide ik op een avond onder het uitkleeden: "Mijnheer, ik weet niet hoe men zich tegen kwaadsprekendheid kan hoeden. De wereld is zoo slecht! Zoo hebben wij o. a. buren, die niet waard zijn dat de duivel ze haalt. Gij zult nooit raden hoe zij over ons spreken." "En wat kunnen zij dan wel te zeggen hebben, mijn vriend?" vroeg mijn meester. "Ach mijnheer, de kwaadsprekendheid heeft waarlijk geen grens. Onze buren zeggen, dat wij gevaarlijke lieden zijn en de oplettendheid van het hof verdienen; in één woord: gij gaat door voor een spion van den koning van Portugal." Bij deze woorden zag ik mijn meester scherp aan en merkte op, dat hij rilde; dat paste bij de beweringen van de buurt, daarna verviel hij in een droomerij, die ik niet gunstig uitlegde. Hij herstelde zich echter spoedig en zeide mij tamelijk kalm: "Gil Blas, laat onze buren maar praten en onze rust door gebabbel niet verstoren."

Daarop ging hij slapen en ik deed hetzelfde zonder te weten waaraan ik mij moest houden. Toen wij ons den volgenden dag gereed maakten uit te gaan, hoorden wij hard kloppen op de eerste deur van de trap. Mijn meester opende de andere en keek door het kleine getraliede venster. Hij zag een goed gekleeden man, die zeide: "Mijnheer, ik ben alguazil en ik kom u zeggen dat mijnheer de corregidor u wenscht te spreken." "Wat wil hij van mij?" vroeg mijn meester. "Dat weet ik niet, mijnheer," hernam de alguazil, "maar gij hoeft slechts naar hem toe te gaan om het direct te vernemen. "Mijn complimenten," zeide mijn meester, "ik heb niets met hem uit te staan"; hierop sloot hij het venster van de deur en na eenigen tijd in gedachten op en neer te hebben geloopen, alsof dat hem veel te denken had gegeven, stopte hij mij mijne zes realen in de hand en zeide: "Gil Blas, mijn jongen, je kunt heengaan; ik ga niet zoo vroeg uit en heb je vanmorgen niet meer noodig." Ik maakte hieruit op, dat hij bang was te worden gearresteerd en dat hij daarom in huis wilde blijven en om te weten te komen, of ik mij ook vergiste, verborg ik mij zoo, dat ik hem kon zien als hij zou uitgaan. Maar een uur later zag ik hem op straat, zoo zeker in zijn houding, dat ik er verbaasd van was. Ik liet mij echter niet van de wijs brengen en verbeeldde mij, dat hij slechts thuis was gebleven om alles wat hij aan goud en juweelen bezat, bij elkaar te nemen en dat hij nu waarschijnlijk maatregelen ging nemen om snel te kunnen vluchten. Ik had geen hoop hem weer te zien en ik twijfelde of ik 's avonds wel naar zijn huis zou gaan, zoo zeker was ik, dat hij de stad zou verlaten om het hem dreigend gevaar te ontloopen. Nochtans mankeerde ik 's avonds niet en tot mijn verrassing kwam mijn meester op den gewonen tijd thuis. Ik ging naar bed zonder de minste ongerustheid te doen blijken en stond den volgenden morgen kalm op.

Toen hij bezig was zich te kleeden, werd er eensklaps op de deur geklopt. Mijn meester keek door het kleine venster, herkende den alguazil van den vorigen dag en vroeg hem wat hij wilde. "Doe open," antwoordde de alguazil, "de corregidor wil u spreken." Bij dezen verschrikkelijken naam verstijfde het bloed in mijn aderen. Sedert ik in hun handen was geweest, had ik een duivelsche vrees voor die heeren en ik had wel honderd mijlen van Madrid willen zijn. Mijn meester was minder verschrikt dan ik; hij opende de deur en ontving den rechter eerbiedig. "Gij ziet, dat ik niet met veel gevolg kom," zeide de corregidor, "ik wil de zaak afdoen zonder opzien te baren. Ondanks de slechte geruchten, die over u loopen, geloof ik dat men u eenigszins behoort te ontzien. Zeg mij hoe gij heet en wat gij in Madrid komt doen." "Mijnheer," antwoordde mijn meester, "ik kom uit Nieuw-Castilië en heet don Bernard de Castil Blazo. Mijn bezigheden zijn wandelen, den schouwburg bezoeken en ik verheug mij dagelijks in een aangenamen handel met enkele lieden." "Gij hebt zeker een groot inkomen?" vroeg de rechter. "Neen, mijnheer, ik heb renten, noch landen, noch huizen." "En waarvan leeft gij dan wel?" hernam de corregidor. "Dat zal ik u laten zien," antwoordde don Bernard. Tegelijk trok hij een kleed weg, opende een deur, die ik nog niet bemerkt had, vervolgens daarachter weer een en liet den rechter binnen in een kabinet, waar een groote koffer stond geheel met goudstukken gevuld.

"Mijnheer," zeide hij vervolgens, "gij weet dat de Spanjaarden vijanden zijn van werken; hoe groot de afschuw echter is, die zij van vermoeienis hebben, de mijne, ik verzeker het u, overtreft die nog ver; ik ben lui uit temperament en zoo lui, dat, als ik zou moeten werken om te leven, ik van honger zou sterven. Om dus te kunnen leven overeenkomstig mijn aard, om mijn goederen niet behoeven te besturen en nog meer om het zonder een intendant te kunnen doen, heb ik al mijn goed, dat uit verscheidene belangrijke erfenissen bestond, in contanten omgezet. In dien koffer zijn vijftig duizend dukaten. Dat is meer dan ik voor de rest van mijn dagen noodig heb, als ik langer dan een eeuw zou leven, daar ik er jaarlijks geen duizend uitgeef. Ik vrees dus de toekomst niet; ik houd weinig van pretmaken, ik speel alleen voor genoegen en ik heb genoeg van de vrouwen."

"Wat zijt gij gelukkig!" zeide de corregidor toen. "Men verdenkt u wel zeer verkeerd een spion te zijn; zoo iets komt weinig met uw aard overeen. Ga voort te leven zooals gij doet, don Bernardo. Verre van u te willen verontrusten, zal ik uw verdediger zijn; ik vraag uw vriendschap en bied u mijn hand aan." Hierop verliet de rechter don Bernard, die niet genoeg zijn erkentelijkheid kon toonen. Mijnerzijds maakte ik duizend buigingen om mijn meester te helpen, hoewel ik natuurlijk in het diepst mijner ziel alle verachting en afschuw voelde, die elk eerlijk man voor een alguazil heeft.

HOOFDSTUK II

Gil Blas verwondert zich in Madrid kapitein Rolando te ontmoeten en over de wonderlijke dingen, die deze dief hem vertelde.

Nadat don Bernard de Castil Blazo den corregidor tot op straat uitgeleide had gedaan, kwam hij vlug terug om zijn brandkast te sluiten en alle deuren, die er toegang toe gaven; vervolgens gingen wij beiden zeer tevredengesteld uit, hij omdat hij zulk een machtigen vriend had verworven en ik in de zekerheid van mijn zes realen daags. De lust om dit avontuur aan Melendez te vertellen, deed mij den weg naar zijn huis inslaan, maar toen ik er bijna was, bemerkte ik kapitein Rolando. Ik was buitengewoon verbaasd hem daar te zien en ik kon niet nalaten te sidderen. Hij herkende mij ook, wendde zich ernstig tot mij en geheel zijn air van meerderheid bewarende, beval hij mij hem te volgen. Bevend gehoorzaamde ik en dacht bij mij zelven: "Helaas, hij zal mij doen betalen voor wat ik hem geleverd heb. Misschien heeft hij hier in de stad wel een hol. Maar als ik zooiets ontdek, zal ik toonen, dat mijn beenen niet lam zijn." Ik liep dus achter hem aan, nauwkeurig oplettend, waar hij heenging en besloten zoo hard als ik kon weg te loopen, als het mij verdacht ging lijken.

Rolando deed spoedig mijn vrees verdwijnen. Hij trad een bekende herberg binnen en ik volgde hem. Hij vroeg den besten wijn en zeide voor ons beiden een diner klaar te maken. Wij gingen intusschen een kamer binnen, waar wij alleen waren en waar hij mij aldus aansprak: "Gil Blas, gij zult wel verwonderd zijn hier uw ouden commandant te zien en nog meer wanneer ik je alles verteld zal hebben. Op den dag dat ik met de anderen naar Mansilla ging om de paarden en ezels te verkoopen, ontmoetten wij den zoon van den corregidor van Leon met vier welgewapende en bereden mannen achter zijn karos. Wij deden twee van zijn lieden in het zand bijten, de twee anderen vluchtten. De koetsier, die voor zijn meester vreesde, riep ons toen smeekend toe: "Och lieve heeren, dood toch in hemelsnaam niet den eenigen zoon van den corregidor van Leon." Deze woorden verzachtten mijne kameraden niet, zij wakkerden integendeel hunne woede aan. "Mijne heeren," zei een van hen, "laten wij den zoon van onzen grootsten vijand niet doen ontsnappen. Hoeveel mannen van ons beroep heeft zijn vader niet doen sterven. Laten wij hen wreken." Ik hield hen echter tegen. "Houd op!" zeide ik, "waarom zullen wij noodeloos bloed vergieten? Laten wij ons tevreden stellen met zijn beurs. Daar hij geen weerstand biedt, zou het barbaarsch zijn hem te vermoorden. Bovendien is hij niet verantwoordelijk voor zijn vader, en zijn vader doet alleen zijn plicht als hij ons ter dood veroordeelt, evenals wij den onze doen door den reizigers hun goed af te nemen."

Mijn tusschenkomst was niet zonder nut. Wij namen alleen zijn beurs en verkochten de paarden van de twee gedoode heeren met de andere. Den volgenden morgen waren wij niet weinig verrast den val leeg te vinden en nog meer toen wij Leonarda gebonden in de keuken vonden. Wij bewonderden je, zoo goed als je ons met je koliek bedot had en we vergaven het je om den goeden streek, dien je ons geleverd had.

Toen wij vijf dagen later het bosch ingingen, werden wij overvallen door drie afdeelingen boogschutters, die ons schenen op te wachten. Onze luitenant en twee anderen werden gedood en ik en twee van onze mannen zoo nauw omsingeld, dat we gevangen werden genomen. Terwijl wij naar Leon gebracht werden, ging men tevens onze schuilplaats vernielen, die op de volgende wijze ontdekt was. Op den morgen van je vlucht bemerkte een boer uit Luceno bij toeval het luik, dat je niet neergeslagen hadt. Hij vermoedde, dat dat onze schuilplaats was en ging naar Leon om zijne ontdekking aan den corregidor mee te deelen, wien dit des te meer genoegen deed nu zijn zoon door ons was bestolen. Deze rechter zond drie brigades uit om ons te vatten en de boer was hun gids.

Mijn aankomst in Léon was een groot schouwspel voor de inwoners. Als ik een gevangen generaal was geweest, dan had men niet harder kunnen loopen om mij te zien. "Daar is die beruchte kapitein," riep men, "de schrik van onze buurt! Hij verdient gevierendeeld te worden evenals zijne kameraden." Men bracht ons voor den corregidor, die begon met ons te beleedigen. "Wel, schurk," zeide hij, "de hemel, die uwe misdaden moede is, levert u aan mijne rechtvaardigheid over." "Mijnheer," antwoordde ik, "al heb ik tal van misdaden begaan, dan heb ik toch niet den dood van uw eenigen zoon op mijn geweten; daarvoor behoort ge mij erkentelijk te zijn." "Ellendeling," riep hij uit, "met lieden van uw slag moet men oppassen edelmoedig te zijn! En al wilde ik u redden, dan zou mijn plicht het nog verbieden." Daarop liet hij ons opsluiten in een hok, waar hij mijne kameraden niet lang liet smachten. Drie dagen later werden zij er uitgehaald om een tragische rol te spelen op het marktplein. Ik bleef drie volle weken in de gevangenis. Ik dacht, dat men mijn terechtstelling slechts uitstelde om ze des te verschrikkelijker te doen zijn en ik bereidde mij voor op een geheel nieuwe wijze te worden gedood, toen de corregidor mij bij zich liet brengen. "Hoor uw vonnis," zeide hij, "gij zijt vrij. Zonder u zou mijn eenige zoon vermoord zijn. Als vader heb ik dien dienst willen erkennen en daar ik als rechter u niet kon vrijspreken, heb ik te uwen gunste naar het hof geschreven; ik heb genade voor u gevraagd en verkregen. Ga dus. Maar," voegde hij erbij, "maak gebruik van deze gelukkige gebeurtenis. Keer in tot u zelven en verlaat voor altijd het rooversberoep."

Deze woorden troffen mij en ik ging naar Madrid in het besluit daar kalm te gaan leven. Ik vond mijn ouders gestorven en mijn erfenis in handen van een ouden bloedverwant, die mij er rekenschap van heeft gegeven, gelijk alle voogden doen. Ik heb niet meer dan drie duizend dukaten uit zijn handen kunnen krijgen, wat niet het vierde deel is van mijn goed. Maar wat kon ik er aan doen? Ik zou er niets mede winnen herrie te maken. Om de ledigheid te vermijden, heb ik een plaats van alguazil gekocht, welk beroep ik uitoefen alsof ik mijn geheele leven niets anders had gedaan. Maar het bevalt mij niet bijster; men moet al te voorzichtig en geheimzinnig te werk gaan; men kan er alleen stilletjes en schrander in bedriegen. Ik betreur mijn oude beroep. Ik beken dat hier meer zekerheid is, maar er is meer genoegen in het oude en ik houd van de vrijheid. Ik heb wel lust om me van mijn betrekking te ontdoen en op een mooien dag naar de bergen aan den oever van den Taag te gaan. Ik weet dat daar een schuilplaats is door een troep Cataloniërs bewoond. Als gij mee wilt gaan, zullen wij hun aantal vermeerderen. Wel, hebt gij lust mij te volgen?"

"Iedereen heeft zijn neigingen," zeide ik tegen Rolando; "gij zijt geboren voor gewaagde ondernemingen en ik voor een kalm en rustig leven." "Ik begrijp je," viel hij mij in de rede, "de dame die gij hebt ontvoerd, heeft uw hart nog in bezit en ongetwijfeld leidt ge met haar dat kalme en rustige leven, waarvan gij zoo houdt. Beken maar, mijnheer Gil Blas, dat gij haar in haar meubelen hebt gezet en dat ge samen leeft van de pistolen, die gij van ons hebt meegenomen."

Ik zeide hem dat hij het mis had en dat ik hem onder het eten de geschiedenis van de dame zou vertellen, wat ik dan ook deed. Na het maal kwam hij nog eens op de Cataloniërs terug. Maar toen hij zag, dat hij mij niet kon overhalen, veranderde hij eensklaps en op trotschen toon voegde hij mij toe: "Daar gij zoo laag zijt om de voorkeur te geven aan uw dienstbaren staat boven de eer deel uit te maken van een troep dappere mannen, zoo laat ik u over aan uwe neigingen. Maar onthoud wat ik u zeggen zal: Vergeet dat ge mij vandaag ontmoet hebt en spreek nooit over mij, want als ik hoor, dat gij mij in uw gesprek mengt.... gij kent mij en ik zeg niets meer." Hierop riep hij den waard, betaalde en wij gingen heen.

HOOFDSTUK III

Gil Blas verlaat don Bernard de Castil Blazo en komt bij een saletjonker.

Toen wij de kroeg uitgingen en afscheid van elkander namen, ging mijn meester voorbij. Hij zag mij en ik bemerkte, dat hij meer dan eens den kapitein aankeek. Ik meende dat het hem verbaasde mij met zoo iemand te ontmoeten. Zeker is het dat het voorkomen van Rolando niet in zijn gunst was. Hij was een zeer grooten man met een lang gezicht en een neus als een papegaai en hoewel hij er niet kwaad uitzag, maakte hij toch den indruk een schelm te zijn.

Ik had mij in mijne vermoedens niet vergist. Des avonds sprak don Bernard telkens over den man dien hij bij mij gezien had en hij zou graag alles beloofd hebben wat ik van hem had kunnen zeggen als ik had durven praten, "Gil Blas," vroeg hij, "wie is die groote grijpvogel, met wien ik je gezien heb?" Ik antwoordde dat het een alguazil was en ik verbeeldde mij, dat hij daarmee tevreden was en het er bij zou laten, maar hij deed nog vele andere vragen en daar ik er door in de war geraakte daar ik mij de bedreigingen van Rolando herinnerde, brak hij eensklaps het gesprek af en ging naar bed. Toen ik den volgenden morgen mijn gewonen dienst had gedaan, gaf hij mij zes dukaten inplaats van zes realen en zeide: "Dit mijn vriend, geef ik je voor diensten, die je me tot heden bewezen hebt. Ga een andere betrekking zoeken, ik kan geen knecht gebruiken, die zulke mooie kennissen heeft." Het viel mij in hem te zeggen dat ik dien alguazil kende uit den tijd dat ik dokter in Valladolid was en dat ik hem wel eens geneesmiddelen had voorgeschreven. "Zeer goed," zei mijn meester, "dat is prachtig bedacht, maar dat had je mij gisteren moeten zeggen inplaats van in de war te raken." "Mijnheer," antwoordde ik, "ik dorst u dat niet te zeggen uit zuivere discretie!" "Mijn jongen, ik dacht niet dat je zoo geslepen was, ga nu heen, ik geef je je congé, een jongmensch dat met alguazils omgaat, is niet in mijn smaak."

Ik ging dadelijk aan Melendez deze slechte tijding meedeelen, die om mij te troosten, beloofde mij in een beter huis te doen treden. Een paar dagen later zeide hij mij werkelijk:

"Gil Blas, mijn waarde vriend, ge hebt zeker niet gedroomd van het geluk dat ik je ga aankondigen. Gij zult het aangenaamste baantje van de wereld krijgen. Ik zal je brengen bij don Mathias de Silva. Deze Mathias de Silva is wat men noemt een saletjonker. De intendant van don Mathias, ging hij voort, is een intieme vriend van mij. Wij zullen hem een bezoek gaan brengen. Hij zal je zelf aan zijn heer voorstellen en gij kunt er op rekenen, dat hij je om mij pleizier te doen met veel égards zal behandelen." Onderweg vertelde hij mij dat de intendant een man van niets was, die rijk was geworden van het geld van twee geruïneerde families, waarbij hij intendant was geweest. "Ik waarschuw je, dat hij verschrikkelijk ijdel is: hij ziet graag de andere bedienden voor hem buigen als knipmessen. Regel je dus daarnaar, Gil Blas, maak eerst het hof aan mijnheer Rodriguez, den intendant, en doe alles om hem te behagen. Zijn vriendschap zal je van veel nut zijn en als ge slim genoeg zijt om zijn vertrouwen te winnen, dan zou hij je nog wel eens een aardig beentje te kluiven kunnen geven. Hij heeft er zooveel! Don Mathias is een jongmensch, die alleen aan plezier denkt en die niet het minste weten wil van zijn eigen zaken. Welk een prachtig huis voor een intendant!"