De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal"

Part 3

Chapter 34,224 wordsPublic domain

"Daar kreeg ik toen kennis an. As ik bij mijn idees as atheïst bleef--zei die hooggeleerde--zou 'k 25, 30, 40 jaar in de gevangenis motte verblijve. En die knul het 'n voorzeggende geest gehad. Overal waar ik kom, wordt brood gebakke, maar voor mijn is t'r geen boo'schap bij. Wat 'n mensch opgelege is, dat ontgaat 'm niet. Mijn mama, die edele vrouwe, zei altijd: As je voor 'n kwartje gebore ben, krijg je nooit dertig cente ..."

HOOFDSTUK V.

Inmiddels was 't schilderij afgekomen en Racier weer in zijn gedalleste wereldje verdoold. Maar mijn herinnering aan den Don Quichottigen schooier bleek heel sterk, zóó, dat toen ik tijden later in Amsterdam familiaar werd aangefloten en niemand minder dan den hoogmoedigen zwerver wenkend achter mij zag--de eerste schrik aanstonds oversloeg in een onbedwingbaren lach.

Maar hij nam 't me niet kwalijk. Fier stond hij hoog boven mij uit, de lange kerel in den zwier van z'n verschooierde plunje. De trouwe dallesdekker, afgelegde ulster, die hij eens alsof 't een koningsmantel was, gracelijk van mij had aanvaard, hing nog altijd te wijd van z'n schouders af, en eenigszins opzichtig hield hij daaronderuit de fluweelen broek om z'n magere beenen te kijk. Zijn fanatieke gezicht was overschaduwd door den neergeslagen rand van een slap vilthoedje, dat ik ook nog wel meende te herkennen. Maar z'n rossige puntbaard was afgeschoren in de gevangenis, waar hij, naar ik later vernam, weer kortelings ontslagen was, na er opnieuw een oplichterijtje te hebben uitgezeten.

"Nou"--zei ie wijsgeerig gelaten--"as je straks klaar ben met lache ... Zie je, jij meent 't nie' kwaad, en je ben geen verrajer ... As je 'n gesjochte jonge an de galg wou helpe kon je anders je testament ook wel make ... Hoe gaat 't overigens met de kunstschilder, me kameraad? Al nie veel beter vak om alle dag van te ete dan boef, hè, die kunst? Maar zoo gedallest as ik ben ... niet om 't een of 't andere, hoor, want leene doe 'k nooit van 'n ami-intime ... 't Eenigste is, as je knap angekleed ben krijg je nog wel 'n goeie revolver, maar ons schorem geve ze 'n ding dat niet afgaat ... As je mijn maar begrijpt ..."

Nu ben ik uit den aard van mijn connecties niet wat men noemt "groosch". Maar, eerlijk gezegd, vond ik Racier, zooals die er nu uitzag, toch wel 'n èrg opzichtigen schooier voor een vertrouwelijk gesprek, staande in de pantoffelparade midden op de Leidschestraat. Want we hadden natuurlijk dadelijk een belangstellend publiekje om ons heen gekregen, en op een paar pas afstand had zich ook reeds een dienstijverige diender gepoot, wat aan de ontmoeting min of meer het intieme karakter benam. Dus stelde ik Racier voor om wat op te kuieren en zoo argeloos mogelijk leidde ik hem toen de eerste de beste dwarsstraat mee in, waar hij mij weldra in een gezelligen schaftkelder de eer van een hartig maal wilde aandoen. Want de kerel zag er schrikkelijk verhongerd uit. En toen, in die voldane na-den-eten-stemming, is zijn verbeelding weer aanstonds vaardig geworden, en heeft hij mij de stoutste variaties op zijn sjofele leven verder zitten vóórfantaseeren tot eigen oprechte ontroering.

Hij was nu heel week, de stumperige held, al hadden we heusch niets dan stikke-koffie gedronken. "As je me hart door kon snije"--zei hij met bevende lippen--"zou je zien hoe edel 't is. En ik zweer je, wáár ik tot me dood toe ook ben in de wereld: in Londen, Parijs of Monaco ... of weer in de lik!... jij krijgt me correspondentie. Me mama en papa zijn tòch ommers dood. En wat mijn zwager voor een cadet is, za 'k je late leze"...

Toen morrelde hij uit een versleten zakportefeuille met veel vergeelde paperassen twee brieven te voorschijn ... "Mot je op je gemak bij gaan zitte, en je verstand bij gebruike."

Ik las halfluid, en hij luisterde gretig mee:

"Zwager Racier in de gevangenis te X.

"Vernemend, dat ge alweer waart, waar ge als man van Jaren niet meer had moeten komen, deed mij geen plijzier. Ge weet wie ik ben, en jij kunt toch nooit niet zeggen: Charles heeft mij slechte raad gegeven. Daar ik je al van jongeling zijnde heb leeren kennen. Gij waart toen 18 Jaren oud, dus circa 38 Jaar geleden. Waar is de tijd na toe gevlogen wanneer wij zoo eens evetjes achter ons zien, is het maar een schim. Wij hebben allen onze weg gegaan. Zoo we het beste dachten, naar ons eigen goeddunken, gij de uwe, ik de mijne, veel ondervonden, voor en tegenspoed, elk op zijne weg.

"Het doet mij leed dat ik niet mag schrijven op het adres zooals het zou moeten zijn, maar het is niet anders, en zoo ik verder verneem uit uw schrijven zijt ge het einde nabij ..."

"Wat?"--viel ik uit--"ben je zoo ziek geweest, Racier?"

Heel even kwam een rose blosje in z'n wangen op. Toen beheerschte hij zich weer, en zei: "Zoo sterk as 'n peerd, man!... Nou, hoe vin je die rol?"

"Had je dan aan je zwager geschreven, dat je ziek was?"

"Natuurlijk wel, toe 'k me verveelde, en wel 's graag een lettre intime wou ontvangen ... Lees nou maar voort ..."

"... en zoo ik verder verneem uit uw schrijven, zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend ..."

"Wàààt?... En je was zoo'n verstokt atheïst?"

"Nogal glad, hè ... Toe de domenee bij mijn wou komme in me cel, heb ik 'm er met dat driepikkertje, dat krukkie, weer uitgetimmerd. Maar de natuur, die anbid ik, en as 't dondert en bliksemt ga ik 't liefst over me koekoek hange om uit te kijke ... Hoe vin je nou die rol, da 'k allemaal an me zwager had geschreve?"

"... zijt ge het einde nabij, en hebt ge u met God verzoend, ik hoop en wensch dat ge ditmaal de waarheid schrijft, en nu zoudt ge u ook met ons willen verzoenen, ik weet niet wat ge daarmee bedoelt of zeggen wil. Wij uwe zuster en ik hebbe nooit eenige haat tegen je gekoesterd, als alleenlijk dat dat wij altijd op afstand moesten houden, omdat ge het er naar maakte, is het zoo niet? Dat is het eenige uitsluitsel wat wij tegenover uw gemaakt hebben, voor zoover als wij weten, anders hebben wij ons niet te verontschuldigen en nu in de hoop dat gij het tijdelijke met het eeuwige denkt te gaan verwisselen, wenschen wij uw niets meer of niets minder, dat je de oogen in vrede mag sluiten, en aan moogt zitten gelijk de moordenaar aan 't kruis op Golgotha aan de Regterhand van Hem, die geeft en neemt naar Zijn eeuwig welbehagen. Dit zij onze laatste bede voor uw, zuchtende ongelukkige van dit wereldrond. Van uwe nog tot heden toe liefhebbende zwager en zuster Charles en Marie."

Toen ik opkeek zag ik Racier voorovergebogen zitten; dikke tranen gleden langs zijn bleeke gezicht.

"Is het toch niet diep treurig"--snikte hij ineens uit--"dat 'n mensch zoo van de eene misdaad in de andere valt, en in 't spinhuis lag te sterve, zonder vader of moeder?... Op me bloote knieë heb ik gelege voor God's troon, en met opgeheve arme gebede: Heere vergeef 't hem ...!" Maar toen zag hij mijn verbaasde gezicht en verbouwereerd brak hij af: "Jij bent óók link .... Jij denkt: daar laat ie 'n steek valle, die verstokte atheïst ... Zie je, 'k vergeet telkens dat wij vrinde zijn, en da 'k voor jou niet me mooiste hoef voor te doen ... Lees nou maar verder, want er staat nog meer in: over me nà-latenschap ..."

Inderdaad, in een post-scriptum heette 't onder meer:

"Ge hebt ook gevraagd, waar het adres van uw nicht Dora is, voor het erfdeel. Ik zal dit opgeven, maar heb vooreerst daar nog iets over te zeggen, en dat is dit dat Dora niet je eenigste Nicht is, er zijn er nog, heb je daar nog wel eens over nagedacht dat de andere neven en nichten even na zijn, en je anders Jalousie verwekt, dat moogt ge ook niet doen. En nu Basta hier over, en nu wij hebben je nooit kwaad gewild, dat het gelukkig zou zijn dat je bij den Heer zou zijn."

"Lees maar voort"--viel de vagebond aanstonds in, om geen verderen uitleg te hoeven geven--"lees maar eerst voort, dien tweeden brief, en zeg me dan hoe ie is, die rol met me zwager?"--

"Zwager Jors!

"Uw laatste schrijven heb ik en de mijne in gezondheid ontvange, en daarmede vernome, als dat ge weer in de ziekenzaal ligt, zooals ge zegt, en met een bloedspuwing en daarbij een dubbele breuk, dus Jors, zijt ge nu voor altijd, als dat waar is, zoo lang ge nog te leve hebt, een man die niet veel meer in de pot te brokkelen hebt, wanneer je nog eens op vrije voeten moogt komen, want dan hebt ge geen krachten meer zooals een gewoon mensch die niets mankeert, want alles is dadelijk boven uwe magt. Ik schrijf dit zoo om rede ik weet met wie ik te doen heb, omdat ge me altijd schrijft dat ge zoo weinig schrijven van ons ontvangt, en ge al de brieven, die ik u toegezonden heb, altijd heb ontvangen. Dit weet ik van den Heer Directeur, die mij, nadat ik hem geschreven had, mij ten antwoord gaf, dat ge niet op sterven lag maar zeer gezond was, wat nu ook wel het geval zal zijn, en altijd uwe brieven gehad heeft. Maar ge begrijpt toch ook zeer goed, dat ik op al de flauwe praatjes, die er in uw schrijven voortkomen, geen antwoord op kan geven, daar het mij in 't geheel niet raakt, en ik nog zoo nu en dan de pen eens op neem om je te antwoorden. Je eigen broer laat zelfs niets van zich hooren. En dat Dora niet antwoord over de erfenis, die voor haar is, begrijp ik; die moet alles gestopt houden voor man en kinders, want die worden ook al groot vergeet dat niet. En dan nog zoo het een en ander ook over den predikant, die uw komt bezoeken, zooals ge zegt, en u veel troost in sterven geeft, en dat die gezegd heeft, dat hij op 40 jaren Predikant te zijn, nog nooit zulke hartvochtige menschen had ontmoet als wij door niet altijd te antwoorden. Maar hebt ge ook wel aan dien Eerwaarde al verteld, wat ge in die 38 jaar die ik u ken, al uitgevoerd hebt ten nadeele uwer overledene ouders en te meer nog uwer Moeder. Maar ik geloof dat de Predikant niet beter weet of ge zijt nog maar voor de eerste keer daar en dan kan ik aannemen dat hij alzoo spreekt en nu Basta hierover. En wil je me nu nog schrijven dat is goed maar verwacht niet meer dan 2 per jaar, die ik dan zal beantwoorden. Dat is correspondentie genoeg tusschen ons en u, dan weet ge toch zoo nu en dan hoe het ons gesteld is en wij weten dan meteen dat Jors nog leeft ja of Neen en waar hij zich bevind. En eindig nu na uw ook vast een goed jaar 1908 te hebben toegewenscht. Van geluk zal ik maar niet spreken, en wensch uw niets anders dan een goed jaar in de omstandigheden waarin ge u bevindt en teeken mij nu als altijd na groete van je zuster als ook van mijn

"Uw zwager Charles en Marie."

Maar Racier liet geen tijd om verder over die brieven te praten. Zenuwachtig joeg ie door met allerlei verwarde verhalen:

"Zoo generaal, hoe gaat 't met 't leven?" had gisteren immers nog een van de grootste inbrekers 'm aangeklampt. "Zaggies an"--had ie geantwoord--"maar bang nog niet voor de duivel."--"Mot je driemaal tikke"--had die ander gezeid. En zoo had ie 'm 't adres opgegeven van de dievensociëteit. "Hoef jij niet te zoeke"--keek de vagebond mij aan met dédain--"want dat vind je nooit as ordentelijk mensch. Toch kan je d'r dag en nacht van voren en van achteren in. Drie maal tikke. Vraagt zoo'n portier: "Kom jij pas uit de bajes, da'k jou nog nie kan?" Laat ik effe drie ontslagbrieve zien. Drie trappe af, loopt 't zoo deur onder de grond en van 's avonds tot 's morgens komt 't volk er binnen, zoowel van die vrouwen, die op de baan loope, as manne, die met de vijf ons kanne werke.

"De waardin is 'n weduwsvrouw, met een paar bootwerkers an de hand. Die zegt tegen mijn: "Wat ben jij voor 'n vent?" "'n Middelburger"--antwoord ik droog, en zij begrijpt mijn. Maar meteen vraag ik: "Zeg vrouw, wat kost hier dat slape?"--"'n Maffie. Maar mot jij niet ete?"--"Ete"--zeg ik--"da's werk voor 't groote kappitaal."--"Nou maar"--zeit zij--"dat gáát hier zoo niet; d'r mag hier niemand zonder ete na bed!"--"En 't lood dan?"--"Komt morge terecht; je durft toch ook wel 'n vinkie te lichte?"--Mot je zoo'n ouwe gepensionneerde hebbe as ik.

"Zie je, as je maar mee kan prate in een elk z'n taal en z'n zede, dan ben je in zu'k gezelschap ook gauw genog in. En as je nou lef heb, dan leg je twee kwartjes op tafel, en zeg je: "nou, mensch, da's nou me heele kappitaal, zal me maar opmake same"... Zegge zij: da's een toffe sjlemiel ...

"Je mot je immers in alle kringe kanne bewege! Zet mijn met een amazone te paard, of bij de duurste dames van dat vermaak an de tafel ... table d'hôte à prix fixe, vin de champagne demi-sec y compris ... en m'n aard van huis uit as zijnde le chevalier de Racier zal da'lijk weer bove komme. Maar daar raak je de teere snaar van wijle Papa en Mama, en 't ouderlijk 'uis chez nous à Paris, da'k nog altijd die "hache" niet uit kan spreke ... Want we woonde immers Boulevard des Italiens, quatre vingt dix, en as kind al speelde ik achter die Bastille ...

"La' me die bolleboffin nou nog 'n kom zweet commedeere, dan za 'k je dat allegaar haarfijn vertelle ..."

HOOFDSTUK VI.

En de vagebond vertelde met die schor-verschooiërde stem:

"Het huis an de Boulevard des Italiens numéro quat' vingt dix, waar papa en mama woonde met mijn, had natuurlijk zeve verdiepinge. Rez-de-chaussée woonde een coiffeur pour dames ... de premier ordre; op de tweede étage le président général van de Banque ... eh ... de l'Europe, en op de derde woonde papa. Je begrijpt, zoo'n huis van zeve verdiepinge, heelemaal van 't duurste blauwe hardsteen gebouwd, met ... marmel ingeleid èn graniet, en alles ... satijnhout van binne, dat was papa en mama te hol om alleenig in te wone, en dus voor de gezelligheid nam ze daar die andere amis bij in: le coiffeur-en-chef, le président supérieur, en al die verdere vrinden van de hoogste aristocratie van papa ... Zoo wàs mon père noble!

"Ik ga tòch nog 's kijke in Parijs of dat ouderhuis er nog staat, waar mijn dierbaarste kinderjare in zijn verslete ... Maar dan gaan ik vermomd, want as ik er kom, word ik opgepakt, en daar ben ik te dom voor. Zoodra ik om reisgeld telegrafeer, heb ik 't netuurlijk meteen. Na' Londòn óók, maar dan neem 'k me route over Harlinge met de koeieboot, om op 't vee te passe, want dan bè je voor ... vijf en twintig stuivers over ..."

"En hoe vermom je je dan, Racier?"--kwam ik 'm in 't gevlei.

"Wel, dan gaan ik eerst na onze residentieplaas, het vorstelijk 's Gravenhage--daar haal ik altijd mijn geest vandaan--en kijk precies na 't model van die generaals, die je daar uitgemonsterd ziet rondloope. Zoo heb ik daar direct de maat van, en koop me een dolman, rijbroek èn twee pantalons, beneves de kaplaarze. Om geen argwaan te koestere, doen ik die inkoope te ... Leischendam. Maar de garniture en goude kraag met passende vangsnoere koop ik in de Haag, alsmede de roode bieze voor in de pantalon. Natuurlijk gaan 'k in een ander magasin royal voor die pet met breede goude rand en een hoed met pluim voor grand tenu. Met de ridderordes en Kraton-medaille, expeditiekruize met twéé gepse, zal ik netuurlijk veel moeite hebbe, maar daar word ik an geholpe door tusschekomst van een vierde persoon te ... Rotterdam."

"Natuurlijk!--Maar vertel nu eens eerst verder van je kinderjaren in 't ouderlijk huis ..."

"Dat was netuurlijk allemaal speciaal eerste klas gemeubileerd ... alles rood fluweel ... couleur de rose, met een vleugelpiano, want papa was de grooste liefhebber van de muziek, ameublement d'acajou, gróóte canapé en de duurste schilderije van De Ruyter ..."

"De Ruyter?"

"Ja, waar verleê jaar immers nog al die feeste voor benne gevierd, toen ik in de lik zat;--daar had papa ... laa's zien, drie in 't salon, en drie in de huiskamer, en twee in de spreekkamer, en in de slaapkamers, de rookkamers, de salle à manger ..."

"De badkamer?"

"Zjuust, en, om kort te gaan, in alle compartimente had papa natuurlijk die schilderije late ophange van ... hoe heet die knul nou ook weer dat ze zonge? 'k Kon er die nachte in me cel nie eens van slape ... De Ruyter, De Ruyter-kilekile?--Lammeling, om 'n arme gevangene nog wakker te houwe ..."

"Racier--nou ben je toch leelijk aan 't warren. Bedoel je misschien ... Rembrandt?"

"Kilekile!! 't Was om stapelgek van te worde,"--vloog ie rood-aangeschoten op--"want 'k sliep tòch zoo beroerd, en net effe was je dan ingedommeld, of je schrok al weer wakker van dat getreiter ... En dan netuurlijk aldoor droome van pa's schilderije, waar die De Ruy ..., Rembrandt-kile, wil 'k zegge, de schoonste vrouwe op had uitgeschilderd. Want die Vrouwe ben natuurlijk de hoogste natuur; voor mijn ook ... Heb ik van kind af respect voor gehad. Net as papa. Die hieuw kolossaal van mama ...

"Mama was vanzelfs een ... Spaansche, beeldschoon, en in 't hôtel de Belvédère, waar zij rees met haar familie en dat bediende-personeel, had papa haar gezien. Sting immédiatement in vuur en vlam, en twee jaar daarna heeft ie ma geschaakt ... uit Madrid. Zij was ommers Roomsch, en hij van 't protestansche gloof. Maar behalve de Heilige Maagd, ging dat best same. En wij, me broer en me zuster en ik, wiere geloovig opgevoed, van bidde voor en na 't ete, met 't Onze Vader, en as we na bed ginge, wij kinderen, altijd 'n Wees gegroetje op z'n Fransch.

"Maar op school, in me kinderjare, was ik 'n ondeugende bliksem, 'k Voerde bar veel kattekwaad uit, en as 'k een dooie hond ving, bond ik 'm subbiet 'n touwtje om z'n nek en hing 'm an de bel bij de meester.

"Daarom most ik van school. En toe' zei papa: "die jonge van mijn zal 'k late studeere", wat ik ook deed tot me achttiende jaar in de rechte ... van 't Chineesche rijk! Maar daardoor wier ik natuurlijk niet langer kerksch.--Nee, da' begrijp je, want die boeke brachte mijn op een dwaalspoor. Toch heb ik mij nooit afgegeve met vreemde meisies, of ook soms Koning Alcohol gediend. Want 's avonds zat ik altijd in de Opera, voor huit sous, omda' 'k zoo'n gróót demecraat was, en as 'k thuis kwam om 12 uur lagge papa en mama al ter ruste, zoodat mijn geachte ouders hiervan nooit niks hadden bespeurd.

"Toch had ik daar netuurlijk in die Chineesche rechte verders geen zin, door de zwendelderij die ik in de wereld had ontmoet, en ben 'k heengegaan uit de academie na 't kantoor van ... Rothschild.

"Toe kwam ommers die Fransch-Duitsche oorlog. Nou, papa die kapitein van de garde nationale de Paris was, trok meteen z'n pakkie as kaptein uit en bedankte, want die zag ook de zwendelderij en wou z'n eige niet late omkoope as moordenaar, hoe 'n erge tegenstander ie ook was van Duitschland. Maar edel boven al.

"Daarom hebbe papa en ik same natuurlijk Napoléon op de vlucht gejaagd, en daar heb ik nooit spijt van gehad ... Nee, waarachtig niet! Zoo'n doerak.

"Voor die grappemakerij van de Commune vergaderde wijlie as samenzweerder op allerlei plaasse van de Rue St. Honoré, Rue Valmi, Rue St. Laurent, en bij papa. 't Ware 82 mannen en 14 vrouwen. En die de lont angestoke heeft bij de Tour Vendôme, was een zekere Sandant, later gewichtewerker, same met zijn ami intime Rollin, "Hercule du monde". Teminste: dat leert de geschiedenis zoo, maar die wete natuurlijk niet dat ik die Rollin was, hercule du monde,--zal je later beter verstaan.

"'t Gebeurde, zooals je weet oppe ... 13 September '68! Toen kwame wij tussche tiene en elve op de Place de la Bastille same; ik stong naast pa en tusschen 1 en 2 hebbe ze 'm de lucht in geblaze ... Jò, wat 'n knal. Da' was vuurwerk! En 'k wou dat alle millionnairs met die rot-automobiele van de wereld d'r in hadde gezete. Want daar heb 'k toch zóó 't smoor an, dat 'k er niet van ken slape!... En 'k hing! Om kort te gaan, nou most ik op de vlucht. Weg van mijn dierbare ouders en uit mijn geliefde vaderstad Parijs, want 't uur der wrake was geslage. Waar papa toe' gevloge is, heb ik nooit an de weet kenne komme, maar mama met me zuster Elizabeth zijn alleen thuis gebleve.

"Wij gingen te voet over St. Denis na Brussel. Sandant as gewichtewerker, waar ie an de honderdponders voor was geholpe, maar in andere kleere die zijn vrouw hem immédiatement had meegegeve, en ikke als Rollin, hercule du monde. De eerste nacht sliepe we al bij een boer, diep in 't veld, onder de bloote hemel; daar stuurde ma mijn die passende vrouwekleere na, met de boôschap, da 'k nou ook me baard af most schere. Toe was ik 22 jare oud en had 50 frank op zak. We reze ook nog in de trein, maar te voet ginge we over de Belgische grenze, anders ware we natuurlijk gesignaleerd.

"Mot je goed verstaan. Me hart trok na Holland, na Sluis as je weet, om rede ik daar in 't jaar 1877 was gebore, toen me ouwelui een rondreis maakte na Oostende, en mama in Sluis de kraam van mijn uit ging legge. Maar daarna namme ze mijn netuurlijk as echtelijk kind zijnde,--bébé juridique--mee na Parijs.

"Van daar dat 't bloed weer na Zeeland trok, en ik netuurlijk die Hollansche taal ook met de moedermelk had ingezoge. Ik liep dus van Antwerpe over Oude God na Breda. Toe sprak ik nog. Maar in Dordt ware me cente op, en nog altijd ter spraak, heb ik voor 't eerst van me leve op koste van de politie geslape in 't Logement de Drie Krone in de Wijnstraat. Die commissaris had dus medelije met mijn, en gaf me een kaartje voor de boot na Middelburg. Op die overtocht dacht ik: "as ik me stom houw, zal ik willicht de liefdadigheid opwekke van de mensche." Dus ik bestudeer die eerste rol, en in de Winterstraat op 't hoekie van 't Waaigat in dat logement van Tazelaar, voorheen Van Zwijneren, hieuw ondergeteekende zich of hij niet kon spreke. Toe zeit die vrouw: "Je mot mejelij hebbe met zoo'n man, want hij kan spreke nòch verstaan. Leg die man bove as alle mensche in bed legge, in die krip onder 't raam." Dat gebeurt. Maar in die linksche be'stee sliep me aanstaande vrou, Carline Borin. Daar krijg ik kennis an, hoewel ik geen geluid gaf. "Wat zal God nou geve?"--zeit zij nog. Maar 't was vlak bove de be'stee van vrouw Tazelaar. Die hoort dat, en zeit midde in de nacht tege mijn: "nou mot je eruit." Ik klee me an, en schrijf op me leitje: "Waar zij gaat, gaan ik mee." "Pas op"--zeit vrouw Tazelaar--"want die meid denkt zeker dat jij geld heb." "Nee"--zeit Carline--"ik zal zoolang jij stom en doof blijft die kost voor jou verdiene, want je ben een knap manspersoon ... al most ik ook an de huize anbelle ..."

"Nou, 'k ben vier jaar met Carline geweest, want ze was 'n beeldschoone vrouw, maar dat mensch het nooit me stem gehoord. As doofstomme trok ik met haar langs de weg om eerlijk ons brood te verdiene: marchant ambulant ... Ze heeft me vier zone geschonke!"

HOOFDSTUK VII.

Onder het vertellen door was Racier nu stil bedroefd geworden,--z'n gezicht zoo zwakjes bleek en weggetrokken; en z'n oogen zagen rood van 't verknepen schreien. Uit z'n fanatieke fantasieën scheen hij nu moe neergezakt in echt menschelijke kleingevoeligheid, de zielige held van eigen ziekelijke verbeelding.

Hij had toch ook zoo ziels veel van dat wijf gehouden!--brak even z'n stem.--En nog telkens trok ze 'm. Wáár ie dan ook in de wereld zweeft,--as 't teminste in geen cel is, dat 't verlangen na z'n liefde in z'n hart schiet--maar dan mot en zal ie na De Haag. En stiekum sluipt ie as 'n dief dat ongelukkige straatje in, waar d'r man die slaapstee houdt. "As 't mooi weer is, zit ze dan nog wel 's buite op d'r stoel, want ze is netuurlijk lam hè, zooas die vent haar heeft mishandeld ... Dat het ze an mijn verdiend ... Wat er naast valt is nòg zonde ... Zoo zit die haat vast ingekankerd in mijn borst ... Want as 'k 'r zie, oud en verslete met d'r verstijfde lijf, dan zien 'k nòg in dat gezicht die trekke van mijn beeldschoone meid ...