De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"

Part 9

Chapter 93,860 wordsPublic domain

"Ja"--zeg ik weer--"wie sta, zie toe dat hij niet valt."

"Daar die mensche erg vroom ware, koesterde ze een diep meelije met mijn. Daarom heb ik hullie me kiste in late pakke met die adresse op me eige naam, bureau restant Anvers. Maar dat gèld nam ik er netuurlijk zèlf eerst uit: f 11.422 zonder dat zullie 't zagge. En toe' vroeg ik wat ik haar schuldig was.

"De cente, die u thans nog in je zak heb, zal je wel noodig hebbe om te ontkomme; daarom geve we je de penninge, dat je ons schuldig ben, in naam van Jezus Christus cadeau.--Zorg alleenig dat je uit de gevangenis blijft!"--Waarop ik huilende wegging en die vrouw omarmde ...

"Ja, want ik was óók niet heelegaar brandschoon, omrede ik onder de weg en in dat café, waar me educans maar wit-bestorve zatte te knijpe, tot hede drie-en-twintig kejakkies genome had, en maar niet dronke kon worde, zooas die zenuwe inwendig trokke. En in 't bewuste koffiehuis hebbe me toe' ook nog 't een en ander verteerd, zoodat we wel rijtuige hoorde voorbijrije, maar niet wetede dat dat om òns was begonne. Waarop ik die koffiehuishouwer betaalde èn 'm voor ze weldaad honderd gulde wou geve. Maar nee--zei die edele man--"geef die dan maar an me dochtertje, die, as Katteliek zijnde, 't andere jaar toch d'r eerste kemunie mot doen." Zoo ginge me dus die plaas op, bestege onze gereedstaande rosse, en reje in 't holst van de nacht die weg na Thole op.

"Die pont, die je daar heb, stakke we over te paard, en an de eerste tol, die dicht was--óók verraje werk--schreeuwde mijn eerste vleugeladjedant om de tolbaas ... toe daar p'rdoes vier heere met hooge hoeje uitspronge: de president van de rechtbank uit Zierikzee, met de substituut, de officier uit Middelburg, en een ander, die ik niet kon. Maar de eerste kwam na mijn toe, en: "Eksjellentie"--zeit ie--"stijgt van uws paard, want ik wou wel 'n paar woorde met je verwissele." Waarop ondergeteekede, zooas je wel begrijpe kan, netuurlekerwijs wel lont rook, van ze paard af klom, dat vastgehouwe wier door 'n man met róóje baard, en me laaste bevele gaf an me staf. Toe zeit hij: "in naam des Konings zijt gij mijn arrestant, want ge zijt niet de baron v. T. v. S., maar Racier, de vroegere doofstomme marskramer,"--'t welk doende hij zijn rooje sjerp vertoonde an mijn.

"Nou--gedane zake neme geen keer, hè?--en achter dat tolhuissie stinge 'n antal van na mijn schatting wel 15 à 16 veldwachters, dus ik antwoordde nederig: "edelachtbare heere president èn rechters, ik ben geknipt en 'k zal volgaarne meegaan, maar om de nagedachtenis van me edele moeder smeek ik genadig of we 't altemet niet zonder geleië van die heere veldwachters af zouwe magge, want--hoe diep ook gedaald zijnde as atheïst, het 'n mensch toch nog z'n schaamte en eergevoel".--Waarop die officier zijn orders gaf dat die openbare macht kon verdwijne, en ik mèt me staf en van die justitie z'n tegenwoordigheid vereerd, in 'n rijtuig met twéé paarde ... na 't huis van bewaring in Middelburg wier overgebracht ..."

Snikkend, met z'n zwerverskop schokkend in die lange dorre handen, kon Racier nog enkel maar uitbrengen: "... voor 't eerst ... na twee en 'alf jaar ... en drie dage ... van de alder'oogste eerbewijzing ... zonder ... lakei ... op die bok ...!"

HOOFDSTUK XVII.

"Om vijf menute voor twaalve op de klok van de kerk wiere we daar toe weer in 't huis van bewaring dichtgegrendeld,"--verzuchtte de vagebond.--"En die eerste zeve, acht dage heb 'k geen brok geëte, geen spoog water door me opgekropte keel kanne spoele, daar in dat akelige celletje weer ... Ja, na altijd zukke groote gastmale: je kucchie roggebrood, en alles mondjesmaat,--as je van zooveel oplichtinge geleefd heb en gemorke dat er geen bokking zoo mager is, of je braait er nog vet uit! Van die mest alleen wiere die varkes ommers vaam-dik!

"En ze hadde mijn vanzelfs medeen die duzende guldes afgenome, zoodat er zelfs geen sprake was van nog 's 'n witte boteram, laat staan 'n stukkie Edammer, uit de kantien. 'k Vroeg dus derec, om wat te magge verdiene, of 'k touw moch' gaan pluize,--da's van dat teertouw; maak je 'n zeven-en-halve cent in de week mee, maar dan mot je nog vlùg zijn,--met je wit-geworde generaalshande,... vrekskuus, eksjellentie!

"Maar dagelijks ha'k 't vertier van uit dat sardine-blikkie te worde gepulkt, om met me staf voor de extructie te komme. De achste dag hadde me zoo same van haver tot gort alles bekend, en vroeg 'k of me nou dan ook gemeenschappelijk mogge gaan zitte. En zoo ware ze óók niet, of dat mog. En toe krege me beter werk, benne me koffieboone gaan zifte. En dat deelde me same. 'n Vijftien cente per dag,--konne me direc 'n hompie witte en kaas late komme ... Nou, netuurlijk, je weet van te vore: as je gesnord ben, is 't met je vrijigheid en dat hartelijke bikke gedaan,--dus zoo beschouwd hadde we 't nog niet eens zoo beroerd.

"Want dat vertier hieuw maar an: negen-en-tachetig dage duurde die extructie, van tiene tot viere, in 't bijzijn van alle getuige, die we hadde opgelicht: honderd twee en tachetig á sjars en dissjars--och màn, zoo'n fijn stel, van die hoogste aristokraassie, en met wat 'n belabberd verbouwereerde facies keke die grave en baronne, die gouwe torre en edelvrouwe van vroeger ons toch allegaar an.--Uitgezonderd die dage van andere extructies, want dan duurde die kemedie van ons maar van tiene tot twaalf.--Of 'k er lol in had?--chriseneziele mot ge vráge--en nòg, in me bed, a'k er om leg te denke.

"Toe kwam die terechtzitting. 'k Had droppels van de dokter, en nog 'n flesschie mee in me zak voor die zaal, omda 'k zoo beefde en niet van me tremetane zou gaan. Maar er ware nog twee zake vóór ons an de beurt, 'n inbraak met diefstal, en 'n schennis van die eerbaarheid op de publieke weg, waar 'k veel afleiding bij had, en veel van geleerd heb, omdat 'k uit die getuigekamer, die ope sting, van allegaar kon hoore wat of dat was.

"A' wij daarop die zaal wiere binnegebracht, zei dat opebare minnesterie: "nou zulle me beginne met die zaak van Racier". Waarop die gedetineerde mot recht staan, en de president vraagt: "Hoe is uws naam?--Waar ben je gebore?--wat je beroep?" en "nou mot u maar andachtig luistere na wat dat opebare minnesterie uwe ten laste zal legge".--Dan zeg ie: "Dank u, edelachtbare heere president èn rechters", en mag je gaan zitte, as hij dat heele prottekol van je voorleest.

"Nou, d'r stinge daar wel 'n paar honderd man op die peblieke tribune toe te schouwe na mijn--'t was effe geen dramma!--en dan ha' je 'r twee-en-veertig bezette plaasse, maar daar mot je voor betale, want die dáár gaan zitte, zijn van de alderhoogste adel, die graag van misdade houwe en brandend nieuwsgierig om mijn as beruchte generaal met d'r lijfelijke ooge te anschouwe. De fijnste mokkels met gekapte hoofde ware er bij--krek de kemedie, en ik de gróóte rol zooas Bouwmeester ze speelt, onze Lewie!

"Is dat zoo?"--zeit die president dan weer, as dat openbare minnesterie je slag bloot het geleid voor die zaal. Nou, ik had me heele dramma op eigehandig schrift vóór mijn legge, net as die a'vecaat-prokkereur z'n pleidooi. En die kiste van mijn, met me goed, ware óók vier of vijf dage na me arrestaassie uit Antwerpe na dat parket gesjouwd, en vergezeld van 'n rechter in mijn bijzijn uitgepakt door tusschekomst van dat openbare minnesterie, mèt die vent, die aldoor met die kwaste rondloopt. En toe stootte die eene rechter ze maat naast 'm an, en die zei, of die uniforme en polletieke allegaar van mijn ware, waarop ik ze stuk voor stuk nauwkeurig bekeek en alles mijn eigedom erkende. De pruike mèt baard ware nieuw angeschaft voor de fenancië van dat rijk, en lagge voor de president op tafel.

"Maar of 'k nog wat had an te merke?--"Nee, edelachtbare heere president èn rechters, wat die te laste legging anbetreft". Waarop die ofcier heel die scène afleesde van zeker anderhalf uur lang, en zei: "me hebbe hier te doen met 'n barre recidivist, die de koning van de oplichters is?"--Ja man, dat zei die van mijn!!

"Toe de markies: "Hoe is uws naam?"--"Markies de Touard."--"Wil uwe dan maar andachtig luistere?", en zoo, net as strakkies,--"en hoe of u an Racier gekomme bent?"--"Zoo a'k an die rechter van instructie voorgegeve heb."--"Kò' j'm van vroeger?"--"Nee, edelachtbare",--en dat verdere smoesie--"want ik had net twaalf jaar in dat groote huis van Leeuwarde achter me rug. 'k Was gesjochte, en Racier had cente uit die erfenis van zijn beminde mama... Nou, en toe zei die an mijn: an azijn kan ommers niks meer zuur worde..."

"Zoo verliep 't met me tweede educan navenant.

"Waarop die eerste getuige, jhr. v. d. L. d. C., die luitenant-kolonel van de infanterie, waaran ik ommers in Middelburg met me staf me eerste eerediner met die edelvrouw van hem en z'n beeldschoone dochters en zoo had vereerd,--langs z'n neus weg miek, of de generaal alstemet in die antichambre niet z'n pakkie moch antrekke? En dat moch', door mijn erg onverschillig, met me pruik en me baard door die kapper van 't gerecht na de laaste mode stiel Louis treize opgemaakt... En mèt da'k werom kom, gaat die deur ope, en daar komt mijn model in levende lijve binne, die echte generaal v. T. v. S., en staat angetreje vlak naast mijn, en 't was sprekend, met noch in houding, noch in gezicht, 'n spier verschil, of 'k me eige in de spiegel bekeek... Je hóórde ze rille op die peblieke tribune, en op de betaalde plaasse verschole die edelvrouwe d'r wit bestorve gezichte van schrik achter ... d'r éventails... dat ben waaiers, stiel ... Louis ... quatorze.

"Waarop die president vroeg an de generaal of tie mij kon.--"Edelachtbare heere president èn rechters"--zeit die--"'k heb de vent nooit gezien, maar 'k neem tóch me petje voor zijn af, daar z'n oplichting beliep twee-en half jaar en drie dage en hij eerste klas op de hoogte is van de milletaire dienst, zooda'k uw edelachtbaarheid vrindelijk verzoek an hem te vrage waar hij dat geleerd het, en in welke schole dat allegaar na die alderhoogste etikette genote?"

"Waarop ik 't milletaire saluut voor mijn spiegelbeeld miek en zei, dat opvoeding niet in de lappe zit, maar wel in 't hoofd. Want dat ik daar net zoo goed sting as generaal as zijn eksjellentie, uitgezonderd enkel me dege, die voor de president op tafel lei.

"Herkent u hem ook?"--vroeg de president toe' an Jhr. v. d. L. de C., die uit 't diepst van z'n ontsteld gemoed antwoordde: "Ja, 't is twee druppels water van die voorgegeve generaal", en 't heele relaas vertelde, en asdat, met 'n schildwacht voor die poort, 'n elk mensch d'r in kon loope.

"Dat zeië ook die hotelhouwers. Maar de eene ze vrouw getuigde: "edelachtbare heere president èn rechters, nou ze allebei vóór me stane, kan 'k ze niet uit mekandere houwe, zooda 'k niet en meer durf getuige wie de eigelijke oplichter is, hij of hij ..."

"Zoo kwamme d'r honderd twee-en-tachetig getuige, die 't allegaar volhieuwe ... ja, en a'k weer in zoo'n piekfijne luierstoel bij jou haard zit, wor 'k nòg gek, want 'k had er toch ook van geleefd as zemajesteit Willem drie!

"Vijf weke en drie dage achter mekaar duurde die zaak, da'k aldoor die hééle rechtbank voor mijn alleenig gehad heb--enne ... nog twee dage.

"'s Middags ging 't kappitaal van de bezette plaasse de fijnste dejeuners-dinatoir gebruiken ... à la fourchette, en zat ik met me puissie roggebrood en me tas chocola-uit-de-lange-arm. Zij hadde d'r ànder hàlf uur an één stuk voor noodig!

"Maar 'k mork wel op, dat de rechters links en rechs van de president en de ofcier d'r lache amper in konne houwe om mijn rol. En 'k dacht: Racier, ouwe gladjanes, dat ziet er goed voor jouw uit.--Maar na dat getuigeverhoor kreeg de Markies de Touard twee maal een toeval, en wier ie door 'n officier van gezondheid weer bijgebrocht.--Van wie dat betaald is, weet ik tot hede nog niet. Maar wat die bediening angaat, was dat alles ... prima.

"Tot die president in eene zeit tege mijn: "Nou is dat woord an die verdediger; of Racier, doen je 't altemet zelfs?"--"Edelachtbare heere president èn rechters"--sting ik toe plechtig op--"as oud-recidivist en dus speciaal best met die maze van de wet bekend, heb 'k an die officier om die eer gevraagd die verdediging van m'n eige voor te magge drage." Waarop ik die verzachtende omstandighede anvoerde, van mijn standpunt as atheïst zijnde, en gevalle man ... och lieve God nog an toe, ajje dat 's gehoord had, zooas ze daaronder, allegaar, allegáár met tranende oogen mijn ankeke, in die hoogste vereering van menschelijk hartzeer om zoo'n diepe val, na zóó hooge zitting, en de gróóste eerbewijzing ...:

"Mijn edelachtbare heere-en-meesters ... in die alderhoogste rechte,--het gemoed, dèn spiegel der menschheid, waarin men gansch zijn leve ken terugzien, belast mijn met zwarighedes.--Mijn leve, dat nies is as éénen aaneenschakeling van ellende, arremoei, verdriet en misdade, gepaard met nog vele andere misdrijvinge en omstandighedes, doet mijn bij zekere klas van persone 'n anzien verschafte as uitschot der maatschappij,--nieteling in dèn samenleving.

"Nochtans, edelachtbare heere president èn rechters, gij, dat levend massa, gij die bezield ben met een edel gevoel en zacht karakter, begaafd met eenen uitstekende geleerdheid, gedenk een man, die an het visionisme lijdt.

"Menigmaal heb ik opgemorke, dat na 't verhaal van een klein gedeelte mijns levensloop den ongeletterden of bijgeloovigen mensche een afkeer voor mijn koesterde, as zijnde atheïst, mensche, dien ik anzien as ontaarde wezens wiens koerakter na het dierlijke overhelt.

"Edelachtbare heere president èn rechters, vergeef het een man as ik, rondzwervende rampzalige die ook alle uitvluchsels en omstandighedes der samenleving ken, volges mij zou uw sympethie, die uwe edelachtbaarhede mijn toekoesterde, min of meer uitgedoofd kanne zijn, en kan mijn inbeelde wat of daar anleiding toe geeft. Maar, gij, edelachtbaarhede, die mijn rol ken, vergeef mij de goedheid van mij af te smeke op mijn bloote knieje, steunende op uw edelmoedigheid, achtbare heere president èn rechters,--om mij niet verlate te late staan in mijn noodwendighede, en in te beelde dat ik nederig en goedhartig ben angaande mijn persoon, en ik de grooste voorliefde voor u koester, dat uw medelijdig oog zal nederzien op het rampzalige leve van mijn, as verlore zoon eener liefhebbende mama van edelen 'uize, die nooit 'n levesbaan mocht' bewandele van geluk en voorspoed, vertrapt weze a'k daar voor u staan, verstoote van iedereen ..."

"Me eige bepleite?... nou! 'k Zien kans om de ergste crimmenaliste te vermurwe,"--snakte hij uit--"en dat heit van kwart over twaalve tot elf menute voor viere an één stuk geduurd, da' je 'n speld in die rechtzaal kon late valle!... Dàt heet ik ... páárde-lef hebbe! En ze honge vàstgezoge an mijn bloedbleeke lippe ...

"Waarna die officier in woejende vaart overend sting, en z'n stoel 'n paar keer achteruit schoof,--"nou", zeit die veldwachter achter mijn nog, "as tie an z'n stoel schopt is tie kwaad, en dan krijg je 't onderste uit de kan"--en jewel hoor, daar begon ie te requireere voor alle feite, en besomde blauwweg voor die opebare tribune en dat betaalde publiek precies op ze duimpie hoeveel 'k as recidivist al an levesjare had verzete.--"Da's óók 'n schande!"--riep er nog 'n gesjochte jonge van de tribune.--"Ze magge de ziekte krijge!"--zei d'r een--"en als 't op is, ka' je nog meer krijge." Want z'n eisch was: twintig jare tuchthuisstraf voor mijn; twáálf jaar voor de markies, óók as recidivist zijnde, en dezelfde portie voor me tweede vleugel-adjudant, die ommers onder de ouwe wet óók al 's zes pond en acht ons op had geknapt.--Maar die gesluierde dame heb ik voor dat gerecht niet gezien. Hoogstwaarschijnlijk is zij dus, as mijn ouwe geliefde, betááld voor haar verraad ... Gedurende me daarop gevolgde ontslag heb ik 't heele land door-en-door gereze, èn België--met welk doel ik haar naspoorde neem 'k mee in me graf--maar nerges heb ik dat wijf meer ontmoet.

"Veertien dage hierna viel de uitspraak. Toe was die tribune zóó vol, en de grootheid zat temet op dat trappetje van die rechtbank. Maar ik verkeerde in zenuwachtige houding, en 'k had niks gegete;--enkel die druppeltjes van de dokter hieuwe mijn stijf, zóó zag ik tege die straftijd op. Tot dat lot viel as 'n molesteen op onz' nekke: allegaar twaalf jaar tuchthuis, en we onder geleide van drie veldwachters, an mekaar geboeid--omdat ze toetertijd in Middelburg nog geen cellewages hadde--over de straat na die Teerpakhuize werom gebracht wiere.--Maar onder de grooste kalmte, want wij ware geen moordenaars. En spreker het best opgemorke, dat ze voor zijn de hoogste achting koesterde--van de veldwachters af tot de president, van de gesjochte jonges op die publieke tribune tot an de adeldom van die gehuurde banke: en twee en twintig pakkies tabak hadde ze voor mijn op de plee geleid en zoo maar in me zakke gestoke--wat de briggadier luikoogend toeliet ...

"Is dat effe jutte?"

HOOFDSTUK XVIII.

"Och ja; en hoe gaat dat dan verder, hé?"--veronderstelde Racier als oud-vertrouwde gevangenisklant vanzelf ook bij mij dat laatste bedrijf van zijn dramma wel-bekend. 't Scheen hem de moeite van het vertellen nauwelijks meer waard.

Hij was weer kalm geworden en heel goedmoedig. Behagelijk lag hij in mijn leunstoel en verkneuterde zich aan den gloed van 't vuur. De passie was uitgelaaid, en nu rustte hij, bevredigd. Blijkbaar verlucht dat de wonderbaarlijkheden af-verzonnen waren en hij zich dezen morgen niet meer zoo moeizaam hoefde op te winden tot het bloed jagend klopte door zijn roode hoofd. Want daartoe moest hij zich telkens weer eerst forceeren. Dàn pas kwamen de verbeeldingen van zèlf, en voerden hem rusteloos mee, verder en verder naar die afmattende extase, waarin hij zichzelf zoo ontroerend welsprekend hoorde, zoo triomfantelijk zich zag verheffen als een vreemden andere, als een duizeling-wekkend hóóge, als een held, om eigen knieën voor te buigen, om eigen lange zwervers-armen fanatiek naar uit te strekken, en te schreien, te snikken om zoo wrééde verguizing,--de vuisten te ballen in rossen haat tegen de ongerechtigheid van heel 't menschdom.

Maar dat was nu allemaal uitgetierd en weer bezonken tot een weldadig weeke rust. Hij had zijn rol zoo overwèldigend geleefd, dat ie er nóg slap vermoeid van zat en gansch voldaan. Een edele zelf-voldoening, bewustzijn van eigen grootmenschelijkheid, dat, over alle ijdelheid heen, weer eenvoudig en gelaten is geworden, met een goedertieren glimlach om den mond. Want hij had nu een stil behagen in mijn toch wel onnoozel meegeloof. In mijn goedig-voorkomende, zorgzame aandacht voor hem, en dat ik 'm zoo trouwhartig onbenullig nam naar zijn woord,--hem, den vagebond toch maar, den door de wereld dan toch diep verachten recidivist, den oplichter, die zich altijd schichtig bespied en nagespeurd waande, den overal geschuwden schooier, daar intiem op mijn kamer, in mijn gemakkelijken stoel aan den haard, waar hij de eene sigaar na de andere opblies....

En alle vrees voorbij van te worden betrapt op wat hij verzon in weer die wonderlijk onbedwingbare agitatie, waaruit de verbeeldingen kwamen, veel gloeiend reëeler dan de vale werkelijkheid van zijn zwerversbestaan--hij keek er mij verholen telkens op aan, kwasi argeloos en zoetsappig, wat een valschen trek gaf in zijn gezicht. Maar nee, hij zag aan mij geen spoor van twijfel. En dat ontspande hem dan volkomen, stemde 'm opeens soms warm genegen, als 'n vader voor zijn kind, wanneer hij een wondersprookje verteld heeft, en de schampere lach uit eigen levenservaring wordt beschamend verteederd door het onschuldige kinder-vertrouwen.... Tot ik dan weer in zijn oogen, die naar de vlammen tuurden, looze gedachten zag glunderen, en dat sluwe glimmertje lichten, waardoor zijn even loenzende tronie wel bar ongunstig werd.

Met dit al was hij rustig monter gestemd, en zoo redeneerde hij gemoedelijk weg en ongekunsteld over de dingen die hem nu eenmaal gemeenzaam zijn,--over z'n slaapstee, en 'n vent daar, dien ie vannacht had zien zitten munten: "Nou, slapen dee' ie toch nooit; 's even indommelen, dan weer wakker, altijd zoo gejaagd en van alles schrikken. Maar die valsche munter dàcht dat de generaal sliep, tot ie 'm 's morgens ineens door die reetjes van z'n lampies had zien kijken. Hij had enkel gezeid: "wie mijn verraait, kost 't z'n leven!"--Nou, dat doen ik tòch niet,--ben je ommers 't recht kwijt van je vrinde. En van de honderd misdadigers ken ik er negen-en-negetig speciaal,--alleen al uit de bajes netuurlijk ...

"A'k dan maar 'n celletje heb met vanbove 'n inzicht in de natuur.... Want dat groen, dat bevalt mijn. En 'n lap lucht kan je zoo zoetjes en zachies in prakkezeere ... Daar in Scheveninge, a'k dan op me krukkie ging staan, keek ik zóó over de duine in zee... Och man, en bij donder en bliksem maar over die koekoek heen hange,--want voor 'n gesjochte jonge is er ommers tòch geen nood... En ... atheïste kenne geen angst!

"Ja.... daar in Scheveninge, da's nou mijn Kurhaus. Ik heb 't inspres gevraagd, toe' na me rol van generaal, of 'k assiblief daar weer me tijd op moch' knappe, en die vijf jaartjes viele me d'r niet eens zoo schrikkelijk lang. Nee, want ik sting er van ouds in de kas, en ..."

--Vijf jaar?"--vroeg ik--"en jullie waren allemaal tot twaalf jaar veroordeeld?"

"Hè man, wa' ben jij toch ongedurig!"--viel hij toen kregel uit. "Kà je dan nooit zoo 's lossies tege jou prate?... Maar affijn, gaat er nou dan ook op je gemakkie bij zitte, dan vertel ik je dat tooneelstuk van mijn medeen effe uit. Kan 't spel weer beginne!--Laa's zien, waar wazze me ook weer gebleve?... 't Spant jou, hè? Vin je 't schrikkelijk boeiend?... Maar wat d'r nou komt, daar is die hooge wereld en alles heelegaar uit, hoor ... Da's me natuur weer, om zoo te zegge,--de natuurstaat van die misdadige menschheid, zoo gezeid; en daar valt niet veel boeiends an te beleve.

"'k Hè je toch al gezeid van die twee-en-twintig pakkies tebak?--Nou dan, dat heele kappitaaltje kon 'k zoo binnesmokkele, omdat 'k altijd 'n goed gedrag an de dag leg, zoowel in dat huis van bewaring as in 't gróóte Huis. Daarom wordt ondergeteekede nooit gevisenteerd.--Dat pruimde ik dus, en deelde 'k netuurlijk onder de deke der liefde an mijn andere lotgenoote mee. Nou, nogal wiedas, die zagge mijn maar niet graag van de rechtbank terugroepe. A'k 'n groote eter geweest was, ha'k alle dag wel vijf porsies kenne krijge voor me tabak. Zóó dol is de gevange mensch daar toch op;--och jò, daar doen ze 'n moord voor.--Maar a'k pàs weer daar ben, dan eet en dan drink en dan slaap ik niet, alléén van dat smeulende dóórdenke.