De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"
Part 8
"Na afloop dee' de kolonel de meedeeling dat z'n jongste dochter jarig was, en daarom 'ieuw 'ij om tien uur een bal. Maar daar ondergeteekende fijn danse kan, en niet wist of z'n educans dat wel konne, werd dit door 'em nederig geweigerd.--Ja, netuurlijk, dat was ommers de eerste keer, en toevallig wazze we nooit met ons drieë na 'n gesjochte huppelzaak geweest, dus ondergeteekede was bàng voor z'n staf.
"Ik klee dus m'n eige vast an en wor vergezeld van man, vrouw en dochters en de mijn op dat oogeblik onbekende graaf v. P.--maar die heb ik later óók gevild, aggenebbiesj! Toe, bij 't afscheid, vraag ik me gast'eer of 'k nog 'n privé-gesprek onder vier ooge met 'm mag. Wat mijn toegestaan wier. En ik 'm meedeelde op dat oogeblik in verlege omstandig'ede te zijn, en in Middelburg geen bankier 'ebbende, vroeg of 'ij me voor drie dage niet kon 'elpe an f 2500.--Da's me éérste oplichting as generaal geweest.--Waarop 'ij antwoordde: "zijn eksjellentie, al wou je tien lappies van duzend 'ebbe," en over z'n brandkist ging en d'r vast twee uit'aalde en toe nog vijf blauwe rugge, met de vaste beweging erbij dat er nooit 'n kip na zou kraaië ...
"Ja, na zóó'n diner, en daar 'n paar cente nog bij,--a'k maar 'n gat zag, dan kroop ik d'r vandaag nòg zoo in. Want van die cente 'oefde we niet eens te gaan vrete--wat jou?--en in dat 'ôtel betaalde we tòch niet ... We gonge dus same in polletiek na 'n café eerste klas onder 't gebruik van wijn, rum, cognac en fijne segare,--en de netuur mag wete hoe, maar 's morges om nege uur wier ik weer wakker gemaakt door de 'ôtelouwer zelf, in zwarte rok,--die mijn me twee gekluste eiertjes brocht met 'n skeutje port, op 'n zilvere blad!--Die mot óók 'n paar spijkers hebbe--docht die vent--en die zal in De Haag wel met geen potlooië of kenijntjes 'oeve te loope."
HOOFDSTUK XV.
... En terwijl ik er hem dan maar verbaasd op zat aan te kijken, den ziekelijken fantast, zag ik 'm langzaam aan moe worden en weer versjofelen,--de hittige glorie dooven uit zijn lampjes en den klatergouden waan afglijden van z'n kale lompenstatie.
De triomfantelijke leugen, waaraan hij zich opwindt als 'n ander aan opium, aan drank,--die raakte nu weer uitgewerkt. De valsche schijn verschemerde voor z'n slap-geworden gezicht. Z'n vooze passie kòn niet meer;--en wat lag hij daar nu stumperig zwakjes in dien veel te wijden leunstoel weggezakt bij 't vuur.
Als in schitterende kleurtjes opgeblazen zeepbellen--dacht ik--die tot niets dan zoo'n troebel sopje verspatten en vergaan.--Als 'n ruiende, dood-verfomfaaide adelaar die in zijn dierentuinkooi zit te koekeloeren naar den triesten dag van over de achterbuurthuizen.--Zoo'n afgepafte zevenklapper, verweekt in de goot!--Tuberculeuse kermisleeuw met z'n steek nog op, na de glimmerlichte vertooning terug in zijn hok daar tusschen den rommel van de achtertent, als de morfine nog door soest.--'t Was 'n stumper,--zoo'n in de broeikas van zijn heete verbeelding tot overdadigen bloei getrokken plant, die dra weer verflenst hangt en al zijn bloemen laat vallen.--Weemoedig wrak van een als bark volbezeilde klomp, op drift geraakt en tegen den anderen wal aangekwakt.--Zoo'n doodmoe gepiaste hart-zieke clown, nu ie daar neerleit als 'n vod.
Van de koortsige verbeeldingen bleef enkel de inzinking na;--en daar zat hij nu, aan den haard weer kleumig schurkend in dien veel te langen, vaal-geschooiden ulster; z'n borst ingezonken, amechtig en stram door 't smerige leven, met uit de modderrafels van z'n broekspijp dien grammelen voet in beide handen gevat en pijnlijk befrutseld.
Z'n oogen zochten moe naar de staag vervlakkende fata-morgana aan zijn ... atheïstenhemel! Want al zijn overmoed, zijn felle durf was in die lange opgetogenheid weer opgestookt ... De Generaal--berooide bedelaar nu weer, schunnige armoedzaaier zonder fut,--de overal wat meewarig om zijn psychose bespotte ... "recidivist!"--och arme. Landlooper in onbenullige oplichterijtjes, zoo deerniswaardig grotesk van eigen heldenverbeelding, en als zoo'n half-sjoegen harlekijn met grollig eerbetoon omsolde "excellentie" onder de gesjochte jongens van 't gilde en de deerns in de slaapsteê ... En dan telkens maar weer om de stuntelige vergrijpen van zijn zielszieken waan in de cel opgesloten... Poovere sire in ongenade,--wat schuwden zijn straks nog zoo uitdagende oogen nu verlegen naar mij om,--weerloos goedig als van 'n verzworven hond, dien je in de warmte hebt genomen--: en of ik hem nou altemet dan tòch zou hebben doorgrond?
"Hoe vin je me rol?"--polste na 'n heele poos zwijgen die weer dor geworden bedelstem, terwijl er even 'n sluw vonkje opgloorde in zijn gedoofde lampjes. Hij vroeg 't aarzelend, en al vergoelijkend week, voor 't geval, dat ik 'm mocht hebben betrapt,--glimlachend alsof 't toch maar 'n onschuldig grapje was geweest, en da 'k er vooral niet boos om mocht worden. Maar toen 'k heel ernstig knikte, herleefde hij weer wat, omdat hij me dus wel waarlijk overdonderd had. En sterker herhaalde hij, hoewel nog schor en moe: "Ja, wat 'n rol, hè?... maar ik kan je dat netuurlijk niet allegaar zoo haarfijn verder vertelle, want die beweging het ... twee-en-een-half jaar en drie dage geduurd."
Maar alle overtuiging was uit 'm verzwakt. Dat dandieuse van straks, zooals ie, van de leuning overeind, fier rechtop zat, enorm hautain, met de borst gewelfd als in 'n ridderkuras, 't hoofd minzaam nijgend uit de statiekaros van mijn fauteuil;--en dan die verrukkelijke kranerie waarmee hij z'n enorme dalvers-pet heel even tusschen duim en vinger aan de klep rechtstandig van z'n hoofd kon lichten! Dat was alles immers even fel bezield, hartstochtelijk spel, tot in den edelen zwier van de sigaar-mèt-bandje naar zijn mond, en 't fattig lipgespitste rook-uitblazen. Dat was 'n strekken van zijn Don Quichotte-gestalte, hoog en hooger naar zijn steigerende verbeeldingen op, die steeds weidscher om zwierden in de aristocratische kringen van "die alderhoogste wèreld", boven mijn toch ook maar simpele burgerlijkheid uit.
Doch nu, afgemat als hij was, klonk er vermoeide gelatenheid in zijn stem, een nederig streven om zijn hooghartigheid jegens mij vooral weer goed te maken; een verlegenheid met dien vaak bevelenden toon van zijn extase, en dat hij me zoo laatdunkend de geheimenissen van "die etiquette onder de grootelui" had toegeduwd ...
Hij was onder 'n hoedje te vangen, terwijl ie nog maar zoowat voortstamelde en stotterde, telkens blozend bij àl te doorzichtige leugens, om 't verhaal aan 'n end te brengen--èn langzaam den gepasten overgang te vinden op 't ontvangen van mijn Kerstgaaf in zijn technisch uitgestoken bedelaarshand,--altijd min of meer penibele situatie, die hij zoo goed mogelijk pleegt te redden door zijn familiare lachje, en 't achteloos gebaar, waarmee hij 't geld dan zoo maar in den wijden, wijden zak van zijn dalles-dekker laat vallen, zonder 'n woord van dank.
Hij hortte en stootte dus moeizaam voort, 'n machteloos opfladderen van zijn vleugellam gevlogen verbeelding, met matte herhalingen, zonder verband,--als 'n stumperig uit zijn rol gevallen acteur. Maar nòg kon hij niet vermoeden in zijn hooge waan, dat ik 'm snapte;--'k aanvaardde immers àl zijn verzinsels sullig weg en naar de letter! Hij vindt mij een lummel--dat merk ik telkens--omdat ik 'm nooit tegenspreek en hem altijd heel belangstellend aanzie als 'n uiterst curieus object. Hij heeft 'n welbewuste minachting voor mijn ongewikstheid, al vindt ie in 't verschil van maatschappelijke positie--ach arme stumpers die wij daar allemaal zijn!--tòch wel 'n prikkel om mij z'n amice te noemen, en 'n gretig behagen om in 't verzorgder milieu van mijn werkkamer te vertoeven, van de slaapsteê, of, God weet, van onder de bruggen uit. Daar droogt ie dan weer 's heelemaal op en wordt warm tot in het gestremde merg van z'n gebeente. Ook waardeert hij precieuselijk onze geurige koffie en thee, en dan smullen zijn stiekeme oogen glunder aan de in 't frissche katoen geserreerde figuur onzer dienstmaagd, wanneer die hem "eigenhandig" zijn dampend kopje of wel het twaalf-uurtje brengt... Maar bovenal stemt de rust van zoo'n dag eens niet de onherbergzaam kille wereld in te hoeven zwerven hem biester kneuterig...
Zal ik 't hem nu aandoen, na zijn bravoerlijk paradeeren onder de grootheid--twee hoofdstukken lang voor uw verblufte oogen!--om hier den berooiden generaal van kort vóór zijn val te vertoonen, op slappe beenen van weelde-genoten, doorgezakt in de knieën, zijn "goud" zwart beslagen, z'n "eereborst" afgetakeld, z'n pet voor stille speurders stiekem over de oogen gedrukt en met den in de lorum geraakten staf sjegrijnig en knijperig sukkelend achter 'm aan?
't Wordt 'n desolate historie,--de generaal is zoo moe. Laat ik 'm liever 'n extraatje geven om eens ferm te schransen en lekker te gaan slapen in een frisch bed, dan kan ik 'm morgenochtend zijn oordeel vragen... Misschien dat hij er van nacht 'n minder smadelijk eind aan beleeft.
HOOFDSTUK XVI.
"Och ja"--zei de vagebond, nu meer op koel mededeelenden dan op beeldenden toon--"dat heeft toe' twee en half jaar en drie dage geduurd ... Maar godallemàchies zoo'n ròl!--Zoo kan ik me hand twee en dertig maal verdraaië, en as die rechtbank d'r achter komp, dan zeg 'k dat 't niet-en-waar is. O man, en allegaar zóó fijn geskreve, da' j't háást niet ken leze ..."
Ook stonden z'n h's er nu weer allemaal in, want 't was voorloopig erg nuchter en zakelijk:
"Zie je,"--vertelde hij--"want we ben daar toe' nog 'n week of drie gebleve, na 'k bij 't kappetaal 'n oplichterij had gedaan, groot ... vier duzend acht honderd gulde;--bij 't hóóge kappetaal! An de schatrijkste lui ging ik weer de komplemente brenge van die familiebetrekkinge in Indië,--die 'k van me levensdage nooit had gezien. Daar stuurde 'k dan me beletkaartjes an en wier afgehaald of gong er zelf per rijtuig heen, wier d'r heerlijk onthaald, terwijl ik de inwendige mensch nakeek of daar voor mijn wat viel te plukke bij geval,--om rede mijn bankier uit was, en van zu'k soort smoesies meer. Dusdanig leende ik overal duzend of vijftienhonderd gulde en dempte daar die putte van drie-, vier-, vijfhonderd mee. Zoodat ik as eerlijk man groote oplichtinge miek om de kleine te dekke. Maar hôtels en kleermakers betaalde ik nóóit;--da' was eenmaal Fransch en kon ondergeteekende zich dus niet an onttrekke ...
"Toe Middelburg af was gestroopt, trokke me dus na dat hotel Pays Bas in Utrecht,--met de éérste trein weg, in 'n éérste klas rijtuig, en daar er dan welderis andere passegiers inzitte, en ik in polletiek wel 's niet vermomd was,--want da's zwaar zoo'n pruik en baard--huurde ik voor mijn en me staf alleenig die hééle coupé effe af ... Nou en polletieke ha'k netuurlijk genog: op laast zeve, acht pakke, want wie vertrouwt er soms geen generaal?... Maar de kleermakers magge hierbij niet worde vermeld, om rede d'r nog in leve benne, die f 2500 op ondergeteekende's krijt hebbe staan.
"Ook ka' je zoo nagaan da'k bij me vertrek iedere bediende, van schoenpoeser tot kofferdrager af, 'n tientje gaf volgens die etiquette van de hoogste aristocraassie, en zoo wiere er voor mij vanzelfs diepe buiginge gemaakt in bijzijn van die verneuriede hotelhouwer ... An 't station schonk ik me koesier effe ... vijf en twintig gulde fooi.--"La' maar zitte." Goeiegenade noggetoe, nogal niks!
"Netuurlijk kreeg ik in Pays Bas me appartement weer bove die poort met vijf kamers, en vijf kelners wiere angenome voor mijn alleenig, angezien die bollebof nog nooit eerste klas slapers had gekamerd. Waarop ik speksie miek in de kazerne van "de Veld" en ik orders gaf an de dienstdoende kappitein Jhr. O., om de andere dag die stukke in die Maliebaan te gaan zette, om rede ik zelf 't commando uit wou voere.--Zeg?--nou! òf die ofciere in draf zatte, want ik zat op me schimmel, ree links en rechs met me educans, om te kijke of die kenonne in orde voor tijd van oorlog ware, en 't was allegaar oudroest.--Wat een deining!--Toe vergezelde ik zelf die heele stoet na de kazerne werom, waarop kapitein Jhr. O. mijn na 't hotel opgeleidde, waar me schilderhuis al sting en me wacht, en ik zoo maar de sierade van me borst afplukte, om kedo te doen an de ofciere d'r dames. En ik noodigde er verscheie uit van de veld en de mineurs bij mijn op 'n neutje ... sjampoepel, waar 'k op 't moment nòg wel 's effe zin an had ...
"Maar de zake mochte er niet onder lije, en vier dage later zat 'k alweer druk-op in me oplichterije. Zoo gauw ze uit Middelburg maande, seinde 'k: "Spectiereis, geduld"--werom ... Binne 'n groote zes weke ha'k ook hier me zestien miel geflescht ...
"To 'k twee dage voor ons vertrek 's alleenig in Wageninge gong neuze, waar 'n boezemvrind uit Brussel van mijn was gevestigd, en 'k dus me staf achterliet. Maar die ami-intime van mijn had me verniggeld, zooda'k langs die straat loop, en 'n groentevrouw an die deur van 'n eerste klas villa hoor vrage an die mevrouw: "heb u nog als maar geen tijding uit Indië gehad?"--Wat ondergeteekende achter z'n oor knoopte.
''k Gong dus 'n herreberg in--'k wil zegge: zoo'n groot café-restaurant à la carte, en liet me 'n kejakkie brenge mèt de Figaro, en hieuw die inspres onderstbove, want ik zat bijna in donker.--"Ka je dat averechs leze meheer?"--zeit me dat frommes achter die tapkast. "Ik kan rechs en links leze dame, a'k mijn bril maar heb of gouwe lornjet." Wat allegaar begonne was om kennismaking. Want: ik zoch iemand die d'r zoon as eerste-luitenant in Indië was. (Dat ha'k ommers van dat wijf an die groentewage gehoord.) Waarop zij zeit: "dan mot uwe zeve deure verder weze; daar het me man verleê week nog wijn gebracht, en toe' het die mevrouw gezeid: 't zou me wel duzend gulde waard zijn a'k maar tijding had."--"Zóó"--zeg ik--"noodig uws man dan uit om haar edele effe mijn eksjellentie's kaartje an te prizzeteere". Waarop ik na Utrecht werom ging, want ik most volges die etiquette eerst uitgenoodigd worde door die medam.
"En jawel hoor, klokke vier en twintig uur later kwam die brief. Die hotelhouwer most zich daarvoor natuurlijk eerst in gala kleeje, om die mijn te brenge, en anders miek 'k 'n standje--want 'k zat juist te dineere... En me ete, da's me heilige plicht voor 't in stand houwe van die menschheid. Altijd, en nòg. A'k vreet kan 'k bevoorbeeld ook nooit geen pelisie vele. Buite ben 'k pakbaar--da's volges de code civile. Maar a'k binne zit te bikke, dan kenne die klabakke eerst fesoendelijk d'r beurt afwachte,--to'k over die dake weg ben gespat. Wat jou?
"Recht is recht. En daar sting in die brief of z'n eksjellentie baron v. T. v. S. zoo goed wou weze na Wageninge bij die douairière over te komme, want 't was 'r wel d'r rechterarm waard, om tijding van d'r geliefde kroost te hoore.--Je mot me maar niet ankijke, nou; a'k dat vertel begin 'k amper te huile.--In geen vijf jaar had ze geen letter vernome!...
"Da's koffie"--zeg 'k tege me maats--"dan lawe medeen maar onze bagazie na Arnem in 't Zwijnshoofd brenge"--want die hotelhouwer hier wou àls maar die afrekening na mijn standplaas in Haarlem sture, wat ik voorgaf niet te wille wete voor me vrouw, van wege die vertering, die ik miek op grooste schaal,--en stapte zelf af in Wageninge met me staf. Hier wiere we door de grooste heer van 't gerecht gesalueerd.
"Te voet trokke we in optocht door die stad. Daar sting al 'n groot publiek in blije verwachting voor die deur en in de ronde. Lakeie in livrei hieuwe die orde en introduzeerde ons an mevrouw. Zij zat vergezeld met hare dochter--haar eenige troost die d'r nog overgebleve was,--en ontving ons allerminzaamst:
--Zijn eksjellentie, zou u mijn zoon nog herkenne in polletiek en in grand tenu?"--vroeg ze mijn, die doerak.--"Ik ben de almachtige God zoo dankbaar, dat de caféhouwer mijn meegedeeld heeft as dat er 'n generaal bij zijn geweest was, die weet had van mijn laaste kroost."
--Mevrouw douairière, 't is geen drie maande geleje dat ik nog met zijn edele uw zoon te paard heb gewandeld op Padang Pandjang ..."
--"Hier is mijn album",--zeit zij toe', waarmee ondergeteekende niet op ze gemak was, omrede hij de bewuste persoon natuurlijk nooit in de linke gehad had, en 't album twee-en-tachetig differente fotografies bevatte van allegaar dames en heere in polletiek.--Waarop ik dat eerste blad opende. En daar spreker dezes 'n premier klas fisolemie-kenner is, en in de petrette van de mannelijke tak geen millitair voorkomen zag, vestigde ik mijn aandacht op dat vijfde blad en leesde ik in die fisolemie: dit is een krijgsmanshouding. Waarop ik antwoordde met groot lef: "da's ie sprekend, maar as jonger".
--Daaran het zijn eksjellentie gelijk"--zuchtte die édele weduwvrouwe met trane van geluk over d'r wange. En ik 'm vervolges zes, zeve keere in polletiek d'r uithaalde uit 't zelfde fisolemie. Waarop ik mededeelde op dat oogeblik in benauwde omstandighede te verkeere, en niet durfde telegrafeere uit rede van de zenuwstaat van mijn vrouw de barones, die zij netuurlijk van anhuwelijking speciaal goed kon,--en of ze me altemet an geen f 1500 wou helpe.--"Volgaarne, eksjellentie"--zeit zij--"maar 'k hoef nooit 'n cent ervan weerom te hebbe, omrede uw familie daar te goed voor is, en uws dienst is met geen geld te betale."--Zoodat ik toe' diep geroerd beloofde an de menister van kolonië de bewuste gedetacheerde te late verhooge in die milletaire stand.
"Nou heb ik dus weer vijftienhonderd pop in me zak, en 't benne allegaar oplichterije. Dus ik vertrek, en blijd da'k van dat wijf af ben,--'k had zitte knijpe.--In Arnem staan netuurlijk weer die twee schilderhuize met de noodige schildwachte op mijn te wachte, want dat was al overal bekend.--En 't zelfde liedje. An de sergeant van 't piket gevraagd waar die generaal woonde van de gele rijers; waarop zij allemaal in de pesisie stinge, niet voor mijn polletieke pakkie, maar voor me borst met ridderorders.--Andere dag met me staf te paard op bezoek bij me mede-generaal. En toe me educan daar anbelde, zou z'n eksjellentie juist ook te paard stijge, waarvoor die deur geopend wier door 'n heereknecht in 't groen, met dito broek tot an ze kouse. Daaronder witte kouse met láge schoene stile Louis treize, alles na de hoogste etiquette voor zijn bewuste meester.
"Maar ik wou zien of hij zijn etiquette versting en bleef dus zitte. Hij bekeek mijn eerst en zei toe': "U ben 'n persoon om kennis te make." Nou legt die opvoeding van de dienst an mijn eige persoon. Waarop hij na achtere gaat, waar zijn paard sting met zijn ordonnans,--en 't de weet van mijn is, waar ik rije mot op mijn paard, dat as in oorlogstijd uit 'n schimmel bestond. Maar mijn educans volge mijn op vijftien pas. En toe' ik zag dat zijn ordonnans rechs van 'm reed, dee ik dat ook.--Ja, je mot geen knoopedraaier weze voor zoo'n rol!--"En z'n eksjellentie"--zeg ik--"u heb wellicht wel 's meer met een generaal uit rije geweest?"--Hoe vin je 'm, die kneep van mijn? Ja, want ik wou netuurlijk Velp welleris zien omdat daar óók nog zoo'n schatrijke douairière met 'n zoon in Indië zat, die ik effe gauw op twee lappies van duzend had geschat.--En toe ginge we weer ventre à terre door Arnem terug tot zijn huis, waarop ik afsteeg, en mijn eerekaartje afgaf met de vraag of ik spectie over die gele rijers make moch', wa'k er ... ja, krimmeneel bezonder heb afgebracht!--Maar da's lèf, hoor,--met 'n echte generaal,--en geeneen gesjochte jonge doet 't mijn na ... D'r is immers nog nóóit zoo'n rol gespeeld in ons land!
"Maar netuurlijk kan ik je niet al die oplichterije vertelle, want dat zou 'n roman worde, nog zeve maal dikker as de Bijbel ... en die drie maande in Arnem alleen heb 'k 'n duzend gulde of elf op de kop kanne tikke. Toe ben 'k effe na Utrecht gegaan om mijn hotel te betale,--'t eenigste wat ik in Nederland ooit betaald heb, en daarna heb ik incognito op gemeubeleerde kamers uit zitte blaze in De Haag, mijn geliefde residentieplaas. Dat kostte mijn daar, met me twee educans, an de Voorhout effe f 75 per week voor ameublement mèt pension--da's de kost. Ik heb er netuurlijk ook wel enkelde slaggies geslage, maar die hadde nie' veel te beduie: van één, twee, drie honderd gulde,--geen grand-tenu-somme; ka' je zoo nagaan, want ik werkte daar in polletiek, omdat er veels te veel gouwe torre rondkroele in die stad, met van die ouwe gehaaide verraai-generaals.
"Toe trok me hart weer na Zeeland terug, met name in Goes. We zworve daar dat land in de ronde, en bij de rijkste leende ik wat ik kon leene, al ware 't soms kleine kaptale, waarvan--ik bezweer je--'k nooit 'n cent terug heb betaald. En zoo kwamme we dan eindelijk in Berge op Zoom, die vuile ongeluksstad, waar je geeneens 'n 1e- of 2e-rangs logement had, zoodat we weer verplicht ware gestoffeerd te gaan wone, en hier trok ik alle dag met me staf in uniform door die strate, om dat wantrouwe niet op te wekke.
"Zoo loop ik, in polletiek, met me maats van Berge op 'n prachtige achtermiddag na Thole om te geniete van die natuur bij maanlicht,--waar ondergeteekende 'n speciale liefhebber van is,--as mij daar in ééne 'n beeldschoone dame in zwarte sluier tegekwam, en mijn enkel maar afvroeg: "Wat ben u gauw bevorderd, eksjellentie, u ben net zoo min generaal as ik kapiteinsvrouw".--Waarop ik heel skrikkelijk verschoot, en mijn vleugeladjudant, de Markies de Touard, die lijende was an de vallende ziekte, van de schrik een toeval miek.
"En zij zweeft door na' Berge op Zoom.--Waarop ik in 't naastbijgelege café om hulp vroeg voor me educan op te knappe, en 'n half uur privé met me collega's weze moch', voor 't geld dat 't kostte, onder 't nuttige van 'n dejeuner ... froid à la fourchette, bestaande uit brood, vleesch en koffie.
"Toe vroege die twee jonges an mijn: "Wat motte me nou beginne,--de kogel is door de kerk, en me benne verneuried?"
"Laat alles maar an mijn over"--zeg ik--"ik zal dat varke wel wassche.--Want in me jonge jare het die beeldschoone dame mijn haar liefde verklaard,--en daar het ze nou zeker 'n soort haat en nijd van gemaakt."--
"Ja man, nou vertel ik je de fijnste roman uit dat verrajersleve van die vrouwelijke seksie. Want een vrouw in zwarte sluier had er mondelings kennis van gegeve an de commissaris van politie en an die kazerne. Maar de justitie dorst mijn niet te arresteere, en dee dat over an de milletaire macht om da'lijk de valsche generaal te onteere... Nie minder dan vier, vijf patrouilles defileerde er heen en weer door die stad: sergeant, kopperaal met acht man, of luitenant, 'n eerste, 'n tweede, à tour de ròle. Maar daar was ondergeteekende zich niet van bewust. Dus ik gong na Berge terug.
"Onder de weg ontmoet ik 'n wachtmeester van de huzare, die mijn speciaal kon. Hij komt na me toe en zeit: "meheer, je mag wel oppasse, want ze loope patroulle om je te vatte. En dat zou mijn spijte, want je rol is te mooi."
"Daarop zijn we in dat koffiehuis de avond gaan zitte afwachte met verschillende consumsies. 't Bitterste was dat in Berge die paarde nog stinge van me eige: 'k had f 675 voor mijn schimmel gegeve en voor die twee andere f 550,--van kleine oplichterije netuurlijk betaald. Zoodat ik in die herberg eerst me pruik en baard afdee, en werp in die sloot, met modder, gras en zand d'r over. Maar 'k zat met de gelde nog in de zak van me kamgare pak, èn beige demi. Dus denk ik: 't eenige wat ik doen kan is die caféhouwer me heele rol te vertelle, waarop hij met me brief na' de stal is gegaan, de huur het betaald, en die paarde na dat café late brenge ... Wat netuurlijkerwijs 'n flater van mijn was ... Ja, da's de steek wat de spreker het late valle,--zooas 't de beste breisters vaak overkomt.
"Vervolges heb ik me persoonlijk alleen vervoegd in ons kosthuis--sluipenderwijs langs-achter die tuin, waar ik snikkend an die kostjuffrouw vroeg: "Mevrouw, ik bid u uit de Netuur of u mijn wil bescherme?"--"As 't me man goed is ...", zeit zij.--"Uws man zal voor mijn geen oogeblik van ze vrijheid motte misse".--Waarop die man miek: "Meheer, meheer, wat heb je nou uitgevoerd?"